Opinie: Afkoopwet afschaffen? Niet te vlug

23 november 2016

Kazakhgate. Justitie heeft er een nieuw vloekwoord bij en er was de laatste dagen geen ontsnappen aan. Laat het in elk geval duidelijk zijn dat indien blijkt te kloppen wat wordt aangevoerd, dat een bijzonder grote smet zou opleveren voor het wetgevingsproces. Het hele gebeuren is voor sommigen daarnaast echter meteen ook een aanleiding om te pleiten voor de volledige afschaffing van de zogenaamde afkoopwet.

Die laatste term is eigenlijk een vrij pejoratief woord voor de minnelijke schikking in strafzaken, die niet alleen in fraudezaken maar in allerhande dossiers kan worden gebruikt om een procedure voor de strafrechter te vermijden. Nochtans is het probleem met de schikking niet zozeer dat er kan geschikt worden, maar wel dat een meer doorgedreven rechterlijke controle op zijn plaats is. Eenmaal die er is, is er wel degelijk plaats voor een verruimde schikking.

Eigenlijk bestaat de mogelijkheid om te schikken in strafzaken al best lang: al sinds 1935 heeft het openbaar ministerie de mogelijkheid om voor te stellen om een geldsom te betalen, waarna de strafvordering komt te vervallen. Oorspronkelijk was het toepassingsgebied weliswaar vrij beperkt, maar de wetgever heeft al herhaaldelijk de wens uitgedrukt dat er meer zou worden geschikt. Zo werd al in 1984 gesteld dat een uitbreiding van de minnelijke schikking verantwoord was met het oog op het bekampen van de gerechtelijke achterstand.

In 2011 wees de wetgever er onder meer op dat de aangepaste minnelijke schikking de evolutie zou bevorderen naar een ‘consensuele herstelgerichte justitie’, waarbij de verdachte betrokken wordt bij het beslissingsproces en waarbij hij zijn verantwoordelijkheid kan opnemen door het betalen van het slachtoffer. Ook de staatskas zou er wel bij varen, want de verplichting om in fraudezaken de fraude te regelen alvorens te kunnen schikken, kan heel wat invorderingsproblemen vermijden.

Het gaat in die gevallen bovendien dikwijls om erg complexe dossiers waarvan de berechting veel tijd in beslag neemt. In heel wat landen wordt trouwens nog veel meer dan in België gebruik gemaakt van onderhandelde vormen van justitie (bijvoorbeeld plea bargaining). Onze wetgever spiegelt zich daar blijkbaar wel aan in de hoop te komen tot een efficiëntere strafrechtsbedeling, want begin dit jaar nog werd de guilty plea ingevoerd.

Toenemende kritiek

Een belangrijke wijziging in 2011, was dat een schikking voortaan ook kon nádat de strafvordering wordt ingesteld. Concreet betekent dit dat er ook nog kan geschikt worden nadat een gerechtelijk onderzoek werd gestart en zelfs nadat de zaak al bij de vonnisrechter aanhangig werd gemaakt.

Het is vooral dat laatste dat de kritiek op de minnelijke schikking deed toenemen. Zo werd het vreemd bevonden dat er nog een schikking kon worden gesloten nadat een rechter al had beslist tot gevangenisstraf. Die mogelijkheid is ondertussen wel verdwenen na een aanpassing begin dit jaar: van zodra er een beslissing over de grond van de zaak is tussengekomen, is een schikking niet langer mogelijk. Dat is nog steeds ruimer dan vroeger, aangezien toen enkel kon worden geschikt tijdens het opsporingsonderzoek.

Dat ook een gerechtelijk onderzoek nog kan eindigen met een minnelijke schikking, botste ook in 2011 al op wat weerstand. Toch is daarvoor veel te zeggen, al was het maar omdat de mogelijkheid tot minnelijke schikking anders gemakkelijk onderuit kan worden gehaald doordat een slachtoffer een klacht met burgerlijke partijstelling neerlegt bij de onderzoeksrechter.

Wat wel vereist is als de zaak al bij een rechter of een onderzoeksrechter zit, is dat de schikking door een rechter wordt gecontroleerd. En die controle moet ruimer. In een arrest van 2 juni 2016 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat er niets mis is met de mogelijkheid voor het openbaar ministerie om ook in zo’n geval te schikken, maar dat de rechter die de schikking controleert ook moet kunnen nagaan of die schikking wel proportioneel is. Daar waar de huidige controle beperkt is tot een louter formele controle, moet de rechter dus ook kunnen nagaan of de voorgestelde schikking niet te laag of te hoog is.

Het is om die reden dat een reparatiewet aan de orde is. Eenmaal de rechterlijke controle in die zin is uitgebreid, zou een verder verzet tegen de minnelijke schikking niet getuigen van veel vertrouwen in de rechterlijke macht. Wie kan er immers tegen zijn dat er wordt geschikt, als die schikking wordt gecontroleerd door een onafhankelijke rechter die onder meer nagaat of de voorgestelde schikking wel proportioneel is?

Voorstanders van een afschaffing van de minnelijke schikking zullen trouwens consequent moeten zijn en investeren in meer rechters om het groter aantal complexe zaken berecht te krijgen. En dat terwijl wegens besparingen op dit ogenblik het bestaande kader niet eens ingevuld raakt…

Opinie door Joachim Meese. Joachim Meese is professor straf(proces)recht aan de Universiteit Antwerpen en advocaat-vennoot bij Van Steenbrugge Advocaten.

Bron » De Morgen

Tags: ,

Menu