Bruno Bulthé: “Kleine criminaliteit bestaat niet”

14 april 2012

Hij zoekt zelden de openbaarheid, maar na de doodslag op MIVB-inspecteur Iliaz Tahiraj moest het er uit. “Spuugzat” is Bruno Bulthé het gratuite geweld in de hoofdstad. “Ik beleef het als een falen dat we onze dienstverleners niet kunnen beschermen. En falen, daar kan ik niet mee om.” Een portretgesprek.

Het is niet omdat hij publieke optredens schuwt dat hij als magistraat niet op straat komt. Integendeel. U kunt hem over de middag wel eens treffen in een volkscafé in de Marollen. Hij mag er graag zijn boterhammetjes in een kom soep soppen. En het ‘afstappen’, zoals hij vorig weekend deed op de plek die Iliaz Tahiraj fataal werd, is hij ook nog niet helemaal verleerd, hoewel hij al vijf jaar onderzoeksrechter af is.

Ik heb ze altijd willen begrijpen, zowel de daders als de slachtoffers.” Enkele jaren geleden deed hij op eigen houtje de postronde over van een man die zich na pesterijen op het werk van het leven had beroofd. Postbodes, agenten, brandweerlui, buschauffeurs, ambulanciers: ze verdienen respect, geen beschimpingen, vuistslagen of kogels. “Ik kan daar slecht tegen”, zegt hij.

In de jaren negentig bouwde Bruno Bulthé zich een reputatie op met het verontrusten van hoge ambtenaren, ministers en partijvoorzitters. En een kardinaal, want Bulthé ging in 1997 Wim De Troy al voor met een huiszoeking in Mechelen. Ook hij was op zoek naar sporen van schuldig verzuim in de zaak van een pedofiele pastoor. Hij boog zich over dossiers van partijfinanciering en miljoenenfraude. De 400.000 pagina’s van het dossier-Beaulieu zijn zijn werk. Of dan toch van ‘zijn’ speurdersteam Cel 427. En hij nam er ook nog eens de Roze Balletten tussen. Ja, u herkende hem al van ver: Bulthé is de boertige onderzoeksrechter Willy De Decker in de trilogie Het Goddelijke Monster van Tom Lanoye.

“Ik heb het niet gezien, ik kijk geen televisie. Maar ik boertig? Ik ben een beleefd man, meneer. Alleen als het moet, kan ik vrij ruw te werk gaan. Er werd mij ooit eens de toegang tot een voornaam bedrijf ontzegd. Ik zeg tegen het madammeke aan de balie: ‘Ge gaat met mij mee naar boven, naar het kantoor van uw directeur-generaal. En als meneer mij niet wil spreken, laat ik hem ophalen.’ Ik ben daar boven netjes blijven wachten. Ik heb dat altijd zonder veel cinema gedaan. It’s part of the job.”

“Och, die reputatie.” Zwierig opent hij de kamerbrede wandkast in zijn kantoor en toont ons een collectie schaalmodellen van auto’s en tanks. “Die tanks kreeg ik van een collega die mij Pantzer Bruno noemde.” Er staan ook doodsprentjes in de kast, onder meer van agente Kitty Van Nieuwenhuysen. En een kaars uit Rome met de beeltenis van paus Benedictus XVI. “Cadeautje van een collega die de wijding bijwoonde”, zegt hij zonder enige zweem van spot. Hij, de notoir vrijzinnige. Verder: twee petjes. Eentje met insigne ‘Cel 427’, het ander met een Sovjetster. “Dat laatste is een souvenir van een rogatoire commissie naar Rusland in de zaak-Beaulieu.”

Maar het trotst is hij op de foto’s van zijn twee jonge kinderen. “Af en toe komt de oudste hier langs en dan grist hij een van mijn modelautootjes mee”, zegt Bulthé. Hij werd enkele maanden geleden, op zijn 63ste, nog eens vader. Moeder is de ruim een kwarteeuw jongere Peggy Coppens. Ze is de griffier waarvoor Wim De Troy zijn ontslag veil had omdat hij van zijn overste niet meer met haar mocht samenwerken. Dat ‘oude’ vaderschap? Ouders kunnen lang mee, weet hij. Zijn vader werd 88, zijn moeder 91. De vader van de kinderen Tahiraj blijft voorgoed 56. Misschien speelt het mee in de pikorde der dingen van de ouder wordende magistraat. Bij fraude verdwijnt er heel veel geld, maar geen mensenleven.

“Dat is heel juist! Ik heb het allemaal gedaan, al die grote dossiers”, wuift hij ze denkbeeldig weg over het Brusselse Poelaertplein. “Maar ik ben ook altijd beroerd geweest door het publiek belang. Ik mag wel zeggen dat ik een groot inlevingsvermogen heb. En ik vergeet nooit: alles kan elkeen van ons ten allen tijde overkomen.” Bulthé is een oude vos. Vraag hem naar de Bende van Nijvel en hij begint over de treinramp in Buizingen. Wilt u van hem weten hoe het zit met het oprukkende salafisme, hij rakelt de val van het IJzeren Gordijn op. En als ik het over Boer Clerck heb, begint hij over Felix.

Felix? “Een zeventiger uit het Pajottenland. Takelde zijn vrouw toe met wat hij dacht een pijpje van marmer te zijn, maar het was van kalk. Zij overleefde het, hij moest naar de cel. Ik ging hem daar bezoeken. ‘Ze gaat met mijn kasbons lopen’, jammerde hij. En dat hij zich van kant zou maken. Ik zeg: ‘Felix jong, ge verstaat, ge hebt uw vrouw de kop willen inkloppen, ik kan u niet naar huis laten gaan. Zeker niet in zo’n dorp gelijk het uwe, ge weet hoe de mensen zijn’.”

“Ik rekende erop dat er snel alternatieve opvang voor Felix zou worden gevonden. Want zo’n cel, dat is niets voor zo’n oude man. Kort daarna krijg ik telefoon. Felix had zich van het leven beroofd. Ik zie hem na al die jaren nog altijd voor mij staan, jammerend over zijn kasbonnekes. Niet dat ik mij schuldig voel hé, meneer. Wel betrokken.”

Beroert het u meer dan het gekapseisde Beaulieu-dossier?

“(Pruttelt zachtjes) Ik zeg: dat het afloopt zoals het afloopt. Elk zijn verantwoordelijkheid. Ik ga u iets anders vertellen. Op een dag vraagt een medewerker van het parket of er geen belet is want hij is ongerust over zijn zoon die al twee dagen niets meer van zich heeft laten horen. En of ik iets meer weet? En gelijk hij daar tegenover mij zit, zoals u nu, gaat de telefoon en verneem ik dat zijn zoon dood is. Zelfmoord. Ik leg de hoorn neer, kijk de man aan en vertel het hem. Hij heeft mij bedankt. Tot de dag van zijn pensioen stonden we af en toe samen in de lift. We knikten dan beleefd en dachten aan hetzelfde. Kijk, de haartjes op mijn arm gaan er wéér rechtop van staan. Ja, dat was een moeilijk moment.”

Moeilijker dan het echtpaar De Clerck in de boeien slaan in 1997?

“Voor mij zijn dat verdachten als een ander. Ik zie liefst zo weinig mogelijk mensen voor de rechter. Hoe meer zaken opgelost kunnen worden via herstelbemiddeling, hoe beter. Een aanhouding is ingrijpend. Ik arresteerde er zo’n 100 à 110 per jaar. Je treft daarmee ook hele families, ouders en kinderen, mensen die er niets mee te maken hebben. Maar om het met Edith Piaf te zeggen: Je ne regrette rien. Ik heb relatief weinig vrijspraken gekend. Ik ga er dus van uit dat ik er dan toch niet zo veel naast heb gezeten.”

In de zaak-Beaulieu …

“Men spreekt altijd over de zaak-Beaulieu, maar in veel andere belangrijke financiële dossiers zijn er minnelijke schikkingen. Daarmee geef je ook een juridische oplossing aan een probleem, het is zoals strafbemiddeling ook een manier om een dossier af te ronden.”

Het is geen échec?

“Ik ervaar dat nooit als een échec. Misschien had het anders kunnen lopen, maar er is in dat dossier veel werk verzet. Grondig, misschien te grondig naar de zin van sommigen. Mais les états d’âme des autres ne me regardent pas.”

Vorige maand gloorde er weer even hoop in het dossier van de Bende van Nijvel.

“Ik spreek niet graag over dossiers die de mijne niet zijn. Ik weet wel dat niets zo prangend is als de onzekerheid. Mensen willen weten. We zijn er om inbreuken en misdrijven op te sporen en te vervolgen. Maar los van de juridische afhandeling zijn we het slachtoffer vooral de waarheid verschuldigd. Ik beschouw dat ook als een sociale opdracht. Het is tasten en zoeken. Wij lopen ook dikwijls de werkelijkheid achterna.”

De dood van Iliaz Tahiraj of Kitty Van Nieuwenhuysen ervaart u zonder meer als een mislukking?

“Ja. Het is onze verdomde plicht om mensen die ten dienste staan van de maatschappij extra te beschermen. Als we daar niet in slagen, beleef ik dat persoonlijk als een falen. En falen, daar kan ik niet mee om. Vandaar dat ik zo emotioneel reageerde wellicht. Ik ben van nature nogal impulsief. Ik heb in mijn jonge jaren niet voor niets judo gedaan en rugby gespeeld. Intussen probeer ik zoveel mogelijk rationeel te zijn. Maar nu was ik het toch spuugzat. Hier werd een grens overschreden. Ik ben tegen elk geweld, zowel ten aanzien van personen als goederen.”

Het was een zwaar geval van verkeersagressie. U zou ook kunnen zeggen: dat gebeurt in een grootstad. Zoals burgemeester Philippe Moureaux en Freddy Thielemans het vorig jaar over ‘faits divers’ hadden.

“”(Gestoken) Er bestaan geen faits divers. Kleine criminaliteit? Ken ik niet. De bobonne die 5.000 euro aan kasbons kwijt is, voor haar is dat een zaak van levensbelang. Zij heeft er geen boodschap aan dat ik bezig ben met een grote zaak. Wat is er banaal aan een sacochendief? De dame die het slachtoffer wordt, houdt er behalve een ontwrichte schouder ook angst om buiten te komen aan over. Het vermindert de levenskwaliteit en zelfs de levensduur van mensen. Ik duld dat niet.”

“Iedereen moet met een gerust hart door Brussel kunnen lopen”, zei u twee jaar geleden al. Maar het blijft de spuigaten uitlopen. Van de meer dan 200 agenten die na opeenvolgende incidenten de voorbije jaren werden beloofd, zijn er maar enkele tientallen gekomen.

“Dat ieder voor zijn deur veegt. Wij zijn maar een deel van de keten. Ik zou blij zijn mocht ik er hier voor mijn afscheid (zijn mandaat als procureur loopt af in 2014, red) nog kunnen voor zorgen dat we eindelijk eens op volle kracht zijn. Op papier beschik ik over 128 magistraten. In werkelijkheid zijn er 26 plaatsen permanent onbemand. Nog eens twaalf mensen werken halftijds of zijn met zwangerschapsverlof. Maar we doen wat we kunnen en ik zie zelfs beterschap.”

“Ik heb de voorbije jaren vaak rond de tafel gezeten met burgemeesters, politiekorpsen en beroepsverenigingen. Die relaties waren niet altijd de beste, maar we zijn er toch in geslaagd alle neuzen in dezelfde richting te krijgen. Onze hoofdbekommernis is de stadscriminaliteit. We werken nu beter samen, er is permanentie. Recent hebben we zowaar felicitaties gekregen van een burgemeester. Het is ooit anders geweest. Voordien kregen we altijd op onze kop.”

Houdt u van deze stad?

“Enorm! Ik zeg het vaak tegen mijn collega’s van andere steden: in Brussel beleef je elke dag iets anders. Steek ik de straat over, dan zit ik in Congo. Ga ik de andere kant op, kom ik in de Marollen. Ik heb er maar een paar jaar gewoond, en dan nog in Ukkel. Maar ik kwam er graag op bezoek. Alleen de bedelaars hebben mij altijd een beetje gestoord. Pas op, ik weet wel dat er armoede bestaat. U wilt niet weten in welke miserabele wijken ik als onderzoeksrechter ooit ben afgestapt. Beter is het er niet op geworden. De golden sixties van mijn tienerjaren zijn lang vervlogen.”

De souvenirkast gaat weer open. “Mijn vader was officier op de lange omvaart, mijn moeder was van de Franstalige bourgeoisie uit Kortrijk. Ik ben enig kind, grootgebracht in de kolonie Congo, door boys en mama’s. Toen we in de jaren zestig met vakantie gingen naar Frankrijk, staken we in het plaatsje Bray-Dunes de grens over. De kinderen liepen er op blote voeten en niet omdat het zomer was! Bij ons in Oostende werden de bunkers van de Duitsers opgeblazen, daar dienden ze nog altijd als woonst. Ik zeg het: je moet nooit vergeten dat het ons allemaal kan overkomen. Dat is met misdaad net zo.”

U kunt niet om met falen, zei u al. Wel dan met tergend open vragen, zoals die over de Roze Balletten of de Bende van Nijvel?

“Weet u, in al mijn dossiers heb ik gedaan wat ik meende te moeten doen. Ik ben niet voor niets voor een vijftal parlementaire onderzoekscommissies verschenen. Ik heb vastgesteld dat er stukken verdwenen waren uit het dossier van de Roze Balletten. Ik heb dat laten onderzoeken. Sommige zaken zijn weer opgedoken, andere niet. Ik kan niemand met de vinger wijzen. We moeten soms leren leven met wat er is, meneer.”

De volksmond zegt dat wie niet vindt, niet hard genoeg heeft gezocht.

“U kent ongetwijfeld Georges Marchais, de vroegere baas van de Franse Communistische Partij. Hij zei: ‘Le bilan est globalement positif’. Ik kan het niet beter zeggen.”

Bron » De Standaard

Tags: ,

Menu