Is het geheim van het onderzoek nog van deze tijd?

Bij een rechtszaak moet het publiek geïnformeerd worden, maar betrokkenen moeten wel worden beschermd. Het evenwicht daarbij is cruciaal en kan beter, vindt Geert Lenssens.

Vorige week ontpopte zich tussen twee topadvocaten een bitse discussie over het geheim van het strafonderzoek en de ‘trial by media’. Joris Van Cauter fulmineerde tegen de escalatie van schijnprocessen in de media (DS 2 september), terwijl Walter Van Steenbrugge zich opwierp als een verdediger van het publieke debat in alle fases van een strafzaak (DS 3 september). Het debat zit natuurlijk in het kielzog van de zaak-Chovanec en de zaak-Reuzegom. Er is een wezenlijk verschil: waar het onderzoek in de eerste zaak nog loopt, is dit in de andere al achter de rug.

Het debat moet een stuk verder gaan. Wij moeten het geheim van het onderzoek als schijnbaar ongenaakbare pijler van het systeem in vraag durven te stellen. Want dat geheim is er niet altijd geweest, we moeten ons er niet krampachtig aan vastklampen. Integendeel, als men het rechtssysteem in onze contreien historisch bekijkt, dan valt de slingerbeweging op van totale geheimhouding tot grote openbaarheid en terug.

‘Contempt of court’

Er is een eeuwige queeste naar een balans tussen twee werelden: die van het geheim, dat als doel heeft het onderzoek zelf en de betrokkenen te beschermen, en die van het publiek, dat recht heeft om geïnformeerd te worden en om een mening te uiten.

Het grote gevaar van een extreme geheimhouding zoals we dat tussen de dertiende en de achttiende eeuw bij ons kenden (met als uitschieter de inquisitie), zijn de soms stuitende misbruiken. Vanaf de verlichting en tijdens en na de Franse revolutie kwam daarom de openbaarheid meer aan bod, waarbij Napoleon een gemengd systeem voorzag. Later kreeg het geheim van het onderzoek weer de overhand, tot de wet-Franchimont na de affaire-Dutroux in 1998 weer meer ruimte gaf aan het openbare element.

Vandaag hebben wij een gemengd systeem waar, mede onder invloed van Europa met de Salduz-wetgeving die bijstand van een advocaat garandeert, een reeks uitzonderingen gelden op het geheim karakter. Maar dat het onderzoek geheim is, blijft het principe, al komt het meer en meer onder druk te staan. De weduwe van Jozef Chovanec opende terecht de doos van Pandora, maar riskeert daarmee strafrechtelijk te worden vervolgd. De vraag rijst dan of de ratio van het geheim en de bijhorende duisternis anno 2020 nog zin heeft. Want hoe kun je de verdachte en zijn familie in het internettijdperk nog afschermen? Hoe kun je de typisch menselijke sensatiezucht nog de baas?

In het Verenigd Koninkrijk bestaat het geheim van het onderzoek niet, maar er is wel het misdrijf van ‘contempt of court’. Dat sanctioneert niet alleen beledigingen aan het adres van de rechter, maar ook invloed of druk op bijvoorbeeld rechters, advocaten of juryleden. Door die wet is het verboden om iets te publiceren waardoor de rechtsgang en het recht op een eerlijk proces op de helling komen te staan. Er wordt hierbij geen onderscheid gemaakt tussen onderzoek en behandeling. Het gevolg is dat de Britse media veel terughoudender zijn en alles wat te zeer gericht is op sensatie bannen tot na het proces. Als ik bekijk hoe veel media in België over grote zaken berichten, dan ben ik zeker dat het merendeel onder die regel strafbaar zou zijn. Het gevolg is dat de uitwassen van de trial by media bij de wortel worden uitgerukt. Ik ben voorstander van een afschaffing van het geheim karakter van het onderzoek en het invoeren van een nieuw misdrijf.

Obese dossiers

Nog fundamenteler kun je je afvragen of ook het hele concept van ons strafonderzoek met een onderzoeksrechter niet in vraag moet worden gesteld. De figuur van de onderzoeksrechter werd nota bene ingevoerd om de balans geheim versus openbaar meer in evenwicht te brengen. Een rechter is immers geen procureur en gaat in principe alleen op zoek naar de waarheid. Een vooronderzoek kan uiteraard noodzakelijk zijn en de tussenkomst van een rechter al zeker, maar het accent moet veel meer op de publieke zitting komen te liggen.

Het gerecht heeft een obsessie ontwikkeld voor papier. Obese dossiers zoals bij Lernout & Hauspie en de Bende van Nijvel, zaak waarin ik als advocaat optreed, zijn daar de zieke exponenten van. Zij bevatten zoveel bladzijden dat het menselijk haast niet meer mogelijk is om die te vatten, laat staan behoorlijk te beoordelen. Ons gerecht verspeelt onnoemelijk veel tijd en creëert een absurde diarree aan papier. Nochtans voorziet het ‘onmiddellijkheidsbeginsel’, als compensatie voor het geheim van het onderzoek, ook dat alles in een openbare zitting moet worden overgedaan. In de praktijk rest daar dus geen tijd meer voor. Dat het systeem dan traag en vierkant draait, is evident.

Een radicale herziening van het geheim van het onderzoek, in combinatie met een ommekeer in de verhouding tussen onderzoek en behandeling vormen de enige remedie tegen de uitwassen die wij nu zien en waar meer en meer mensen het terecht moeilijk mee hebben.

Bron » De Standaard | Geert Lenssens (advocaat)

‘Van een transparant toezicht op de politie en inlichtingendiensten is geen sprake meer’

‘Als ook onderzoeksjournalistiek strafbaar wordt gesteld, zijn de inlichtingen- en veiligheidsdiensten volkomen vogelvrij’, schrijft Walter De Smedt. ‘Om het even welke vorm van toezicht is maar zinvol als je er ook kan over rapporteren.’

De afgelopen kwarteeuw heeft het parlement meerdere onderzoeken gevoerd over de werking van de politie- en inlichtingendiensten. Van bij het eerste parlementair onderzoek, dat naar de Bende van Nijvel, was het reeds overduidelijk dat er een ernstig gebrek aan toezicht op die diensten was. Daarom besloot de wetgever tot oprichting van eigen permanente en onafhankelijk onderzoeksorganen met een eigen enquêtedienst: de Vaste Comités van Toezicht P ( Politie) en I ( Inlichtingendiensten). Maar die comités werden snel door de regering ingepakt: iedere minister, die van justitie en die van binnenlandse zaken, zorgde er voor dat hij een eigen mannetje in het comité verkreeg. Dat leidde tot ernstige meningsverschillen in de comités zowel over wat moest worden onderzocht als wat daarover kon en mocht gerapporteerd worden.

Er werden ook informele als formele maatregelen genomen om te beletten dat ernstige “disfuncties”, die door de comités werden vastgesteld, naar buiten zouden komen. Het eerste comité P werd om die reden zelfs naar huis gestuurd en vervangen. Het werd helemaal stil nadat Kamervoorzitter Herman De Croo de informele regel “For Your Eyes Only” invoerde. Aan de parlementairen, leden van de commissies die de comités moesten ‘begeleiden’, werd daardoor verboden de door hen met de comités besproken dysfuncties naar buiten te brengen : einde van de parlementaire ‘Freedom of Speech’. Een voorontwerp van wet van de regering van 3 mei wil nu nog verder gaan: Elke communicatie over veiligheidszaken, ook de maatschappelijk verantwoorde, wordt nu ook strafbaar gesteld. Indien dit voorontwerp wordt hernomen kan je de vaste comités beter afschaffen: want om het even welke vorm van toezicht is maar zinvol als je er ook kan over rapporteren. Als iedere communicatie, ook deze die het voorwerp uitmaakt van onderzoeksjournalistiek, strafbaar wordt gesteld zijn de inlichtingen- en veiligheidsdiensten volkomen vogelvrij.

Kantelmomenten

De pogingen van de regering om de rapportering van de vaste comités aan banden te leggen, geheim te houden wat zij hadden vastgesteld, waren legio. Maar er waren enkele kantelmomenten: dossiers waarin de vastgestelde ‘disfuncties’ dermate zwaarwichtig waren dat er erg verregaande maatregelen werden genomen die de onafhankelijkheid en de werkzaamheid van de vaste comités geheel ondermijnden.

In het parlementair onderzoek op het Dutrouxonderzoek was het de belangrijkste vraag of de door de Rijkswacht bedachte en uitgevoerde observatie van Dutroux, de operaties Othello en Décimes, al of niet parallelle en voor de onderzoeksrechter geheim gehouden onderzoeksdaden waren. Hoewel de betrokken Rijkswachters in het door het comité P gevoerde onderzoek bekenden dat het om een geheime operatie ging, en de informatie niet aan de onderzoeksrechter werd overgemaakt omdat het niet de gewoonte was het te doen maakte het comité om deze disfunctie te verbergen een geheel vervalst verslag: de Rijkswacht werd wit gewassen.

Het daarop volgend parlementair onderzoek besloot echter niet alleen dat het wél om parallelle en geheime operaties ging maar voegde er nog een heel wat zwaardere overweging aan toe:

‘Mochten de meisjes toen nog in leven zijn geweest, dan is het verdere verloop van de gebeurtenissen echt tragisch te noemen. De huissleutels worden immers pas op 6 januari 1996 teruggegeven aan de echtgenote van Dutroux, na herhaalde verzoeken van Dutroux en zijn advocaten (ook aan de hand van medische getuigschriften) aan de onderzoeksrechter, met de bede Michèle Martin in het huis te laten wonen. Als de kinderen in het huis aanwezig waren, betekent dit dat ze het één maand lang zonder verzorging en zonder voeding hebben moeten stellen (tekst verslag parlementaire onderzoekscommissie).’

Wat kon er tragischer zijn in de wijze waarop de Rijkswacht het parallel onderzoek had verborgen gehouden: dat de Rijkswacht, terwijl het huis waarin de kinderen waren opgesloten, en wetende dat zij er zaten, in observatie hield ook belette dat de kinderen eten en drinken kregen? Werden de kinderen misbruikt als lokaas om de daders van het door de Rijkswacht beweerde netwerk op heterdaad te kunnen vatten? Maakte het Vast Comité P daarom een vervalst verslag en werden de vele aanwijzingen die deze piste aannemelijk maken daarom door de onderzoekscommissie niet verder onderzocht?

Politieke Politie

Ook het Vast Comité I dat de inlichtingendiensten controleert, kende een soortgelijk kantelmoment: het onderzoek de Bonvoisin. In dit dossier ontdekte het comité I het bestaan binnen de Staatsveiligheid van een afgezonderde cel die enkel aan het hoofd van de dienst rapporteerde over de door die dienst opgestelde dossiers over politiek belangrijke personen. Dat onderzoek was erg belangrijk, omdat de Bonvoisin verdacht werd de geldschieter te zijn van de extreemrechtse organisaties die in het Bendeonderzoek de voornaamste piste uitmaakten. Daar werd vastgesteld dat de door die dienst opgestelde nota’s veronderstellingen inhielden die in samenspraak met het toenmalig kabinet van justitie in zekerheden werden omgezet om het politieke succes van de betrokken baron de Bonvoisin, bijgenaamd de zwarte baron, te breken, wat ook lukte.

Om verder onderzoek te beletten werd ook hier de toenmalige samenstelling van het comité gewijzigd. Twee van de drie leden werden vervangen. Uit een brief die de enquêteur die het onderzoek uitvoerde kort voor zijn dood schreef bleek dat het nieuw samengesteld comité het verder onderzoek belette: het vierhonderd pagina’s tellende rapport dat hij aan het vorige comité had gemaakt werd door het nieuwe comité slechts deels overgenomen. Omdat de enquêteur hier niet mee akkoord kon gaan en hij aandrong om zijn onderzoek verder te zetten, werd hij ontslagen.

Maatregelen

Er werden ook formele maatregelen genomen om de slagkracht van de diensten te verhogen, en tegelijk het toezicht daarop te beperken. Vooreerst werd het verschil tussen de bestuurlijke en de gerechtelijke finaliteit weggewerkt. In het gerechtelijk onderzoek werden nu ook de methoden van de inlichtingendiensten toegelaten, namelijk werken met informateurs, observatie en infiltratie. Inlichtingenagenten mochten nu ook meewerken aan gerechtelijke onderzoeken. Alle diensten zowel de politie- als de inlichtingendiensten werken nu, in de strijd tegen het terrorisme, met dezelfde afgeschermde ‘bijzondere methoden’ op hetzelfde terrein, dat van de bedreiging door een nog niet bestaand misdrijf.

Hoe het toezicht door de onderzoeksrechter op die operaties door de politiediensten gebeurt, is door het Dutrouxonderzoek duidelijk aangegeven: de verzelfstandigde politieoperaties worden buiten het gerechtelijk dossier gehouden. Voor dezelfde operaties door de inlichtingendiensten werd ieder rechterlijk toezicht vermeden door de oprichting van een bestuurlijke commissie die beslist over de schending van grondwettelijk beschermde rechten als de vrijheid van persoon en woonst. Het toezicht daarop gebeurt enkel door het vast comité I zodat, wegens de afgeschermde werkwijze, enige rapportering daarover onmogelijk is: er komt geen enkele rechter bij te pas.

Toezicht

Het aanvankelijk opzet om in een permanent en onafhankelijk parlementair toezicht op de politie- en inlichtingendiensten te voorzien, is geheel verdwenen: je hoort er ook nauwelijks nog wat over. Het voorliggende voorontwerp wil nu ook het enig overblijvende toezicht, dat door de onderzoeksjournalistiek, onmogelijk maken door de strafbaarheid van iedere rapportering.

Daardoor komen wij opnieuw in de toestand zoals die ten tijde van de koude oorlog bestond: volkomen geheimhouding voor de door de inlichtingendiensten maar nu ook door de politiediensten gevoerde operaties. Daardoor worden ook de herhaalde vaststellingen van meerdere parlementaire onderzoekscommissies voor ongezien gehouden, en wordt zowel het rechterlijk als het parlementair toezicht op de werking van die diensten volkomen onmogelijk gemaakt. Daardoor wordt het ook voor de burger onmogelijk om langs de onderzoeksjounalistiek enig inzicht te verkrijgen in wat de diensten doen. De belofte na de witte marsen dat het allemaal transparanter zou worden is daardoor helemaal onderuit gehaald: van een werkelijk en daadwerkelijk permanent toezicht is er dan geen sprake meer.

Bron » Knack | Walter De Smedt

Historici roepen overheid op om diplomatieke archieven openbaar te maken

Met de markante onthullingen in de zaak-Hammarskjöld in De Morgen is dit een uitgelezen moment om te pleiten om belangrijke archiefstukken eindelijk publiek te maken, zo argumenteert een groep van 27 prominente wetenschappers en burgers. Deze open brief van Gert Huskens en Guy Vanthemsche roept op tot een volledige terbeschikkingstelling van de relevante archieven over deze periode. Ook de archieven van de Staatsveiligheid.

De integrale open brief:

“De nieuwe perspectieven op de dood van VN secretaris-generaal Dag Hammarskjöld bij een crash in 1961, kunnen nieuw leven blazen in het onderzoek naar de rol van koloniale machtscentra in deze periode. Ze kunnen mogelijk ook nieuw licht werpen op de visie van Hammarskjöld. Gezien zijn stem in het internationale antwoord op de Katangese Secessie en de politiek-territoriale transformatie van sub-Saharaans Afrika in de jaren 60, weerklinken de echo’s van de crash tot op vandaag. Delen van de relevante archieven blijven evenwel nog steeds achter slot en grendel en ook wijzigingen uit 2009 aan de archiefwet van 1955 waren ontoereikend. De toestand voor onderzoekers is even absurd dan wiskundigen verhinderen om bepaalde formules te gebruiken of sterrenkundigen verbieden om hun telescopen naar een deel van het hemelgewelf te richten.

“De onduidelijkheid over de Belgische betrokkenheid bij het onderzoek dat de VN sinds 2013 voert en de tegenstrijdige informatie over de onderzoeksresultaten maken de huidige arbitraire situatie helder. Zo antwoordde minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders in 2017 op een parlementaire vraag van Kamerleden Benoit Hellings (Ecolo) en Dirk Van der Maelen (sp.a) nog dit: “De Algemene Dienst Inlichtingen en Veiligheid (ADIV) beschikt niet over archiefdocumenten die de dood van Dag Hammarskjöld behandelen. Er bestaan ook geen dossiers over de genoemde huurlingen.” Bruno Struys van De Morgen kon opvallend genoeg bij de Staatsveiligheid wél relevante bronnen inzien en kon ook in de leeszaal van ADIV vijf andere documenten consulteren.

“In welke mate is de bereidwilligheid van deze diensten een bepalende factor en welke procedures garanderen een gelijkwaardige behandeling van elke onderzoeker? Waar beginnen en eindigen de grenzen van ‘de veiligheid van de Staat’ in een context van archivering en maatschappelijke omgang met het verleden? Wanneer worden de archieven van de uitlopers van de koloniale Sûreté aan het Algemeen Rijksarchief overgedragen?”

Status quo

“De huidige barrières beletten ook dat personen met Belgo-Congolese wortels informatie over hun ouders of afkomst kunnen vergaren. Tot slot verdient de huidige status quo waarbij men er van uitgaat dat alle relevante archieven van Union Minière al zijn overgedragen aan het Algemeen Rijksarchief een kritischer benadering. Zijn er bijvoorbeeld duplicaten van de documenten van de CEO van Union Minière Robiliart die bij zijn overlijden in 1963 uit zijn kluis werden gehaald en vernietigd?

“Deze vragen verdienen een antwoord en pas dan kan men de eerste stap in een breder proces zetten waarbij deze archieven moeten worden ontsloten, gedigitaliseerd en uitgegeven. Ter inspiratie kan men de door 115 historici ondertekende open brief ‘Geschiedenis is meer dan herinneren’ herlezen (De Morgen en De Standaard, 25 januari 2006) of naar onze noorderburen kijken. Als reactie op het onderzoek naar de betrokkenheid van de Nederlandse Spoorwegen bij de Holocaust is daar samen met nabestaanden een historisch onderzoekscomité ingericht (de Volkskrant, 28 november 2018).

“In hetzelfde jaar waarin Kinderen van de Kolonie, de heropening van het AfricaMuseum en de inrichting van een Patrice Lumumba Square het postkoloniale debat beheersten, verdient de Belgische geschiedwetenschap meer ondersteuning.

“In een context van transparantie en wederzijds vertrouwen en met een wetenschappelijke methode moeten we het verleden recht in de ogen kijken. Laat ons mythes doorprikken, samenzweringstheorieën ontkrachten, cijfers openbaar maken en het verleden loswrikken van zij die het willen instrumentaliseren. Iedereen heeft te winnen bij een heldere blik op het verleden. Wij zijn bereid om het debat aan te gaan met de bevoegde instanties.”

Bron » De Morgen


Ondertekend door: Karel Arnaut, programmadirecteur POC Antropologie KU Leuven; Luc Barbé, auteur België en de bom. De rol van België in de proliferatie van kernwapens; Kris Berwouts, auteur Congo’s gewelddadige vrede; Marnix Beyen, UAntwerpen; Geert Castryck, Universität Leipzig; Bambi Ceuppens, AfricaMuseum; Maarten Couttenier, AfricaMuseum; Filip De Boeck, KU Leuven; Bruno De Wever, UGent; Ludo De Witte, auteur De Moord op Lumumba; Dominiek Dendooven, In Flanders Fields Museum en UAntwerpen; Idesbald Goddeeris, programmadirecteur POC Geschiedenis KU Leuven; Dalilla Hermans, auteur en columnist; Emmanuel Iyamu, mede-oprichter AYO (African Youth Organisation) Belgium; Maarten Langhendries, KU Leuven; Gillian Mathys, UGent; Nadia Nsayi, Broederlijk Delen en Pax Christi Vlaanderen; Jo Tollebeek, decaan Faculteit Letteren KU Leuven; Herman Van Goethem, rector Universiteit Antwerpen; Karel Van Nieuwenhuyse, hoofd Specifieke Lerarenopleiding Geschiedenis KU Leuven; Reinout Vander Hulst, KU Leuven; Jan Vandersmissen, UGent en voorzitter Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen; Eric Vanhaute, UGent; Christophe Verbruggen, UGent en directeur Ghent Centre for Digital humanities; Moussa Don Pandzou, voorzitter Waka Waka Generation

Was Philippe V. de ontdekker van de wapens van de Bende van Nijvel of de verstopper?

Philippe V., de enige speurder die ooit resultaat bereikte in 37 jaar onderzoek naar de Bende van Nijvel, zit sinds dinsdagavond in de gevangenis. Hij wordt ervan verdacht de wapenvondst in Ronquières mee in scène hebben gezet. Een ex-collega noemt het ‘nonsens’.

De Bende van Nijvel vermoordde 28 mensen tussen 1982 en 1985. Het enige succesje dat justitie in de opsporing ooit boekte, was de vondst van twee plastic zakken met wapens, munitie, kledingstukken, cheques, muntjes, en stukjes kogelvrij vest in het kanaal Brussel-Charleroi.

Het federaal parket bestempelt die vondst nu als gemanipuleerd.

“Iemand had die voorwerpen op een bepaald moment in zijn bezit, heeft die in zakken gestoken en in het water gegooid”, zei Eric Van der Sypt van het federaal parket aan de VRT. “Waarschijnlijk met de wetenschap dat die een paar dagen later zouden worden teruggevonden.”

De gepensioneerde oud-rijkswachter Philippe V. (62) werd dinsdag opgepakt en ondervraagd in het bijzijn van zijn advocaat Walter Damen. Hij bracht een nacht in de cel door.

Twee getuigen

De vondst in Ronquières gaat terug op een telefoontje naar de rijkswacht van ’s Gravenbrakel op maandagochtend 11 november 1985 om 9 uur. Dat is 36 uur na de laatste Bende-raid in Aalst. De beller woont langs de zwaaikom van Fauquez. Op zondagavond 10 november heeft hij vanuit zijn raam twee wagens met gedoofde lichten zien stoppen: “Drie mannen stapten uit en gooiden zakken in het water.”

Toevallig: een uur na dit telefoontje ontdekt een jogger in het bos van Houssière, daar vlakbij, een uitgebrande Golf GTI. De auto waarmee de Bende de aanslag in Aalst pleegde.

Rijkswachters Thierry Gondry en Jacques Lebacq trekken meteen naar de zwaaikom. Ze ontmoeten Olivier F., die er een frituur uitbaat en altijd overnacht in zijn caravan. Als ze hem vragen of hij iets verdachts heeft opgemerkt, kan F. niet heftig genoeg beamen. Hij is die nacht gewekt, heeft zelf zijn karabijn .22 van onder zijn bed gehaald: “Het was rond middernacht. Twee voertuigen stonden dicht bij het kanaal stil. Het ene voertuig was een Golf GTI.”

Beide getuigenissen, onafhankelijk van elkaar, zijn vastgelegd in processen-verbaal. Er gaat een duiker het water in. Hij zoekt dagenlang, en vindt niks.

Domme Walen

Philippe V. is sinds begin 1986 verbonden aan de cel Delta van onderzoeksrechter Freddy Troch in Dendermonde en bevriend met François A. van de BOB van Halle. A. is verbindingsofficier bij zijn collega’s van Nijvel. Hij weet van de zoekacties in de zwaaikom. Volgens V. gaf A. hem in het najaar van 1986 kopieën van de processen-verbaal, aangevend: “Walen kunnen niet zoeken.”

V. trekt naar Troch. Hij laat duikers van de 11de genie uit Burcht met metaaldetectoren de zoekactie overdoen. Op 6 en 7 november 1986 worden de zakken uit het water gehaald.

Halve frankjes

In 2012 stelt een speurder bij de cel van onderzoeksrechter Martine Michel in Charleroi zich vragen bij het ontbreken van roest op de halve frankjes die in Ronquières zijn opgevist. Het Instituut voor Criminologie (NICC) doet een test, stelt vast dat muntjes van 5 eurocent in water al na enkele dagen roesten.

Helaas: euromuntjes bestaan uit staal en koper en halve frankjes voor 100 procent uit koper. Koper is roestvrij. Volgens V. en zijn oud-collega’s bij de cel Delta is dit exemplarisch voor de ernst van het NICC-rapport.

En dan is er François A. Hij ontkent in 2012 tegenover de speurders in Charleroi pv’s aan V. te hebben gegeven. Tijdens een confrontatie tussen V. en A. geeft hij in 2015 toe dat hij dat wél deed. De verdenkingen leken van de baan, maar nu zegt het federaal parket nieuwe aanwijzingen te hebben tegen V.: “Hij zou minstens bepaalde, mogelijk cruciale, informatie achtergehouden hebben.”

“Philippe weet al jaren waar ze hem van verdenken”, zegt een ex-collega. “Het is volslagen nonsens. Er is hem al honderdvoudig gevraagd naar zijn tipgever. Hij kon enkel herhalen: er was geen tipgever.”

Bron » De Morgen | Douglas De Coninck

Hebben we te maken met verschillende ‘Bendes van Nijvel’?

Het Bende-dossier is uitgegroeid tot een litteken op ons collectief geheugen. De feiten werden zowat 35 jaar geleden gepleegd, en toch steekt het monster opnieuw de kop op. Dit keer is dat naar aanleiding van het opsporingsprogramma Faroek. Daarin bevestigde het federaal parket dat ernstig rekening wordt gehouden met een mogelijke manipulatie van het gerechtelijk onderzoek. Waarover gaat het?

De Bende overvalt de Delhaize van Aalst op 9 november 1985. In de nacht van 10 op 11 november 1985 ziet een getuige onbekenden een zak in het kanaal in Ronquières gooien. Hij meldt dat aan de politie. Op basis van deze getuigenis laat onderzoeksrechter Schlicker uit Nijvel een lokale duiker zoeken in het kanaal, evenwel zonder resultaat.

Een jaar later vindt er een tweede duikactie plaats op vraag van onderzoeksrechter Troch uit Dendermonde. Hij laat vanaf 6 november 1986 militaire duikers het kanaal in Ronquières uitkammen. Er worden voorwerpen gevonden die aantoonbaar verband houden met de gepleegde Bende-feiten uit 1982 en 1983 en die uit 1985. De Delta-cel, die de zaak onderzoekt, gaat ervan uit dat deze zaken een jaar in het kanaal hebben gelegen. De vondst wordt beschouwd als een van de weinige doorbraken in het dossier.

In 1990 worden de Bende-dossiers uit zowel Dendermonde als Nijvel gecentraliseerd in Charleroi bij de cel-Waals-Brabant. Dendermonde en Nijvel zijn hun Bende-dossiers kwijt. In 1997 worden er voor het eerst vragen gesteld in de schoot van de Bende-commissie II over de vondst van Delta. Toen al kwam de vraag naar voren of die zakken in het kanaal waren gegooid nadat Schlicker had gezocht. Waar was het pv uit het Dendermondse dossier dat aanleiding gaf tot de duikactie? Nader onderzoek zal uitwijzen dat een kopie van het pv over de getuigenis aantoonbaar door een lid van de cel in Nijvel werd doorgegeven aan Delta.

In 2017 schakelt onderzoeksrechter Michel uit Charleroi het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (NICC) in voor een nieuwe analyse van de voorwerpen. Het NICC stelt vast dat die hooguit zes à zeven dagen voor de vondst in het water werden gegooid. De onderzoeksrechter convoceert de voormalige speurders van de Delta-cel voor verhoor. Ze wil weten of er sprake was van een tipgever, lees ‘manipulator’, die wist dat Dendermonde opnieuw zou gaan zoeken en de voorwerpen kort voordien dus dropte. De leden van de cel maken een uitgebreid verweer op. De zaak lijkt van de baan.

Wat later komt het onderzoek onder de leiding van het federaal parket. Nu blijkt, na Faroek, dat het federaal parket nog steeds dezelfde manipulatiethese volgt. Overigens is er een nieuwe getuige (de assistent van de lokale duiker), die volhoudt dat op de morgen van 6 november 1986 (kort voor de duik op verzoek van Delta) een juten zak ‘met metalen buizen’ (wapens?) naar boven werd gehaald en dat die werd meegenomen door drie onbekende ‘rijkswachters’. Wat kwamen die zoeken op de plek waar in de namiddag door Delta zou worden gezocht?

Deze aangelegenheid grijpt naar het hart van het dossier. Waarom?

Bendes van Nijvel

Elk Bende-feit werd middels de vondst in Ronquières door de Bende zelf gesigneerd en verbonden. Verbanden waren er al dankzij de wapens en wagens die op verschillende plaatsen werden gebruikt. Niettemin was de vondst in Ronquières te beschouwen als het ultieme bewijs van de onderlinge verbondenheid. Heeft de Bende hiermee de indruk willen wekken dat het gaat om eenheid van dadergroep en opzet, terwijl dat in de feiten niet zo is?

Stel dat in werkelijkheid verschillende dadergroepen met erg diverse doelen en intenties aan het werk waren. De Bende vestigde haar reputatie immers door een reeks van bloedige warenhuisovervallen, maar pleegde de facto heel verschillende feiten. De meest waarschijnlijke hypothese lijkt dan ook dat we te maken hebben met verschillende ‘Bendes van Nijvel’. Hoe is dat mogelijk met een gemeenschappelijke logistiek? Op een of andere manier impliceert dit immers een bepaalde soort van organisatie. In een antwoord op deze vraag ligt mijns inziens de sleutel tot de oplossing van het Bende-dossier.

Heeft de Bende precies dát willen verhullen door de zakken in Ronquières te grabbel te gooien voor de speurders? Of Bende-betrokkenen nu al dan niet een duwtje in de rug gaven om die zakken te vinden is van secundaire orde, de uiteindelijke manipulatie van het onderzoek ligt bij de Bende(s) zelf.

Bron » De Morgen | Paul Ponsaers

“Beroepsgeheim dient niet om wantoestanden bij overheidsdienst te verbergen”

Het Antwerpse parket onderzoekt een ‘schending van beroepsgeheim’ door politicus Johan Peeters (SP.A). Hij zou vertrouwelijke informatie over de slechte staat van de ontplofte huizen op de Paardenmarkt naar de pers hebben gelekt. Peeters is recent ondervraagd en wacht af of het parket de aanwijzingen zwaar genoeg vindt om hem voor de rechtbank te vervolgen. Zelfs indien er bewijzen zouden zijn dat Peeters zou gelekt hebben dan nog is het de strafrechter die zal moeten uitmaken of er inderdaad schending van het beroepsgeheim is. Een geheimhoudingsplicht heeft immers een bepaald doel en dat kan niet het versteken van wantoestanden of van misdrijven uitmaken.

Elk beroepsgeheim heeft een doel. Het meest gekende is de geheimhouding van het gerechtelijk vooronderzoek dat verantwoord wordt door de noodzaak om de betrokken personen te beschermen en de voortgang van het onderzoek niet te bemoeilijken. Daartegenover staat het principe dat er in een democratische rechtsstaat een doelmatig toezicht moet mogelijk zijn op de werking van justitie en politie. Als dat er niet is verglijdt die staat al snel tot een politiestaat.

Het is één van de meest opmerkelijke problemen van het onderzoek naar de Bende van Nijvel: door de verlenging van de verjaring werd ook de geheimhouding van het vooronderzoek verlengd zodat meer dan dertig jaar na de feiten, buiten wie er in werkzaam was of is, niemand echt weet wat er in het dossier staat. Ook in het parlementair onderzoek op de uitgebreide minnelijke schikking, de zogenoemde Kazachgate-affaire, dook het probleem op: over het lopende gerechtelijk onderzoek werden, hoewel dat wettelijk is voorzien, door de procureur geen mededelingen gedaan.

In voorliggend geval gaat het om de verantwoorde geheimhouding van de vertrouwensrelatie tussen leden van het OCMW en de cliënten. Daarover gaat het lek evenwel niet. ‘Burgemeester Bart De Wever kwam in het midden van de storm terecht toen enkele kranten schreven dat zijn dienst Woontoezicht te laks had gereageerd. Medewerkers van het OCMW die in de Paardenmarkt op huisbezoek waren geweest, schreven in hun verslag: “Huis in zeer slechte staat, vochtplekken, opengebroken plafond en ontbrekend glas.” De dienst Pandtoezicht vond een controle ‘niet prioritair’, onder meer omdat het aantal controleurs op de dienst in 2017 was gedaald van 12 naar 4′, zo schrijft Het Laatste Nieuws.

Hier is er dus een gewilde verwarring tussen de geheimhouding van informatie van het OCMW en de openbaarheid van bestuur over de werking van een overheidsdienst, namelijk de dienst ‘Woonzorg’ van de stad Antwerpen: Het verslag over de wantoestanden in het huis hebben niets te maken met de cliënten van het OCMW maar alles met de slechte werking van de overheidsdienst ‘Woonzorg’.

Warm en koud

Burgemeester De Wever gebruikt het beroepsgeheim naargelang het hem schikt. Hier om de slechte werking van zijn dienst te versteken. In zijn opvatting hoe de strijd tegen het terrorisme moet worden gevoerd doet hij net het omgekeerde: het N-VA-wetsvoorstel om een actieve meldingsplicht in te voeren voor het personeel van sociale instellingen. Daarbij gaat het niet over de werking van een stadsdienst en de publieke gevaren van bouwvallige huizen, maar wél over de relatie OCMW-cliënt.

Wanneer het over zijn eigen verantwoordelijkheid gaat wordt informatie dan plots geheim en worden alle middelen aangewend om het geheim te houden: de ‘lasterlijke’ nieuwssite Apache werd door de ex-kabinetschef van De Wever gedagvaard wegens het uitbrengen van informatie over de wantoestanden rond de bouwpromotor Land Invest.

Kernvraag

Het is niet de vraag of een publiek mandataris een beroepsgeheim lekte dan wel of de werking van de stadsdienst Woonzorg ernstige gebreken vertoont en waarom dat zo is. Om een debat over de tweede vraag te vermijden gebruikt de burgemeester de gekende methode van het tweede dossier: als het eerste te netelig wordt moet je er een tweede openen zodat alle aandacht van de belangrijke vraag kan worden afgeleid naar een nepvraag. Hier zou je net zo goed de vraag kunnen stellen waarom de burgemeester zijn dienst laat verkommeren van 12 tot vier leden. Dan vraag ik mij af: zijn er plannen voor hoogbouw in de plaats van de verkrotte panden?

Ook het “chilling”, het afkoelend, effect van deze handigheid is gekend: de vervolging van klokkenluiders om anderen te beletten soortgelijke wantoestanden aan te klagen. ‘Meer dan vijftien jaar na de politiehervorming wil de N-VA dat er een wettelijk statuut komt om klokkenluiders bij de politie te beschermen: een maatregel die ook in het federale regeerakkoord ingeschreven staat. “Concreet willen we de klokkenluidersbescherming die in 2013 is ingevoerd voor federale ambtenaren, nu ook uitbreiden naar alle personeelsleden van de hele geïntegreerde politie”, vertelt Kamerlid Koenraad Degroote. Samen met zijn collega’s Koen Metsu, Brecht Vermeulen en Christoph D’Haese diende hij daarvoor een wetsvoorstel in, zo lezen we op de site van N-VA.

Misschien kan dit voorval leiden tot een betere bescherming van stedelijke raadsleden wanneer die doen wat zij moeten doen: toezicht op de werking van de stadsdiensten en openbaar maken van wantoestanden wanneer die zich voordoen.

Bron » Knack | Walter De Smedt

Ging onze pers in de fout over de “Reus van de Bende”?

Vorig jaar in oktober was er in de pers veel ophef over de “vermoedelijke echte Reus van de Bende van Nijvel”. Het bericht werd gelanceerd vanuit de advocatuur en gretig opgepikt door de pers. Mediaspecialist Leo Neels waarschuwt: er is en blijft een onderscheid tussen feiten, meningen en – meer dan ooit – speculaties.

Speculaties zijn de nieuwe feiten. Vroeger waren er feiten. Feiten zijn zaken die zeker zijn, en waar gebeurd, zoals men ze rapporteert. Journalisten checkten en dubbelcheckten feiten. Naast feiten waren er meningen. Meningen zijn vrije opinies en gedachten. Gedachten zijn vrij, maar als men meningen uit die iemand kunnen benadelen, kan je op een schadevordering enkel succesvol antwoorden met het verweer dat je mening rust op een correcte feitelijke grondslag.

Nu moeten we aan de feiten en meningen de rubriek van de speculaties toevoegen.

Het brandje werd gesticht door een advocaat van de club van theatrale advocaten met een oud gerucht over de identiteit van de reus. De rest is geschiedenis: dagenlange speculatie over welke feitelijkheden er zouden kunnen geweest zijn, en wie of wat er nu in het vizier van het onderzoek zou zijn of er juist aan zou ontsnapt zijn.

Ieder zijn perceptie, ieder zijn speculatie, en ieder zijn waarheid. De leuze ‘ieder zijn waarheid’ is gelijk aan: helemaal géén waarheid. Dan resten enkel nog geruchten. De aandacht voor feiten was beperkt, controle van de aannemelijkheid of het waarheidsgehalte bleef achterwege.

Speculaties zijn immers oncontroleerbaar. Ze betreffen de toekomst en die laat zich lastig onderwerpen aan bewijs. Speculaties gaan over wat iemand mogelijk zal doen of nalaten.

Daarmee behoren ze tot de geruchtenmolen en zijn ze per definitie subjectief. Soms zijn ze zo fantasierijk dat er niets te controleren is.

Ook de advocaat die het Bendebrandje stichtte, bleef verder olie op het vuur gooien. Vanop de Boekenbeursstand van zijn uitgever, waar hij zichtbaar zijn nieuwe boek tekent breit hij – uiteraard enkel met de allerbeste bedoelingen – rustig verder aan zijn aankondigingen van niets, met veel geheimzinnigheid en media-aandacht.

Gelukkig kon ditmaal een onderzoeksrechter duiding geven en de advocaat op zijn plaats zetten met diens ongepaste publieke verklaringen.

De pers kan beter

De journalistieke focus moet primordiaal gericht zijn op feiten: wat, wanneer, waar – dat zijn de eerder gemakkelijke vragen – en ook: wie en waarom – dat zijn vaak moeilijke vragen.

Het is altijd een heikele zaak om de échte ware feiten bloot te leggen, en de klassieke vijf vragen te beantwoorden. Dat vergt controle, controle en controle. Tot het beeld over de werkelijke feiten minstens voldoende aannemelijk wordt. Eerder brengt men niets naar voor.

Dat is iets anders dan speculaties en emoties. Dat laatste kan iedereen, daar hebben we geen journalisten voor nodig.

Bron » VRT Nieuws | Leo Neels

Opinie: Toerekeningsvatbaarheid is een loterij

Een seriemoordenaar krijgt levenslang, de ‘vampiermoordenaar’ wordt geïnterneerd. De forensische gerechtspsychiatrie is een zootje, vindt Henri Heimans.

De voorbije weken viel het verdict in twee weerzinwekkende levensdelicten. Er was eerst het vonnis in de zaak-Renaud Hardy en begin vorige week velde de rechtbank in Gent het vonnis in de ‘vampiermoord’.

Hardy verscheen voor het Assisenhof van Tongeren, de man die zijn vrouw onthoofdde, verscheen voor een correctionele rechtbank van Gent. Een jury dus in de ene zaak, beroepsrechters in de andere, terwijl in beide gevallen de aanklacht betrekking had op hetzelfde misdrijf, namelijk moord. Het gevolg van een nieuwe wetgeving die inmiddels weer werd tenietgedaan door het Grondwettelijk Hof, maar dat is een ander debat.

Hoongelach

De media-aandacht voor beide zaken was ook verschillend. Hardy werd opgevoerd als een monster dat levenslang de cel in moest, zonder kans op vervroegde vrijlating. De media lustten er duidelijk pap van. Een van de advocaten vond de levenslange opsluiting voor de vrouwenmoordenaar, die uitgerekend op de Internationale Vrouwendag werd uitgesproken, zelfs ‘een straf met een hoge symbolische waarde’. De link met de emancipatorische strijddag voor de rechten van de vrouw is me totaal onduidelijk.

Dat een Nederlandse neuroloog het op het assisenproces had aangedurfd een op wetenschappelijke evidentie gebaseerde thesis over de impact van dopamine-agonisten op het gedrag van parkinsonpatiënten toe te lichten, werd op hoongelach onthaald. De gerechtsexperts (een term soms zonder inhoudelijke waarde) dienden geloofd, ofschoon er zich onder hen geen enkele neuroloog bevond. Een houding de forensische psychiatrie onwaardig.

De uitspraak in de ‘vampiermoord’ kreeg minder weerklank in de media. De vampiermoordenaar werd deze week geïnterneerd. Nochtans waren de gerechtsexperts in die zaak het erover eens dat de dader toerekeningsvatbaar was en een psychose had geveinsd. De rechtbank in Gent, bestaande uit drie beroepsrechters, fileerde op nooit eerder geziene wijze in een lang vonnis het werk van de zelfverklaarde experts.

Op de korrel genomen

De rechtbank stelde onder meer vast dat de gebruikte werkmethodiek van de forensische gerechts­experts problematisch was. Zo wachtten ze niet alle gegevens van het onderzoek af alvorens hun visie te geven, was hun oordeel gebaseerd op een te beperkt aantal korte gesprekken in de gevangenis, hadden ze de psychologische tests niet in de rapportage opgenomen en namen ze de medische voorgeschiedenis van de betrokkene onvoldoende in het verslag op.

De Gentse rechters spaarden hun kritiek niet op de verslagen van de aangestelde gerechtspsychiaters: onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd, tegenstrijdig, gebrekkige methodologie, cynisch, subjectief, uiting van tunnelvisie, discrepanties, oppervlakkig, vol feitelijke onjuistheden en anomalieën, ongepast denigrerend naar de experts aangesteld door de verdediging, enzovoort.

Ook de houding van het openbaar ministerie, dat zich objectief hoort op te stellen maar hier kritiekloos de gerechtsexperts in hun tunnelvisie had gevolgd, werd in het vonnis op de korrel genomen.

De rechtbank suggereerde voorts dat dringend werk moet worden gemaakt van een forensisch psychiatrisch observatiecentrum, naar het voorbeeld van het befaamde Pieter Baan Centrum in Nederland. Daar wordt medische waarheid afgeleid uit multidisciplinaire klinische vaststellingen, zodat rechters op een meer wetenschappelijke basis hun oordeel kunnen vellen.

Mijlpaal

Het vonnis in Gent is een ode aan de grondigheid en betrekt nadrukkelijk wetenschappelijke disciplines bij zijn besluitvorming. Het mag gerust een mijlpaal worden genoemd, een vonnis met een hoge symbolische waarde voor mannen én vrouwen die weten dat psychiatrisch zieke mensen niet strafwaardig zijn.

En wie kan er iets op tegen hebben dat rechters zich eerst grondig wetenschappelijk informeren, alvorens te beslissen over leven en dood?

Iedereen was hoopvol toen de nieuwe interneringswet er kwam, maar anderhalf jaar later blijkt dat de in de wet aangekondigde strenge kwaliteitsnormen voor forensisch psychiatrisch en psychologisch onderzoek nog altijd niet van kracht zijn en dat de verloning van de forensische experts totaal ondermaats blijft.

Het aangekondigde penitentiair klinisch observatiecentrum komt er ten vroegste in 2020. Minister van Justitie Koen Geens (CD&V) stelt dat alles volgens plan verloopt met de oprichting van het gevangenisdorp in Haren. Sta me toe hieraan te twijfelen, nu zelfs de elementaire kwaliteitsnormen én adequate verloning voor forensische psychiatrische expertises, uitgewerkt door wetenschappers met aanzien, nog altijd niet in een KB zijn opgenomen.

Het volstaat niet om in Haren een penitentiair observatiecentrum te bouwen, uitgerust met geavanceerde technische veiligheidssnufjes, zoals de nieuwe forensische psychiatrische centra van Gent en Antwerpen. Er moet ook budget zijn voor een degelijk multidisciplinair team, samengesteld uit een waaier van gedragswetenschappers, dat daders met een complexe psychiatrische problematiek deskundig kan onderzoeken.

In dit verband blijft de zaak-Kim De Gelder in het collectief geheugen gegrift. De Gelder werd toerekeningsvatbaar verklaard door het hof van assisen, maar heeft in de gevangenis een ernstige psychiatrische aandoening ontwikkeld. Hij wordt nu opnieuw onderzocht door forensische psychiatrische experts. Het is bang afwachten tot welke conclusies die komen, zonder uitgebreide klinische observatie.

En ondertussen hebben de beslissingen over de toerekeningsvatbaarheid van daders van ernstige misdrijven meer weg van een loterij.

Bron » De Standaard | Henri Heimans, eremagistraat van het hof van beroep in Gent

De federale begrafenis van het Bende-onderzoek

Er gaat geen dag voorbij zonder bericht in de media over de voortgang van het onderzoek van speciaal aanklager Mueller naar de Russische inmenging in de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Ook bij ons is er een onderzoek dat van hetzelfde allooi is.

Vorige week was er het bericht dat Robert Mueller zich nu ook richt op de pogingen van Jared Kushner, de schoonzoon van VS-president Trump, om buitenlandse financiering te verwerven voor zijn vastgoedbedrijf gedurende de presidentiële transitieperiode. Volgens CNN is dit de eerste aanwijzing dat het onderzoek verder reikt dan Kushners vermoedelijke Russische contacten. Dat je het onderzoek omzeggens ‘on line’ kan volgen heeft een duidelijke reden: wat is er van groter openbaar belang dan een mogelijke externe beïnvloeding van de presidentsverkiezingen?

Ook bij ons is er een onderzoek dat van hetzelfde allooi is: het bendeonderzoek en de nu gevolgde piste van de ‘destabilisatie van de Staat’ is voor iedere Belg van groter belang dan de mogelijke beïnvloeding van een buitenlandse presidentsverkiezing. Daarom ook is er, telkenmale er over het onderzoek wat naar buiten komt, grote mediabelangstelling voor. Dat was onlangs het geval met de revelaties over de mogelijke betrokkenheid van Christiaan Bonkoffsky die genoemd werd als de vermoedelijke reus van de bende van Nijvel.

Nieuws

Strafpleiter Jef Vermassen verklaarde dat hij een gouden tip had gekregen die de zaak kan ophelderen. De toenmalige advocaat van slachtoffer David Van de Steen had het in een studiogesprek met VTM Nieuws over ‘een verklaring van zeer doorslaggevende aard’ die werd afgelegd. Volgens de nieuwe advocaat, Walter Van Steenbrugge, leeft er de jongste maanden iets in verband met het dossier van de Bende van Nijvel. “Ik heb de jongste weken enorm veel bruikbare informatie gekregen. Er beginnen veel mensen te praten. Ook mensen die tot de rechterlijke orde behoren”, zei hij in het Canvas-programma De afspraak.

De Valkeneer

Procureur-generaal Christian De Valkeneer, belast met het onderzoek naar de Bende van Nijvel, gaf zelfs toe dat meerdere oud-rijkswachters melding maakten van “merkwaardige bevelen”, gegeven binnen de Aalsterse rijkswacht op de avond van de overval op de Aalsterse Delhaize in 1985. Daar vertrokken een half uur voor sluiting plots de twee rijkswachters die moesten instaan voor de bewaking. Enkele minuten later verscheen de GTI van de Bende van Nijvel op de parking en brak het geweld los. (De Morgen, 3 november, 2017).

Ook de minister van Justitie Koen Geens (CD&V) gaf in de Kamercommissie Justitie meer uitleg: er kwamen 800 tips binnen waarvan 470 bruikbaar zijn voor verder onderzoek en 120 tips werden al geëvalueerd. Er komt ook een nieuw onderzoeksplan en het speurdersteam wordt uitgebreid van 11 naar 30 onderzoekers.

De justitieminister wees ook op andere maatregelen: onderzoeksrechter Martine Michel blijft het onderzoek behouden, maar procureur-generaal De Valkeneer wordt er van ontlast. De cel die zich bezighoudt met het onderzoek wordt aangevuld met vijf extra speurders van de gerechtelijke federale politie, alsook vier speurders van het Comité P. Voorts zal er worden samengewerkt met het federaal parket, dat onder meer zal worden ingeschakeld als centraal aanspreekpunt voor de slachtoffers.

Vragen

Zo luidruchtig als het bendeonderzoek plots werd, zo stil is het nu opnieuw geworden: wat gebeurt er met de gouden tips? Wat hebben die intussen opgeleverd? Maar ook: Wie gaf opdracht om procureur-generaal de Valkeneer te vervangen door het Federaal parket? En waarom gebeurde dat? Wie kan de heer De Valkeneer, die zich persoonlijk had ingezet voor het bijna onleesbaar geworden dossier, dienstiger vervangen?

Voor de onderzoeksrechter Martine Michel gebeurde dat niet, want daarvoor is een beslissing van de raadkamer nodig en daarbij moet de reden van vervanging worden aangegeven. Een verhuis naar het federaal parket betekent ook een groter impact van de minister op het dossier: hij heeft immers een versterkt gezag over dat parket.

Maar ook de advocaten van verschillende burgerlijke partijen zijn plots minder mededeelzaam geworden: ook zij zwijgen nu in alle talen. Was er geen akkoord van de justitieminister om een extern expert te financieren?

Het kabinet van minister Justitie Koen Geens is formeel: “Op vraag van de twee procureurs-generaal (Luik en Bergen) werd het dossier gefederaliseerd”. De woordvoerster verwijst verder naar het verslag van de kamercommissie Justitie van 6 februari. Maar daarin wordt geen extra info gegeven, aangezien de federalisering pas die bewuste namiddag werd beslist.

Het parket-generaal kan ook niet verhelderen. “Het enige dat ik u kan zeggen is dat het dossier werd gefederaliseerd”, zegt woordvoerder Eric Van der Sijpt. “De andere vragen zal u aan de heer De Valkeneer zelf moeten stellen.” En mijnheer De Valkeneer: die reageert niet op telefoon en mail.

Een Kamerlid dat niet wil geciteerd worden antwoordde: “Kan zijn dat ze de eer aan zichzelf houden, de bevraging in de commissie leerde ons dat het vierkant draait in Charleroi en ook dat de manier waarop tips werden behandeld, niet de juiste manier was.”

Wat ook tussen de plooien viel na de bewuste Kamercommissie van 6 februari is het feit dat Geens aankondigde dat er ook nog ‘perifere zaken’ moeten onderzocht worden. Maar op vraag wat hij daarmee bedoelde, schaart de minister zich achter geheim van onderzoek.

Catch 22

Advocaat Joris Van Cauter vindt de federalisering een vreemde beslissing die hij niet goed begrijpt. “Een magistraat die tot op vandaag niet in de zaak zat, moet zich nu gans dat dossier eigen maken. Ofwel zullen er bij het federaal parket enkele mensen met de zaak bezig zijn, ofwel is dat de begrafenis van Marianne Capelle voor een paar jaar. Het komt erop neer dat je een magistraat uitschakelt met een hopeloos dossier.”

Van Cauter wijst erop dat het federaal parket ook nog eens de handen vol heeft met terreurzaken. Toch kan hij er begrip voor opbrengen dat er een nieuwe invalshoek voor het onderzoek moet komen. “We kunnen niet zeggen dat er de afgelopen jaren mooie successen geweest zijn. Maar het blijft een ‘catch 22’.

Extern

Het lijkt het lot van het bendeonderzoek te zijn dat telkenmale er wat over uitlekt dat onmiddellijk wordt opgevolgd door maatregelen die tot absolute stilte leiden. Dat is niet wat de commissie Franchimont die, ingevolge de vaststellingen van het eerste parlementair bendeonderzoek, de knelpunten in de strafprocedure trachtte weg te nemen voor ogen had. Ingevolge het voorstel van deze commissie werd aan zowel de procureur als aan de advocaat van de verdediging het recht gegeven om mededelingen over een lopend onderzoek te doen als het openbaar belang dat vereist.

Blijkbaar wordt deze opdracht enkel nagekomen wanneer er lekken zijn en wordt er enkel gebruik van gemaakt om de gemoederen te bedaren.

Anderzijds werd er reeds meermaal op gewezen wat de gevolgen zijn van de verlenging van de verjaring waarvoor een specifieke wet werd gemaakt. Zolang het gerechtelijk vooronderzoek loopt geldt ook het principe van de geheimhouding: een gerechtelijk onderzoek kan daarom ook de beste maatregel zijn om de waarheid geheim te houden.

Daartegenover staat dat je gezien de vele verlopen jaren er nog moeilijk van een “eerlijk proces” kan gesproken worden: voor zover de daders nog in leven zijn is de gerechtelijke behandeling ten gronde over dit onhandelbaar dossier zo goed als onmogelijk geworden.

Archieven

Historicus Emmanuel Gerard (KULeuven), mede-auteur van de opheldering van de moord op communistenleider Julien Lahaut, wil de archieven van de rijkswacht uitspitten om de Bende van Nijvel te ontmaskeren. “Als we honderd jaar wachten, wordt het een fait divers. Laten we dat vandaag opkuisen.”

“Historici zouden zich misschien met de zaak moeten bezighouden, in plaats van het gerecht. Het gerechtelijk onderzoek sleept al meer dan dertig jaar aan. Het gaat hier niet om een passionele moord waarbij het lijk verdwenen is, maar over tientallen misdaden, veel doden, getuigen, aanwijzingen, wapens en wagens, die allemaal tot niks hebben geleid.”

“Sommigen zeggen dat de tijd onze bondgenoot zal zijn, dat er misschien wel iemand zal bekennen op zijn sterfbed. Maar het is niet het werk van het gerecht om te zitten wachten op iemand die iets zegt.”

Zoals de professor het terecht opmerkt is het nu tijd voor de historici om net als in het Lahaut dossier een doorbraak te forceren.

“Het is bovendien niet zo dat we iemand die spreekt op zijn sterfbed zomaar moeten geloven. Er is veel klinkklare onzin verklaard in dit dossier. Wie bekent zonder bewijs, is dat maar een verklaring. Dan is het een hypothese waarmee het gerecht niet verder kan. Naar aanleiding van de moord op Lumumba hebben talloze psychopathische figuren beweerd dat ze geschoten hebben. Daar was niks van aan.” (De Standaard, 28 oktober 2017).

Zoals de professor het terecht opmerkt is het nu tijd voor de historici om net als in het Lahautdossier een doorbraak te forceren. Dat is in ieder geval heel wat dienstiger dan een nationale begrafenis door het federaal parket waarover niemand wil communiceren!

Bron » Apache | Walter De Smedt

(Beroeps)geheimen zijn soms nodig

We weten graag alles en wie zich op een geheim beroept is vaak al verdacht. Sociale media spelen daar graag op in. Zelfs de traditionele media doen er alles aan om alles (zelfs halve informatie) zo snel mogelijk te verspreiden. Er zijn geen deadlines meer. Die snelheid maakt dat nieuws vluchtiger wordt en helaas slordiger.

We aanvaarden ook steeds minder dat niet alles op tafel ligt en wie zwijgt of twijfel uit wekt wantrouwen. Dat verklaart misschien waarom ook steeds meer personen spreken die beter zouden zwijgen of minstens zouden wachten tot de tijd rijp is voor een zinvolle tussenkomst.

Er is de voorbije dagen nogal al wat te doen over het beroepsgeheim. Dat begrip wordt nogal onzorgvuldig gebruikt. Recent vertelde mijn kapper mij dat hij bij het wassen van de haren kan zien wie een facelift heeft ondergaan (je ziet het blijkbaar aan de oren), maar hij wilde niet zeggen bij wie hij het precies had opgemerkt. Beroepsgeheim, meneer. Laten we duidelijk zijn : in dit geval gaat het eigenlijk om gewone hoffelijkheidsregels, waardoor van iemand toch een zekere discretie wordt verwacht.

Van een andere orde is natuurlijk het ‘echte’ beroepsgeheim. Het is, na ‘de zaak Bart De Pauw’ nu weer actueel naar aanleiding van het geval van een priester die kennis zou gehad hebben van een wanhoopsdaad, maar niets ondernam omdat die informatie viel onder ‘het biechtgeheim’ (de variant van het beroepsgeheim in het kerkelijk recht).

Het beroepsgeheim geldt in de eerste plaats voor gezondheids- en welzijnsberoepen (zoals arts, apotheker of maatschappelijk werker), maar geldt ook voor bijvoorbeeld advocaten. Al die beroepsbeoefenaars hebben een vertrouwensrelatie die essentieel is voor een goede uitoefening van het beroep.

Op de schending van dat beroepsgeheim staan trouwens strafsancties, precies omdat het zo essentieel is. Maar bij de meeste vrije beroepen geeft dit ook aanleiding tot tuchtvervolgingen. Dat verklaart ook waarom bijvoorbeeld advocatenordes korzelig reageren wanner advocaten uitgebreid de media informeren over zaken waarin ze als advocaat geraadpleegd zijn en daarbij soms ook dingen vertellen die eigenlijk alleen maar tot de relatie cliënt-advocaat behoren.

Het beroepsgeheim is er dus in de eerste plaats voor de burger zelf, die in alle vertrouwen alles moeten kunnen vertellen aan de vertrouwenspersoon tot wie hij zich richt.
Iemand schendt het beroepsgeheim wanneer hij opzettelijk geheimen bekendmaakt, zelfs wanneer hij niet de bedoeling heeft om iemand schade of nadeel te berokkenen. De arts mag niet zomaar aan derden vertellen welke ziekte zijn patiënt heeft.

De advocaat zal aan zijn cliënt volledige openheid vragen over alle feiten, maar niet alles zal relevant zijn voor de behandeling van een zaak en zal dan ook geheim blijven. Dat beroepsgeheim is er dus in de eerste plaats voor de burger zelf, die in alle vertrouwen alles moeten kunnen vertellen aan de vertrouwenspersoon tot wie hij zich richt. Het is ook in het algemeen belang, zodat ook vaak wordt gesteld dat de patiënt of cliënt er geen afstand van kan doen.

Dus zelfs wanneer de betrokkene zou willen dat zijn advocaat of arts bepaalde gegevens zou prijsgeven, mag het niet. De vertrouwensrelatie is immers van essentieel belang en daarom stellen de meeste juristen dat ze “van openbare orde” is. Het is in het belang van de samenleving zelf dat sommige informatie in een besloten kring blijft.

Zich beroepen op ‘een geheim’ gaat misschien in tegen de tijdsgeest, maar gelukkig zijn de rechtbanken terughoudend om uitzonderingen hierop toe te staan. Dat kan bijvoorbeeld wanneer een advocaat kennis krijgt van ‘eminent gevaar voor de fysieke integriteit van een derde’, wat vrij vertaald betekent dat wanneer de advocaat er weet van krijgt dat zijn cliënt op het punt staat iemand te vermoorden hij moet spreken. Dan is sprake van ‘nood breekt wet’ en kan het beroepsgeheim wijken. Het kan de vertrouwenspersoon confronteren met zware ethische vragen.

Er is nu ook aandacht voor het biechtgeheim van de priester en de vraag of die laatste nu moet ingrijpen wanneer hij weet dat iemand op het punt staat zelfmoord te plegen. Dat is een debat dat door de rechtbank zal moeten worden beslecht. Het kerkelijk recht is iets anders dan wat het ‘gewone’ recht daarover vertelt. Het zogenaamde ‘biechtgeheim’ is blijkbaar iets wat zich in een kerk of kapel afspeelt en ‘buiten de biechtstoel mag geen biecht gehoord worden, tenzij om een goede reden’- canon 964 kerkelijk wetboek).

De correctionele rechtbank zal zich daarover echter niet moeten uitspreken, maar wel over de vraag of de priester de verplichting had zijn beroepsgeheim aan de kant te zetten om te verhelpen aan een dreigende noodtoestand. Daaraan is dan gekoppeld de vraag of er sprake is van schuldig verzuim. Het zal aan de rechter toekomen om, rekening houdend met alle concrete elementen uit het dossier, hierop een antwoord te geven. Laten we de rechter zijn werk doen.

Bron » De Morgen | Hugo Lamon