“Dit is niet vol te houden”

6 september 2015

Een rechtbankvoorzitter moet zijn rechtbank leiden en managen. Maar dat is pure theorie. Het magistratentekort – een kwart van het kader is niet ingevuld – duwt Daniël Van den Bossche, voorzitter van de afdeling Gent van de rechtbank van eerste aanleg, in een andere rol: die van superinvaller. “We zijn misschien wel verkeerd bezig.”

De afgelopen maanden heeft hij al zes correctionele zittingen gedaan, wat zijn job eigenlijk niet is, en nu start de dag met het voorlezen van elf vonnissen aan beschuldigden die telkens door twee agenten vanuit de gevangenis moeten worden aangevoerd. Maar het gevangenentransport loopt vertraging op – besparingen, personeelstekort, geen zin, wie zal het zeggen – en een dik halfuur later komt een griffier melden dat in de familiekamer, waar de voorzitter al om negen uur werd verwacht, een twintigtal advocaten op hun horloge staan te staren. Van den Bossche leest in een noodtempo zijn vonnissen voor, en trekt een sprintje naar de familiekamer.

Daniël Van den Bossche: “Waanzin is een te groot woord. Laten we zeggen dat dit niet te vol te houden is. Het recht is niet meer zo eenvoudig als een generatie geleden. De advocatuur is meer gespecialiseerd en georganiseerd, maar van ons verwacht men dat we generalisten blijven en overal kunnen inspringen. Dat lukt tot op zekere hoogte, maar je bereikt grenzen. Wij doen hier in Gent, omdat we hoofdzetel van de provincie zijn, ook arbitrage en intellectueel eigendomsrecht, maar eigenlijk heb ik vandaag niemand meer in dienst die die expertise in huis heeft.

“Nu zijn er advocaten boos omdat ik mijn familiekamer niet tijdig kan starten, maar die weten niet dat ik eerst correctioneel moest bezig zijn. Terwijl ik eigenlijk deze rechtbank moet leiden, in plaats van al die kamers mee draaiende te houden omdat ik niet genoeg mensen heb om ze te bemannen. Oké, een afdelingsvoorzitter moet ook regelmatig inspringen en recht spreken, al was het maar om de voeling met het terrein niet te verliezen en zijn beleidsbeslissingen ook beter te onderbouwen. Maar nu slaat de balans wel heel sterk om.”

Blikken die doden

Van den Bossche vormt zich om van correctioneel tot familierechter in de kamer die de betwistingen rond onderhoudsgeld afhandelt, voor vele magistraten Dante’s inferno omdat ex-partners er elkaar vaak emotioneel te lijf gaan, en psychodrama’s uitvechten over 100 euro meer of minder per maand.

Een man beweert dat zijn inkomen zwaar is teruggevallen, en hij vraagt een vermindering van het onderhoudsgeld aan zijn ex. Die vraagt zich af waar hij dan het geld vandaan heeft gehaald om een villa met zwembad te kopen voor zijn nieuwe vriendin, en in welke van zijn firmaatjes hij de huizen heeft verstopt die hij net van zijn rijke vader heeft geërfd. Geen van beide partijen heeft de moeite genomen ook bewijzen of papieren mee te brengen, en opeenvolgende advocaten hebben andere cijfers ingebracht, waardoor het dossier honderden bladzijden dik is en niemand er nog wijs uit geraakt. De ex-partners bekijken elkaar met blikken die zouden kunnen doden, en Van den Bossche kan weinig anders doen dan hen te sommeren wél bewijzen voor hun stelling mee te brengen naar de volgende zitting.

“Hier gaat het dan nog om substantiële bedragen. Vaak is zelfs dat niet het geval”, legt Van den Bossche uit. “Dat is nu eenmaal de samenleving van de assertieve burger waarin we zijn terechtgekomen. Over de onnozelste dingen worden soms conflicten uitgevochten. Dat je denkt: man, hoe verzuurd is die samenleving geworden, hoe weinig verdragen we nog van elkaar? Wat bezielt mensen om elkaar de duivel aan te doen over bagatellen? Ik permitteer mij soms die opmerking in de zitting te maken, maar dan beginnen de advocaten meteen raar te kijken naar mij. (lacht) Ach, de dynamiek van een geschil overstijgt vaak het rationele. Mensen zitten vast in hun emoties. Conflicten worden een machtsspel. ‘Ik heb al zoveel toegegeven, en nu is het gedaan: die stoel, die is van mij, over mijn lijk.’ Het is heel moeilijk om dat weer glad te strijken. Daar zou je een instapgrens kunnen opleggen, bepalen dat er beneden een zekere waarde geen beroep meer mogelijk is tegen de uitspraak.”

Zou bemiddeling niet veel meer moeten worden gepromoot, zoeken naar een compromis in plaats van een strijd te laten aanslepen?

“Dat zijn de mooiste zaken, waarbij je mensen tijdens de zitting tot een akkoord kunt masseren. Dan ga je voldaan naar huis, niet wanneer je iemand vier jaar cel hebt gegeven. Maar te vaak blijft men in het conflict zitten, schrijven de advocaten syntheseconclusies van veertig pagina’s alsof het niets is. Je krijgt dat niet meer gelezen, en toch verwacht men van mij een uitspraak waarbij ik op ieder argument antwoord. Terwijl in mijn ervaring de meeste advocaten familierecht ook liever een vergelijk dan een voortzetting van het conflict willen.

“Het gezond verstand schiet er bij in. Ik verwijt het de advocaat niet, die vaak niet meer kan zijn dan de afspiegeling van zijn cliënt. De oudere generatie advocaten durft nog afstand te nemen van cliënten. De jonge generatie, zelf bestaansonzeker, durft dat al veel minder en praat liever de zogezegd mondige burger naar de mond. Daarom wil ik ook dat de partijen er zijn: ik wil weten welk vlees ik in de kuip heb, ze hun zeg laten doen, al was het maar omdat ze hun frustratie een keer kwijt kunnen. Dat maakt zittingen langer, zeker, maar ook productiever, en je vermijdt dat de zaak om de zoveel maanden op je rol opduikt.”

Vrijwilligers

Van den Bossche vormt zich nogmaals om, ditmaal tot voorzitter van een collegiale burgerlijke kamer met drie rechters, die enkele zaken rond mogelijke medische fouten zal behandelen. Later zal ik in de wandelgangen van de rechtbank vernemen dat daarvoor twee andere die ochtend toevallig in hun bureau aanwezige rechters ‘vrijwilliger’ waren om in te springen. Het gaat nochtans niet over peanuts: een man heeft de diagnose gekregen dat zijn bloed vol zit met zware metalen, en wijt dat aan een onzorgvuldig geplaatste en schurende prothese. Een dokter-specialist heeft negen maanden niets gedaan met de resultaten van een CT-scan waarop toen mogelijk behandelbare, en nu zeker terminaal uitgezaaide gezwellen van een longkanker te zien zijn. De patiënt is daar boos over, de specialist zegt het niet te hebben opgemerkt omdat hij geen longspecialist is.

“De complexiteit van de zaken neemt toe, in een wereld die steeds sneller naar justitie stapt”, stelt Van den Bossche. “Mijn grootste zorg bij het magistratentekort is niet eens het tekort op zich, maar wel dat het op termijn nefast zal blijken te zijn voor de kwaliteit van je magistraten en dus ook je vonnissen. Oost-Vlaanderen was echt dramatisch inzake geblokkeerde vacatures, maar zelfs als je die dan toch openstelt, duurt het nog eens negen maanden voor iemand benoemd is. Niet alleen moet je het al die tijd maar zien te redden, maar als ze er eindelijk zijn, moeten ze ook worden opgeleid. Je kunt een jonge jurist toch niet zonder begeleiding een kamer laten leiden?

“Daarom verbaast het me hooglijk dat de minister erover nadenkt de collegiale kamers, waar men met drie zetelt, af te schaffen: dat zijn net de leerplekken bij uitstek, waar je het metier leert. Want stagiairs zijn nog heel onervaren, maar ook ervaren advocaten die overstappen naar de zetel hebben nog nooit een vonnis geschreven. De toegang tot het beroep is strenger en objectiever dan vroeger, maar de proeven zijn wel bijna uitsluitend gericht op de technisch-juridische kennis van de kandidaten. Terwijl een goede rechter maar beter nog wat andere competenties heeft: mensenkennis, ervaring met luisteren, gezag uitstralen. Ik ben lang advocaat geweest, ontelbare malen in de gevangenis geweest om er met de grootste bandieten en de grootste sukkelaars te spreken. Dat helpt als je nadien rechter wordt, meer dan je kennis van de wet alleen. Een college van drie magistraten is ook voor de burger een belangrijke inhoudelijke meerwaarde. In complexe burgerlijke en strafzaken is de interactie tussen drie magistraten belangrijk, en wordt het dossier vanuit meerdere invalshoeken belicht.”

Jonge onervaren magistraten, toch ook met een maandloon van ongeveer 3.000 euro netto, moeten het opnemen tegen advocaten die een veelvoud verdienen.

“Omdat de meesten zo fier zijn op hun beroep, speelt die overweging zelfs niet zo erg mee. Wat wel meespeelt, is dat ze zich meer dan dubbel moeten plooien om de zaken verwerkt te krijgen, tot ’s avonds laat en in het weekend hun vonnissen moeten schrijven om niet te verzuipen, en leven met de angst dat ze dat niet gaan volhouden. Op termijn is dat ook niet vol te houden, dus zijn we misschien wel verkeerd bezig, door de foute indruk te geven dat het met deze bezetting nog net lukt.”

“Je moet niet naar de magistratuur komen om heel rijk te worden, dat weten we, maar we worden wel goed betaald. Ik heb ingeleverd vergeleken met wat ik als advocaat verdiende, maar dat maakt me niet uit. Hier haal ik meer voldoening uit, en dat is ook iets waard. Dat merk ik trouwens bij de meeste collega’s: de voldoening wanneer je een jarenlang aanslepend conflict, waar iedereen vastzit in zijn eigen loopgraaf, uiteindelijk toch met een minnelijke schikking opgelost krijgt. Daar doe je het voor.”

Van den Bossche vormt zich terug om tot familierechter, ditmaal met het parket erbij, dat advies moet geven wanneer de belangen van de kinderen op het spel kunnen staan. Een vrouw in schuldbemiddeling wil dat haar ex het kotgeld van de dochter betaalt. De man verzet zich: alle partijen wonen nog in Gent, en daar zijn ook goede verpleegsterscholen, zodat de dochter niet per se naar de gewezen school van haar moeder in Limburg moet. Een nogal sterk argument, denk je als buitenstaander, en of de vrouw in schuldbemiddeling gelijk zal krijgen, is twijfelachtig. En zelfs als ze wint, zal ze het kotgeld waarschijnlijk nodig hebben om haar advocaat te betalen.

Inmiddels is Van den Bossche al zo vaak van functie en kamer gewisseld dat de advocaten het ook niet meer weten. Net zoals in de meeste rechtbanken van dit land is de organisatie vrij anarchistisch, met partijen die soms een halve dag moeten wachten om aan de beurt te komen. Overal in het gerechtsgebouw houden de voorzitters grijze linnen boekjes bij waarin ze notuleren wanneer welke zaak wanneer in voortzetting wordt geplaatst.

“Agendabeheer zou met een goede IT natuurlijk beter haalbaar moeten zijn. Alleen is die er hier nog niet” zegt Van den Bossche. “Justitie is op het gebied van ICT vaak echt middeleeuws. Wij houden onze zaken letterlijk te boek bij. Als ik een overzicht wil hebben van waarmee al mijn rechters bezig zijn, en hoe het met hun zaken zit, dan moet ik mijn hoofdgriffier vragen om vrijdagnamiddag alle boekjes in alle bureaus te gaan verzamelen, zodat ik die in het weekend kan nakijken. Onvoorstelbaar, maar voorlopig werkt het zo.

“Het ministerie van Volksgezondheid heeft één van de meest performante kruispuntbanken ter wereld, wij hebben eigenlijk nog steeds niets. We modderen wat aan met gratis software, maar die wordt, omwille van veiligheidsredenen, afgeblokt. Er lopen wel wat toepassingen hier en daar: de onderzoeksrechters hebben hun eigen software, daar is er weer een ander, maar geen van al die systemen kan vooralsnog gegevens uitwisselen met een ander. Wij betalen ongeveer een miljoen euro abonnementsgeld voor twee databanken aan private firma’s, voor het raadplegen van vonnissen en arresten die we verdorie zelf hebben geschreven, omdat we ze nog niet geïnformatiseerd krijgen.”

Geweldig frustrerend

“We hebben hier nu op lokaal niveau typevonnissen in de computer gezet, zodat een nieuwe magistraat toch kan vinden hoe de standaard motivatie en rechtspraak in zijn of haar materie eruitziet. Toch raar dat je dat op lokaal niveau moet inputten? We hebben dat nu in Gent, maar ik slaag er niet in dat te bezorgen en te laten werken voor Oudenaarde en Dendermonde. Daar moeten ze het zelf maar oplossen. Geweldig frustrerend is dat.”

“Als je het niet zelf doet, dan gebeurt het niet. Als onderzoeksrechter had ik een tablet gekocht, en zo wisten de politiemensen na een tijdje dat ze me de pv’s mochten mailen, in plaats van ze te faxen of per drager te brengen. Maar het is toch niet normaal dat je dat zelf moet doen?”

Van den Bossche haast zich naar zijn kabinet. Hij moet ook nog de zitting van volgende vrijdag voorbereiden, nog eens een familiekamer. Daar zijn op jaarbasis honderden zaken extra nadat de wetgever een stuk familierecht van de vrederechters naar de rechtbank van eerste aanleg heeft overgeheveld. Alleen is de wetgever vergeten daarvoor nieuwe mensen aan te trekken. Al die zaken werden vroeger behandeld door tien vrederechters die ruim de tijd hadden om de mensen uitvoerig te spreken. Van den Bossche wordt verondersteld het er even bij te nemen.

Je kunt niet anders dan het beeld voor je krijgen van de Chinese bordengoochelaar, die wanhopig tracht alle borden in de lucht te houden.
Bij het hof van beroep in Antwerpen loopt, in samenwerking met het ministerie, voor het eerst een ICT-project bedacht door mensen van justitie zelf. Veel magistraten die in deze reeks aan het woord komen, hebben vertrouwen dat dit binnen enkele jaren echt werk zal kunnen maken van digitaal, goedkoop en efficiënt agenda-, documenten- en dossierbeheer.

Bron » De Morgen | Yves Desmet

Tags: , ,

Menu