1 (edited by dim 11-05-2013 01:03)

Paix et Liberté (1950-1956) werd in Frankrijk gesticht door Jean-Paul David, een toenmalige lid van de rechtervleugel van de radicaal-socialisten die een tegengewicht vormde voor de communistische partij, met (financiële) steun van bepaalde politici (o.a. René Pleven) en de CIA en NAVO. De organisatie voerde actief anti-communistische propaganda en was vermoedelijk een tak van Stay-Behind, althans volgens André Moyen die het heeft over "Catena". Paix et Liberté werkte samen met het in 1950 door reactionaire kerkelijke kringen opgerichte "Comité international de défense de la civilisation chrétienne", waarvan het secretariaat-generaal beheerd werd door Lesourd en Tracou. In mei 1951 zette dit Comité in West-Duitsland een afdeling op via ondermeer Arthur Ruppert (CDU en de "Volksbund für Frieden un Freiheit"), vermoedelijk met de zegen van Konrad Adenauer.

In Italië vonden deze organisaties al snel aansluiting bij "Pace et Libertá" van Giolo Marzio dat financieel gesteund werd door het Agnelli-imperium, in Zwitserland bij de groep rond dr. Münst, in Nederland bij "Vrede en Vrijheid" rond van Dam van Isselt en in België bij Marcel Paternostre. Al deze landen van het "Comité Européen de Paix et Liberté" waren stichtende landen van de EU-voorloper "Communauté européenne du charbon et de l’acier" in 1951. In 1952 kwamen daar ook nog een Vietnamees, Turks en Grieks comité bij, zodat de naam veranderd werd in "Comité International de Paix et Liberté". Bij het opdoeken van de organisatie in 1955 waren ook nog het VK, Australië, Canada, Mexico, Noorwegen, Denemarken, Israël, Korea en Zuid-Afrika lid geworden.

Stay Behind

In de jaren '50 bezocht Jean-Paul David minstens twee maal de VS, waar hij enkele CIA-kopstukken (Allen Dulles en Walter Bedell Smith) en anticommunistische organisaties (Committee against Communist Agression, International rescue Committee, Iron Refugee Committee, Committe for Constitutionnal Government, National Committee for a free Europe, ...) ontmoette. Ook werd David geauditioneerd op de NAVO.

De Franse moederorganisatie van Paix et Liberté telde OSS-pionnen Jean Dides en Charles Delarue onder haar leden, terwijl de Italiaanse tak leden had als Gian Franco Bertoli (lid van de Gladio-structuur "Rosa dei venti" en auteur van een granaataanslag in Milaan in 1973), Luigi Cavollo (ex-OSS'er die betrokken was bij de Borghese-staatsgreep) en Egardo Sogno (een monarchist die werkte voor de NAVO en een hoofdfiguur was in het verhaal rond de Golpe Bianco-staatsgreep). De Duitse tak had verscheidene leden met een Nazi-achtergrond, zoals Alfred Gielen, Jürgen Hahn-Butry en Fritz Cramer, die banden hadden met de Gehlen-organisatie.

Belgische tak

In 1951 was Marcel De Roover betrokken bij de stichting van de door Brufina gesponserde Belgische tak van "Paix et Liberté", met zetel in de Brusselse chaussée de Vleurgat en waar ondermeer André Moyen, Emile Delcourt, Gaston Jacquemin, Jean Moyaerts, Roger Nahon en Octave Herbiet aan verbonden waren. Voorzitter was bankdirecteur Maurice Keyaerts. De organisatie zou via François Goossens, een medewerker van Moyen, achter de moord op Lahaut in 1950 zitten, althans volgens de beweringen van Emile Delcourt die wees naar Moyen, Jacquemin en Moyaerts als opdrachtegevers.

CIAS (1956-?)

Na het opdoeken van de organisatie werd deze in 1956 omgevormd tot het "Comité international d'Information et d'Action Sociale" (CIAS), in 1957 onder voorzitterschap van Fritz Cramer. die het meermaals aanwende als instrument voor de Duitse buitenlandse politiek. Paul Zeeland was erevoorzitter van de CIAS. Ook Portugal en Brazilië (officieel) en Zweden en Oostenrijk (officieus) traden toe tussen 1956 en 1958.

Een Belgische afdeling werd gevestigd in lokalen van Brufina in de Brusselse Rue des Petits Carmes, net naast de zetel van de Belgische CEDI die door De Roover gesticht werd in 1961 met geld van het Franco-regime.

2

Paix et Liberté was (alvast in haar interne substructuur) een clandestiene actie-eenheid, in 1950 door de CIA opgericht en royaal gefinancierd. Ze werd in Frankrijk geleid door Jean-Paul David, een transportondernemer, volksvertegenwoordiger en burgemeester van Mantes-La-Jolie. David stond bekend als een verdediger van de vrije economie en om zijn afkeer van het communisme.

Met afdelingen in verschillende landen zoals België, Nederland, Italië, Denemarken, Griekenland, Turkije, Zwitserland en Groot-Brittannië, voerde Paix et Liberté CIA- operaties uit in psychologische oorlogvoering en het verspreiden van anticommunistische propaganda via posters, sponsoring van radioprogramma’s, folders, pamfletten en het organiseren van demonstraties.

Volgens Jean Paul David was de core-business van Paix et Liberté deze psychologische oorlogvoering, waarin de vijand zo min mogelijk doelwitten mochten worden geboden. Het meest bijzondere aan Paix et Liberté was dan ook haar internationale vertakking. Al die afdelingen opereerden weliswaar onafhankelijk, maar kwamen elke twee maanden samen om hun acties te coördineren en informatie uit te wisselen.

De Italiaanse afdeling, Pace e Liberta, stond onder leiding van Edgardo Sogno en had haar hoofdzetel in Milaan. Naar aanleiding van het Gladio-onderzoek, ontdekte de Italiaanse parlementaire onderzoekscommissie dat Paix et Liberté onder directe orders van de NAVO opereerde. In Frankrijk nam Paix et Liberté tezamen met de Force Ouvrière het leeuwendeel op zich van de CIA-inspanningen in het promoten van massa anticommunistische organisaties in de jaren 1950.

In België werd de organisatie officieel in oktober 1951 opgericht en was hiermee het tweede land waar een afdeling van Paix et Liberté ontstond. De stichters in België waren een Luikse industrieel Jean Moyaerts, de onvermijdelijke Marcel De Roover, Jean Wolf (journalist bij het extreem-rechtse blad Septembre), Emile Delcourt (oprichter van de extreem-rechtse naoorlogse verzetsbeweging FNBI), Gaston Jacqmin (gewezen hoofdredacteur van Septembre) en naast enkele anderen ook Christian Doat (die we nog kennen als medeoprichter tezamen met Florimond Damman van de Cercle de Politique Etrangère).

Voor de verspreiding van het blad was onder meer de inlichtingenagent André Moyen betrokken. Via Marcel De Roover werd de Belgische afdeling van Paix et Liberté onder meer gefinancierd door Brufina. De banden tussen beide bleek trouwens al uit het adres waar zowel de zetel van Paix et Liberté als die van Brufina gevestigd was, namelijk de Kleine Karmelietenstraat n° 7 te Brussel.

Bron: De netwerking van een neo-aristocratische elite in de korte 20ste eeuw | Klaartje Schrijvers

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube

3

En France, Jean Dides et Charles Delarue sont parmi les membres les plus actifs de Paix et Liberté. Comme André Moyen, Didis et Delarue ont été intégrés dans l’OSS peu de temps avant la fin de la Seconde Guerre mondiale. Comme André Moyen, ils se sont spécialisés dans la lutte anticommuniste et ont monté des réseaux de renseignements et d’actions parallèles anticommunistes. Travaillant en étroite relation avec d’anciens collabos, Didis et Delarue sont démissionnés de la police française en 1954, à la suite de "l’affaire des fuites".

En Italie, parmi les membres de Paix et Liberté apparaissent des noms connus de "la Stratégie de la Tension". Tel par exemple, Gian Franco Bertoli, auteur d’un attentat à la grenade en 1973 (quatre morts et une vingtaine de blessés) à Milan. Bartoli agissait alors pour le compte de l’organisation "Rose des Vents".

Autre activiste présent dans la branche italienne de Paix et Liberté, Luigi Cavallo. A l’instar d’André Moyen, Cavallo passe quelques mois en Allemagne, en 1938, en tant qu’ "étudiant". Mai lui, on l’accusera plus tard d’avoir entretenu d’étroites relations avec les autorités nazies. Pendant la guerre, on le retrouve pourtant dans un réseau de résistance proche du Parti Communiste Italien. En 1945, Cavallo est recruté par l’OSS américaine (cfr. Didez, Delarue, Moyen). Le pot-aux-roses est dévoilé par la gauche italienne en 1949. Cavallo se réfugie aux Etats-Unis jusqu’en 1954. Lorsqu’il revient en Italie, c’est pour participer à l’organisation Paix et Liberté. Ses contacts avec Jean-Paul David en France sont fréquents. En 1974, Cavallo est inculpé dans un des plus grands complots de l’orchestre noir en Italie: l’affaire Borghèse.

Bron: Dossier Gladio | Jan Willems

"Le monde est dangereux à vivre! Non pas tant à cause de ceux qui font le mal, mais à cause de ceux qui regardent et laissent faire." Volg ons via » Facebook | twitter | YouTube