De Bom boven de eighties: hoe angst voor de nucleaire holocaust het leven beheerste in eerste helft van jaren tachtig

Elke maand dat de oorlog in Oekraïne vordert, stijgen de speculaties over een kernaanval. Dat was weer even geleden. Flashback naar de eerste helft van de jaren tachtig, toen velen onder ons oprecht geloofden dat een nucleaire holocaust nakend was. Die angst voor De Bom sijpelde door in alle aspecten van het maatschappelijk leven.

Waarom zou ik nog vechten?
De Russen gaan komen.
De goeie Amerikanen
Bestaan alleen in dromen.
Antoinette, wie heeft de bal?
Draai je om, dan weet je ’t al

Het is zeker niet het meest geïnspireerde liedje dat Walter Grootaers ooit heeft geschreven, maar de strofen van Het einde, misschien niet toevallig het slotnummer van de tweede elpee van De Kreuners – Er sterft een beer in de Taiga – geven wel goed de sfeer weer die in die jaren in onze contreien heerste. Terwijl op het eind van het nummer de doodsklokken luiden, jammert Grootaers: Dit is het einde. Alles is voorbij. Tegelijk brult een tot wanhoop gedreven kleuterkoortje onophoudelijk: En wij dan?

Het was 1982 en je was depressief. Niet alleen in Lier, overal. En als je het niet was, dan scheelde het niet veel. Want de wereld was toch naar de kloten. We beleefden de diepste economische crisis sinds de Tweede Wereldoorlog, er waren meer werklozen dan gelovigen, zure regen zou alle naaldbossen op onze planeet wegvreten. En om de algemene sfeer nog grauwer en uitzichtlozer te maken, escaleerde de nucleaire wapenwedloop tussen de NAVO en de landen van het Warschaupact. Een belangrijk deel van de bevolking was ervan overtuigd dat er vroeg of laat een atoombom of twee op onze kop zouden vallen.

In 1979 was de Sovjet-Unie Afghanistan binnengevallen en installeerden de Russen een Moskou-gezinde pion aan het hoofd van de regering in Kaboel. De Amerikanen bewapenden de Afghaanse rebellen om terug te vechten, net zoals ze vandaag doen met de Oekraïners, en boycotten kort daarna de Olympische Spelen van 1980 in de Russische hoofdstad. Ondertussen dreven de Sovjets het aantal kernwapens gericht op Europa stelselmatig op. De NAVO reageerde door kernraketten te plaatsen in West-Europa.

Ondertussen vochten de grootmachten hun daadwerkelijke oorlogen onrechtstreeks elders uit. In het Midden-Oosten bijvoorbeeld, of in Latijns-Amerika, waar de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten in burgeroorlogen elk de partij financierden die hun economische en politieke belangen het best diende. Zo strooide de regering van de Republikeinse president Ronald Reagan kwistig met dollars voor rebellen tegen communistische overheden, zoals in Nicaragua, maar net zo goed bewapende ze overheden tegen linkse rebellen, zoals in Colombia.

De Russen deden elders hetzelfde, al dan niet via hun Cubaanse bondgenoot Fidel Castro. In 1983 schoten ze een Koreaans passagiersvliegtuig uit de lucht dat via Alaska onderweg was van New York naar Seoul en door een navigatiefout over Russisch grondgebied had gevlogen. Alle 269 inzittenden, onder wie een Amerikaanse volksvertegenwoordiger, verdronken in de Japanse Zee.

Bij elke escalatie steeg de angst dat een van de bejaarde en zieke wereldleiders – Reagan in de VS en achtereenvolgens Brezjnev, Andropov en Tsjernenko in de USSR – in een bui van razernij op ‘de knop’ zou duwen.

Een SS-20

Die angst sijpelde na enkele jaren ook door in ons dagelijks leven. Tot zelfs in ons taalgebruik. We horen het de betreurde voetbalcommentator Rik De Saedeleer in 1986 nog gelaten zuchten na de fabelachtige openingsgoal van Igor Belanov in de achtste finale van het WK voetbal in Mexico tussen België en de USSR: “Wat doe je daar tegen? Een SS-20?”

Iedereen wist wat hij bedoelde. De SS-20 was een Russische kruisraket van 16,5 meter en 37 ton en een reikwijdte van meer dan 5.000 kilometer, met drie atoombommen aan boord. De Sovjets hadden er in die jaren meer dan 350 klaarstaan op hun lanceerbasissen in eigen land of in andere communistische landen van het Warschaupact. Twee derde van die kernraketten waren gericht op de NAVO-landen in Europa. Zeker Brussel, dat het hoofdkwartier van de NAVO herbergde, en de economisch belangrijke haven van Antwerpen waren in ons land uitverkoren doelwitten.

Iedereen kende ook het antwoord op de retorische vraag van Rik De Saedeleer in Mexico. “Wat doe je daar tegen? Een SS-20?” Niks dus. De Amerikanen pompten wel miljarden in het Strategic Defense Initiative, bijgenaamd Star Wars, een ‘rakettenschild’ dat vijandelijke kernwapens moest neutraliseren voor ze hun doel bereikten, maar dat systeem geraakte nooit gebruiksklaar. De enige mogelijke remedie was zelf ook gelijkaardige kernwapens op de vijand richten. Ter afschrikking.

Grootste protestmars ooit

Ondanks de tegenkanting van de socialisten, de Vlaamse beweging, de vredesbeweging, de milieubeweging én vooraanstaande christendemocraten als de latere premier Jean-Luc Dehaene, kwamen er ook in ons land Amerikaanse Tomahawk-raketten, op de luchtmachtbasis van Florennes. Onder grote druk van Amerika.

De enige echte voorstanders van de plaatsing van kernwapens waren de liberalen van Guy Verhofstadt en Louis Michel en het toen nog jonge Vlaams Blok. De Vlaams-nationalistische partij, die toen alleen in de stad Antwerpen een aanhang van betekenis had – en met Karel Dillen één volksvertegenwoordiger in het parlement – was in haar beginjaren nog niet echt bezig met allochtonen. Het Blok focuste op zijn separatistische gedachtegoed en profileerde zich sterk als anticommunistisch. In alle Antwerpse scholen vond je op boekentassen en agenda’s Vlaams Blok-stickers in verschillende primaire kleuren met de slogan: Liever een raket in de tuin, dan een Rus in de keuken.

Dat leidde tot bitsige discussies met klasgenoten die – vaak met christelijke jeugdbewegingen als de Scouts of de Chiro – tegen de kernraketten gingen betogen. Er waren overal acties, maar de indrukwekkendste was die van 23 oktober 1983 in Brussel. Meer dan 400.000 mensen kwamen toen naar de hoofdstad voor wat nog altijd de grootste protestmars is die ons land ooit heeft gekend.

Paddenstoelwolk

Ze mochten het dan oneens zijn over de strategie, wat beide kampen bond was de daver op het lijf. De oprechte vrees dat de samenleving zoals wij die kenden met een paar eenvoudige bevelen in een paar minuten tijd weer naar de middeleeuwen zou worden gebombardeerd. Kranten en tijdschriften stonden er vol van. Bavo Claes en Martine Tanghe trokken avond na avond hun bezorgdste blikken in het journaal van 19.45u op BRT1.

Ook de entertainmentwereld voedde die angst. Eind 1983 ging in cinema Quellin in Antwerpen War Games in première. In die film hacken twee verveelde Californische tieners (Matthew Broderick en Ally Sheedy) per ongeluk de supercomputer van de Amerikaanse overheid en lanceren zo niet alleen een paar kernraketten, maar meteen de Derde Wereldoorlog.

En nauwelijks een paar weken later, half januari 1984, hing Antwerpen vol posters van een enorme paddenstoelwolk: reclameaffiches voor de première van The Day After in cinema Rubens in de Carnotstraat. In die Amerikaanse film breekt een kernoorlog uit tussen het Oosten en het Westen. Een van de eerste doelwitten in die film: het hoofdkwartier van de NAVO in Brussel. Wie niet meteen dood is, crepeert langzaam of valt terug op louter dierlijke instincten.

Apocalyps in de hitparade

Maar het doemdenken heerste vooral in de muziek. Eerst en vooral bij donkere bands waarvan je dat zou verwachten. De jonge James Hetfield van Metallica was in de eighties geobsedeerd door een nucleaire apocalyps en schreef in meerdere nummers de angst van zich af. Net als de zwartfrakken van Sisters of Mercy. Er waren in die eerste helft van de eighties meer wolven en panda’s in ons land dan fans van de Sisters die het ‘nog wel goed’ zagen komen met de wereld.

Metal en postpunk waren in die tijd nog alternatieve genres, die je in Studio Brussel-loze tijden alleen op Radio 2 kon horen bij Gust De Coster op woensdagnamiddag, of bij Luc Janssen op zaterdagavond. Maar ook in de Radio 2 Top 30 heerste de wanhoop. De apocalyps werd al snel een doodgewoon thema in de hitparade, tot er bijna evenveel liedjes over de nucleaire holocaust waren als over pakweg liefdesverdriet of vogelen.

Voor elke I Just Called to Say I Love You (Stevie Wonder) was er een Two Tribes (Frankie Goes to Hollywood). In de videoclip bij dat nummer gingen Reagan en Tsjernenko elkaar niet alleen met atoombommen maar ook met de blote vuist te lijf. Voor elke geile oprisping als Like a Virgin (Madonna) was er een wanhoopskreet als Russians, waarin Sting uit de grond van zijn hart hoopte dat die vuige Russen toch op zijn minst ook een klein beetje van hun kinderen hielden.

Doe Maar

Zelfs sommige ogenschijnlijk schattige deuntjes hadden in die tijd een veel diepere betekenis. Alleen beseften we het niet, omdat ze gezongen werden in een taal die we niet verstonden of waarvan we de finesses niet kenden. Vamos a la playa van Righeira was een dikke hit bij ons, en voor veel Vlamingen zijn die vier woorden naast ‘dos cervezas por favor’ het enige Spaans dat ze verstaan. Maar de rest van de tekst gaat over een wereld na ‘de bom’, waarin mensen blauw uitslaan en de nucleaire fall-out hun haar doet uitvallen.

Idem voor 99 Luftballons, de wereldhit van Nena. Lijkt superschattig, maar het lied gaat over de totale destructie van de wereld nadat de Oost-Duitsers de ballonnen die toevallig over de Berlijnse Muur waren gewaaid voor vijandige vliegtuigen hadden genomen.

1983 was het jaar dat we volledig doordrongen waren van het nakende einde. Ook in het Nederlands. Want naast Vamos a la playa en 99 Luftballons zong Doe Maar dat jaar over het jachtige druk-druk-druk-leven in het neoliberale Westen en hoe futiel dat allemaal was in afwachting van De Bom. Laat maar vallen, het komt er toch wel van, het geeft niet of je rent, zongen de onlangs overleden Henny Vrienten en zijn vrienden, om er nog een klein beetje hoopvol aan toe te voegen: Ik heb jou nooit gekend, ik wil weten wie jij bent.

Die hoop was pas in de tweede helft van de jaren tachtig gerechtvaardigd, toen met Michael Gorbatsjov een jonge nieuwe machthebber opstond in de Sovjet-Unie die de gesprekken over ontwapening serieus nam. Maar pas na de grote burgerrevoluties in het Oostblok in 1989 en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie twee jaar later verdween de angst voor de bom.

Nu is het wachten op de eerste Poetin-single van Harry Styles of Taylor Swift.

Bron » Gazet van Antwerpen

Topmagistraten scherp voor Annelies Verlinden

Minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden (CD&V) was kop van Jut van de magistratuur deze namiddag in de Kamer.

Commissaris-generaal Marc De Mesmaeker van de federale politie getuigde in de Kamer over de dramatische financiële toestand van de federale politie. Ook de top van de magistratuur was aanwezig, net als vorige week (DS 12 mei).

Over de manier waarop dat financiële tekort aangepakt moeten worden, verschillen De Mesmaeker en de magistraten van mening. De Mesmaeker was het er niet mee eens dat er alleen een budgettaire aanpassing moet komen voor de federale gerechtelijke politie, zoals de procureurs-generaal vragen. Volgens de Mesmaeker moet de hele federale politie meer middelen krijgen.

1.000 extra mensen nodig

Bij de gerechtelijke politie alleen al zijn er – onder andere als gevolg van de Sky ECC-kraak – 1.000 extra mensen nodig op korte termijn. ‘Maar bij andere diensten zijn ook chronische tekorten’, zegt De Mesmaeker. Volgens hem zijn honderden extra mensen nodig voor de luchthaven, de wegpolitie en de directie beveiliging (DAB). En is er vers geld nodig om de maaltijdcheques te betalen.

De Mesmaeker wil niet dat de budgetten van de federale politie opgedeeld worden in een gerechtelijk en niet-gerechtelijk deel. Maar de Brusselse procureur-­generaal Johan Delmulle gelooft juist wel dat dit een voorwaarde is voor een betere werking. ‘Als we dat niet doen, vrees ik een verwatering van het budget van de gerechtelijke politie in het budget van de federale politie.’

De top van het Openbaar Ministerie en de federale politie begonnen een maand geleden aan hun ‘bedelweg’ bij de politiek op zoek naar verse middelen. Dinsdag was de tweede dag van de hoorzitting in de commissies Binnenlandse Zaken en Justitie over het geldtekort bij de federale politie. De commissie wil in de nabije toekomst ook minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden (CD&V) en minister van Justitie Vincent Van Quickenborne (Open VLD) horen.

Verlinden mag heel wat vragen verwachten. Zowel Ignacio de la Serna, voorzitter van het College van Procureurs-generaal, als Johan Delmulle gaf aan dat ze de voorbije dagen hebben geprobeerd om op verschillende manieren met haar in dialoog te gaan, maar zonder succes. ‘We hebben van alles geprobeerd. Ik weet niet tot welke heiligen we ons nog moeten wenden’, zei De la Serna.

Bron » De Standaard

25 jaar na de Witte Mars: ‘Als we toen hadden opgeroepen tot revolutie, was dat gebeurd’

Een kwarteeuw geleden, op 20 oktober 1996, liepen 300.000 mensen door de Brusselse straten in de Witte Mars na de zaak-Dutroux. Drie deelnemers kijken terug op een van de indrukwekkendste manifestaties die ons land gekend heeft.

Dennis Barbion (52): “Ik word er opnieuw emotioneel van”

“Is het al 25 jaar geleden? Dat is bizar om vast te stellen, het staat nog vers in mijn geheugen gegrift. Ik was toen een jonge knaap, een twintiger. Ik word opnieuw emotioneel als ik eraan denk. Ik zat bij mijn ouders en zag de beelden van twee meisjes die gered werden uit het huis van Dutroux op tv. Dat had een enorme impact op mij. Er was daarvoor al een algemeen gevoel van ongerustheid: enkele kinderen waren vermist en dat maakte indruk, omdat ik dat echt ongezien vond voor België. Ik dacht: hoe is dat in godsnaam mogelijk? Ik vond het mijn plicht om deel te nemen aan de mars.

“Ik wilde mijn steun betuigen aan de ouders van vermiste en vermoorde kinderen, een teken geven van ‘ik denk aan jullie’. Maar ik deed ook mee om een signaal te sturen naar beleidsmakers, het gerecht en politici, want er moest echt iets wezenlijks veranderen. Het rammelde toen echt langs alle kanten.

“Ik weet dat er enorm veel volk aanwezig was en dat we stapsgewijs door Brussel liepen. Het was heel heftig en hartverwarmend om al die mensen te zien. Ook al was ik op dat moment maar één druppel in de oceaan, ik wilde iets mee veranderen. En dat is dan ook wel gelukt. De Witte Mars was noodzakelijk om effectief tot veranderingen te komen, zoals de oprichting van Child Focus daarna. Al vind ik het enorm droevig om te beseffen dat er eerst kinderen moesten sterven voordat er iets veranderde.”

Paul Marchal (68): “We wilden de kinderen eren”

“Als vader van een van de slachtoffers van Dutroux heb ik de Witte Mars als een enorme kracht en uiting van solidariteit ervaren, van alle burgers. De Witte Mars is gegroeid uit een aantal ouders van verdwenen, vermoorde of teruggevonden kinderen. We wilden geen protestmars organiseren, we wilden de kinderen eren en aandacht vragen voor kindslachtoffers, en voor de problematiek die er toen was: de overheid luisterde onvoldoende naar ons.

“Vijf families organiseerden de mars, onder wie de ouders van Julie en Melissa en de ouders van Loubna Benaïssa. Alles ging toen vrij snel: we hadden blijkbaar alle burgers mee. Door de mars is er ook wat veranderd, en ook dat ging ineens heel snel. We werden uitgenodigd door toenmalig premier Jean-Luc Dehaene, aan wie we onze grieven mochten vertellen. Het was een goed gesprek, maar wij wilden natuurlijk meer. We wilden dingen op papier. Een van de belangrijkste dingen die we op papier hebben laten zetten is dat er in ons land een plek zou komen waar ouders van verdwenen kinderen terecht konden. Wij hadden de ervaring dat we in de kou bleven staan en dat wilden we voor andere ouders niet.

“We wilden ook dat verdwijningen serieuzer werden genomen. Soms lieten speurders zelfs dagen en weken voorbijgaan. Dat was de aanleiding voor onze eisen: we wilden een organisatie en een structuur waar ze onmiddellijk naar ouders van verdwenen kinderen zouden luisteren. Dat is ook gelukt, en dat was een grote verandering.

“Als we hadden opgeroepen tot een revolutie zou dat zelfs gebeurd zijn, denk ik. Niet dat ik dat wou, we wilden een geweldloze mars en daartoe hadden we ook opgeroepen. Het woordje ‘solidariteit’ heeft op die mars voor mij alleszins inhoud gekregen.”

Magda De Bruyne: “Ook mijn zus werd ontvoerd en vermoord”

“Mijn zus is in 1961 op negenjarige leeftijd ontvoerd en vermoord in Kortrijk. Ze was 33 dagen vermist. Ik werd pas later geboren en kreeg dezelfde naam als haar, en was een soort van vervangdochter geworden. Mijn ouders waren altijd bang om mij ook te verliezen. Heel mijn leven stond in het teken van wat er gebeurd was. Voor mijn ouders was het een enorme klap, het tekende ook hun leven.

“In die tijd was zoiets heel uitzonderlijk. Toen al die verhalen over Dutroux uitkwamen leefde iedereen, maar wij vooral, ook mee. Ik weet nog dat mijn moeder in de periode-Dutroux ziek werd van de verhalen en weer nachtmerries kreeg omdat ze zich in de onrust van de families herkende. Ze beleefde alles opnieuw. Die onzekerheid, het blijven zoeken naar een kind, dat deed iets met onze familie.

“Ik ging die dag alleen naar de Witte Mars en wist niet goed wat ik kon verwachten, maar ik ben heel blij dat ik er toen bij was. Er was die grote massa waarin we allemaal meeliepen, die menigte op de trein. Ja, dat was allemaal heel aandoenlijk. Ik was er vooral omdat ook ik de angst van de getroffen families voelde. Ik herkende het verdriet daar, verdriet dat ouders en gezinnen van verdwenen kinderen altijd zullen meedragen.

“Ik vind dat de straffen voor daders strenger moeten. Op dat vlak vind ik dat justitie nog kan verbeteren, ook al zijn er ondertussen al wat dingen gebeurd. Maar ik kan niet begrijpen dat bijvoorbeeld de vrouw van Dutroux nu gewoon vrij is. Ik zag haar liever nog wat langer in de gevangenis zitten. Mensen die kinderen hebben laten uithongeren en sterven en die dan weer vrij rondlopen, dat is gewoon iets dat voor mij niet kan. Dat gaat er bij mij echt niet in.”

Bron » De Morgen

Brussels parket moet onthoofd verder

Het grootste parket van het land dreigt het nog tot na 2024 zonder procureur te moeten doen.Met dank aan het deels vernietigde politieke akkoord over de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde.

Op 1 april stapte de 47-jarige Brusselse procureur des Konings Jean-Marc Meilleur over naar de privésector. Zo kwam het Brusselse parket, met zo’n 300.000 zaken per jaar het grootste van de 14 parketten van dit land, meteen zonder chef te zitten. Tot vandaag is het Tim De Wolf, Meilleurs Nederlandstalige adjunct en eerste substituut-procureur, die leiding geeft aan een kleine 500 medewerkers die misdrijven vervolgen.

Het Brusselse parket dreigt nog jaren zo onthoofd verder te moeten. Dat heeft alles te maken met het politieke akkoord over de beruchte splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde van 2011. Behalve de kieskring werd ook het gerechtelijke arrondissement BHV opgedeeld in twee afdelingen. Halle-Vilvoorde werd volledig Nederlandstalig – Ine Van Wymersch is er momenteel procureur.

In ruil daarvoor verkregen de Franstalige partijen dat de procureur van Brussel steeds een Franstalige – zij het met een grondige kennis van het Nederlands – zou zijn, benoemd door de Franstalige benoemingscommissie van de Hoge Raad voor Justitie. De adjunct zou steeds een Nederlandstalige zijn. Hetzelfde gold voor de arbeidsauditeur.

Onder meer de N-VA, Vlaams Belang en de Nederlandstalige advocatenordes trokken naar het Grondwettelijk Hof, dat de regel in 2014 vernietigde. Volgens het Hof was het niet verantwoord dat een kandidaat met een Nederlandstalig diploma nooit in aanmerking kon komen voor de functie van procureur in het tweetalige Brussel, of een Franstalige voor die van adjunct. De toen pas aangestelde Meilleur mocht blijven, maar zonder wetswijziging is er in principe geen nieuwe vacature en benoeming mogelijk.

Het probleem is dat zo’n wijziging raakt aan de delicate Belgische communautaire evenwichten en daarom allicht alleen politiek haalbaar is als deel van een reeks staatshervormende stappen. De regering-Michel bevroor in 2014 het institutionele debat en de huidige regering is van plan om een staatshervorming voor te bereiden, waarover pas na de verkiezingen van 2024 effectief onderhandeld zal worden. Ook na 2024 kan een nieuw communautair compromis nog lang op zich laten wachten.

‘Bijzonder taalgevoelig’

Voor de Brusselse procureur-generaal Johan Delmulle, die aan het hoofd staat van het Brusselse parket op het niveau van het Hof van Beroep, is de benoeming ‘noodzakelijk en dringend’, zei hij tijdens zijn mercuriale rede woensdag. ‘We kunnen niet wachten op het einde van de legislatuur. Het is niet verantwoord dat het grootste parket van het land gedurende drie jaar zonder een korpschef zou functioneren.’ Delmulle stelt dat de legitimiteit van de procureur van een tweetalig korps in een tweetalig gebied ‘dat bijzonder taalgevoelig is’, een volwaardige procureur vereist.

‘Het voor zich uit schuiven zou geen daad van goed en verantwoord bestuur zijn’, zegt Dermulle nog. Hij pleit ervoor dat de Brusselse procureur en arbeidsauditeur elke tien jaar afwisselend van de Nederlandse en Franse taalrol zouden komen en dat ze tegelijk grondig tweetalig zijn, zoals geldt voor de Brusselse procureur-generaal en de federale procureur. De adjunct zou dan telkens van de andere taalrol zijn.

Het kabinet van minister van Justitie Vincent Van Quickenborne (Open VLD) zegt zich bewust te zijn van de problematiek. ‘De kwestie ligt communautair bijzonder gevoelig, maar we proberen pragmatisch te zijn en zullen proberen zo snel mogelijk een tweetalige procureur te benoemen’, klinkt het, zonder meer details. ‘Ook voor ons is het cruciaal dat een van de belangrijkste parketten van het land wordt geleid door een procureur op volle kracht. We werken in stilte aan een oplossing.’

Bron » De Standaard

Topmagistratuur haalt uit naar politiek

‘Demagogische’ en ‘onwetende’ politici, tekorten die leiden tot straffeloosheid en ‘onzekere’ wetgeving: de procureurs-generaal trekken aan de alarmbel.

De eerste september markeerde gisteren ook de opening van het gerechtelijk jaar. Daarbij kunnen de parketten bij de vijf hoven van beroep en het Hof van Cassatie (zie hiernaast) zich uitzonderlijk laten horen via hun mercuriale redes. De procureurs-generaal, de hoogste vervolgende magistraten, waren opvallend kritisch voor de politiek.

1. Onafhankelijkheid in gevaar

Het scherpst was Ignacio de la Serna, de procureur-generaal van Bergen. Hij verdedigde de stelling dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in gevaar is, in de eerste plaats door publieke kritiek. ‘Beledigingen, laster, persoonlijke aanvallen, bedreigingen: vanaf een zeker punt moedigen ze ongehoorzaamheid en geweld tegenover de rechterlijke macht aan’, klonk het.

De la Serna viseerde specifiek politici, omdat hun uitspraken volgens hem door de klassieke media overgenomen worden, de bevolking beïnvloeden, magistraten in diskrediet brengen en het vertrouwen in justitie doen afnemen. De la Serna verwees onder meer naar de N-VA-campagne tegen ‘wereldvreemde’ en ‘activistische’ rechters.

Maar ook minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden (CD&V) kreeg de wind van voren, omdat ze beloofde zich altijd burgerlijke partij te stellen bij geweld tegen de politie. ‘Dat is in de praktijk onzin en het getuigt van een diepgaande onwetendheid over de strafprocedure’, klonk het. ‘Alsof het openbaar ministerie die dossiers zelf niet kan behandelen.’

Ook het parlement kreeg een veeg uit de pan, omdat het in de zaak-Chovanec magistraten uitnodigde tijdens een lopend gerechtelijk onderzoek. ‘Als die posities al geen populistische, opportunistische en demagogische wil weerspiegelen, zijn ze het resultaat van een volledige onwetendheid.’

2. Tekort aan middelen

Johan Delmulle, procureur-generaal in Brussel, hekelde het tekort aan middelen voor de aanpak van financiële en fiscale criminaliteit. ‘In 2002 waren er nog 131 gespecialiseerde speurders, vandaag 87.’ Om de grote achterstand bij het Brusselse hof van beroep weg te werken, kondigde Delmulle aan dat alleen nog prioritaire economische misdrijven zullen worden vervolgd. Minister van Justitie Vincent Van Quickenborne (Open VLD) belooft wel versterking.

Volgens De la Serna hebben de besparingen, ook nog onder de vorige regering, de onafhankelijkheid in gevaar gebracht. ‘Deze gedwongen besparingen, in combinatie met een decennialange afwezigheid van investeringen, hebben justitie op de rand van de afgrond gebracht, tot het punt dat er stakingen ontstonden en sommigen zich afvroegen of de gerechtelijke macht nog steeds een macht was.’

De Belgische justitie krijgt volgens De la Serna geen frontale aanvallen te verduren zoals in Polen of Hongarije. ‘Het is op een veel subtielere manier dat haar onafhankelijkheid is ondermijnd, door chronische onderfinanciering.’ De Bergense procureur-generaal voegde er wel aan toe dat hij verbetering zag. De regering-De Croo voorziet in een substantiële verhoging van het budget voor justitie.

3. Manke wetgeving

De Antwerpse procureur-generaal Patrick Vandenbruwaene en zijn eerste advocaat-generaal Yves ­Liégeois focusten in hun rede op de nieuwe wet op de spijtoptanten, die voor het eerst gebruikt werd door voetbalmakelaar Dejan Veljkovic in de operatie ‘Propere Handen’.

De wet bevat volgens Vandenbruwaene ‘knelpunten, lacunes en onzekerheden die dringend opgelost moeten worden’. Volgens het Antwerpse parket-generaal moet het ‘weinig leesbaar en verouderd’ wetboek van strafvordering dringend hervormd worden. Zo’n hervorming zit in de pijplijn.

Ook elders was kritiek op manke wetgeving vanwege de politiek. De Bergense procureur-generaal hekelde dat de wetgevende en uitvoerende macht verschillende heikele kwesties te zeer overlaten aan rechters om over te oordelen, wegens gebrek aan politieke consensus. Als voorbeeld geeft hij de hoofddoekenkwestie, waarover geen alomvattende regels bestaan en waarin dus vaak zaak per zaak moet worden geoordeeld. Andere zulke kwesties waar de politiek volgens De la Serna in gebreke bleef zijn de onzekere wettelijke basis voor de coronamaatregelen en de afwezigheid van een wettelijk kader voor draagmoederschap.

‘Journalisten beoefenen schaduwstrafrecht’

De kloof tussen justitie en de burger is voor een groot deel de fout van de media. Dat was de boodschap van de eerste advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie, de hoogste rechtbank van het land. ‘We begeven ons op glad ijs wanneer de principes van de rechtsstaat onvoldoende geduid worden of wanneer de ­bevolking al te vaak met sloganeske taal wordt opgehitst tegen justitie’, zei Ria Mortier in haar mercuriale rede.

Zij hekelde de grote concurrentiestrijd. ‘Vele media zetten daarom niet in op grondige, goed onderbouwde en gestructureerde analyses van het rechtssysteem. Die vergen veel kennis en tijd van redacties. De beginselen van de rechtsstaat zijn moeilijk uit te leggen aan een breed publiek. Over een verwaarloosd gerechtelijk apparaat dat nog verrassend goed werkt dankzij de dagelijkse inzet van velen, wordt structureel weinig tot niet bericht wegens niet interessant.’

Media focussen volgens Mortier te veel op ‘fenomenologie’ en ‘faits divers’. Ze hekelde ook journalisten die nog voor een veroordeling op zoek gaan naar de waarheid. ‘Voordat een rechter heeft geoordeeld, is een zaak veel spectaculairder en sensationeler. Vaak gaan “onderzoeksjournalisten” op eigen onderzoek uit en beoefenen ze een soort schaduwstrafrecht dat niet formeel geregeld is. Zij drijven hierbij op de golven van veranderende gevoelens, houdingen of mentaliteiten en de journalist voelt zich, naar eigen zeggen, niet gebonden door beginselen als “het geheim van het onderzoek” of het “vermoeden van onschuld” die hij strikt formeel-juridisch enkel van toepassing acht op justitiefunctionarissen.’

‘Bovendien is er een duidelijke evolutie merkbaar van informeren naar opiniëren. Hierbij staan niet zozeer de feiten dan wel waardeoordelen centraal, die evenwel naar hun aard niet te bewijzen zijn. Ook het woordgebruik en de ­lichaamstaal van de journalist genereren een niet te onderschatten impact op de perceptie van het publiek.’

Bron » De Standaard