Na 45 jaar stilzwijgen mag deze man eindelijk zijn geheim openbaren

10 november 2015

Van 1950 tot 1990 was in België een ultrageheim netwerk actief van professionele spionnen en burgers die zich voorbereidden op de dag dat de Sovjetvijand Europa zou binnenvallen. In het grootste geheim oefenden ze onder meer evacuatie- en communicatietechnieken. Een kwarteeuw na het opdoeken van dat zogenaamde achterblijvernetwerk treedt een van de spilfiguren uit de schaduw. Met toestemming van de militaire inlichtingendienst ADIV doorbreekt Roger Durez na 45 jaar strikte geheimhouding eindelijk de stilte.

Na de Tweede Wereldoorlog lieten de Amerikaanse CIA en de Britse geheime dienst MI6 in heel West-Europa slapende netwerken opzetten die in actie moesten komen tijdens een mogelijke Sovjetbezetting. De clandestiene operatie, die bekend raakte onder de naam Gladio, werd gecoördineerd vanuit België en bleef meer dan veertig jaar lang geheim voor het grote publiek.

Als de Sovjettroepen ooit West-Europa zouden bezetten, moesten de zogenaamde stay behind-netwerken weerstandsoperaties opzetten, neergeschoten piloten evacueren en bevoorradingslijnen van de Sovjets saboteren.

In België telde het achterblijvernetwerk twee takken: de SDRA8 en de STC/Mob. De SDRA8 – kort voor Service de Documentation, de Recherche et d’Action – maakte deel uit van de militaire inlichtingendienst. De civiele tak STC/ Mob – de Sectie Training, Communicatie en Mobilisatie – was ondergebracht bij de Staatsveiligheid. De inlichtingenofficieren van beide takken rekruteerden burgers die speciale opleidingen kregen.

Roger Durez (83) werkte van 1971 tot 1991 bij de SDRA8 als verantwoordelijke voor clandestiene telecommunicatie. Naar aanleiding van de tentoonstelling The History of the Belgian Military Intelligence Service in Brussel treedt Durez voor het eerst naar buiten met zijn verhaal.

“Eindelijk krijgen we de kans om te vertellen wat er écht gebeurd is in het achterblijvernetwerk, en kunnen we proberen de fantasieën over SDRA8 de wereld uit te helpen. Dat vind ik een goede ontwikkeling.”

Uit de schaduw

Hoeveel inlichtingenofficieren van de militaire inlichtingendienst werkten bij afdeling SDRA8?

Durez: “We waren met zestien-zeventien personen, met verschillende functies. U moet weten dat er in dat soort werk een heel strikte compartimentering is. Ieder werkt op zijn eigen domein en kijkt niet naar wat zijn buurman doet.”

De SDRA8 was naar verluidt zo geheimzinnig dat andere collega’s van de militaire inlichtingendienst jullie bureaus in Evere niet binnen mochten.

Durez: “Dat klopt. Ze wisten zelfs niet waar wij ons mee bezighielden. We hadden dan ook dekmantelactiviteiten. Aangezien de leden van SDRA8 allemaal paracommando’s waren, deden we – naast ons clandestiene werk voor SDRA8 – ook ons werk als para. De mensen van Schaffen of Marche Les Dames kenden ons. Maar ook zij wisten niet precies wat onze echte opdracht was.”

Intussen is dat geen geheim meer: de SDRA8 stuurde een netwerk van burgers aan.

Durez: “Ja. De burgers werden door ons uitgekozen en gerekruteerd. In het geval van een invasie van België werden ze verondersteld om de radiocommunicatie van een clandestien netwerk te verzorgen. Ze zouden pas worden ‘geactiveerd’ op het moment dat ons land door de Sovjets werd binnengevallen. Tot die dag kwam, werden de burgers opgeleid aan de hand van vormingen en oefensessies – zo realistisch mogelijk.”

Hoe groot was dat clandestiene netwerk? Hoeveel burgers waren erbij betrokken?

Durez: “Persoonlijk heb ik een twintigtal burgers opgeleid. De omvang van het hele netwerk ken ik echter niet. Als voormalige verantwoordelijke van de transmissie weet ik wel dat we voor dertig netwerken transmissieplannen hadden voorzien. Omgerekend gaat het om zo’n zestigtal personen. Maar nogmaals, de juiste omvang van het Belgische achterblijvernetwerk ken ik niet.”

Was het moeilijk voor u om te blijven zwijgen? Was uw vrouw op de hoogte?

Durez: “Zwijgen was niet moeilijk. En neen, mijn vrouw wist van niets. Ze wist dat ik parachutesprongen deed en dat ik vaak weg was – ook ’s avonds. Maar wat we juist deden, dat wist mijn familie niet. Wel dat ik met telecommunicatie bezig was. Pas gisteravond (5 november 2015, nvdr) heb ik voor het eerst mijn kleinzoon verteld over die periode, naar aanleiding van een uitzending op de Franstalige televisie. Hij reageerde erg verbaasd.”

Op vrijwillige basis

Op de tentoonstelling naar aanleiding van 100 jaar militaire inlichtingendienst zijn een aantal vitrinekasten gewijd aan de Gladio-geschiedenis. Een infoplakaat beschrijft het profiel van de burgers uit het clandestiene netwerk:

“De personen die in aanmerking komen als agent moeten van oberispelijk gedrag zijn. De voorkeur gaat uit naar personen van ongeveer 40 jaar met een vaste betrekking.”

“De rekruteringsofficieren trachten ook discrete kandidaten op te sporen met een groot nationaal gevoel en ze mogen niet aangesloten zijn bij een politieke organisatie. De rekrutering van een agent gebeurt op vrijwillige basis. Er wordt geen overeenkomst ondertekend en er wordt geen financiële vergoeding toegekend. De basis is vertrouwen. De agenten hebben enkel contact met hun instructeur en opereren in quasi totale anonimiteit. De agenten kunnen op elk ogenblik beslissen uit het netwerk te treden.”

Hoe gebeurde destijds de zoektocht naar geschikte ‘clandestienen’?

Durez: “In de eerste plaats moest het gaan om personen die ook in tijde van bezetting hun functie zouden blijven uitoefenen. Hun functie moest onmisbaar zijn opdat de economie, het transport, enzovoort konden blijven functioneren. Denk dan aan een dispatcher van de spoorwegen, een ingenieur van een elektriciteitscentrale of een lokale politieagent.”

Was het moeilijk hen te overtuigen mee te werken aan een clandestiene operatie?

Durez: “Neen. Sowieso hadden we potentiële kandidaten op voorhand grondig gescreend. Wat was de familiale situatie? Was de persoon betrouwbaar? Gaf hij of zij zich niet te snel bloot? Zodra we iemand hadden geïdentificeerd die aan alle criteria voldeed, stuurden we er een rekruteerder op af. Die legde het eerste contact en probeerde de kandidaat beter te leren kennen. En eens vaststond dat het een ernstige heer of dame was, dan stelden we dé vraag. Doorgaans antwoordde men ‘ja’ – en zij die ‘neen’ antwoordden hebben in ieder geval daarna altijd gezwegen.”

Piloten verbergen

Maatpak, grijze haren, berimpelde handen, ernstige maar ook minzame blik. Durez houdt halt bij een tentoongestelde brief uit 1951, gestempeld très secret. De brief somt het takenpakket van het achterblijvernetwerk op: inlichtingen verzamelen, evacueren van neergehaalde piloten en agenten die verraden zijn en (tot in 1959) sabotage van militaire objectieven.

“De agenten krijgen een opleiding gericht op hun taak bij een eventuele bezetting van het land. Dit kan het inwinnen en doorgeven van inlichtingen zijn aan de Belgische regering in ballingschap of het opvangen en evacueren van personen.”

“Daarnaast krijgen zij ook een algemene opleiding in inlichtingenwerk (de veiligheidsprincipes en –procedures) en het opsporen en afschudden van achtervolgers. De opleiding gebeurt individueel, de kandidaten hebben geen contact met elkaar.”

Waren er regelmatig oefeningen voor burgers?

Durez: “Vooral voor zij die zich bezig hielden met het opvangen van parachutisten of kleine verkennervliegtuigjes, en voor zij die VIPS moesten afhalen of iemand op het terrein begeleidden. Dat werd echt realistisch ingeoefend. Natuurlijk was hun instructeur steeds bij hen, want we moesten ongevallen vermijden.”

“Wij, instructeurs, hadden een zekere specialisatie vanuit ons beroep. Zelf hield ik me bezig met telecommunicatie. Dan had je anderen die parachutist-instructeur waren of dispatchers. Zij leidden de burgers op die in tijden van bezetting vliegtuigen moesten helpen landen. En dan had je nog anderen die het terrein verkenden om infiltratie- of exfiltratie filières te vinden. Ze leerden bijvoorbeeld safe houses zoeken of een neergehaalde piloot een tijdlang verbergen.”

Bleven die oefeningen altijd onopgemerkt, of liep er ook al eens iets fout?

Durez: “Toen ik nog maar enkele maanden aan de slag was, nam ik deel aan een gemeenschappelijke oefening met de Duitsers. We moesten uit een vliegtuig springen naar een kleine zone afgebakend door de Duitse collega’s. Van daar zouden we overgenomen door een lijn die ons zogezegd zou evacueren. Maar eens aangekomen bij het Lac de Constance (bij Zwitsers-Duits-Oostenrijkse grens, nvdr) zag het vliegtuig de lichtbakens maar niet. Toen we uiteindelijk met onze parachute uit het vliegtuig sprongen, kwam ik in een dorpje pal op het dak van een huis terecht. Bleek dat de piloot het signaal van een verkeerslicht had verward met de lichtflits van een zaklantaarn.”

Hebben de burgers van het achterblijvernetwerk ooit wapens gekregen?

Durez: “Neen. Negatief.”

Opleidingen in wapenbeheersing?

Durez: “Dat gebeurde wel eens, maar het was veeleer bij wijze van tijdverdrijf. We nodigden hen uit bij de schietstand en ze mochten met onze eigen wapens enkele cartouches afvuren op een doelwit. Maar de burgers zelf hadden géén wapens – en dat was ook niet voorzien.”

Gedeclassificeerd

De meeste documenten op de tentoonstelling zijn twee keer gestempeld. Een eerste keer met ‘top secret’, een tweede keer – in 2015-  met ‘gedeclassificeerd’. Zo prijkt achter het vitrineraam een getype brief van 27 januari 1949, opgesteld door de heer Menzies – hoofd van de Britse MI6 – en gericht aan Paul-Henri Spaak, destijds Belgisch minister van Buitenlandse Zaken.

In het geheime schrijven van de Brit gaat het over ‘de voorbereiding van geschikte inlichtingen- en actiediensten in het geval van een oorlog’. Spaak antwoordde tien dagen later, ging akkoord met het Britse voorstel, maar voegde er aan toe: “Het is hoogst wenselijk dat de drie diensten (Amerikanen, Britten, Belgen) samenwerken.”

Hoe was jullie relatie met de Amerikanen en de Britten, die de achterblijvernetwerken in Europa hebben opgezet?

Durez: “Die formulering klopt niet helemaal. Nadat Spaak positief had geantwoord op het voorstel van de Brit Menzies, gaf hij de Belgische ministers van Defensie en Justitie de opdracht om na te gaan of het mogelijk was zo’n clandestien netwerk uit de grond te stampen. Het opzetten van het achterblijvernetwerk gebeurde dus inderdaad op externe vraag, maar wel onder ons eigen management.”

“Uiteraard moesten er internationale relaties onderhouden worden. Als er iemand uit Nederland kwam en we moesten hem naar Frankrijk overbrengen, was het logisch om contacten te onderhouden met Nederland en Frankrijk. Daarom is de zogenaamde ACC in het leven geroepen: het Allied Clandestine Committee. We hadden dus gemeenschappelijke procedures, maar elk land had zijn eigen autonomie.”

Welke landen waren lid van dat ACC?

Durez: “We waren met acht. België, Frankrijk, Duitsland, Italië, Denemarken, Noorwegen, Nederland en Luxemburg. De UK en de VS dienden als basis voor de transmissies.”

Duiken zonder luchtbelletjes

De ACC-landen organiseerden ook gezamenlijke oefeningen. De handgeschreven briefing van zo’n oefening wordt onthuld op de expo:

“Ik ben majoor Legrand en sta aan het hoofd van dit luchtseminarie Jonathan Livingstone. Ik ben ervan overtuigd dat dit seminarie voor onze landen een uitzonderlijke kans is om voor verschillende types vliegtuigen de nachtelijke landingsprocedures te testen met de hulp van eenvoudige zaklantaarns.”

Durez: “Livingstone was een oefening waarbij vliegtuigen uit de ACC-landen clandestien in België moesten landen. Er waren Italianen, Fransen en Britten bij betrokken. Onze mensen, steeds bijgestaan door een instructeur, moesten de geïmproviseerde tracks markeren, om de vliegtuigen te laten landen.”

Hoe vaak vonden dat soort oefeningen plaats?

Durez: “Grote, internationale oefeningen had je eens per jaar. Daarnaast waren er kleine oefeningen per netwerkje. Als een instructeur van oordeel was dat een burger er klaar voor was, dan organiseerden we zo een oefening. Een parachutesprong bijvoorbeeld, en dan lieten we de burger het terrein markeren.”

“Voor radio moesten de burgers morsecode leren. Redelijk snel zelfs, tot vijftien woorden per minuut. Het duurt wel even voor je dat onder de knie hebt. Vanaf dat moment konden de burgers al communiceren met buitenlandse basissen.”

“De basis in Engeland stuurde dagelijkse radioberichten uit – om te oefenen. De instructeur ging dan controleren of de agent het goed had gedaan. Soms mochten de burgers ook zelf boodschappen uitzenden, om de toestellen te testen.”

Op de expo staat ook een duikpak tentoongesteld. Voor maritieme operaties?

Durez: “Klopt. Aan de voorkant van het duipak zie je een apparaat met een ‘gesloten circuit’: je kon ermee duiken zonder dat er luchtbelletjes vrijkwamen. De lucht die je uitademde, werd gezuiverd, en kon je vervolgens opnieuw inhaleren.”

“Dit duipak heb ik zelf ook gebruikt tijdens oefeningen om personen te laten infiltreren via de zee. We trainden aan de Belgische kust – in Oostende bijvoorbeeld – of in de Middellandse Zee.”

Naast het duipak staat een Harpoon, de beruchte zendapparatuur van het achterblijvernetwerk.

Durez: “Zowel de SDRA8 als de Staatsveiligheid gebruikten de Harpoon in de laatste jaren. We hadden er in totaal een tachtigtal ter beschikking. Alle landen van de ACC hadden overigens dezelfde radio-technologie. Met codeboekjes erbij. Een radio-operator had die boekjes eigenlijk niet nodig; het was de machine zelf die informatie versleutelde. Maar wanneer een netwerkchef een boodschap wilde overmaken, dan moest hij die eerste versleutelen met behulp van zo’n codeboekje.”

Burgers hadden thuis zo’n toestel verborgen?

Durez: “Inderdaad. De Harpoon was interessant omdat de radio-operator niet aanwezig hoefde te zijn tijdens het ontvangen van boodschappen. Het toestel werd vanop afstand bestuurd door de basis in het buitenland. De operator hoefde enkel het uur te geven waarop het contact zou gebeuren. Op dat uur belde de basis, en werd de boodschap overgemaakt. De operator was daarbij niet aanwezig. Want dat was net een van de risico’s: als de luisterpost gelokaliseerd werd, was het risico dat de operator ook ingerekend kon worden.”

De Bende van Nijvel

In augustus 1990 bevestigde de Italiaanse premier Giulio Andreotti het bestaan van een “geheim leger” in Italië en andere landen in West-Europa. Het eerste dominosteentje van het clandestiene netwerk was gevallen. Rechters, volksvertegenwoordigers, academici en onderzoeksjournalisten in West-Europa stortten zich op Gladio en probeerden het tot in de details te ontrafelen. Maar de betrokken regeringen hielden zo lang mogelijk de boot af en ontkenden aanvankelijk dat ze iets van het netwerk afwisten.

In november 1990 boog het Europees Parlement zich over de Gladio-affaire. In een resolutie over de kwestie haalde het Europees Parlement uit naar de Amerikaanse inmenging. “We protesteren krachtig tegen de veronderstelling die leeft bij een aantal Amerikaanse militairen binnen SHAPE en NAVO, namelijk dat ze het recht hebben om in Europa de oprichting van een clandestien inlichtingennetwerk aan te moedigen.”

Op 7 november 1990 gaf toenmalig minister van Defensie Guy Coëme toe dat ook in België een geheim “Gladio-leger” had bestaan. Net als in Italië en Zwitserland riep het parlement een onderzoekscommissie in het leven. De parlementsleden ontdekten onder meer dat het achterblijvernetwerk nog steeds actief was. Op 24 oktober 1990 had in Brussel immers nog een vergadering plaatsgevonden van het Allied Clandestine Committee, het geheime commandocentrum van Gladio – dat als SDRA11 administratief was ondergebracht bij de militaire inlichtingendienst.

Generaal Raymond van Calster, toenmalig hoofd van de militaire inlichtingendienst, zat die vergadering voor. Van Calster ontkende aanvankelijk dat de vergadering had plaatsgevonden maar werd ingehaald door de waarheid. Op 23 november besloot de Belgische regering om het Gladio-netwerk te ontbinden.

Wanneer besefte u: de Sovjets gaan nooit komen?

Durez: “Het jaar waarin we voorzitter waren van de ACC, in 1990. Er was een vergadering in Brussel, met alle diensten die lid waren van de ACC. In die tijd was de Muur van Berlijn net gevallen, Gorbatsjov was aan de macht, er was een détente in de relaties tussen Oost en West. En de vraag lag op tafel: moeten we blijven voortwerken op dezelfde manier, of moeten we het netwerk stopzetten?”

“Vooral de Denen en de Noren waarschuwden: ‘Opgelet, wij hebben gemeenschappelijke grenzen met de Sovjetunie. Laten we niet te snel reageren, en afwachten.’ Dan hebben we een werkgroep opgericht om een inschatting te maken van de dreiging. En vervolgens zouden we later een beslissing nemen. Maar die kans hebben we niet gehad, want we werden kort daarna ontbonden.”

Na de stopzetting van het achterblijvernetwerk bleef het publiek verstoken van informatie. Met als gevolg dat er allerhande theorieën de ronde gingen doen.

Durez: “We zijn er bijvoorbeeld van beschuldigd misschien achter de Bende van Nijvel te zitten.”

Klopt dat? Was er een link tussen SDRA8 en de Bende Van Nijvel?

Durez: “Neen, absoluut geen enkele.”

Waar kwam die hypothese dan vandaan?

Durez: “Uit de verklaringen van minister Coëme. Kijk, bij de Italianen had men een schuilplaats ontdekt met explosieven. In tegenstelling tot de Belgen behoorde sabotage immers tot het takenpakket van het achterblijverneterk van de Italianen. De Italiaanse minister van Defensie heeft daarop zijn Belgische collega gebeld: ‘We hebben dit en dat ontdekt. En onze diensten staan in contact met de Belgische diensten.'”

“Coëme, onze minister van Defensie, contacteerde vervolgens (op 7 november 1990, nvdr) kolonel Bernard Legrand, die aan het hoofd stond van SDRA8. Legrand heeft hem een complete briefing gegeven. Dat was omstreeks vier uur ’s namiddags. Enkele uren later gaf minister Coëme een radio-interview, waarin hij zei dat hij wilde nagaan of er een verband was tussen de activiteiten van het geheime netwerk en de misdaadgolf die België die jaren in bloed drenkte. Het was dus de minister zelf die de link legde tussen SDRA8 en de Bende van Nijvel.”

U ontkent stellig elke link tussen de SDRA8 en de Bende van Nijvel, maar in bijvoorbeeld Italië en mogelijks Luxemburg waren er wel banden tussen het achterblijvernetwerk en terrorisme. Wat dacht u toen u daarover hoorde?

Durez: “Van dat Luxemburgse verhaal ben ik niet op de hoogte. Ik maakte deel uit van een werkgroep die de Benelux vertegenwoordigde. Ik kende de Nederlanders en Luxemburgers dus en heb nooit iets verdachts opgemerkt. De Italianen daarentegen, daar zaten wel bizarre personen tussen. Ik vermoed dat er maffiosi waren geïnfiltreerd in de Italiaanse dienst. Dat was het probleem.”

Wie in België was op de hoogte van het bestaan van SDRA8?

Durez: “Wij zelf uiteraard – de medewerkers van SDRA8 – en de generaal die commandant was van de militaire inlichtingendienst. Verder ook nog de ministers van Defensie en Justitie – want we werkten samen met de Staatsveiligheid.”

In het boek Georges 923. Un agent du Gladio belge parle deed Michel Van Ussel al in 1991 zijn verhaal als gladio-agent.

Durez: “Ik heb Van Ussel gekend. Hij was pas een maand of anderhalve maand gerekruteerd. Dan volgde de onthulling van het netwerk. En de man dacht dat hij alles mocht uitleggen. Maar hij heeft fouten gemaakt in zijn boek. Hij vroeg ons: -‘Mag ik erover spreken?’ We zeiden: ‘Ja, maar beperk u tot uw eigen zaak.’ Dat heeft hij gedaan, hij citeert geen namen. Hij heeft gewoon beschreven wat men van hem verwachtte, en dat was min of meer juist.”

Voor eeuwig en altijd

“Brussel, 1 september 1991. Waarde Onbekende Vriend, We hebben nooit de gelegenheid gehad mekaar te ontmoeten, zowel door het ontbreken van een gelegenheid als door het speciaal karakter van onze Dienst.” Deze mysterieuze brief van generaal Van Calster aan de burgers van het achterblijvernetwerk vormt het sluitstuk van het Gladio-luik op de expo.

Durez: “Aangezien het netwerk werd ontbonden en generaal Van Calster niemand van de burgers persoonlijk kende, heeft hij dan maar in vertrouwen deze brief geschreven waarmee hij iedere medewerker bedankte die door ons was opgeleid. Een heel vriendelijke geste van de generaal.”

Deze brief is het enige bewijs dat de voormalige agenten van het netwerk hebben. En niemand heeft de brief ooit publiek gemaakt. Dit is de eerste keer ooit dat hij aan het publiek getooond wordt.

Zal de namenlijst van de burgers uit het clandestiene netwerk ooit openbaar worden gemaakt?

Durez: “Nooit. Daar ben ik zeker van. De onderzoekscommissie van de Senaat is destijds onze dossiers komen opvragen – ze werden bewaard in een kist in de VS en de UK. Uit voorzorg hadden we alle dossiers versleuteld. De onderzoekscommissie heeft geprobeerd de documenten te ontcijferen. Ze hebben daarvoor zelfs een beroep gedaan op de cryptografische dienst van de ULB. Die heeft geprobeerd de code te breken… tevergeefs.”

“De dossiers bestaan nog altijd, zijn nog altijd versleuteld én onontcijferbaar. Wanneer wij iemand rekruteerden, beloofden we tijdens het eerste contact altijd: ‘We gaan uw naam nooit onthullen. We respecteren uw anonimiteit.’ Het was uitgesloten dat we dat zouden doen.”

“De hoogste autoriteiten van het land hebben druk op ons uitgeoefend om de namen vrij te geven, maar we hebben altijd gezwegen.”

Vinden er nog ontmoetingen plaats met de oud-leden?

Durez: “Neen. Wel nog met de oud-instructeurs. Maar met de burgers hebben we direct alle contact verbroken.”

Bedankt voor het gesprek.

Bron » MO | Kristof Clerix

Tags: , ,

Menu