Interview met gewezen minister van Justitie Marc Verwilghen

28 februari 2004

Marc Verwilghen doet geen moeite om het te ontkennen. Als minister van Ontwikkelingssamenwerking voelt hij zich veel beter in zijn sas dan op het departement Justitie, dat hij van 1999 tot 2003 leidde. “Ik wist natuurlijk dat het op Justitie niet makkelijk zou zijn. Maar ik had nooit gedacht dat de weerstand zo groot zou zijn.”

Verwilghen maakt zich op de dag van ons gesprek klaar voor alweer een reis naar Afrika. Zijn koffers staan tegenwoordig altijd klaar. Dat was wel anders toen hij minister van Justitie was. Elk dag moest hij klaarstaan om het volgende binnenlandse brandje te blussen. “Op Justitie kon in geen dag uit de media blijven. Nu moet ik hemel en aarde bewegen om nog eens in de krant te komen.”

De oud-voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie-Dutroux kijkt, “zoals elke burger in dit land”, met enige verwachting uit naar het proces tegen Dutroux en zijn handlangers, dat op 1 maart voor het hof van assisen in Aarlen van start gaat. “Ik hoop dat het gerecht deze zaak, die de Belgische bevolking zo sterk heeft beroerd, op een professionele manier weet af te handelen. Ook al zal dat niet makkelijk zijn.”

Wat doet het u dat het proces tegen Dutroux eindelijk van start gaat?

“Ik heb daar geen speciale gevoelens bij. Dat ik voorzitter van de onderzoekscommissie naar de ontvoerde meisjes of minister van Justitie ben geweest, doet niets ter zake. Ik hoop zoals elke Belg dat recht zal geschieden. En dat we eindelijk vernemen wat er allemaal gebeurd is.”

Weet u dat dan niet door uw werk in de commissie-Dutroux?

“Nee. Het strafdossier waarin wij als leden van de onderzoekscommissie inzage kregen, sloeg op de feiten vanaf de aangifte van de verdwijning van de meisjes tot de ontmaskering van Dutroux in augustus 1996. Wat daarna is gebeurd, is een zaak van het gerecht. Ik ken de inhoud van het strafdossier niet.”

“Ik wil dit toch duidelijk maken: het assisenproces in Aarlen is de gerechtelijke afhandeling van het onderzoek dat de voorbije jaren is gevoerd. Onze opdracht als onderzoekscommissie was na te gaan of de politiediensten en de justitie op een aanvaardbare manier hadden gefunctioneerd bij de zoektocht naar de meisjes. Als dat niet het geval was, moesten we daarvoor de verantwoordelijkheden vastleggen en aanbevelingen formuleren om zulke miskleunen te voorkomen. De onderzoekscommissie had dus een politieke opdracht, een controlerende opdracht die zijn oorsprong vond in de grondwet.”

De commissie-Dutroux was niet de eerste parlementaire commissie die vaststelde dat er wel wat misliep bij politie en justitie. Toch had geen enkele onderzoekscommissie zo’n impact als de uwe. Hoe verklaart u dat?

“Het gaat over feiten die niemand onverschillig laten. Er is niets dat mensen zo aangrijpt als het lot van hun of andermans kinderen. Ik herinner me als gisteren de brief van de ouders van Julie en Melissa, waarin ze maar liefst 58 onbeantwoorde vragen stelden aan de toenmalige minister van Justitie (Stefaan De Clerck, red.).”

“Daarnaast hadden we beslist dat de onderzoekscommissie in volle openbaarheid zou werken, met de rechtstreekse televisieuitzendingen tot gevolg. De bevolking kon onze werkzaamheden dag na dag volgen en moedigde ons in ons werk aan. Dat was uniek in onze geschiedenis. Het ging om een vorm van toegepaste democratie.”

En voor één keer stelde het parlement een onderzoek in kort nadat de feiten zich hadden voorgedaan. Bij de moorden van de Bende van Nijvel kwam het parlementair onderzoek er pas vier jaar na de laatste aanslag.

“De oprichting van de onderzoekscommissie was een vrijwel onmiddellijk antwoord op de arrestatie van Dutroux. In de maanden daarvoor waren kinderen op onverklaarbare wijze verdwenen. En na de ontmaskering van Dutroux gaven de politiediensten en de justitie zelf aan dat er van alles was misgelopen. Ze gaven zelf de voorzet en lieten daarbij niet elkaar de zwartepiet toe te spelen.”

Niet de commissie-Dutroux legde de mankementen in het onderzoek naar de meisjes bloot, maar de politie en het gerecht zelf.

“Inderdaad. Bijna elke dag werden we wakker met een nieuwe onthulling. Nu eens bleek de hoofdverdachte al eerder soortgelijke feiten te hebben gepleegd en vervroegd te zijn vrijgelaten. Dan weer werd hij na zijn vrijlating nauwelijks opgevolgd.”

En toen kwam de onderzoeksrechter Martine Doutrèwe in de commissie verklaren dat de rijkswacht vitale informatie over hun speurwerk hadden achtergehouden, terwijl de rijkswachters onder eed zeiden dat ze alle gegevens aan de onderzoeksrechter hadden doorgespeeld, maar dat die nauwelijks in dat onderzoek geïnteresseerd was.

“In die confrontaties tussen de speurders en de magistraten ligt volgens mij de werkelijke betekenis van de onderzoekscommissie. Enerzijds had je politiediensten die in een onderlinge concurrentiestrijd waren verwikkeld en elkaar vliegen probeerden af te vangen. Die politiediensten beschikten over een pak informatie over de verdwijningen, maar hielden die voor zichzelf, in de hoop te kunnen scoren.”

“Anderzijds had je de magistraten die niet bij machte bleken gerechtelijke onderzoeken te leiden en op te treden tegen politiemensen die voor hen informatie achterhielden. (ferm) Tot vandaag zijn er parketmagistraten en onderzoeksrechters die niet vertrouwd zijn met het politiewerk op het terrein.”

Die analyse was niet nieuw. De onderzoekscommissies naar de Bende van Nijvel, naar de mensenhandel, naar de sekten, waren tot dezelfde vaststellingen gekomen.

“Die analyse was tot vervelens toe gemaakt, maar er veranderde weinig. Met de commissie-Dutroux dacht iedereen: nu is het tijd dat er eindelijk iets aan gedaan wordt. Maar zelfs na de Witte Mars bleef alles bij het oude. Het was gauw weer business as usual . Na het werk van de onderzoekscommissie werden wel enkele hervormingen in gang gezet, maar bijvoorbeeld op het vlak van de politiehervorming was de toenmalige regeringsleider, Jean-Luc Dehaene, hoegenaamd niet van plan de reorganisatie door te voeren die wij hadden voorgesteld.”

Daarvoor was de ontsnapping van Dutroux nodig, twee jaar later.

“Sindsdien is het razend snel gegaan, met de Octopus-akkoorden tussen de acht partijen als resultaat. De politieke wereld besefte toen pas dat ze het resoluut over een andere boeg moest gooien. Zo niet verloor ze elke geloofwaardigheid.”

De commissie fungeerde ook als bliksemafleider. Ze kanaliseerde de woede bij de bevolking.

“Onze werkzaamheden hadden een louterend effect, ja, maar dat beseften wij niet op dat ogenblik.”

Het gerechtelijk onderzoek sleepte bijna acht jaar aan, dat is toch veel te lang?

“Het onderzoek heeft te lang geduurd, maar dat is eigen aan alle grote misdaadonderzoeken in dit land. De moord op Karel Van Noppen dateerde van 1995 en is ook pas in 2002 voor de rechter gebracht. Nagenoeg alle misdaadonderzoeken nemen te veel tijd in beslag. Dat is een gevolg van de assisenprocedure.”

De assisenprocedure heeft daar toch niets mee te maken?

“Toch wel. De onderzoeksrechter wil met de volksjury niet voor verrassingen komen te staan en stelt alles in het werk om zijn dossier zo waterdicht mogelijk te maken. In andere landen – Nederland, Duitsland – stapt de openbaar aanklager met zijn dossier naar de rechter zodra hij voldoende bewijzen tegen een verdachte heeft verzameld. Dat gaat heel wat sneller.”

“Ik heb het ook altijd als een anachronisme ervaren dat wij halfzware misdrijven aan het oordeel van beroepsrechters voorleggen en de zwaarste misdrijven, moorden bijvoorbeeld, aan een jury van leken. Niet dat ik twijfel aan de ernst waarmee juryleden zich van hun taak kwijten. Maar als je ziek bent, ga je naar de dokter. Als je ernstig ziek bent, ga je naar een specialist of het ziekenhuis, en niet naar twaalf mensen die willekeurig op straat zijn gekozen.”

Een verklaring waarom gerechtelijke onderzoeken bij ons zo lang duren, is dat de Belg weinig vertrouwen heeft in zijn justitie. Daardoor moet elke deur die in een onderzoek wordt opengezet, eerst worden gesloten, anders is er sprake van een doofpotoperatie. En de commissie-Dutroux heeft dat wantrouwen tegenover de rechterlijke wereld alleen maar aangewakkerd.

“Bij mijn weten bestond dat wantrouwen al in 1830, toen in onze grondwet werd vastgelegd dat misdaden, politieke misdrijven en persmisdrijven aan de beoordeling van een assisenjury worden voorgelegd. De stichters van België hadden geen vertrouwen in de rechters die door de Nederlandse koning waren benoemd.”

“Leden van het volk zouden onder meer over de zwaarste misdrijven, de misdaden, een uitspraak doen. Dat getuigt pas van wantrouwen tegenover de justitie. Onze opdracht bestond er onder meer in na te gaan of er geen sprake was van bescherming van de verdachten door sommige politiemensen of magistraten.”

Ook dat was toch een uiting van wantrouwen?

(heftig) “Maar niet wij hebben het idee van bescherming gelanceerd. Sommige personen hebben daarover verklaringen afgelegd tegenover het gerecht. En de bevolking verwachtte toen dat de onderzoekcommissie dat zou natrekken. Maar we hebben snel moeten vaststellen dat wij daar niet toe in staat waren, dat wij daarvoor niet over de nodige instrumenten en bevoegdheden beschikten. Wij konden geen antwoord geven op de vraag: was er nu sprake van bescherming of niet? Dat is uiteindelijk een vraag die alleen de procureur en de onderzoeksrechter in dit dossier kunnen geven.”

U voelt zich niet aangesproken als men zegt dat de commissie-Dutroux het idee heeft gelanceerd dat er een netwerk van hooggeplaatsen achter de ontvoering van de kinderen zat?

“Nee, dat idee is ontstaan door de getuigenissen van sommige personen tegenover de magistraten die het onderzoek hebben gevoerd. Wij hebben wel moeten vaststellen dat wij als onderzoekscommissie in het vaarwater zijn terechtgekomen van de mensen die in dat netwerk geloven.”

De believers.

“Zowel de believers als de non-believers hebben de onderzoekscommissie proberen te gebruiken om hun gelijk te bewijzen.”

Is er van de aanbevelingen van de commissie voldoende uitgevoerd?

“Alles kan natuurlijk beter, maar ik herinner me de tijd dat kinderen verdwenen zonder dat politie of justitie daar een antwoord op wisten te geven. Dat is gelukkig verleden tijd. Een mooi voorbeeld was de snelle oplossing van de verdwijning van de kleine Zakaria in Brussel. In een minimum van tijd wist het gerecht het kind terug te vinden en de dader de ontmaskeren. De houding van de politie en justitie tegenover onrustwekkende verdwijningen is grondig veranderd. Ook Child Focus werkt naar behoren.”

“De belangrijkste realisatie voor mij is dat de oorlog tussen politiediensten is beëindigd. Ik zeg daarmee niet dat met de politiehervorming op het terrein alles gesmeerd loopt. De informatie-uitwisseling tussen politiemensen kan zeker nog beter.”

“Daarnaast zijn de parketten vandaag veel beter gewapend in de strijd tegen de misdaad, zeker als het gaat om misdaad die de grenzen van de gerechtelijke arrondissementen of van de landsgrenzen overstijgen. Gerechtelijke onderzoeken die vroeger vaak vastliepen, worden nu vooruitgeholpen door het gebruik van speciale opsporingstechnieken.”

De wet op de opsporingstechnieken kwam er pas in 2003.

“Er is nog werk aan de winkel, ja. Ik heb als minister van Justitie zelf gewerkt aan de uitvoering van de aanbevelingen van de onderzoekscommissie. En ik heb aan den lijve ondervonden welke weerstanden er overwonnen moesten worden. Ik heb meermaals moeten vaststellen dat de Franstalige socialisten van de PS een heel andere visie op de zaken hadden dan wij.”

“Neem nu het aanvaarden van anonieme getuigen en spijtoptanten. Een van de aanbevelingen van de onderzoekscommissie was dat de bewijsvoering moest worden gemoderniseerd. De spijtoptanten waren daar een onderdeel van. Maar één man heeft die regeling over de spijtoptanten tegengehouden.”

Elio Di Rupo, de voorzitter van de PS, die een heel nare ervaring heeft gehad met een onbetrouwbare anonieme getuige (die Di Rupo beschuldigde van seks met een minderjarige, red.).

“Ik weet dat hij een slechte ervaring heeft gehad, maar het is toch onbegrijpelijk dat hij daarvoor een regeling over een moderne bewijsvoering tegenhoudt. De Raad van Europa dringt nochtans op zo’n regeling aan.”

“Het jeugdsanctierecht is nog een voorstel dat het door de PS niet gehaald heeft. Nochtans zijn er geen tien oplossingen om delinquente jongeren aan te pakken. En ik stel tot mijn verbazing vast dat mijn opvolgster opnieuw een beroep doet op mijn adviseur voor het jeugdsanctierecht, Christian Maes.”

Deelt u de conclusie dat de hervormingen bij de justitie te lang op zich laten wachten?

“Nee. De hervormingen zijn misschien minder zichtbaar, spreken minder tot de verbeelding. Als je de rijskwacht en de gemeentelijke politie afschaft en je plaatst beide in eenzelfde combi, tja, dan is die hervorming visueel heel herkenbaar. De instrumenten die de rechterlijke macht ter beschikking kreeg, zijn minder zichtbaar, maar ze zijn er: het federaal parket, de proactieve recherche, het informantenbeheer, de speciale opsporingsmethoden.”

U bent niet pessimistisch over de hervormingen bij justitie?

“De prioriteit die de justitie in 1996 van de politieke wereld kreeg, en die aanhield tot 2000-2001, is aan het wegebben. Justitie staat niet meer bovenaan op de politieke agenda. Dat het budget voor justitie maar moeizaam stijgt, stemt me pessimistisch. Ik heb als minister van Justitie bij elke begrotingsronde moeten knokken om voor mijn departement wat meer geld te krijgen. Een verdubbeling van de middelen, zoals ik vroeg, heb ik niet verkregen. En ik stel vast dat ook mijn opvolgster het met een luttele vier procent budgetverhoging moet stellen.”

Volgens uw expert in de onderzoekscommissie, Brice De Ruyver, heeft de magistratuur u nooit vergeven dat u sommige magistraten hebt geschoffeerd. Daarom heeft de rechterlijke macht u tegengewerkt.

“Ik ben ongetwijfeld op weerstand bij de rechterlijke macht gestoten. Maar de verklaring daarvoor is dat een minister van Justitie moet opereren op het spanningsveld tussen de politieke en de rechterlijke macht. En dat is een spanning die moeilijk te managen is. Ik heb dat geleerd uit gesprekken met mijn voorgangers op Justitie, maar ook met de Europese ministers van Justitie. Wij allen hebben op die weerstanden gebotst. Dat is typisch aan het departement Justitie.”

U had met de commissie-Dutroux ook te hoge verwachtingen gecreërd. Uw opdracht als minister van Justitie kon daardoor niet anders dan mislukken. De Witte Ridder moest wel van zijn paard vallen.

“Ik dacht: de aanbevelingen zijn goedgekeurd met unanimiteit, de uitvoering ervan zal niet op al te grote weerstanden stuiten. Maar ik heb me daarop verkeken. Ik geef toe dat ik daardoor niet alle verwachtingen heb kunnen inlossen. Sommigen besluiten daaruit: Verwilghen heeft gefaald. Anderen weten dat ze met dezelfde weerstanden geconfronteerd waren geweest.”

Hoopt u dat later zal blijken dat u gelijk had?

“Op termijn zal blijken dat ik principieel gelijk had, maar dat ik politiek niet altijd gelijk heb gekregen.”

Zou de affaire-Dutroux zich vandaag kunnen herhalen?

“Geen enkele samenleving kan zich voor honderd procent beschermen tegen figuren als Dutroux. Maar de onrustwekkende verdwijningen van kinderen zijn sterk teruggelopen en de aanpak van deze vorm van criminaliteit is duidelijk verbeterd. Ik vrees alleen dat daders van seksuele misdrijven nog altijd te weinig worden opgevolgd.”

“Als minister van Justitie kon ik dat nog wat opvangen door die daders niet vervroegd vrij te laten. Maar ik stel vast dat vele van die daders nu opnieuw in de vrije natuur worden losgelaten, onder meer om de overbevolking in de gevangenissen de baas te kunnen. Dat is een zorgwekkende evolutie.”

Bron » De Standaard | Filip Verhoest

Tags: , , ,

Menu