Hoe louche was het speurwerk van Bouhouche? Zijn dossiers gekraakt

7 januari 2006

De speurders van de Cel Waals Brabant kwamen deze week terug uit Fougax-et-Barrineuf in de Pyreneeën met dertig beveiligde en dus voorlopig nog onleesbare diskettes. Gevonden in het krot van wijlen Madani Bouhouche. De Morgen heeft alvast één diskette gekraakt, al is er geen enkele zekerheid dat die tot de recente vondsten behoort.

Daarop staat de database van ARI, het detectivebureau van Bouhouche en Beijer. Ze bevat soms verrassende namen van opdrachtgevers, klanten, targets. Na een zoektocht van twintig jaar die geen enkel tastbaar resultaat heeft opgeleverd, pruttelde het onderzoek naar de Bende van Nijvel op een ultralaag pitje.

Het overlijden van Bouhouche heeft het vuurtje echter onverhoopt doen opflakkeren. Er groeit opnieuw de hoop dat het raadsel van de Bende en de vele aanverwante onopgehelderde misdaaddossiers uit de jaren tachtig misschien toch nog zullen kunnen worden opgelost. Menig amateurspeurder en onderzoeksjournalist dook deze week in kelders, kasten en archieven en haalde beduimelde dossiers van onder het stof.

Zo kreeg de redactie, dankzij de commotie rond de dood van Bouhouche, inzage in de tot nog toe onbekende database van Agence de Recherche et d’Information, het Brusselse detectivebureau dat in de jaren 1984-’85 werd geleid door Bouhouche en zijn kompaan Robert ‘Bob’ Beijer.

De databank blijkt een goudmijntje te zijn: ze omvat meer dan 825 bestanden en duizenden namen van opdrachtgevers, klanten, targets, medewerkers, kandidaat-werknemers en andere relaties van de twee gevaarlijke gangsters. De databank van ARI geeft een goed beeld van het netwerk waarin Bouhouche en Beijer destijds opereerden.

Beide ex- BOB’ers waren begin jaren tachtig net uit de rijkswacht gezet wegens het afluisteren van collega’s en hun mogelijke betrokkenheid bij aanslagen op collega-rijkswachters en de beruchte wapendiefstal bij de Groep Diane. Onder het mom van hun detectivebureau konden ze hun illegale praktijken gewoon voortzetten. Uit de gegevens van hun database blijkt dat het duo aansluiting vond bij een sterk internationaal vertakt netwerk dat zich bezighield met inlichtingenwerk, wapenhandel en covert operations.

Behalve routineuze detectiveklusjes voor verzekeringsmaatschappijen, kredietkaartfirma’s en jaloerse echtgenotes hield ARI zich ook op zeer professionele manier bezig met het verzamelen van politieke en criminele inlichtingen. Bouhouche en Beijer konden daarbij steunen op microfiches van de rijkswacht die ze hadden ontvreemd. In hun database staan vele verwijzingen naar die microfiches.

Blijkbaar hadden ze ook toegang tot vertrouwelijke gerechtelijke dossiers, onder meer van de toenmalige onderzoeksrechters Véronique Paulus de Châtelet en Jean-Michel Schlicker. In bepaalde gevallen bleek ARI in staat om op zijn beurt de officiële politiediensten in te schakelen. Fiche 37 vermeldt in elk geval: ‘op onze vraag, interventie BOB Brussel’. Ook telefoontap en wellicht ook inbraak en chantage behoorden voor ARI tot de mogelijkheden.

Klanten of opdrachtgevers van het detectivebureau waren in vele gevallen ex-collega’s van de BOB of de Gerechtelijke Politie. Heel wat klanten werden aangebracht door advocaten, in totaal bijna honderd, onder wie bekende namen zoals Jean-Paul Dumont (raadsman van talrijke extreem rechtse militanten), Pierre Chomé (zoon van Mobutu-opponent Jules Chomé en onderzoeksrechter Francine Lyna), Mario Spandre (raadsman van Moïse Tsjombé), Edouard Jakhian of Thomas Delahaye.

Een rijkswachter die lid was van de Brusselse Infosectie van de BOB en daar onder meer belast was met onderzoek naar extreem rechtse groepen in Vlaanderen, vroeg bijvoorbeeld aan ARI informatie over ene Vanhecke. Bedoeld is waarschijnlijk André Vanhecke, de oprichter van Cosmos, de inlichtingendienst van het Vlaams Blok (fiche 397). Pikant is wel dat deze BOB’er door zijn Franstalige collega’s werd verdacht van VMO-sympathieën.

Een majoor van de luchtmacht uit Zaventem, die werkte voor de militaire inlichtingendienst SGR, deed eveneens een beroep op ARI, net als een agent van de Staatsveiligheid. Uit de database blijkt onomstotelijk dat ARI rechtstreekse contacten onderhield met en opdrachten uitvoerde voor de Amerikaanse ambassade in Brussel en de Belgische antenne van het Drug Enforcement Agency (DEA). Ook individuele Amerikaanse prominenten deden een beroep op ARI. Richard C. Strauss bijvoorbeeld, een Texaanse advocaat en gewezen minister onder president Nixon, besloot op voorspraak van burggraaf Etienne Davignon (topman van de toenmalige Generale Maatschappij) Bouhouche en Beijer in te schakelen.

Strauss vroeg en kreeg inlichtingen over het Belgische vriendje van zijn dochter Tania, een student uit Schaarbeek. Nog andere klanten van ARI werden aanbevolen door oud-rijkswachtkolonel René Mayerus, directeur van het European Institute of Management (EIM), eveneens een privé-inlichtingendienst, met zetel pal tegenover de Amerikaanse ambassade aan de Brusselse Kunstlaan. Voorzitter van EIM was de vroegere Amerikaanse ambassadeur in Brussel, Douglas Mac Arthur II junior, de zoon van de bekende generaal uit de Tweede Wereldoorlog.

De eigenaar van EIM was wijlen Michel Relecom, zakenman met belangen in Zaïre, vertrouweling van president Mobutu en voorzitter van de Belgisch-Afrikaanse Kamer van Koophandel. EIM had destijds in Zaïre verschillende contracten lopen met de overheid. In België verwierf de zonderlinge firma, dankzij Mayerus, contracten met onder andere het ministerie van Buitenlandse Zaken voor de beveiliging van diplomatieke bijeenkomsten en topconferenties in diverse kasteeldomeinen van het departement, zoals het Egmontpaleis. Mayerus bracht Bouhouche en Beijer voorts in contact met het Amerikaanse commerciële inlichtingenbureau International Intelligence Inc. (Intertel).

In opdracht van Intertel, zo leert de database, onderzocht ARI bijvoorbeeld een firma die kantoren had aan het Brusselse de Meeusplein, toevallig recht tegenover de toenmalige hoofdzetel van de Staatsveiligheid. ARI legde ook contacten met de Haïtiaanse ambassade in Brussel met het oog op eventuele politiek asielaanvraag voor de Haïtiaanse dictator Jean Duvalier. Een oude bekende op de klantenlijst van ARI is de Saoedische geheimagent Faez El Ajjaz, die zich voor journalist uitgaf. In hun databank brengen Bouhouche en Beijer hem in verband met de affaire-Vernaillen (de moordaanslag op rijkswachtmajoor Herman Vernaillen), WNP en European Institute of Management.

Minder voor de hand liggend was dat het detectivebureau regelmatig informatie inwon op vraag van het weekblad Pourquoi Pas? Intensieve relaties bestonden er ook tussen ARI en baron Jean de Barsy, een berucht financier die later in de criminaliteit verzeilde. Als oplichter en witwasser bleek de Barsy samen te werken met figuren die gelieerd zijn met de bende-Haemers zoals Maurice Lammers, vader van WNP’er Erik Lammers.

Tientallen Europese ambtenaren in Brussel, maar ook leden van de Europese interne veiligheidsdienst en een enkel Europarlementslid werden door ARI bespied. Hun fiches bevatten gedetailleerde informatie over hun adres, familiale toestand, kinderen, telefoonnummers, auto’s, tijdsgebruik en gewoontes (‘frequenteert Chinese restaurants’), talenkennis (‘praat met een zwaar Duits accent’), gezondheidstoestand, kleding (‘target draagt vaak een imperméable’), het bestaan van alarmsystemen in hun woning en hoe die kunnen worden uitgeschakeld, de eventuele aanwezigheid van gevaarlijke honden, seksuele voorkeur en namen van maîtresses.

Die grote belangstelling voor de Europese instellingen kan te maken hebben met de doelbewuste pogingen die in de jaren zeventig en tachtig vanuit extreem rechtse hoek ondernomen werden om de interne veiligheidsdienst van de Europese Commissie te infiltreren. Opvallend veel politiemannen, militairen, agenten van inlichtingendiensten en zelfs magistraten worden bespioneerd door ARI. Een commissaris van de toenmalige Gerechtelijke Politie uit Zottegem bleek een target omdat hij verdacht werd van een autodiefstal.

Er bestond ook een fiche over Gustave Keteleer, spilfiguur van de Ecooviesekte (‘gezocht voor oplichting, bevindt zich mogelijk in de buurt van Wilrijk’). Zelfs Juliaan Van Hoeylandt, toenmalig procureur des Konings in Antwerpen, zat in de database. ‘Corruptie’, zo luidt de commentaar bij deze magistraat. ‘Target zou geld krijgen van casino’s.’ Bedrijfsleiders, wapenhandelaars, prostituees, diamantairs, journalisten, vakbondsleiders, communisten: niemand was veilig voor het speurwerk van Bouhouche en Beijer.

In hun databank vinden we Jean-Pierre Dutry terug, een schoonzoon van PSC-politicus Paul Vanden Boeynants. Dutry werd door ARI in de gaten gehouden in opdracht van zijn echtgenote, Anne Vanden Boeynants, die op zoek was naar belastende feiten met het oog op een echtscheiding. De fiche van een Brusselse accountant vermeldt dan weer als commentaar dat ‘target hooggeplaatste relaties zou hebben, meer bepaald met VDB’.

Andere targets waren belangrijke bedrijfsleiders, zoals Hyppolite Haelterman (van de gelijknamige brouwerij), Patrick De Pauw (zoon van de legendarische Brusselse bouwtycoon Charlie De Pauw, een trouwe vriend van VDB) of Thierry de Broqueville, een directeur van de BBL. Het detectivebureau van Bouhouche had ook veel belangstelling voor wapenhandelaars, zoals blijkt uit de bestanden van Maxime de Cassan-Floyral (een Franse wapenhandelaar) en Georges Drouviotis (een Griek die meewerkte aan Irancontragate).

Een belangrijke relatie van ARI was de Palestijns-Libanese wapentrafikant Maroum Hage, die tijdens de Libanese burgeroorlog vanuit België wapens-voor-drugsdeals organiseerde met de Libanese extreem rechtse Falangisten. De dochter van Hage, Suzanne, werkte zelfs een tijdje voor ARI. Jean Gordower, zoon van de Brusselse zakenman Boris Gordower, was eveneens een target. ‘Gekend als communist, kandidaat bij verkiezingen, talrijke reizen naar het Oosten’, zo luidt de commentaar bij zijn naam. Vader Gordower was een directe medewerker van gewezen KP-leider Louis Van Geyt.

Ook het bespieden van vakbondsvergaderingen, onder meer op de luchthaven van Zaventem, behoorde tot de activiteiten van ARI. In de databank zitten gegevens over een hele reeks prostituees. Eentje staat vermeld als ‘concubine van Mobutu’. De mogelijke reden hiervoor kwam pas in 1997 aan het licht tijdens de werkzaamheden van de twee parlementaire onderzoekscommissie naar de Bende van Nijvel.

Volgens verklaringen van speurders zouden Bouhouche en Beijer immers een deel hebben overgenomen van het callgirlnetwerk van de Brusselse courtisane Fortunato ‘Tuna’ Israë, de voormalige vriendin van wapenleverancier en VDB-vriend Roger Boas, en haar opvolgster Lydia Montaricourt.

De bedoeling was om callgirls op politici af te sturen om op die manier gevoelige informatie in te winnen of politici te chanteren. In het kader van het onderzoek naar de moord op FN-wapenhandelaar Juan Mendez heeft het gerecht kunnen vaststellen dat Bouchouche en Beijer vanaf december 1985 de telefoon afluisterden van Marcel Lemmens, chef van de veiligheidsdienst van Sabena.

In de database van ARI zit een fiche over Lemmens, opgesteld in 1983, met onder andere een lijst van veertien nummerplaten van auto’s waarover ‘target’ beschikte. Ook piloten, technici van Sabena en ingenieurs van Eurocontrol werden in de gaten gehouden. Mogelijk had dat alles verband met de overval op Francis Zwarts. Die bewakingsagent werd in 1982 op de luchthaven van Zaventem beroofd door mannen in rijkswachtuniformen. Zwarts verdween spoorloos en werd vermoedelijk vermoord.

De zaak-Zwarts is overigens een van de weinige affaires waarvoor Bouhouche werd veroordeeld. Talloze EU-ambtenaren en -veiligheidsmensen werden door ARI bespied. Hun fiches bevatten informatie over hun familiale toestand, gewoontes, adres en alarmsystemen daar, seksuele voorkeur en namen van maîtresses.

Bron » De Morgen

Tags: ,

Menu