Enorme achterstand bij onderzoeken naar vuurwapens bij NICC: ‘Het is dweilen met de kraan open’

Misdaadonderzoekers van het NICC kunnen de toename aan dossiers rond vuurwapens niet meer volgen. Terwijl speurders erg lang moeten wachten op resultaten, noemt het NICC de situatie zelf ‘onaanvaardbaar’.

Brussel kwam de voorbije maanden in het nieuws met de ene schietpartij na de andere. Onder meer het metrostation Clemenceau kwam in beeld als een hotspot waar een territoriumstrijd woedde tussen drugsbendes.

Cijfers van de politie laten ook een stijgende trend zien. Waren er twee jaar geleden 62 schietincidenten in het gewest, dan liep dat vorig jaar op tot 92.

Om wetenschappelijke informatie over een schietpartij in te winnen, doet de politie een beroep op de expertise van het NICC. Voluit heet die instelling het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie.

Maar die kan de stijging niet meer aan. “Wij moeten nu tot wel een jaar wachten eer de resultaten binnen zijn”, klinkt het bij een bron binnen de Brusselse politie. “Dit is dramatisch voor de veiligheid.”

Hinderpaal

Speurders zitten nu met de handen in het haar. Zij hebben de info van het NICC nodig om bijvoorbeeld te weten of een wapen dat bij een schietpartij is gebruikt ook aan een ander incident kan gelinkt worden.

Dat kan de politie helpen om te achterhalen welke daders of bendes er betrokken waren bij welke schietpartijen. Dat de informatie van het NICC zo traag doorkomt, vormt nu een behoorlijke hinderpaal bij politieonderzoeken.

Een ballistisch expert bij het NICC, die met De Morgen sprak, erkent het probleem. Door de achterstand is er ondertussen een berg dossiers gegroeid. “Ik schat dat er op nationaal vlak vijfhonderd dossiers zijn die nog niet behandeld zijn”, zegt de expert.

Vuurwapengeweld is niet alleen in Brussel zorgwekkend. Het Vlaams Vredesinstituut bracht deze week een rapport uit, waaruit blijkt dat er vorig jaar in het hele land 184 incidenten met vuurwapens zijn geweest: in het merendeel (65 procent) is er effectief geschoten.

Het Vredesinstituut wijst op een verontrustende tendens. Waar criminelen vroeger eerder ‘slechts’ dreigden met vuurwapens, halen ze nu steeds vaker de trekker over.

Directeur Nils Duquet spreekt over een “epidemie” aan drugsgerelateerd vuurwapengeweld. “Drugscriminelen hebben vaker toegang tot automatische vuurwapens en vuurwapens van een zwaar kaliber”, zegt Duquet.

Middelen

Vuurwapens zijn niet beperkt tot het drugsmilieu. Ook bij zaken over familiaal geweld komen ze voor. Maar door de drugsbendes staat de politie voor een heel zware uitdaging en dan komt de achterstand bij het NICC erg ongelegen.

“Het klopt dat de antwoordtijden voor ballistisch onderzoek op dit moment onaanvaardbaar lang zijn”, zegt NICC-woordvoerder Inge Buys. “Dat is een situatie die wij zelf absoluut als problematisch beschouwen.”

Het NICC wijt de achterstand aan een gebrek aan deskundigen. Momenteel is er maar een Franstalige en een Nederlandstalige ballistisch expert. Drie anderen zijn in opleiding. Maar dat is “onvoldoende om het volume aan dossiers op te vangen”.

Minister van Justitie Annelies Verlinden (cd&v) belooft meer middelen, maar voorlopig is het voor het NICC behelpen. In overleg met de parketten bepalen onderzoekers welke dossiers prioriteit krijgen. “Op dit ogenblik is het dweilen met de kraan open”, zegt Buys.

Bron » De Morgen

Drie moordzaken mogelijk opgehelderd na uitwisseling met Italiaanse DNA-databanken

De Belgische justitie wisselt sinds vorige week de DNA-gegevens in openstaande misdaadonderzoeken uit met het Italiaanse gerecht. Dat leverde meteen 378 matches op. “In drie moordzaken kunnen we nu een naam kleven op het dossier.”

Honderden misdaden in ons land raken maar niet opgelost, hoewel de speurders het DNA van een mogelijke dader hebben gevonden op de plek van de misdaad. Maar ze vinden geen match met het DNA van een verdachte, en er duikt ook geen match op bij de vergelijking met de DNA-databanken van justitie. Een mogelijke verklaring is dat de dader na de misdaad België heeft verlaten.

Daarom wisselt België sinds 2014 DNA-gegevens uit met intussen 27 andere landen, in de hoop dat daar wel een match opduikt. Tientallen misdaden konden zo al worden opgelost.

Sinds 12 februari wisselt ons land die DNA-gegevens ook uit met Italië. “Dat land stond al lang op ons lijstje, omdat er een vermoeden was dat er connecties konden zijn tussen de dossiers van beide landen”, zegt Bieke Van Hooydonck, DNA-experte bij het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (NICC).

Italië lag achter met het tegemoetkomen aan de Europese regelgeving. Nu dat in orde is, was België een van de eerste landen om een uitwisseling te regelen. “Die uitwisseling kwam er op onze vraag”, zegt Van Hooydonck.

Drie databanken

België heeft drie DNA-databanken, met daarin 41.000 sporenprofielen. Er is de databank met onbekende daders: daarin zitten DNA-sporen die zijn aangetroffen op de plek van onopgehelderde misdaden. Dat kan om geweldsdelicten gaan, maar ook om zedenzaken, inbraken of diefstallen.

Daarnaast heeft België een databank met alle DNA van veroordeelde misdadigers, en nog een databank met het erfelijke materiaal van vermiste personen. In Italië bestaan alleen de eerste twee databanken.

De vergelijking tussen die databanken leverde meteen 378 matches op. “In 247 gevallen is er een link tussen een niet-geïdentificeerd sporenprofiel dat in België op de plek van een misdaad werd gevonden, en een persoon die gekend is bij de Italiaanse autoriteiten”, zegt Van Hooydonck. Het zou dus kunnen zijn dat de dader van die misdaden is gevonden. “In drie moorddossiers kunnen we nu een naam kleven op het dossier.”

Zedenfeiten en drugs

In 131 gevallen gaat het om een match tussen een sporenprofiel dat in België is gevonden, en een sporenprofiel dat in Italië bij een onopgeloste misdaad is gevonden. Ook dat kan relevant zijn: als speurders een verband zien tussen de beide zaken, kan dat een spoor naar de dader opleveren.

De resultaten worden de komende dagen doorgegeven aan de betrokken parketten in ons land. Vervolgens moeten de magistraten beslissen of de mogelijke link verder onderzocht wordt, wat eventueel tot vervolging kan leiden. In welke drie moordzaken er een mogelijke hoofdverdachte is opgedoken, is nog niet bekend.

Naast de drie moordzaken gaat het om vijf dossiers van het federaal parket, vijf zedenfeiten, en heel wat matches uit drugsdossiers, bendevorming en diefstallen. “Het grootste aantal overeenkomsten werd gevonden in ­Antwerpen, en daarna in Dendermonde, Gent en Brussel”, zegt Van Hooydonck. “Voor de slachtoffers binnen deze gerechtelijke dossiers betekent dat dat er mogelijk een nieuwe stap gezet kan worden om hun zaak op te lossen.”

Bron » De Standaard

Vorig jaar 3 lichamen vermiste personen geïdentificeerd dankzij DNA-databank

Dankzij de DNA-databank voor vermiste personen zijn vorig jaar 3 onbekende lichamen geïdentificeerd. Dat zegt het Nationaal Instituut voor Criminologie en Criminalistiek, dat de databank beheert. In die databank zitten DNA-sporen van onbekende lichamen en vermiste personen. Sinds vorig jaar kunnen die vergeleken worden met sporen van buitenlandse databanken.

De DNA-databank van het NICC werd in 2018 opgericht met als doel onbekende lichamen te identificeren of sporen van vermiste personen te vinden. Sinds vorig jaar worden de profielen in de Belgische DNA-databank ook uitgewisseld met de DNA-databanken van de internationale politieorganisatie Interpol.

Die uitwisseling heeft in oktober 2024 geleid tot een doorbraak in de oude verdwijningszaak van Angelique Hendrix. De toen 19-jarige vrouw was op 13 juli 1990 verdwenen nadat ze met de fiets haar ouderlijk huis had verlaten in Stein, een gemeente net over de grens in Nederlands-Limburg. Haar DNA-profiel kon nu gematcht worden met een schedel die op 20 mei 1991 werd aangetroffen in Maasmechelen.

50 nieuwe profielen

Ook in 2 andere dossiers hielp de NICC-databank om een lichaam(sdeel) te identificeren. De gegevens konden worden gekoppeld aan een vermiste persoon en aan een persoon die gekend was in het buitenland.

Uit cijfers van NICC blijkt ook dat vorig jaar exact 50 nieuwe profielen zijn toegevoegd aan de DNA-databank. Het gaat meer specifiek om 23 niet-geïdentificeerde lichamen, sporen van 11 vermiste personen en DNA van 16 verwanten van vermiste personen.

Bron » VRT Nieuws

Wat kan je na 30 jaar nog afleiden uit stoffelijke resten? “Botten kunnen nog veel informatie opleveren”

Ook 30 jaar na een overlijden kan het onderzoek van resten van een lichaam nog helpen te bepalen hoe iemand om het leven gekomen is. Er kan nog DNA-onderzoek gebeuren, tanden bevatten nuttige informatie en ook beschadigingen van de botten kunnen informatie opleveren over de manier waarop iemand gestorven is. Al hangt alles natuurlijk af van de omstandigheden waarin het lichaam bewaard gebleven is.

Annie De Poortere verdween 30 jaar geleden plots, op een novemberdag. Al die jaren was er geen enkel spoor. Tot afgelopen weekend, toen werden lichaamsresten, die vermoedelijk van haar zijn, gevonden in een tuin in Sint-Martens-Latem. Vlak bij de plek waar ze voor het laatst werd gezien: haar eigen huis.

Het is voorlopig niet 100 procent zeker dat het gevonden lichaam dat van Annie De Poortere is, daarvoor is het wachten op het DNA-onderzoek. Resultaten daarvan worden in de loop van deze week verwacht. Maar het parket zegt wel “aanwijzingen te hebben” dat het hier gaat om “een dame die verdween in 1994”.

Het verhaal roept veel vragen op. Wat is er precies met haar gebeurd? Waarom werd er geen grondiger onderzoek gevoerd? Hoe uitzonderlijk is het dat zo’n oude verdwijningszaak nog opgelost wordt? En ook: hoe kan het onderzoek van de stoffelijke resten na al die tijd nog bijdragen aan het oplossen van de zaak?

Kwaliteit botten essentieel

Het is sowieso nog wachten op de resultaten van het DNA-onderzoek om de identiteit van het slachtoffer te achterhalen. Ook daar kan het onderzoek van de botten eventueel bij helpen.

“Als er DNA is van de botten die men opgegraven heeft en dat is nog van voldoende kwaliteit én er is DNA van vroeger, dan kan men dat matchen en eventueel bewijzen dat het die persoon is”, vertelt Koenraad Verstraete, professor forensische radiologie, verbonden aan de Universiteit van Gent en het Universitair Ziekenhuis Gent, in ‘De ochtend’ op Radio 1. “Alles zal afhangen van de kwaliteit van botten. Die hangt af van de bewaaromstandigheden: in welk soort grond werd het lichaam begraven, wat was de vochtigheidsgraad, is ze snel begraven na overlijden of niet?”

“Botten bestaan uit calcium en fosfor, dat zijn kristallen die zeer goed bestand zijn tegen verval, dus aan de hand van de botten kan men dikwijls nog veel informatie bekomen.”

Informatie koppelen aan medisch dossier

Een forensisch radioloog wordt ingeschakeld in het onderzoek naar de slachtoffers van een geweldmisdrijf. “Wij gebruiken radiografie en CT-scan, die maken gebruik van röntgenstralen”, legt Verstraete uit. “Die worden geabsorbeerd door die calcium- en fosforkristallen, zo krijgen wij een beeld van de inwendige structuur van de botten. Dat geeft heel veel weer over de persoon. Wij kunnen zo het geslacht helpen te bepalen en iets zeggen over leeftijd, lengte, eventuele misvormingen aan een persoon en zo helpen bepalen over wie het zou kunnen gaan.”

“Voor het inschatten van de leeftijd gebruiken we groeischijven. We kunnen ook kijken naar tanden, tandvullingen, tandimplantaten. Zijn er fracturen geweest of niet? Zien we plaatjes en schroeven? Die informatie moet dan gekoppeld worden aan het oude medische dossier, dat gaat dan via de onderzoeksrechter en de wetsdokter. Onze gegevens en hun gegevens worden dan samengebracht.”

Mysterie over doodsoorzaak ontrafelen?

Naast de informatie die tot identificatie van het slachtoffer kan leiden, kan er uit de scan van de stoffelijke resten mogelijk ook afgeleid worden hoe de persoon om het leven gekomen is.

“Dat zal opnieuw gebeuren door onze informatie samen te leggen met die van de onderzoeksrechter en de wetsdokter. Wij gaan zoeken naar het mechanisme en de aard van de krachtinwerking op botten. Mochten er fracturen zijn (bijvoorbeeld als gevolg van een slag op de schedel), dan kunnen wij aan de hand van een spreiding van de breuklijnen een idee krijgen met welk voorwerp dat gebeurd is en hoe.”

Ook andere vragen kunnen mogelijk beantwoord worden. “Is er een scherp voorwerp gebruikt? Dan gaan we andere lijnen zien op de botten. Als het mes bijvoorbeeld het bot geraakt heeft, dan kunnen we eventueel een scherpe lijn zien. Zijn er kogels gebruikt? Dan zijn er metaalfragmenten.”

In verschillende onderdelen, zoals de wervelzuil en de romp, gaat men op zoek naar kwetsuren. “Dan gaat het erom of het oude kwetsuren zijn of kwetsuren die het gevolg zijn van de moord. Het tongbeen is heel interessant, indien er sprake zou zijn van wurging. Er kunnen sporen zijn, in zoverre het ook de tijd overleefd heeft, want dat is een heel klein beentje en dan is 30 jaar relatief lang. Daarvoor moet men zeer voorzichtig tewerkgaan bij de opgraving, zodat er geen nieuwe fractuur veroorzaakt wordt.”

Vergiftiging?

Mocht er sprake zijn van vergiftiging, dan zal dat niet of moeilijk te zien zijn op de botten. “Het moeten al megadosissen fluor of iets anders zijn dan. We zouden wel een onderscheid kunnen maken met stofwisselingsziekten die er zijn, heeft de patiënt een vitamine D-tekort of een nierziekte, infecties kunnen we ook wel zien. Maar een intoxicatie zal meestal niet lukken.”

Bron » VRT Nieuws

DNA-databank van vermiste personen identificeert vier onbekende lichamen in één jaar tijd

Dankzij de DNA-databank voor vermiste personen zijn vorig jaar vier onbekende lichamen geïdentificeerd. Het gaat onder meer om het stoffelijk overschot van Britta Cloetens. Dat blijkt uit cijfers van het Nationaal Instituut voor Criminologie en Criminalistiek (NICC). Dat kon in 2023 ook 69 nieuwe profielen toevoegen aan de databank.

De DNA-databank werd op 1 juli 2018 opgericht met als doel onbekende lichamen te identificeren of sporen van vermiste personen te vinden.

Er bestaan drie soorten DNA-profielen. Ten eerste zijn er de niet-geïdentificeerde lichamen. Daarnaast worden ook sporen van vermiste personen, zoals tanden, aan de databank toegevoegd. Tot slot wordt het DNA van verwanten van vermiste personen bijgevoegd.

Bijna 12 jaar vermist

Vorig jaar zijn 17 niet-geïdentificeerde lichamen, sporen van 9 vermiste personen en DNA van 43 verwanten van vermiste personen toegevoegd aan de databank. In vier gevallen heeft de databank kunnen bijdragen in de identificatie van een onbekend lichaam.

Zo slaagden speurders er dankzij de databank in om gevonden menselijke resten te linken aan Britta Cloetens, die bijna twaalf jaar vermist was. In december 2022 vond een jager menselijke resten terug. Op basis van DNA-onderzoek werd in april vorig jaar een match gevonden met Cloetens.

In een ander geval werd een veroordeelde geïdentificeerd.

Bron » Het Laatste Nieuws