Europees Hof neemt strafonderzoek ‘belangrijkste instrument’ uit handen

De plicht voor Belgische providers om van iedereen telecomdata bij te houden, is onwettig. Een zware klap voor politie en gerecht.

‘Als we op een plaats aankomen waar een misdrijf is gepleegd, is het na het sporenonderzoek het eerste wat we doen: nagaan wie er onlangs in de buurt van de dichtstbijzijnde zendmast is geweest’, zegt Philippe Van Linthout, voorzitter van de Vereniging van Onderzoeksrechters. ‘Er zijn bijna geen zaken meer waarin we geen telecomgegevens gebruiken. Het is ons belangrijkste instrument.’ Maar het Europees Hof van Justitie, de hoogste rechter van de Europese Unie, legde gisteren een bom onder die onderzoeksmethode.

De wet verplicht de Belgische ­telecomaanbieders, zoals Telenet of Proximus, om de data van al hun gebruikers preventief een jaar lang bij te houden. Het gaat om gegevens zoals wie met wie in contact stond, wanneer dat gebeurde en waar de gebruikers zich bevonden, niet om de inhoud van de communicatie. Het Hof oordeelde gisteren dat die massale opslag, ook toegepast in andere Europese landen, in strijd is met het recht op ­privacy.

Alternatief voor tap

Niet met al die preventieve opslag heeft het Hof een probleem. Maar het kan niet ­zomaar – zonder onderscheid te maken – voor alle gebruikers, van wie de meesten nooit betrokken ­raken bij criminaliteit. Massale ­opslag is, onder strikte voorwaarden, toegestaan in tijden van ‘een ernstige bedreiging van de ­nationale veiligheid’ of in de strijd tegen zware criminaliteitsfenomenen zoals terrorisme. Voor dat laatste is goedkeuring van een onafhankelijke rechter of autoriteit vereist.

Ook het louter bijhouden van IP-adressen of de identiteit van communicerende personen, is toegestaan. ‘Uiteraard zullen we de rechtspraak van het Hof respecteren, maar ik zit met de handen in het haar’, zegt Van Linthout. ‘Hoe zal ik mijn dagelijkse onderzoeken nog kunnen uitvoeren?’

Volgens de uitspraak zal het bijvoorbeeld bij een moordonderzoek niet meer mogelijk zijn om via telecomdata na te gaan waar ­verdachten zich voor de misdaad ­bevonden. Bij een verdwijning kan de locatie van iemand vlak voor hij werd vermist, niet meer worden nagegaan. ‘Er is vaak ­kritiek dat justitie te traag werkt’, zegt Van Linthout. ‘Maar om dat te verbeteren moeten we wel de nodige ­instrumenten kunnen gebruiken.’ ­Onderzoeksrechters gebruiken de telecomgegevens vaak als een veel minder arbeidsintensief alternatief voor telefoontaps of het fysiek schaduwen van personen.

Al eerder problemen

Het Hof laat een opening voor de bewaring van data van gerichte groepen personen. Zo kan er ­gedacht worden aan ex-veroordeelden. ‘Maar dat helpt maar in een deel van de onderzoeken’, zegt Van Linthout. ‘Bovendien is de vraag hoe die doelgroepen omschreven zullen worden. Discriminatie loert daarbij om de hoek.’ Het is ook ­afwachten of bewijs vergaard via zulke telecomgegevens in lopende rechtszaken nog aanvaard zal worden door rechtbanken.

Het is niet de eerste keer dat wetgeving over zogenaamde ‘data­retentie’ op hogere normen botst. De huidige wet, in 2016 ingevoerd door ex-minister van Justitie Koen Geens (CD&V), was al een reparatie van een wet die eerder vernietigd werd. Ze maakte de toegang tot de gegevens strenger en afhankelijk van de zwaarte van het misdrijf, maar dat volstaat dus niet. De wet werd aangevochten door onder meer de Orde van Frans- en Duitstalige advocaten en de Liga voor Mensenrechten bij het Grondwettelijk Hof, dat op zijn beurt het ­Europees Hof vragen om verduidelijking over de regels stelde.

Het Grondwettelijk Hof zal nu meer dan waarschijnlijk de Belgische wet moeten vernietigen. De Liga voor Mensenrechten toont zich ‘erg blij’ met het arrest. ‘Het Hof maakt nogmaals duidelijk dat de bestrijding van criminaliteit niet wettigt dat iedere burger als verdachte wordt behandeld’, aldus de Liga. Het is aan de nieuwe ­minister van Justitie, ­Vincent Van Quickenborne (Open VLD), om een alternatief te onderzoeken. ‘Dataretentie is een belangrijk instrument om bijvoorbeeld verdwijningszaken op te lossen’, reageerde de minister. ‘We zullen nagaan hoe we onze regelgeving moeten aanpassen met respect voor de ­privacy, zoals het Hof vraagt. Die aanpassing mag de strijd tegen ­criminaliteit niet bemoeilijken.’

Bron » De Standaard

Europees Hof: veralgemeende opslag van telecomgegevens is onwettig

De overheid vraagt dat providers als Proximus of Telenet van al hun klanten bijhouden waar, wanneer en met wie ze contact hebben. Die vraag kadert in de strijd tegen criminaliteit. Maar die preventieve massa-opslag is een inbreuk op de privacy, vindt het Europees Hof van Justitie.

Of het nu gaat om drugshandel, terrorisme of zedenzaken: in tal van criminele onderzoeken maken speurders gebruik van telecomgegevens. Een wet uit 2016 verplicht de Belgische providers om preventief verkeers- en locatiegegevens van alle gebruikers een jaar lang bij te houden.

Het gaat om gegevens zoals wie met wie in contact stond, wanneer dat gebeurde en waar de gebruikers zich bevonden, niet om de inhoud zelf van de communicatie. Het gerecht doet vaak een beroep op die zogeheten metadata.

Vandaag oordeelde het Europees Hof van Justitie, de hoogste rechter van de Europese Unie, dat de Belgische wet – net als die van enkele andere Europese landen – onwettig is. Een algemene verplichting om telecomdata door te sturen of te bewaren, zonder onderscheid te maken, is in strijd met het recht op privacy, stelt het Hof.

Uitzonderlijk mag het wel

Het Hof heeft er in principe geen probleem mee dat er gegevens worden bijgehouden. Maar het feit dat dit van alle gebruikers gebeurt, kan niet door de beugel. Het Hof ziet onvoldoende de link tussen het gedrag van de personen van wie data wordt bijgehouden, en het doel van de wetgeving: het bestrijden van criminaliteit.

De rechters laten wel plaats voor enkele uitzonderingen. Zo is de massa-opslag toegestaan in tijden van ‘een ernstige bedreiging van de nationale veiligheid’, zolang die dreiging werkelijk aanwezig is.

In de strijd tegen ‘ernstige criminaliteit en het voorkomen van bedreigingen van openbare veiligheid’ mag er ook data opgeslagen worden, maar dan wel na tussenkomst van een onafhankelijke rechter of administratieve overheid. Het louter bijhouden van IP-adressen of de identiteit van de communicerende personen, zodat de bron van communicatie achterhaald kan worden, is wel toegestaan.

Niet de eerste juridische problemen

Het is niet de eerste keer dat een rechtbank vindt dat er iets schort aan die massa-opslag. In 2013 vernietigde het Europees Hof al eens de Europese richtlijn over die gegevensopslag, waarna het Belgisch Grondwettelijk Hof in 2015 de Belgische invulling ervan ook vernietigde.

De vorige minister van Justitie, Koen Geens (CD&V), kwam met de oplossing om de toegang tot de gegevens strikter te maken via een getrapt systeem. Hoe ver speurders in de tijd terug kunnen gaan en welke gegevens ze daarbij kunnen opvragen, hangt af van de ernst van het misdrijf – met het maximum van een jaar.

Maar eind 2016 besloot het Europees Hof van Justitie dat elke vorm van algemene opslag in strijd is met het recht op privacy, ongeacht hoeveel controle er is op de toegang tot de gegevens. Dat zette de Belgische oplossing op losse schroeven. De Orde van Frans- en Duitstalige advocaten en enkele mensenrechtenorganisaties en een lokale afdeling van Vlaams Belang stapten naar het Grondwettelijk Hof, dat op zijn beurt aan het Europese Hof een vraag om verduidelijking over de regels stelde.

Uit dat antwoord blijkt nu dat een algemene opslag simpelweg niet mag, waardoor het Grondwettelijk Hof de Belgische wet meer dan waarschijnlijk zal vernietigen. De vraag is wat de impact zal zijn op toekomstige strafonderzoeken. ‘Ik vrees dat we een probleem hebben’, tweette onderzoeksrechter Philippe Van Linthout alvast vanochtend.

Bron » De Standaard

Er zit wetsdokter Wim Van De Voorde iets dwars: ‘Justitie moet van de grond af worden heropgebouwd’

Vijfentwintig jaar was Wim Van de Voorde (61) wetsdokter. Hij speurde mee naar moordenaars en voerde duizenden autopsieën uit. Toch worden hij en zijn collega’s niet erkend, zegt hij. Maar er is meer dat hem dwarszit. ‘Justitie moet van de grond af worden heropgebouwd.’

Het zijn de laatste dagen hier, zegt de wetsdokter als we hem ontmoeten op campus Sint-Rafaël in het centrum van Leuven. Begin maart verhuist de afdeling forensische geneeskunde naar Gasthuisberg. Wel zo gemakkelijk, want dan hoeft hij niet meer de stad in. In zijn werkkamer – grote boekenkast, kunstboeken op de tafel – zet hij een beker koffie neer. “Het was voor mijn boek zeker, dat u komt?”

Als we dat bevestigen, steekt hij meteen van wal. “Het gezicht van het kwaad sluit naadloos aan bij de open brief van de ouders van Julie Van Espen aan justitie en gerecht. Een aantal van hun punten heb ik ook beschreven. Er moet een Comité J komen, maar ik zou dat niet beperken tot een instantie die controleert hoe justitie werkt. Voor we daar zijn, moet er haast tabula rasa gemaakt worden, moet justitie geherstructureerd worden. Het systeem moet van de grond af heropgebouwd worden. Het staat zodanig op instorten dat zelfs herstel niet meer mogelijk is. De roep naar meer middelen voor justitie is terecht, maar als je die in een structuur pompt die het einde nabij is, gooi je het in een bodemloze put. Het systeem draait alleen nog op individuen die hun uiterste best doen om er nog iets van te maken.”

Zijn er landen waar het systeem beter werkt en die als voorbeeld kunnen dienen?

Wim Van de Voorde: “Ik heb onder andere in Nederland en Duitsland moeten getuigen. Alleen al de beveiliging van een gerechtsgebouw is er totaal anders. In Brussel kost het een halfuur om binnen te raken, in andere gerechtsgebouwen in ons land loop je zo binnen, zonder enige vorm van controle. In Nederland en Duitsland is dat gewoon uitgesloten: elk gerechtsgebouw heeft een vlot beveiligingssysteem, je bent in vijf minuten binnen. Het is dus mogelijk. En dat is maar één voorbeeld.”

Van de Voordes dienst in het UZ Leuven onderzoekt een zevenhonderdtal overlijdens per jaar en voert tweehonderd autopsieën uit. Wim Van de Voorde heeft al duizenden doden onderzocht. Een belangrijke en mooie job, schrijft hij in het voorwoord van zijn boek. ‘Je kunt ons werk vergelijken met een ogenschijnlijk blanco boek dat je begint te lezen. De bladzijden beginnen zich te vullen, maar je weet nog niet wat het betekent. En dan begin je, bladzijde na bladzijde, de woorden en zinnen te ontcijferen, totdat je het hele verhaal kunt construeren.’

Uw boek biedt een overzicht van wat uw werk precies inhoudt. Hoe blikt u op de afgelopen vijfentwintig jaar terug?

“Toen ik student was, bestond er nog geen opleiding in forensische geneeskunde. Gelukkig zagen ze op de faculteit in dat het een belangrijke richting was, dus werd ik naar Zürich gestuurd. Daar heb ik de mosterd gehaald.”

“Aanvankelijk verliep het vlot hier in België. In al mijn naïviteit vond ik dat er veel meer overlijdens onderzocht moesten worden dan tot dan het geval was. Daar werd gehoor aan gegeven, totdat er bespaard moest worden. Die besparingen hebben mijn idealisme en mijn pogingen om het vakgebied een statuut te geven, gefnuikt. Als arts-specialisten in dit vakgebied zijn wij armoezaaiers; wij kunnen níét leven van wat justitie ons voor strafzaken betaalt. Oké, minister Koen Geens (CD&V) heeft ervoor gezorgd dat we tegenwoordig in elk geval op tíjd worden betaald, maar het gaat nog steeds om basistarieven voor amateurs, hobbyisten.”

“Ook daarom heb ik dit boek geschreven, in de nasleep van het programma Wetsdokters (Van de Voorde was een van de artsen in ‘Misdaaddokters’ op Canvas en ‘Wetsdokters’ op VTM vorig jaar, JdR). Opdat men beseft wat we doen. Met de achterliggende bedoeling om duidelijk te maken dat wij de best gevormde gerechtsdeskundigen zijn die men kan vinden. We hebben een universitaire opleiding van zeven jaar geneeskunde, nu is dat zes jaar, en vijf jaar specialisatie. Welke gerechtsdeskundige kan dat zeggen?”

U klinkt verbitterd.

“Ik zit met een dubbel gevoel. Ik ben heel blij dat ik dit heb kunnen doen, maar als je vraagt of ik dit anderen aanraad, zeg ik ja voor wat de inhoud betreft en nee voor de manier waarop wij ons vak moeten uitoefenen.”

Houdt de slechte verloning studenten genees­kunde tegen om deze richting te volgen?

“Zeker. We krijgen weliswaar voldoende vragen van studenten om stages te volgen, maar een aantal begint er niet eens aan omdat ze weten dat het niet genoeg opbrengt. De helft van alle assistenten die hier beginnen, is gestopt. Dat is veel: in andere vakgebieden stopt bijna niemand. Dat heeft ook te maken met de wachtdiensten ’s nachts en in het weekend. De helft van onze overlijdens wordt onderzocht buiten de normale werkuren. Dat is een belasting op je sociaal leven. Daar komt ook nog eens bij dat we te weinig respect krijgen van justitie en soms ook van enkelingen die ons aanstellen.”

Hoe komt dat?

“Geen idee, wellicht omdat ze de macht hebben. De magistraten kunnen ons advies gewoon naast zich neerleggen als ze dat willen. Wij, oudere wetsdokters, proberen dat te relativeren, maar voor jonge mensen in opleiding is dat niet motiverend. We worden niet als een volwaardige professional gezien. Dat stamt uit het verleden, toen een wetsarts alleen werd aangesteld als ze er bijna zeker van waren dat het om criminele feiten ging. Ja, iedereen kan zien dat het om een criminele daad gaat als iemand een kogel in zijn hoofd heeft. Het gaat nu juist om alles wat erbij komt kijken en om de vragen achteraf op een assisenproces – bijvoorbeeld of de verdachte wel juiste verklaringen heeft afgelegd. Daar zit een heleboel kennis en kunde achter; veel mensen zijn zich daar niet van bewust.”

“Het is frustrerend. Ik heb er niet veel aan als iemand zegt dat ik een mooie carrière heb gehad. De boodschap die ik wil horen, is dat we de gerechtelijke geneeskunde op de kaart hebben gezet en dat ik mijn opvolgers een toekomst kan bieden. Daar heb ik tot op vandaag geen enkele zekerheid over; ik weet zelfs niet of deze dienst zal blijven bestaan. Met het einde van mijn carrière in zicht is dat teleurstellend. Ik werk tegenwoordig meer voor de nabestaanden dan voor justitie. Omdat ik hun tenminste nog een antwoord kan bieden op de vragen waar ze zo mee zitten. Al duurt ook dat veel te lang. Er is geen tijd én het ontbreekt ons aan middelen om snel te werken.”

Vindt u nog voldoening in uw werk?

“Ja, in het aanpakken en uitvoeren van dossiers wel. Het geeft voldoening als je de waarheid aan het licht kunt brengen maar dat werk zou erkend moeten worden. Het is bijna als parels voor de zwijnen gooien. Dat gevoel krijg ik steeds meer en dat is fout.”

Waarom koos u er als jonge man voor om met doden te werken?

“Tijdens mijn kandidatuur in Kortrijk kreeg ik de kans om aanwezig te zijn bij gerechtelijke autop­sieën. Er ging een wereld voor me open, ik vond het heel boeiend te bekijken wat je allemaal kunt afleiden uit bepaalde structuren en organen. Ik was geïnteresseerd in de morfologische kant van geneeskunde. Ik wilde eigenlijk chirurgie doen, maar omdat mijn vrouw ook arts was, besefte ik dat we geen tijd zouden hebben om een gezin te stichten als ik chirurg zou worden. Dus koos ik voor anatomopathologie, een vak dat me enorm aansprak. Tot ik werd gevraagd als opvolger van mijn voorganger, zo is het begonnen.”

“Ze zeggen weleens dat dit werk geschikt is voor hen die niet goed met mensen kunnen samenwerken, omdat je overledenen onderzoekt. Klopt niet, je hebt wel sociale vaardigheden nodig. In onze contacten met politie en magistraten bijvoorbeeld: je moet medisch vakjargon kunnen uitleggen en kunnen spreken met nabestaanden. Nabestaanden zijn trouwens vaak zelf vragende partij voor een onderzoek.”

Bent u voorstander van een algemene DNA-databank waar iedere Belg zich moet laten registreren?

“Ik heb moeite met de manier waarop erover wordt gediscussieerd. Men komt altijd met hetzelfde argument: het is een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Maar we moeten sommige dingen nuanceren. Privacy bestaat niet meer. We kunnen alles achterhalen via de mobiele telefoon, buiten word je gefilmd, alle handelingen met je bankkaart worden geregistreerd. Onze privacy is dus zeer relatief.”

“Ten tweede, bij het opslaan van DNA wordt het erfelijk materiaal vernietigd. We bewaren alleen een streepjes- of cijfercode die later eventueel vergeleken kan worden met een bepaald profiel. Dankzij de linken tussen de Belgische en Nederlandse, Duitse of Franse databanken worden er nu al verkrachters en moordenaars in ons land opgepakt. Daar gaat het om; de veiligheid kan enorm worden vergroot via die databanken.”

Uw dienst onderzoekt gemiddeld vier verhan-gingen per week, in de regio Vlaams-Brabant en Limburg alleen al. Dat is verontrustend veel.

“Soms zijn het er vier op één dag. Zowat de helft van de zelfdodingen gebeurt door verhanging. We hebben ook een aanzienlijk aantal waterlijken, meest-al van wat oudere dames. Ze plegen zelfdoding door zich te verdrinken. Niet zelden verdwijnen ze in nachtgewaad en worden in het water teruggevonden.”

Gaat het dan om mensen met dementie?

“Nee, het zijn mensen die echt kiezen voor de dood. Verdrinking staat bij vrouwen op de tweede of derde plaats; bij mannen op de vierde of vijfde plaats. Maar verhanging staat op één, zowel bij mannen als vrouwen. Voorts zien we veel overdosissen met geneesmiddelen.”

“Ik spreek trouwens liever over zelfdoding dan over zelfmoord. Zelfmoord is pejoratiever.”

Hebt u zelfdodingen gezien die bij nader onderzoek moord bleken te zijn?

“Heel onlangs nog. Het ging om een verhanging van een jonge dame. Op het eerste gezicht zag het er inderdaad uit als een verhanging, tot een van onze wetsdokters en iemand van het gerechtelijk labo kwamen kijken en in één oogopslag zagen dat het geen zelfdoding was maar strangulatie. Die term gebruiken we voor het dichtsnoeren van de hals met een snoer of koord. Als het met de handen gebeurt, is het wurging. De vrouw was dus gedood, daarna werd ze opgehangen.”

“We hadden ook eens een man die in elkaar was gestort. Op weg naar het ziekenhuis probeerden ze hem nog te reanimeren maar het was te laat. De man had achterop zijn hoofd een kleine wond, maar de dienstdoende arts dacht dat hij door een hartfalen was gevallen en daardoor een scheurwond had opgelopen. De arts was op het verkeerde spoor gezet door de echtgenote van de man die vertelde dat hij klaagde over pijn in zijn borst en in zijn arm. Het geval werd als een natuurlijk overlijden geklasseerd. Tot een verpleegkundige ’s nachts het lijk wilde verzorgen en meende dat er toch maar een röntgenfoto van de schedel gemaakt moest worden. Bleek dat er een kogel in zat, het was maar een klein gaatje. Daarom moeten we elke zelfdoding onderzoeken.”

U hebt ooit gezegd: tegenover elke ontdekte doding staat een onontdekte doding.

“Dat heb ik in het boek genuanceerd. Maar er is ongetwijfeld een categorie overlijdens waar het om een doding gaat die niet ontdekt wordt. Vaak zijn het plotse, onverwachte overlijdens die worden afgedaan als hartaderbreuk of hartaanval.”

“Soms is het subtiel. We hebben eens een assisenzaak gehad van een vrouw die vertelde dat ze thuis was gekomen nadat ze de hond had uitgelaten en haar man – hij was begin vijftig – op de grond had aangetroffen, naast de zetel. Zijn dood werd door een huisarts en een arts van de MUG als een natuurlijk overlijden geclassificeerd. Maar de dag voor de begrafenis kreeg ik een telefoontje van de onderzoeksrechter met de vraag of ik toch een autopsie wilde doen want er waren blijkbaar geruchten dat de vrouw een minnaar had. Bovendien had de huisarts gezegd dat hij bij een recent onderzoek had vastgesteld dat de man gezond was.”

“We hebben dan in allerijl een autopsie uitgevoerd maar we vonden niets. Tot uit het toxicologisch onderzoek bleek dat de man verschillende kalmerende middelen in zijn maag en bloed had. Terwijl de huisarts en zelfs zijn eigen vrouw zeiden dat hij geen kalmeermiddelen nam. De hoeveelheid was te weinig voor een overdosis, dus wat was er aan de hand? Na onderzoek kwamen we erachter dat zijn vrouw hem gesmoord had. Ze had kalmeringsmiddelen in zijn eten gedaan en toen hij versuft op de bank lag, had ze een plastic zak over zijn hoofd getrokken om hem te doen stikken. Hij was wakker geworden en begon zich te verdedigen. Ze had echt moeten duwen, daar kwam de rode plek op zijn neus vandaan. Tijdens de schermutseling was hij op de grond gevallen met een blauwe plek op de elleboog tot gevolg. Zo hebben we de ware toedracht kunnen opsporen. Het was trouwens niet de eerste keer dat de vrouw hem kalmeermiddelen had gegeven. Uit onderzoek van zijn haar zagen we dat ze het al twee keer eerder had gedaan.”

Hoe werkt dat?

“Stoffen die we hebben ingenomen slaan zich op in ons haar. Een haar groeit een centimeter per maand, we kunnen dus per maand zien wat iemand heeft ingenomen. De vrouw gaf toe dat ze het eerder had geprobeerd. Toen haar man de eerste keer wakker werd, is ze op internet gaan zoeken. De politie vond die hele internetgeschiedenis terug. Zo kwam ze op het idee om het met een plastic zak te combineren.”

U hebt al heel wat wreedheden gezien. Maar de agressie die bij lustmoorden vrijkomt, is onvoorstelbaar, schrijft u.

“Je hebt de lustmoord die ontstaat uit een seksuele drijfveer en er zijn lustmoorden die louter om macht gaan. Bij die laatste zit je meer in de categorie van de serieverkrachters en de seriedoders. Het gaat vaak om sadisme en perversie; ze halen genoegdoening uit het feit dat ze het slachtoffer doen afzien, doen vrezen.

“Maar met de term lustmoord bedoelen we meestal heel brute, gewelddadige verkrachtingen die dodelijk aflopen. De maïsmoord was er zo een (in Riemst in 2007, JdR). Ik heb het slachtoffer destijds onderzocht. Gelukkig komen dit soort extreme geweldsuitbarstingen niet zo vaak voor, maar het geeft een beeld van hoe een mens totaal kan ontsporen. Het is een van de zwaarste zaken die ik op dat vlak heb meegemaakt.”

“We hebben ook de zaak-Hardy gehad (Renaud Hardy werd in 2018 schuldig verklaard aan de moord op twee vrouwen, en verkrachting en foltering. Hij werd ook schuldig bevonden aan twee moordpogingen, waarvan een op actrice Veerle Eyckermans, JdR). De man speelde met zijn slachtoffers als een kat met een muis. Hij nam zichzelf op tijdens de moorden; de beelden waren niet te zien maar alles was te horen. Daar word je misselijk van.”

Hebben al die misdaden uw visie op de mens veranderd?

“Ik ben wantrouwiger geworden. Ik moet eerst alles bewezen zien want ik geloof niets zomaar, ook niet wat er in de kranten staat. Voorts heb ik geen optimistische blik op de mensheid in het algemeen. Kijk eens naar onze politieke leiders: die geven alleszins niet het goede voorbeeld. Wat de gruwel in mijn werk betreft: ik besef dat het om een minderheid gaat, alleen een klein deel ontspoort.”

“Wat me stoort, is dat we veel makkelijker ontsporen bij minder ernstige dingen. In het verkeer bijvoorbeeld. Ik ben bang dat we doorslaan naar een samenleving waar iedereen alleen nog bezig is met ikke, ikke, ikke. Hoe dat komt ligt aan verschillende factoren, maar ik leg onder andere de link naar de Franse Revolutie en het verlichtingsidee van absolute vrijheid van de mens, van autonomie en beslissingsrecht. Ik zie dat ook in de geneeskunde: een patiënt heeft de volledige autonomie – denk aan het euthanasierecht. Positief daaraan is dat de mens voor zichzelf kan beslissen, keerzijde van de medaille is dat hij niet meer leert rekening te houden met anderen.”

“In de moderne samenleving rafelt de maatschappelijke structuur uit elkaar, en ik klink nu zeer conservatief, maar de pastoor zorgde er vroeger wel voor dat de mensen in een dorpsgemeenschap in het gareel liepen, samen met de burgemeester, ‘den doktoor’ en de notaris. Natuurlijk weet ik dat dit niet meer in deze tijd past. Ik weet ook dat politici het niet allemaal kunnen overnemen. Je kunt het menselijk handelen strikt genomen niet allemaal in wetten vastleggen. Ik denk dat we meer ethisch-deontologisch moeten werken, op het vlak van moraliteit, opvoeding, samenleven.”

Hebt u zich nog nooit eens afgevraagd of u zelf tot een moord in staat zou zijn?

“Ik denk dat ik met een heel sterk aanwezig geweten zit. Ik parkeer niet op foute plekken, ik volg exact de snelheidsbeperking; ik overdrijf daar zelfs in. Ik kan me vinden in de uitspraak van Louis Tobback, die zei: ‘Ik stop voor elk rood licht, zelfs in de woestijn.’ Nu, ik zal niet zeggen dat ik nooit zondig, integendeel, maar dat geweten zit er diep ingebakken. En toch, ik heb nu mijn eerste kleinzoon. Als er iets met dat manneke zou gebeuren, weet ik ook niet hoe ik zou reageren.”

Het zijn niet de meest gruwelijke zaken die op uw netvlies zijn blijven branden, schrijft u. Welke dan wel?

“Zaken waar kinderen bij betrokken zijn, blijven langer plakken. Ik heb een paar gezinsdrama’s meegemaakt waar meerdere kinderen soms op gruwelijke wijze om het leven waren gebracht en waarvan ik de situatie nog zo voor me zie. En ik denk aan het kind dat door drie rottweilers werd doodgebeten. Je zag in de sneeuw de sporen van wat er zich had afgespeeld.”

“Maar het moeilijkste beeld is dat van een vader die zich had opgehangen. Naast hem hing zijn dochtertje, haar linkerarm had ze om hem heen, als in een soort omhelzing. (wordt emotioneel)

“In de loop van de jaren ben ik gevoeliger geworden. Het is alsof ik een pakket meedraag dat op sommige momenten zwaar begint te wegen en doorzakt. Dat kan stomweg gebeuren door een tv-programma waar iemand iets pijnlijks meemaakt, of door muziek.”

“Of dat trauma’s zijn door het werk? Ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat ik de komende vierenhalf jaar mijn werk nog altijd met begeestering zal uitvoeren. Al hoop ik tussendoor wel wat tijd door te brengen met mijn kleinzoon.”

Bron » De Morgen


Wim Van de Voorde, Het gezicht van het kwaad, Borgerhoff & Lamberigts, 240 p., 22,90 euro.

Wie met vragen zit over zelfdoding kan terecht bij de Zelfmoordlijn op het gratis nummer 1813 of op zelfmoord1813.be

1.100 mensen opgespoord door DNA-databanken

Vorig jaar zijn 9.193 nieuwe DNA-profielen opgenomen in de Belgische databanken. Daardoor werden ruim 1.100 gezochte personen – zowel verdachten in lopende dossiers als vermiste personen – geïdentificeerd. 5.186 profielen kwamen terecht in de DNA-databank criminalistiek (voor verdachten) en 3.971 profielen belandden in de databank voor veroordeelden.

In die twee databanken samen zitten intussen meer dan 115.000 profielen. Tot slot werden 36 nieuwe profielen toegevoegd aan de DNA-databank voor vermisten, die nu in totaal 183 profielen bevat. Vorige week nog raakte bekend dat het federaal parket in het dossier van de Bende van Nijvel van honderden mensen een DNA-staal wil, om te vergelijken met sporen uit het onderzoek.

Bron » Het Laatste Nieuws

‘Wij puren een DNA-profiel uit een speldenprik bloed’

Hightech in een handvol labo’s stelt de speurders in het Bende van Nijvel-dossier in staat een nieuwe klopjacht op DNA te organiseren. ‘We hebben veel minder biologisch materiaal nodig voor onze analyses.’

Leiden nieuwe DNA-sporen – 34 jaar na de laatste overval – tot een doorbraak in het onderzoek naar de Bende van Nijvel? Speurders identificeerden de voorbije maanden nieuwe sporen op voorwerpen die in de loop der jaren in beslag zijn genomen, meldde De Standaard. Ze willen DNA afnemen bij honderden mensen van wie de naam opduikt in het onderzoeksdossier en dat vergelijken met DNA uit het strafdossier.

De eventuele stroomversnelling komt er dankzij de vijf Belgische labo’s die erkend zijn om DNA-stalen te analyseren in strafzaken. ‘Dankzij nieuwe technologie zijn zulke analyses al veel gevoeliger’, zegt Bieke Vanhooydonck, gerechtelijk deskundige DNA-databanken van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (NICC).

Cockpit

Het NICC, dat een van de labo’s huisvest, zit in de cockpit omdat het al die gerechtelijke DNA-analyses binnenkrijgt en verzamelt. Vanhooydonck ontfermt zich over zo’n 100.000 profielen in de nationale DNA-databanken, onder meer van verdachten en veroordeelden van zware feiten.

Het NICC gaat na of er een match is met profielen in een strafdossier. ‘Wij krijgen nooit een naam’, klinkt het. ‘In het belang van de privacy en de neutraliteit is alles uniek gecodeerd. Al die data wisselen we uit met 18 Europese landen.’

De labomachines die een DNA-profiel proberen te puren uit speekselstalen of bloedsporen worden almaar krachtiger, aldus Vanhooydonck. ‘Vroeger had je op een crime scene bij wijze van spreken een halve plas bloed nodig, nu volstaat een speldenprik. We hebben veel minder biologisch materiaal nodig omdat we zelfs een klein aantal cellen via machines kunnen vermenigvuldigen.’

‘Bovendien kunnen we inmiddels op meer plekken in het DNA kijken’, zegt Vanhooydonck. ‘Vroeger kon dat op een zestal plekken of ‘markers’, vandaag op 24. Daardoor is de kans op een foute match miniemer.’

Wattenstaafje

In het dossier van de Bende van Nijvel zijn de DNA-staalnames begonnen. De betrokkenen die instemmen, melden zich bij de politie, waar met een wattenstaafje aan de binnenkant van de mond wangslijm wordt weggenomen. Als iemand weigert, kan de onderzoeksrechter zo’n afname afdwingen. In het Bende-dossier worden ook DNA-stalen afgenomen van mensen bij wie dat ooit al gebeurde.

Dankzij verbeterde technieken kunnen ook afzonderlijke profielen geïdentificeerd worden op objecten waarop tot voor kort alleen zogenaamde ‘mengprofielen’ gevonden konden worden, van twee of meerdere personen.

‘Ik spreek me niet uit over de Bende-zaak’, zegt Vanhooydonck. ‘Maar in het algemeen kan het met nieuwe technologie de moeite lonen om oude overtuigingsstukken, zoals een pistool, opnieuw op DNA te analyseren.’ De speurders in het dossier van de Bende van Nijvel rest alleszins weinig tijd. De verjaringstermijn ligt in 2025.

Bron » De Tijd