Paleis der natie: Zelfs het onderzoek was een bende

Het onderzoek naar de Bende van Nijvel beslaat honderdduizenden bladzijden. Het wordt niet langer geteld in strekkende meters, maar in aantal kasten. Voor de regering mag dat dossier nooit verjaren.

Het bos van La Houssière, genoemd naar een nabijgelegen boerderij, ligt op de grens van Waals-Brabant met Henegouwen, op het grondgebied van ’s-Gravenbrakel. In de namiddag van zaterdag 9 november 1985 deden motorcrossers er een eigenaardige vondst: het restant van een brandstapel met halfverkoolde afstandsapparaten, een verschroeid decodeerapparaat, maar ook handgeschreven notities, een deels verbrande wapenencyclopedie en wapentijdschriften, een stuk van de foto van een blonde vrouw,  geblakerde cheques met de stempel van ‘Delhaize-Overijse’ en, vreemd genoeg, een treinkaartje Brussel-Oostende.

De verklaring van de motorcrossers en de inventaris van de vondsten door de lokale politie belandden meteen op het bureau van de Nijvelse onderzoeksrechter Jean-Marie Schlicker. Die was belast met het onderzoek naar de Bende van Nijvel, die haar naam dankt aan de overval op 17 september 1982 op een Colruyt-warenhuis in Nijvel waarbij drie doden vielen. De cheques wezen naar de Delhaize van Overijse, die enkele weken eerder, op zaterdag 27 september 1985, door de Bende was overvallen. Die roofoverval had plaats luttele tijd na een gelijkaardige raid op een Delhaize in Eigenbrakel. In Eigenbrakel vielen daarbij drie doden, in Overijse werden vijf mensen omgebracht.

Onderzoeksrechter Schlicker en de Nijvelse procureur des Konings Jean Deprêtre vonden niet dat ze moesten optreden. Schlicker liet het bos van La Houssière niet eens bewaken, zelfs niet na de overval enkele uren later op de Delhaize in Aalst, de laatste hold-up van de Bende van Nijvel, waarbij acht mensen het leven lieten. Jaren later wezen twee getuigen de plaats aan in La Houssière waar ze in de nacht van 9 op 10 november 1985 een Golf GTI opmerkten en twee mannen bij een kennelijk levenloos lichaam op de grond. Wat de aanname bevestigde dat de beruchte reus van de Bende in Aalst minstens gewond raakte.

Pas jaren later hebben onderzoekers zich echt gebogen over de vondsten in La Houssière. Het treinkaartje Brussel-Oostende was wellicht een van de dwaalsporen die de Bende volgens Amerikaanse profilers had uitgezet.

Borains

‘De daders lieten tal van voorwerpen achter die niets met de feiten te maken hadden, maar die tot lang en nutteloos onderzoekswerk leidden’, vertelde de speurder Eddy Vos achteraf. Hij werd in 1996 gevraagd de leiding te nemen van de Cel Waals-Brabant belast met het Bende-onderzoek. Zijn aanstelling was een suggestie van het toenmalige hoofd van de staatsveiligheid Bart Van Lijsebeth. Maar toen al zat het Bende-dossier muurvast.

Aanvankelijk was het onderzoek verspreid over verschillende politiediensten, onderzoeksrechters en parketten die elkaar dwarsboomden. Toppunt van het gerechtelijk gehaspel was het proces tegen de bende van de Borinage. De Borains waren marginalen rond de gewezen politieman Michel Cocu. Door slordig onderzoek in Nijvel eindigde het assisenproces tegen de bendeleden in chaos. Een Ruger-pistool, dat moest aantonen dat Cocu en zijn medetoogplakkers deel waren van de Bende van Nijvel, had volgens het Duitse Bundeskriminalamt niets met de zaak te maken. De Borains gingen vrijuit.

Gewezen rechter van het Grondwettelijk Hof Jean-Paul Moerman, die als jonge advocaat Cocu verdedigde, beschreef zijn ervaring en de manier waarop het Bende-onderzoek werd gevoerd in een pittige bijdrage in het liber amicorum van de grondwetspecialist André Alen. Hij vertelde daarin ook over de justitiële hardnekkigheid waarmee Cocu na zijn vrijspraak werd achtervolgd. Tot vlak voor zijn dood ging procureur-generaal Christian De Valkeneer hem vragen om als spijtoptant alles op te biechten. Hij kreeg de deur tegen de neus. Cocu, die in december 2016 overleed, was de laatste van de Borains. Na zijn dood werd voor alle zekerheid nog eens een huiszoeking verricht in zijn sterfhuis.

Twee parlementaire onderzoekscommissies bogen zich ooit over de Bende-enquête, maar het onderzoek bleef wat het was: een bende.

Bezigheidstherapie

Toen Vos in 1996 aan boord kwam met een nieuwe ploeg werd niets onverlet gelaten. Duitse specialisten in Wiesbaden deden ballistisch onderzoek. Jean-Jacques Cassiman, een wereldautoriteit in de menselijke genetica, verrichtte talloze DNA-onderzoeken, zelfs op rijkswachters van de Groep Diane. Stasi-archieven werden onderzocht en buitenlandse inlichtingendiensten aangesproken. Leugendetectors, Canadese geomaticaspecialisten en FBI-profilers werden ingeschakeld. De profilers kwamen tot de vaststelling dat wellicht sprake was van twee bendes, waaronder een Franse gang.

In 2012 gaf Vos zijn opdracht terug. Sindsdien kabbelt het onderzoek verder in Charleroi. Af en toe worden vreemde onderzoeksdaden gesteld, zoals recent nog een dregging in het kanaal van Damme naar een uzi, een machinepistool dat de Bende nooit gebruikte.

Toch wil minister van Justitie Vincent Van Quickenborne (Open VLD) het onderzoek laten voortzetten. Volgens zijn wetsontwerp zal verjaring niet meer mogelijk zijn voor ernstige feiten als moord en roofmoord ‘die de bevolking ernstige vrees hebben aangedaan of die tot doel hadden de basisstructuren van het land te ontwrichten of te vernietigen’. Dat is nu al het geval voor misdaden tegen de menselijkheid, genocide, oorlogsmisdaden en seksuele misdaden ten aanzien van minderjarigen.

In het verleden werd de verjaringsperiode voor de misdaden van de Bende van Nijvel, die 28 dodelijke slachtoffers en 40 gewonden maakte, al twee keer opgeschoven. In de officiële aankondiging van de opheffing van de verjaring is geen sprake van de Bende. Toch is duidelijk dat het wetsontwerp op die maat werd uitgewerkt. Volgens ingewijden is het Bende-onderzoek nu al een vorm van bezigheidstherapie voor de onderzoekscel in Charleroi. De nieuwe onderzoekers stootten zich aan dezelfde zij- en dwaalsporen als hun voorgangers.

In dit dossier heeft iedereen een theorie maar geen schuldigen. Er is sprake van oud-rijkswachters in dienst van rechtse politieke kringen of van hun gefrustreerde chefs. Sommigen vermoedden achter de overvallen een strategie van de spanning – van psychologische oorlogvoering, zeg maar – al dan niet aangepord door Gladio-groupuscules. De jaren 1980 waren ‘loden jaren’, met aanslagen, politieke moorden en ontvoeringen in binnen- en buitenland door extreemlinks en extreemrechts, en dat allemaal in tijden van sociale en economische onrust.

Het onderzoek werd op allerlei manieren gemanipuleerd of op nieuwe dwaalsporen gebracht. Toenmalig minister van Justitie Jean Gol (MR) verwierp de politieke pistes. Rijkswachters en magistraten gebruikten het onderzoek voor hun afrekeningen en inspireerden de media om roze en andere pistes te lanceren die het onderzoek doorkruisten.

Veertig jaar na het eerste Bende-feit – de diefstal van een jachtgeweer in een sportwapenwinkel op 13 maart 1982 in Dinant – is de kans groot dat tal van de verdachten van weleer zijn overleden. Op spijtoptanten wordt niet meer gerekend. Wat rest, is het gigantische dossier in Charleroi. De waarheid zit misschien in een van de vele kasten, misschien ook niet.

Alleen een ongebonden, zorgvuldig samengestelde waarheidscommissie van magistraten, criminologen en historici kan op een geloofwaardige manier en zonder aanzien des persoons het onderzoek doorlichten. Want het is maar de vraag of de nieuwe wet, zoals gehoopt, tot een opheldering zal leiden. Door het opheffen van de verjaring bestaat de kans dat wie tot nu heeft gezwegen, blijft zwijgen.

Bron: De Tijd | Rik Van Cauwelaert

Het dossier van de Bende van Nijvel mag niet gesloten worden

In een artikelenreeks met merkwaardige uitspraken over de moorden door de Bende van Nijvel verklaarden federale procureurs dat het onderzoek binnenkort gesloten wordt. In geen geval is het maatschappelijk aanvaardbaar om dit dossier te sluiten.

Daar zijn verschillende redenen voor. Gedurende al die jaren zijn er via kranten en websites heel wat elementen bekend geraakt die wijzen op de piste van de ontwrichting van de staat. Voor verder onderzoek naar dit maatschappelijk erg belangrijk gegeven is er geen verjaring. Wat er naar buiten is gekomen, heeft ook het geloof van de bevolking in justitie en politie sterk aangetast.

Wat er kan aan toegevoegd worden, kan je uit de boeken halen die over de Bende werden geschreven. Maar ook de kranten hebben nuttige elementen ter kennis gebracht. Zo is er de recente artikelenreeks in De Morgen. Deze reeks is grotendeels ingegeven door de verklaringen van Etienne Delhuvenne. Dat is op zich al merkwaardig. In La Dernière heure van 14 december 2018 gaf Delhuvenne al het hele verhaal en zelfs meer dan nu wordt verteld.

In 2018 vertelde Delhuvenne dat de eerste Bendemoord bij de wapenroof in Waver bij wapenhandel Dekaise door Bruno Vandeuren en Jean-Luc Piaveaux werd gepleegd. Delhuvenne deed het hele verhaal aan Francis Dossogne, de leider van de extreemrechtse organisatie Front de la Jeunesse. Dossogne deed op zijn beurt het verhaal aan de commissaris van de gerechtelijke politie Yves Zimmer.

Delhuvenne deed het verhaal ook aan de BOB in Brussel. Hij voegde er aan toe dat Vandeuren een bewondering had voor Michel Anthemus (ook genoemd als mogelijke mededader). De rijkswachtkapitein zei nooit meer die naam uit te spreken omdat het een indicateur was. Een toenmalige adviseur van justitieminister Jean Gol vroeg informatie over Jean Bultot, adjunct-directeur van de gevangenis in Sint-Gillis. Bultot beweerde dat Vandeuren tijdens zijn opsluiting in Sint-Gillis aan hem bekend had een van de overvallers te zijn.

Levens vernietigd

Het leven van alle betrokkenen werd vernietigd. Delhuvenne werd negen keer in verdenking gesteld. Bultot vluchtte. De raadgever van Gol werd opgesloten. Piaveaux werd in Congo vermoord. Vandeuren werd afgemaakt met een schot naast het linkeroor.

De recente artikelen in De Morgen voegen er namen aan toe. Zoals die van Madani Bouhouche, in die tijd rijkswachter bij de drugssectie bij de BOB in Brussel. Zijn collega-rijkswachter van de BOB in Waver Bernard Sartillot verklaarde: “Ik heb toen het gezicht van de man op de passagiersstoel in me opgenomen. Hij stond maar enkele meters van me. En jaren later heb ik hem ook herkend. Over Bouhouche kan ik niets zeggen, ik heb zelf maar twee van de drie gezichten in mijn geheugen zitten en van een van de drie ben ik zeker. Dat was de enkele jaren later vermoorde FN-wapeningenieur Juan Mendez-Blaya.”

Waarom zou Delhuvenne liegen en zou de herkenning door Sartillot niet zeker zijn? Uit de afgelegde verklaringen heb je de namen van de daders van de eerste overval van de Bende. En wat in die verklaringen staat, werd in een vroeg stadium van het onderzoek zowel aan de gerechtelijke politie als aan de rijkswacht ter kennis gebracht.

Wat heeft het onderzoek daarmee gedaan? Het gaat maar over één overval? Als je naar de website van De Bende van Nijvel gaat, krijg je allerlei nuttige gegevens en besprekingen over de andere moorden. Kan je daar zo maar aan voorbijgaan door het onderzoek af te sluiten zodat wat er in staat voor de toekomst wordt vergrendeld?

Onbestrafte misdaden

“Niets wist de schaamte uit van 31 jaar straffeloosheid”, sprak minister van Justitie Koen Geens (CD&V) tijdens de herdenking van de gruweldaden van de Bende van Nijvel in Aalst. Kan er na al die jaren dan nog een doorbraak komen? Absoluut. U weet dat ik vorig jaar de verjaringstermijn voor zware misdrijven heb verlengd van dertig naar veertig jaar”, zei Geens. “Ik besef dat sommige families liever hadden gezien dat het onderzoek afgesloten zou worden en ik heb alle begrip voor hun verzuchtingen tot rust. Als maatschappij kunnen we echter niet toelaten dat dergelijke zware misdaden onbestraft blijven.”

Dat deze misdaden onbestraft zullen blijven, lijkt nu een feit. Als maatschappij kunnen wij echter niet toelaten dat het dossier over dergelijke misdaden gesloten wordt.

Tegenover de verklaring van de justitieminister moeten nu de verklaringen van de federale procureurs worden gesteld. “Heel veel aspecten zijn onderzocht, zonder resultaat”, zegt Eric Van Duyse van het federaal parket. “De tijd gaat snel, de verjaring nadert en de coronapandemie heeft dit onderzoek ook nog eens twee jaar gekost. Indien er tegen het einde van dit jaar geen nieuwe elementen opduiken, zullen we het onderzoek moeten stoppen en het dossier sluiten. De bevoegde magistraat Marianne Cappelle is van mening dat de termijnen om het dossier nog voor de verjaring voor de rechtbank te kunnen brengen te kort zijn.”

Je kan er niet onderuit dat een proces over de Bendefeiten ondoenbaar is geworden. Indien zij nog in leven zijn, zijn de mogelijke verdachten en getuigen oude mensen geworden. Hoe over de duizenden bladzijden een assisenprocedure kan gevoerd worden, is even onwezenlijk. Dergelijk proces houdt in dat zowel de speurders, de getuigen, de experten en niet in het minst de verdachten en hun advocaten op openbare en tegensprekelijke wijze gehoord worden en het gehele onderzoek op de zitting kan worden overgedaan. Dat daardoor ook niet meer aan de vereisten van het eerlijk proces kan voldaan worden en dat juist de reden is voor de verjaring van de strafvordering is evident.

Maatschappelijk belang

Dat het dossier daardoor ook moet gesloten worden, is een geheel ander besluit. De commissie-Franchimont, die na het eerste parlementaire bendeonderzoek werd opgericht om de knelpunten in de procedure weg te nemen, had er al een andere kijk op. Op het advies van deze commissie, samengesteld uit advocaten, professoren en magistraten, werd aan de procureur en aan de advocaat van de verdediging de mogelijkheid gegeven om zelfs tijdens het onderzoek mededelingen te doen indien het openbaar belang dat vereist. Daar is nooit gebruik van gemaakt om ook maar één dienstige mededeling te doen. Het bleef bij een bijna jaarlijkse opstoot met evenmin duidelijk beantwoorde onthullingen.

Dat het strafrechtelijke aspect niet meer behoorlijk kan beantwoord worden, betekent niet dat het maatschappelijke belang er moet bij inboeten. Er mag ook getwijfeld worden aan de beweerde verzuchtingen tot rust van sommige families. Zonder een behoorlijk antwoord op wat is kunnen gebeuren, is die rust niet mogelijk. Buiten het leed van de slachtoffers en de nabestaanden is er ook het maatschappelijke belang. De mislukking van zowel de gerechtelijke als de parlementaire onderzoeken blijft als een erfelijke belasting op de werking van justitie en politie wegen.

Buiten alle andere disfuncties kan niet worden ontkend dat er behoorlijk wat gemanipuleerd werd om het ontdekken van de waarheid te voorkomen. Anderzijds heeft het onderzoek naar de Bende ook een sterke invloed gehad op de werkwijze van politie en justitie en werden daardoor nieuwe methoden gewettigd.

Het is nu de formele vraag of al deze disfuncties en manipulaties zonder meer kunnen vergeten worden door het afsluiten van het dossier. Afsluiten betekent immers dat er niemand nog door kan geraken. In die zin is de door de federale magistraten voorgestelde afsluiting van het Bendedossier maatschappelijk onaanvaardbaar. De enige manier om het wél te doen is het open te stellen voor wetenschappelijk onderzoek. Want verborgen disfuncties verdwijnen niet, 28 doden verjaren niet en het openbaar belang evenmin.

Bron » Apache | Walter De Smedt

Walter De Smedt is gewezen raadslid van Comité I en Comité P. Hij bracht in juni 2020 het boek ‘Het land van de onbestrafte misdaden. Waarom faalt justitie?’ uit bij uitgeverij Kritak.

De zaak-Dutroux maakte de rechter sterker

Op 13 augustus 1996, vandaag 25 jaar geleden, is Marc Dutroux gearresteerd. De zaak-Dutroux markeerde het einde van een tijdvak en woog op wat in de plaats gekomen is. Luc Huyse maakt de balans.

Klachten over de werking van het recht en de rechtbanken zijn van alle tijden. Maar de intensiteit waarmee ze komen varieert in een ritme dat aan ebbe en vloed doet denken. Van de vroege jaren 70 tot de late jaren 90 was het ononderbroken hoog water. En altijd keken de politici de andere kant op. Wie de regeringsverklaringen van die periode leest, zal tevergeefs zoeken naar enige aandacht.

De politieke agenda heeft zowat alles wat met justitie te maken had gewoon genegeerd. Ook budgettair was het een ramp. Jaar na jaar kromp het aandeel van het departement in de begroting. Het absolute dieptepunt kwam in het midden van de jaren 80. Van elke 1.000 Belgische frank overheidsgeld gingen er 10 naar justitie en daarvan de helft naar de rechtspleging. Dat was geen verwaarlozing meer, maar plompe vernedering van de derde macht.

Minachting sprak ook uit de bemoeizucht van de politieke partijen bij de benoeming en promotie van rechters. Vanaf de jaren 70 was dat niet langer het werk van individueel dienstbetoon, maar van gulzige partijapparaten. Macht was zo zeer ongelijk verdeeld. Daar zorgde de opgedrongen vermageringskuur al voor. En de klemgreep op de loopbaan van magistraten verlengde tot ver in de toekomst de controle op de beroepsgroep. Neen, rechters zijn toen nooit wereldvreemd genoemd.

De top van de magistratuur heeft zich jarenlang bij deze scheve machtsverhoudingen neergelegd. Dat was het gevolg van een eigenzinnige interpretatie van de scheiding der machten. Het was al vroeg te zien in de reacties op Het beleid van de rechter, een boek uit 1973 van Walter Van Gerven, de Leuvense rechtsgeleerde en latere advocaat-generaal bij het Europese Hof van Justitie. De rechter, schreef hij, kiest ‘tussen verschillende, juridisch-technisch even goed verdedigbare oplossingen’ en hij neemt die beslissing op ‘grond van economische, sociologische, filosofische opties, hoe onvolmaakt hij zich daar ook van bewust is’.

In sommige gevallen, vond Van Gerven, kan het zelfs aangewezen zijn dat een rechter uitdrukkelijk de grenzen van de rechtsregel verlegt: ‘Dat betekent in feite dat de rechter, naar mijn smaak, een beleid mag voeren door een waarde, die mogelijk een minderheidswaarde is, boven een andere waarde te verkiezen.’ Rechterlijk activisme avant-la-lettre? Ik was erbij toen Van Gerven zijn visie presenteerde aan een gezelschap van hoge magistraten. Daar bleek hoezeer zij zijn argumentatie als onbespreekbaar beschouwden. Zij ging in hun ogen brutaal in tegen wat nog enkele decennia als een onwrikbaar dogma zou gelden: de rechtsregel is eenvormig en hard en daarom staat een rechter altijd boven het gewoel en zwijgt.

Spaghetti-arrest

Op de arrestatie van Marc Dutroux volgden twee maanden van traumatische gebeurtenissen. De toenmalige regering-Dehaene (1995-1999) probeerde de politieke agenda om te gooien, maar miste kracht, tempo en tijd. Het is de ontsnapping van Dutroux op 23 april 1998 die de politieke klasse uiteindelijk in overdrive zou zetten. De gevolgen daarvan zouden de machtsdeling tussen regering, parlement en magistratuur grondig wijzigen. En alle drie kregen zij te maken met burgers die van het beroep op de rechter een politiek wapen hebben gemaakt.

De zaak-Dutroux maakte de rechterlijke macht sterker. Haar feitelijke degradatie door de fel beperkte budgetten en het slot op de politieke agenda nam, nu justitie alle aandacht trok, aanzienlijk af. Er was voortaan ook constructief overleg tussen het departement en de magistratuur. En bij de benoeming en promotie van rechters is, na meer dan een eeuw, de bemoeiziekte van de politieke partijen grotendeels aan banden gelegd.

Ook binnen het rechterlijk korps zijn de machtsverhoudingen gewijzigd. Persrechters, door de regering-Dehaene ingevoerd, hebben de zwijgcultuur doorbroken. Een nieuwe generatie magistraten erkent nu dat, in de geest van Het beleid van de rechter, recht spreken onvermijdelijk een politieke dimensie heeft. Sommigen onder hen volgen Van Gerven zelfs in de stelling dat grondige herinterpretatie van de wet gerechtvaardigd kan zijn. Het Spaghetti-arrest in het Dutroux-onderzoek heeft in die twee ontwikkelingen een rol gespeeld.

Deze uitspraak van het Hof van Cassatie heeft op 14 oktober 1996 onderzoeksrechter Jean-Marc Connerotte, massaal door het publiek gesteund, na een juridische minizonde tot ontslag gedwongen. De manier waarop procureur-generaal Eliane Liekendael van het Hof de beslissing verdedigde, was een achterwaartse stap te ver. ‘Als ik het gevoel moet volgen’, zei ze toen in Het Nieuwsblad, ‘dan laat ik Connerotte voortspeuren. Maar al wie de deur binnenstapt moet zijn gevoel achterwege laten. Dat is eigen aan de rechtsstaat. Mijn enige taak is de rechtsregels toe te passen.’ Zo had ik het al in 1973 gehoord.

Plaatsvervangend wetgever

De hervormingen hebben ook vrij snel de positie van de burgers in de rechtspleging versterkt. Het slachtoffer kreeg een volwaardiger plaats in de gerechtelijke procedure. Aan laagdrempelige loketten in zogeheten justitiehuizen is informatie over rechtbankzaken aangeboden. Wat later is, dankzij goedkope rechtshulp, de gang naar het gerechtsgebouw vergemakkelijkt. Dat alles versnelde een evolutie die al enige jaren aan de gang was. De bevolking had zich al eerder als een derde speler tussen rechters en politici genesteld. Geregeld vroeg zij de magistratuur, via de Raad van State bijvoorbeeld, om in haar naam overheidsbeslissingen aan te vechten. Ook beroep op Europese rechtsinstanties was al ingeburgerd.

De weg naar de rechter als verzet tegen betwist overheidsbeleid is vandaag zo goed als ingeburgerd. Die route laat toe om, zoals in de nu lopende Klimaatzaak, een abstracte en ongrijpbare macht via de rechter om te zetten in een concrete, mobiliseerbare persoon. Het is ook een alternatief voor de maskerade rond onbevattelijke verantwoordelijkheden in de politiek (de open paraplu’s!). Daar hebben de Antwerpse actiegroepen, stRaten-generaal en Ademloos, in het Oosterweeldossier van gebruikgemaakt. Een dreiging met de inzet van de Raad van State was al genoeg om wat klaarheid te scheppen. (De Vlaamse regering poogt momenteel om voor burgers de weg naar rechtsinstanties een stevig stuk smaller te maken. Dat is nodig, zegt ze, om het bestuur krachtdadiger te laten werken. Maar wat de politici aan slagkracht denken te winnen, verliezen ze gegarandeerd aan legitimiteit.)

De politiek komt ook via de politici zelf de gerechtshoven binnen. Meer en meer slagen parlement en regering er niet in om binnen een redelijke termijn wetgevend werk te voltooien. Het gevolg is dat de rechter als het ware uitgenodigd wordt om, via het vellen van vonnissen en arresten, een algemene gedragslijn uit te zetten. Dat is wat in de late jaren 80 is gebeurd rond de wijziging van de abortuswetgeving. Die terugtred promoveert de magistratuur de facto tot plaatsvervangend wetgever. Een tweede vorm van, zij het ongewilde, uitbesteding volgt uit de overvloedige aanvoer van kreupele en onafgewerkte wetten en decreten. Hoe mistiger een rechtsregel, hoe vaker rechterlijke interpretatie mogelijk en nodig is. Dat was het probleem met het Octopusakkoord, de blauwdruk van het grondig gewijzigd politie- en justitielandschap. In nauwelijks vijf weken na de ontsnapping van Dutroux lag het er. Kort nadien is strijd om de juiste lezing ervan begonnen.

Langs meerdere wegen dringt de politiek de rechtspraak binnen. Voor één ervan zorgen burgers. Twee hebben de politici zelf aangelegd. Rechters spreken recht, met onvermijdelijk politieke gevolgen. Zo is, mede beïnvloed door de zaak-Dutroux, rond het beginsel van de scheiding der machten een wel heel complexe toestand ontstaan. Spelregels en afspraken zijn in beweging. Territoriumtwisten verharden. De uitkomst is onzeker.

Bron » De Standaard | Luc Huyse

Is het geheim van het onderzoek nog van deze tijd?

Bij een rechtszaak moet het publiek geïnformeerd worden, maar betrokkenen moeten wel worden beschermd. Het evenwicht daarbij is cruciaal en kan beter, vindt Geert Lenssens.

Vorige week ontpopte zich tussen twee topadvocaten een bitse discussie over het geheim van het strafonderzoek en de ‘trial by media’. Joris Van Cauter fulmineerde tegen de escalatie van schijnprocessen in de media (DS 2 september), terwijl Walter Van Steenbrugge zich opwierp als een verdediger van het publieke debat in alle fases van een strafzaak (DS 3 september). Het debat zit natuurlijk in het kielzog van de zaak-Chovanec en de zaak-Reuzegom. Er is een wezenlijk verschil: waar het onderzoek in de eerste zaak nog loopt, is dit in de andere al achter de rug.

Het debat moet een stuk verder gaan. Wij moeten het geheim van het onderzoek als schijnbaar ongenaakbare pijler van het systeem in vraag durven te stellen. Want dat geheim is er niet altijd geweest, we moeten ons er niet krampachtig aan vastklampen. Integendeel, als men het rechtssysteem in onze contreien historisch bekijkt, dan valt de slingerbeweging op van totale geheimhouding tot grote openbaarheid en terug.

‘Contempt of court’

Er is een eeuwige queeste naar een balans tussen twee werelden: die van het geheim, dat als doel heeft het onderzoek zelf en de betrokkenen te beschermen, en die van het publiek, dat recht heeft om geïnformeerd te worden en om een mening te uiten.

Het grote gevaar van een extreme geheimhouding zoals we dat tussen de dertiende en de achttiende eeuw bij ons kenden (met als uitschieter de inquisitie), zijn de soms stuitende misbruiken. Vanaf de verlichting en tijdens en na de Franse revolutie kwam daarom de openbaarheid meer aan bod, waarbij Napoleon een gemengd systeem voorzag. Later kreeg het geheim van het onderzoek weer de overhand, tot de wet-Franchimont na de affaire-Dutroux in 1998 weer meer ruimte gaf aan het openbare element.

Vandaag hebben wij een gemengd systeem waar, mede onder invloed van Europa met de Salduz-wetgeving die bijstand van een advocaat garandeert, een reeks uitzonderingen gelden op het geheim karakter. Maar dat het onderzoek geheim is, blijft het principe, al komt het meer en meer onder druk te staan. De weduwe van Jozef Chovanec opende terecht de doos van Pandora, maar riskeert daarmee strafrechtelijk te worden vervolgd. De vraag rijst dan of de ratio van het geheim en de bijhorende duisternis anno 2020 nog zin heeft. Want hoe kun je de verdachte en zijn familie in het internettijdperk nog afschermen? Hoe kun je de typisch menselijke sensatiezucht nog de baas?

In het Verenigd Koninkrijk bestaat het geheim van het onderzoek niet, maar er is wel het misdrijf van ‘contempt of court’. Dat sanctioneert niet alleen beledigingen aan het adres van de rechter, maar ook invloed of druk op bijvoorbeeld rechters, advocaten of juryleden. Door die wet is het verboden om iets te publiceren waardoor de rechtsgang en het recht op een eerlijk proces op de helling komen te staan. Er wordt hierbij geen onderscheid gemaakt tussen onderzoek en behandeling. Het gevolg is dat de Britse media veel terughoudender zijn en alles wat te zeer gericht is op sensatie bannen tot na het proces. Als ik bekijk hoe veel media in België over grote zaken berichten, dan ben ik zeker dat het merendeel onder die regel strafbaar zou zijn. Het gevolg is dat de uitwassen van de trial by media bij de wortel worden uitgerukt. Ik ben voorstander van een afschaffing van het geheim karakter van het onderzoek en het invoeren van een nieuw misdrijf.

Obese dossiers

Nog fundamenteler kun je je afvragen of ook het hele concept van ons strafonderzoek met een onderzoeksrechter niet in vraag moet worden gesteld. De figuur van de onderzoeksrechter werd nota bene ingevoerd om de balans geheim versus openbaar meer in evenwicht te brengen. Een rechter is immers geen procureur en gaat in principe alleen op zoek naar de waarheid. Een vooronderzoek kan uiteraard noodzakelijk zijn en de tussenkomst van een rechter al zeker, maar het accent moet veel meer op de publieke zitting komen te liggen.

Het gerecht heeft een obsessie ontwikkeld voor papier. Obese dossiers zoals bij Lernout & Hauspie en de Bende van Nijvel, zaak waarin ik als advocaat optreed, zijn daar de zieke exponenten van. Zij bevatten zoveel bladzijden dat het menselijk haast niet meer mogelijk is om die te vatten, laat staan behoorlijk te beoordelen. Ons gerecht verspeelt onnoemelijk veel tijd en creëert een absurde diarree aan papier. Nochtans voorziet het ‘onmiddellijkheidsbeginsel’, als compensatie voor het geheim van het onderzoek, ook dat alles in een openbare zitting moet worden overgedaan. In de praktijk rest daar dus geen tijd meer voor. Dat het systeem dan traag en vierkant draait, is evident.

Een radicale herziening van het geheim van het onderzoek, in combinatie met een ommekeer in de verhouding tussen onderzoek en behandeling vormen de enige remedie tegen de uitwassen die wij nu zien en waar meer en meer mensen het terecht moeilijk mee hebben.

Bron » De Standaard | Geert Lenssens (advocaat)

‘Van een transparant toezicht op de politie en inlichtingendiensten is geen sprake meer’

‘Als ook onderzoeksjournalistiek strafbaar wordt gesteld, zijn de inlichtingen- en veiligheidsdiensten volkomen vogelvrij’, schrijft Walter De Smedt. ‘Om het even welke vorm van toezicht is maar zinvol als je er ook kan over rapporteren.’

De afgelopen kwarteeuw heeft het parlement meerdere onderzoeken gevoerd over de werking van de politie- en inlichtingendiensten. Van bij het eerste parlementair onderzoek, dat naar de Bende van Nijvel, was het reeds overduidelijk dat er een ernstig gebrek aan toezicht op die diensten was. Daarom besloot de wetgever tot oprichting van eigen permanente en onafhankelijk onderzoeksorganen met een eigen enquêtedienst: de Vaste Comités van Toezicht P ( Politie) en I ( Inlichtingendiensten). Maar die comités werden snel door de regering ingepakt: iedere minister, die van justitie en die van binnenlandse zaken, zorgde er voor dat hij een eigen mannetje in het comité verkreeg. Dat leidde tot ernstige meningsverschillen in de comités zowel over wat moest worden onderzocht als wat daarover kon en mocht gerapporteerd worden.

Er werden ook informele als formele maatregelen genomen om te beletten dat ernstige “disfuncties”, die door de comités werden vastgesteld, naar buiten zouden komen. Het eerste comité P werd om die reden zelfs naar huis gestuurd en vervangen. Het werd helemaal stil nadat Kamervoorzitter Herman De Croo de informele regel “For Your Eyes Only” invoerde. Aan de parlementairen, leden van de commissies die de comités moesten ‘begeleiden’, werd daardoor verboden de door hen met de comités besproken dysfuncties naar buiten te brengen : einde van de parlementaire ‘Freedom of Speech’. Een voorontwerp van wet van de regering van 3 mei wil nu nog verder gaan: Elke communicatie over veiligheidszaken, ook de maatschappelijk verantwoorde, wordt nu ook strafbaar gesteld. Indien dit voorontwerp wordt hernomen kan je de vaste comités beter afschaffen: want om het even welke vorm van toezicht is maar zinvol als je er ook kan over rapporteren. Als iedere communicatie, ook deze die het voorwerp uitmaakt van onderzoeksjournalistiek, strafbaar wordt gesteld zijn de inlichtingen- en veiligheidsdiensten volkomen vogelvrij.

Kantelmomenten

De pogingen van de regering om de rapportering van de vaste comités aan banden te leggen, geheim te houden wat zij hadden vastgesteld, waren legio. Maar er waren enkele kantelmomenten: dossiers waarin de vastgestelde ‘disfuncties’ dermate zwaarwichtig waren dat er erg verregaande maatregelen werden genomen die de onafhankelijkheid en de werkzaamheid van de vaste comités geheel ondermijnden.

In het parlementair onderzoek op het Dutrouxonderzoek was het de belangrijkste vraag of de door de Rijkswacht bedachte en uitgevoerde observatie van Dutroux, de operaties Othello en Décimes, al of niet parallelle en voor de onderzoeksrechter geheim gehouden onderzoeksdaden waren. Hoewel de betrokken Rijkswachters in het door het comité P gevoerde onderzoek bekenden dat het om een geheime operatie ging, en de informatie niet aan de onderzoeksrechter werd overgemaakt omdat het niet de gewoonte was het te doen maakte het comité om deze disfunctie te verbergen een geheel vervalst verslag: de Rijkswacht werd wit gewassen.

Het daarop volgend parlementair onderzoek besloot echter niet alleen dat het wél om parallelle en geheime operaties ging maar voegde er nog een heel wat zwaardere overweging aan toe:

‘Mochten de meisjes toen nog in leven zijn geweest, dan is het verdere verloop van de gebeurtenissen echt tragisch te noemen. De huissleutels worden immers pas op 6 januari 1996 teruggegeven aan de echtgenote van Dutroux, na herhaalde verzoeken van Dutroux en zijn advocaten (ook aan de hand van medische getuigschriften) aan de onderzoeksrechter, met de bede Michèle Martin in het huis te laten wonen. Als de kinderen in het huis aanwezig waren, betekent dit dat ze het één maand lang zonder verzorging en zonder voeding hebben moeten stellen (tekst verslag parlementaire onderzoekscommissie).’

Wat kon er tragischer zijn in de wijze waarop de Rijkswacht het parallel onderzoek had verborgen gehouden: dat de Rijkswacht, terwijl het huis waarin de kinderen waren opgesloten, en wetende dat zij er zaten, in observatie hield ook belette dat de kinderen eten en drinken kregen? Werden de kinderen misbruikt als lokaas om de daders van het door de Rijkswacht beweerde netwerk op heterdaad te kunnen vatten? Maakte het Vast Comité P daarom een vervalst verslag en werden de vele aanwijzingen die deze piste aannemelijk maken daarom door de onderzoekscommissie niet verder onderzocht?

Politieke Politie

Ook het Vast Comité I dat de inlichtingendiensten controleert, kende een soortgelijk kantelmoment: het onderzoek de Bonvoisin. In dit dossier ontdekte het comité I het bestaan binnen de Staatsveiligheid van een afgezonderde cel die enkel aan het hoofd van de dienst rapporteerde over de door die dienst opgestelde dossiers over politiek belangrijke personen. Dat onderzoek was erg belangrijk, omdat de Bonvoisin verdacht werd de geldschieter te zijn van de extreemrechtse organisaties die in het Bendeonderzoek de voornaamste piste uitmaakten. Daar werd vastgesteld dat de door die dienst opgestelde nota’s veronderstellingen inhielden die in samenspraak met het toenmalig kabinet van justitie in zekerheden werden omgezet om het politieke succes van de betrokken baron de Bonvoisin, bijgenaamd de zwarte baron, te breken, wat ook lukte.

Om verder onderzoek te beletten werd ook hier de toenmalige samenstelling van het comité gewijzigd. Twee van de drie leden werden vervangen. Uit een brief die de enquêteur die het onderzoek uitvoerde kort voor zijn dood schreef bleek dat het nieuw samengesteld comité het verder onderzoek belette: het vierhonderd pagina’s tellende rapport dat hij aan het vorige comité had gemaakt werd door het nieuwe comité slechts deels overgenomen. Omdat de enquêteur hier niet mee akkoord kon gaan en hij aandrong om zijn onderzoek verder te zetten, werd hij ontslagen.

Maatregelen

Er werden ook formele maatregelen genomen om de slagkracht van de diensten te verhogen, en tegelijk het toezicht daarop te beperken. Vooreerst werd het verschil tussen de bestuurlijke en de gerechtelijke finaliteit weggewerkt. In het gerechtelijk onderzoek werden nu ook de methoden van de inlichtingendiensten toegelaten, namelijk werken met informateurs, observatie en infiltratie. Inlichtingenagenten mochten nu ook meewerken aan gerechtelijke onderzoeken. Alle diensten zowel de politie- als de inlichtingendiensten werken nu, in de strijd tegen het terrorisme, met dezelfde afgeschermde ‘bijzondere methoden’ op hetzelfde terrein, dat van de bedreiging door een nog niet bestaand misdrijf.

Hoe het toezicht door de onderzoeksrechter op die operaties door de politiediensten gebeurt, is door het Dutrouxonderzoek duidelijk aangegeven: de verzelfstandigde politieoperaties worden buiten het gerechtelijk dossier gehouden. Voor dezelfde operaties door de inlichtingendiensten werd ieder rechterlijk toezicht vermeden door de oprichting van een bestuurlijke commissie die beslist over de schending van grondwettelijk beschermde rechten als de vrijheid van persoon en woonst. Het toezicht daarop gebeurt enkel door het vast comité I zodat, wegens de afgeschermde werkwijze, enige rapportering daarover onmogelijk is: er komt geen enkele rechter bij te pas.

Toezicht

Het aanvankelijk opzet om in een permanent en onafhankelijk parlementair toezicht op de politie- en inlichtingendiensten te voorzien, is geheel verdwenen: je hoort er ook nauwelijks nog wat over. Het voorliggende voorontwerp wil nu ook het enig overblijvende toezicht, dat door de onderzoeksjournalistiek, onmogelijk maken door de strafbaarheid van iedere rapportering.

Daardoor komen wij opnieuw in de toestand zoals die ten tijde van de koude oorlog bestond: volkomen geheimhouding voor de door de inlichtingendiensten maar nu ook door de politiediensten gevoerde operaties. Daardoor worden ook de herhaalde vaststellingen van meerdere parlementaire onderzoekscommissies voor ongezien gehouden, en wordt zowel het rechterlijk als het parlementair toezicht op de werking van die diensten volkomen onmogelijk gemaakt. Daardoor wordt het ook voor de burger onmogelijk om langs de onderzoeksjounalistiek enig inzicht te verkrijgen in wat de diensten doen. De belofte na de witte marsen dat het allemaal transparanter zou worden is daardoor helemaal onderuit gehaald: van een werkelijk en daadwerkelijk permanent toezicht is er dan geen sprake meer.

Bron » Knack | Walter De Smedt