Analyse: De moord op André Cools

18 juli 2011

Niettegenstaande de vele communautaire en andere spanningen in België, is politiek geweld bij ons zo goed als onbestaande. Oud-premier Marc Eyskens zei het ooit zeer bloemrijk: “In België vloeit de zever overvloedig, maar bloed vloeit er nooit!” Donderdagmorgen 18 juli 1991 vond de uitzondering plaats die deze regel bevestigt. Om half acht ’s ochtends in Luik op de parking van het appartementsgebouw waar hij woonde, kogelde een onbekende de PS-toppoliticus Cools neer.

De komst van de hulpdiensten kon niet baten. Het was geleden van 1950 dat een parlementslid in functie vermoord werd. Ook toen ging het om een Luiks politicus, de communist Julien Lahaut die een week voordien de eedaflegging van kroonprins Boudewijn had verstoord met de kreet “Vive la République!”

André Cools was jarenlang de absolute alleenheerser in de PS(B). Hij was tien jaar voorzitter geweest en lange tijd vicepremier. Hij was één van de architecten van het afgeschoten Egmontpact dat onder meer een regeling bood voor Brussel-Halle-Vilvoorde, via een tijdelijk inschrijvingsrecht in Brussel. Hij was ook Minister van Staat. Toen hij vermoord werd, was zijn actieve politieke carrière grotendeels voorbij.

Hij was nog burgemeester van het kleine Flémalle en parlementslid. Toch bleef hij nog ‘sterke man’ binnen de PS. Al leed hij in Brussel wel invloedverlies omdat voorzitter Guy Spitaels zijn opgang aan het maken was als ‘Dieu’. Maar in Luik deelde André Cools nog altijd de lakens uit.

Hij kon politieke carrières maken of kraken. Zo lanceerde Cools Laurette Onkelinx op de Luikse PS-lijst, dochter van Cools-compaan Gaston Onkelinx, vakbondsman en later PS-senator.

In zijn nadagen bekommerde Cools zich ook om de lamentabele economische toestand in zijn thuisstad Luik. Hij zag hoe de Generale Maatschappij steeds minder investeerde in de regio. Hij betreurde neergang van de staalindustrie (Cockerill-Sambre, Tubemeuse) en de wapenindustrie (FN).

Met geld van allerhande overheidsinstellingen (Omob, intercommunales,…) probeerde hij de Luikse economie op te vijzelen. Hij ging daarbij zonder al te veel scrupules te werk. Hij zei ooit: “Vanden Boeynants is de gangster van de privésector” en hij voegde eraan toe dat hij “de gangster van de openbare sector” was.

Zoon Marcel Cools wond er geen doekjes om: “Als een wet hem niet aanstond omdat die de uitvoering van zijn plannen bemoeilijkte of verhinderde, dan bruskeerde hij de wet gewoon.” Dat gaf hij zonder verpinken toe: “ik misbruik mijn macht, maar ik doe dat in het belang van de Waalse Gemeenschap.”

Dat leverde resultaat op. Zo was Cools de stuwende kracht achter de uitbouw van de luchthaven van Bierset. Cools stond ook bekend om zijn koleriek karakter. Hij deinsde er niet voor terug iemand verbaal de grond in te boren.

Dat leverde hem ook veel vijanden op. Hij had dan ook al herhaaldelijk doodsbedreigingen ontvangen. Hij had daarom ook geregeld een pistool op zak. Cools had het over zijn ‘ange gardien’, zijn bewaarengel. Hij had ooit aan de flamboyante oud-premier Vanden Boeynants gezegd dat hij vreesde niet op een normale manier aan zijn einde te zullen komen. Cools had VDB na diens ontvoering zelfs gezegd: “Mijn beste, jij en ik zijn niet gemaakt om in bed te sterven.”

Onderzoeksrechter Ancia deed speurwerk naar alle Luikse schandalen. En toen waren er heel wat stinkende potjes ‘hangende’, zoals onder meer het parkeermeterschandaal, het schandaal rond illegaal begraven gifvaten op een terrein in het Seraing van Guy Mathot en uiteindelijk ook de Agusta-affaire.

Cools-getrouwen, met onder meer Philippe Moureaux op kop, hadden het Luikse gerecht getipt. In zijn nadagen had Cools erover geklaagd dat de Luikse PS niets gekregen had van de smeergelden die bij de helikopteraankoop zouden zijn betaald. De moord op André Cools baarde meteen één van de grootste naoorlogse politieke schandalen …

Eind ’88 had de rooms-rode regering Martens 46 Italiaanse helikopters gekocht. Bevoegd defensieminister was de PS’er Guy Coëme. Door de moord op Cools waren de schijnwerpers op die aankoop gevestigd. Uiteindelijk bleek dat Agusta voor zo’n 50 miljoen Belgische frank smeergelden had betaald om de aankoop binnen te rijven. Het geld was op een Zwitserse rekening gestort. De Agusta-affaire veroorzaakte een stortvloed aan ontslagen bij socialistische excellenties. Eerst PS’ers, de “drie Guys” (Mathot, Coëme, Spitaels).

Daarna Vlaamse socialisten, Willy Claes als NAVO-secretaris-generaal en Frank Vandenbroucke als minister van buitenlandse zaken. Claes was bij de helikopteraankoop in ’88 minister van buitenlandse zaken. Frank Vandenbroucke werd pas in ’89 partijvoorzitter. Hij stootte in een kluis op een restant niet-aangegeven geld. Hij sprak toen de woorden uit “verbrand het geld”, maar penningmeester Mangé heeft die opdracht nooit uitgevoerd.

Uiteindelijk bleek dat ook de Franse vliegtuigbouwer Dassault smeergeld had betaald die naar beide socialistische partijen was gegaan. Dat gebeurde voor de modernisering van de F 16-straaljagers. In 1998 veroordeelde het Hof van Cassatie tal van socialistische kopstukken zoals Guy Spitaels en Willy Claes.

Zonder de moord op André Cools was er wellicht nooit een Agusta-affaire geweest. De smeergeldzaak was vermoedelijk nooit uitgelekt. Maar omdat het een mogelijk motief voor de moord op Cools was, kwam de affaire volop in de schijnwerpers.

De familie Cools klaagde er zelfs over dat onderzoeksrechter Ancia al haar energie investeerde in de Agusta-affaire en niet langer in het oplossen van de moord. Onderzoeksrechter Ancia gebruikte de moord zelfs als breekijzer om de nodige informatie te krijgen over de Zwitserse rekening waarop het smeergeld was gestort.

Ancia bezorgde het Zwitserse gerecht een verklaring met als boodschap dat de opheffing van het bankgeheim nodig was om ‘de moord op een Belgische Minister van Staat’ op te lossen. Met dat argument ging het heilige Zwitserse bankgeheim eraan en gaf de zogenoemde ‘Kasma-rekening’, waarop het Agustageld was gestort, al zijn geheimen prijs.

Met de hulp van een spijtoptant raakte ook de moord opgelost. Twee Tunesische huurmoordenaars hadden André Cools afgemaakt voor de som van 150.000 frank. Ze waren ingehuurd door figuren uit het Luiks-Italiaanse misdaadmilieu.

Uitgerekend op het kabinet van Waals PS-minister Alain Vanderbiest waren er twee medewerkers die uit dat dubieuze milieu afkomstig waren: privé-secretaris Richard Taxquet en chauffeur Pino Di Mauro.

Via het kabinet verrijkten ze zich. Ze gingen zogezegd voor de partij geld ophalen bij bedrijven en ze staken het zelf op zak. Met een kabinetswagen trokken ze ook naar Liechtenstein om een pakket gestolen aandelen te verzilveren. Ze konden zich dat soort praktijken permitteren omdat minister Vanderbiest in hun handen een willoze figuur was. Ze voerden hem dronken en ze sloten hem op in zijn bureau of ze namen hem mee naar bordelen.

André Cools was die praktijken ter ore gekomen. Hij had zich al laten ontvallen dat die ‘mandolinespeler’ (privésecretaris Taxquet) weg moest. Volgens tal van Coolsisten was André Cools van plan om Vanderbiest bij de verkiezingen van eind ’91 af te voeren. Hij zou geen verkiesbare plaats meer krijgen en dus ook geen Waals minister meer worden.

Cools was dus voor de zakkenvullende kabinetsmedewerkers een sta-in-de-weg want hij zou een einde maken aan hun lucratief kabinetsleven. Ze vonden op Sicilië uiteindelijk twee Tunesische druivenplukkers die bereid waren om Cools af te maken. De moord op de PS-topman had dus niets te maken het grote politieke corruptieschandaal van Agusta, maar wel met ordinaire criminaliteit.

Toch is de moord op André Cools voor verschillende redenen een politiek sleutelmoment. Het bracht een corruptieschandaal aan het licht die de partijfinanciering in een totaal ander daglicht plaatste. Zo werd partijfinanciering door de overheid een vanzelfsprekendheid. Ook bracht de moord een twijfelachtige kabinetscultuur aan het licht. Onder PS-voorzitter Di Rupo is de kabinetswerking op een veel zakelijker leest geschoeid.

Bron » VRT Nieuws

Tags: , ,

Menu