Robotfoto’s

Interview Ben Claes

Al meer dan 18 jaar tekenaar van robotfoto’s

“Het is niet van: ‘Teken eens rap een manneke’! Je moet je inleven in de gemoedstoestand van de getuige. Dat kruipt in je vel en in je hoofd. Op zo’n moment moet je voor vijftig – neen – voor honderdprocent mens zijn,” zegt Ben Claes uit Heusden-Zolder in de loop van het gesprek. Claes is één van de vier tekenaars van robotfoto’s die de rijkswacht rijk was. “Ik zou bij de Firma niks anders willen doen,” zegt Claes. “En dat geldt voor ons alle vier: we hebben de voldoening dat we daar op onze plek iets kunnen doen voor de mensen.”

Om een goede robotfoto te maken, moet je in de eerste plaats behoorlijk wat tekentalent in huis hebben. En er is nog meer nodig. Doorzicht, inlevingsvermogen, volharding en natuurlijk een pak ervaring. Het is een soort roeping. Ben Claes kreeg al jong de microbe te pakken.”Ik heb aan Sint-Lucas in Hasselt gestudeerd, beeldende kunst, maar na een paar jaar zat ik al bij de rijkswacht robotfoto’s te maken. Ik had ooit ergens iets over het tekenen van robotfoto’s op tv gezien: enorm boeiend.”

“Op Sint-Lucas was het in die tijd niets anders dan modeltekenen. Gezichten, hun expressie die nooit dezelfde is, daarvan was ik in de ban. Bij de ‘Firma’ doe ik dus niets anders. Ik ben bij de rijkswacht begonnen in 1982, toen ik 22 was. We waren met vier mensen en we tekenden per jaar zo’n 200 à 250 robotfoto’s. Als je dat nu ziet – in 1998 hadden we bijvoorbeeld zowat 1100 ‘zaken’ – is dat een groei met 300 %.”

Ben Claes

Ben Claes

Moet je soms ook robotfoto’s maken van dode of verminkte mensen?

“We hebben er zelfs positief resultaat mee gehad in Bergen, in de zaak van de vuilniszakkenmoordenaar. Toen hebben we een hoofd hertekend. Aan de hand daarvan werd het slachtoffer herkend. In andere gevallen haal je de beste resultaten bij slachtoffers die een shockeffect gehad hebben: het voorval moet ingeëtst zijn op het hersenbeeld. Dan heb je een goed geheugen. Die mensen hebben een schrik gepakt en dat beeld blijft ze bij. Kinderen en bejaarden zijn minder goede getuigen. Ze kijken niet op dezelfde manier naar iemand. Een kind zegt bijvoorbeeld: ‘Het was een grote meneer’, maar voor een kind is iedere volwassen man ‘een grote meneer’ naar wie ze moeten opkijken. Daar moet je dus rekening mee houden, want kinderen leven in een fantasiewereld.”

Waarschijnlijk heb je ook mensenkennis nodig. Moet je de lichaamstaal van mensen verstaan? Hoe weet je of een getuige liegt?

“Je voelt het, als een getuige liegt. Als jij bijvoorbeeld het slachtoffer was geworden van een aanranding, dan vorm ik me een beeld in mijn hoofd. En wij, tekenaars, voelen of dat goed of slecht is aan de manier waarop jij het vertelt. Aan de manier van vertellen, de beschrijving van de feiten die zo immens overdreven wordt, dat alles super karikaturaal wordt.”

En wat bij doodsbange getuigen?

“Voor de goede gang van zaken, dus als we voldoende tijd kunnen nemen, is het de bedoeling dat we bij die mensen komen en eerst een half uurtje rustig over neutrale dingen praten, liefst over koetjes en kalfjes. In een zedenzaak is het niet mijn bedoeling een meisje opnieuw haar verhaal te laten doen. En dat resulteert bij het slachtoffer in een ietwat rustiger gemoedstoestand. Ze ziet eindelijk iemand die naar haar luistert, iemand tegen wie ze niet voor de tiende keer hetzelfde moet herhalen. Jammer genoeg zijn er nog mensen die opmerkingen maken als: ‘Mevrouw, het is heel erg wat er gebeurd is, maar was je rokje ook niet een beetje te kort?'”

“Wat we zeker ook niet mogen doen, is tegen honderd per uur meegaan in de emotie van die mensen. Ik heb dat ook geleerd met vallen en opstaan, in een periode dat we het goddank nog niet zo druk hadden. Wij zijn voor 50 % mensenkenner, neen, voor 100% mens, dat is een betere uitdrukking. Wat mij wel opvalt, is dat mensen bij bijvoorbeeld een hold up op een bank, nu veel minder geëmotioneerd zijn dan vroeger. Er is een gewenning, als je dat zo mag noemen, aan dergelijk geweld.”

Zijn er buiten jullie vier bij de rijkswacht nog anderen gespecialiseerd in het maken van robotfoto’s?

“Er is nog een vrouw, een hulpagente van de politie van Oudergem. Tijdens een bezoek kreeg ze er ook zin in. Het CBO vond het goed, en met de toestemming van de politie van Oudergem hebben wij haar opgeleid. Zij zit nu ook al aan 150 tekeningen per jaar. In Antwerpen is er nog iemand, maar die werkt sporadisch. Wij vinden dat je zo’n job full time moet doen, anders kan je niet voor honderd procent kwaliteit leveren.”

Hoeveel robotfoto’s hebben al bijgedragen tot het oplossen van een misdaad?

“Niet te tellen. Maar ik zal nooit het geval vergeten dat mij de grootste voldoening gegeven heeft. Voor mij én voor het slachtoffer. Dat was het geval van die baby in het ziekenhuis van Luik. We hebben toen een robotfoto van de ontvoerster gegeven. De tekening die ik toen gemaakt heb, was heel liniair, heel rudimentair, maar het was de essentie van een robotfoto van de daderes.”

Net zoals Picasso duizend keer een stier moest tekenen voor hij die in één lijn op papier kon gooien?

“Hoho! Maar het is ook niet van: teken eens rap een manneke, dat is het dus niet. Het kruipt in je vel en in je hoofd.”

Als een slachtoffer zegt: “Hij zag eruit als een moordenaar, hij keek heel loens.” Hoe teken je dat?

“Loens! Ik geef je een voorbeeld. Als iemand zegt: ‘Hij was blond en hij had een patattenneus en varkensoren’, dan moet je dat proberen te tekenen en leren te begrijpen wat die persoon wil zeggen.”

Hoe betrouwbaar is het geheugen van een getuige?

“We mogen niet subjectief te werk gaan, geen suggererende vragen stellen. We gaan altijd via omwegen. Al weten we voor 100% zeker dat de getuige verkeerd zit. Maar ik heb niet het recht de visie van die mensen in twijfel te trekken.”

Hoe reageren slachtoffers als je een gelijkende robotfoto gemaakt hebt?

“Verschillend. Soms zeggen ze: ‘Het gelijkt niet, sommigen zeggen dat het niet voor 100% is. Maar aan mensen die emotioneel geraakt zijn, merk je het onmiddellijk. Die gaan dan totaal uit de bol. en dan moet je ervoor zorgen zorgen dat je ze opvangt. Dan moet je tegelijk mama, papa, broer en zus zijn.”


Bron » Reveu van de rijkswacht | Editie 150 | 2000 | Germaine Thijs