‘Betrokkenheid van Bouhouche en Beijer onvoldoende onderzocht’

1 juli 1997

‘Materiële bewijzen dat Bouhouche en Beijer betrokken waren bij de Bende-moorden, zijn er vooralsnog niet, maar vermoedens des te meer. Dat is al sinds 1987 onze diepste overtuiging, maar helaas is deze hypothese om tal van redenen jarenlang onvoldoende onderzocht. Gelukkig gebeurt dit vandaag de dag wel’. Dat verklaarde maandag de commissarissen van gerechtelijke politie Jean-Pierre Doraene en Bernard Noël voor de parlementaire onderzoekscommissie Bende van Nijvel-bis.

Doraene en Noël waren van 1986 tot oktober 1990 nauw betrokken bij het onderzoek naar de moord op FN-directeur Juan Mendez. Moord die leidde tot de arrestatie van de gewezen rijkswachters Madani Bouhouche en Robert Beijer. In de marge van dit onderzoek stootte Doraene vrij snel op een aantal aanwijzingen dat het duo minstens meer wist van de Bende-moorden, maar men liet hem aanvankelijk niet toe deze piste verder uit te diepen.

Dat had hoofdzakelijk te maken met meningsverschillen tussen onderzoeksmagistraten en procureurs en tussen politiediensten onderling, zo bleek maandag. Belangrijkste hinderpaal in dat alles was onderzoeksrechter Yves Hennart die uitermate beducht was voor een ontsporing van zijn onderzoek en daarom elke vermenging met het Bende-dossier verhinderde. ‘Wie zich niet aan deze regel hield werd uit het onderzoek geweerd,’ zo bevestigde deze magistraat twee weken terug zelf voor de Bende-commissie. Een stelregel waar Doraene en Noel de dupe van werden.

Hennart hield namelijk zo sterk aan zijn onafhankelijkheid als onderzoeksrechter, dat hij in oktober 1990 – zonder objectieve redenen – de gerechtelijke politie uit het onderzoek Mendez weerde, zo stelden de getuigen gisteren. ‘Beducht als hij was voor eventuele beïnvloeding vanuit het parket van procureur des konings Deprêtre, de hiërarchische overste van de gerechtelijke politie.

Maar dat was een louter formalistisch argument, zo betoogden de commissarissen maandag. ‘Deprêtre oefende geen enkele druk uit en stimuleerde integendeel de uitwisseling van informatie tussen Nijvel en Charleroi. Objectieve redenen om ons het onderzoek te ontnemen waren er niet,’ aldus beide getuigen.

Doraenes indruk dat Bouhouche en Beijer meer wisten van de Bende-moorden dateert al van 1988 toen het beruchte ‘pistool in de Bologne-sesaus’ aan de orde was. Het pistool dat had moeten dienen om Bouhouche uit de gevangenis te bevrijden. Volgens wapendeskundige Dery was dit pistool wellicht ook gebruikt bij een aantal aanslagen van de Bende.

Toen Bouhouche werd geconfronteerd met deze ballistische hypothese, was hij volstrekt het noorden kwijt en verklaarde hij spontaan dat zijn kompaan Beijer – toen nog geen verdachte maar tipgever – hem een loer had gedraaid. ‘Hoogst eigenaardig voor een man die zelfs voldongen feiten ontkende,’ aldus Doraene, die er alvast uit afleidde dat Bouhouche de mogelijkheid onderkende dat het wapen was gebruikt bij de Bende-moorden. ‘Ik beschikte uiteraard niet over een doorslaggevend materieel bewijs, maar wel over een zeer sterke hypothese die men al in 1988 had moeten uitdiepen.’

Uiteindelijk zou dit pas met vele jaren vertraging gebeuren. Als chef van de dienst ter bestrijding van de economische en financiële criminaliteit, werd Doraene pas in 1995 op initiatief van oud procureur-generaal Demanet, volwaardig bij het Bende-onderzoek betrokken. Met als eerste opdracht het natrekken van de Bouhouche-Beijer-hypothese.

Bron » De Tijd

Tags: , , , ,

Menu