Het nooit gestopte complot van de stilte

Het nieuwe boek van Hilde Geens, Het complot van de stilte, doet recht aan gewezen rijkswachtkolonel Herman Vernaillen en eerste wachtmeester François Raes en bevestigt dat de zaak-François de moeder van alle disfuncties is. Het geeft een goed beeld van wat er in de onderzoeken naar gewezen rijkswachtcommandant Léon François en de moorden van de Bende van Nijvel verkeerd liep. Het complot van de stilte in beide dossiers is nooit gestopt.

De zaak-François gaat over de manier waarop in de jaren van lood, ook in België, op aangeven en in samenwerking met de Amerikaanse Drug Enforcement Administration (DEA) de strijd tegen de wereldwijde drugshandel werd aangepakt. De DEA was een geheime dienst die door undercoverpraktijken met informanten en infiltratie in het crimineel milieu wou doordringen tot de organisatoren van de drugshandel. Daarvoor hadden zij de hulp nodig van de Belgische politie en justitie.

De toenmalige justitieminister Alfons Vranckx richtte het Bureau voor Criminele Informatie voor op. De rijkswacht deed hetzelfde met de oprichting van het Nationaal Bureau voor Drugs waarvan commandant Léon François de chef was. Door de infiltratie in het milieu liep het volkomen mis. De Belgische undercoveragenten van beide diensten raakten volkomen betrokken in de drugshandel en andere misdrijven en werden zelf criminelen.
De toenmalige rijkswachtmajoor Herman Vernaillen beet zich vast in het onderzoek maar kreeg zowel in het eigen korps als daarbuiten meer dan tegenwerking. Hij werd in zijn woonst door de verlopen rijkswachters Robert Beijer en Madani Bouhouche  beschoten waarbij hijzelf verwond werd en zijn echtgenote blijvende invaliditeit opliep. Eerste wachtmeester François Raes werkte met dezelfde verbetenheid maar werd er door de hiërarchie op de meest brutale wijze voor gepest en gestraft.

Hilde Geens heeft het allemaal doorzocht en op een rijtje gezet. Haar gedegen onderzoeksjournalistiek leidt tot het besluit dat de zaak-François de aanloop was tot de feiten gepleegd door de Bende van Nijvel en dat de betrokkenheid van diverse rijkswachters in beide dossiers niet ontkend kan worden.

Manipulaties bij onderzoek

Terecht draagt het boek de titel Het complot van de stilte. Twee parlementaire onderzoeken en het nog steeds lopende gerechtelijke onderzoek naar beide dossiers zijn er niet in geslaagd de waarheid boven te spitten. Dat komt omdat zowel bij de rijkswacht als de gerechtelijke politie maar ook in de magistratuur het stilzwijgen werd bewaard over heel wat feiten en pistes en er van alle kanten werd gemanipuleerd om de onderzoeken de verkeerde weg op te sturen. Het hele verhaal kan herleid worden tot enkele vaststaande elementen. Er is vooreerst het feit dat met de wereldwijde drugshandel ontzettend veel geld werd en wordt verdiend en dat het aangewend wordt niet enkel voor persoonlijk gewin maar ook voor politieke doeleinden.

Daarin zit de meest plausibele piste dat extreemrechts erbij betrokken was en het paste in de toenmalige extreem liberale en anticommunistische opvatting zoals die vanuit Amerika aan Europa werd opgedrongen. Het geheel toont hoe het misloopt wanneer de rechtsstaat wordt miskend, parallelle organisaties van of naast de gerechtelijke diensten en de reguliere politiediensten op afgeschermde wijze en met gebruik van bijzondere methoden hun gang mogen gaan.

Het is de vraag of het na de feiten en de onderzoeken anders is geworden. Meerdere elementen kunnen die vraag beantwoorden. De mislukking van het Nationaal Bureau voor Drugs heeft de rijkswacht niet verhinderd gewoon verder te gaan met dezelfde praktijken. Er werd een nieuwe geheime en parallelle dienst opgericht, de Gerechtelijke Informatie Dienst. Een gerechtelijk onderzoek in het witwasdossier rond de Antwerp Tower legde alle disfuncties bloot: opvoering fictieve rijkswachters, achterhouden van informatie, ontwijking van bestaande onderzoeken en vervalsing van processen-verbaal.

Ook de wereldwijde strijd tegen de drugshandel werd opnieuw aangewend om ontoelaatbare operaties mogelijk te maken. Door de operatie-Rebel werden alle in ons land verblijvende Turken gescreend, zogezegd om de kopstukken van de drugshandel te kunnen vatten. Uit het onderzoek van een geheim samenwerkingsakkoord tussen de Turkse politie en de toenmalige rijkswachtgeneraal Willy De Ridder bleek wat het werkelijk opzet was.

Verdwenen in kelders

De politiechef met wie samengewerkt werd, bleek ook de baas van de drugsorganisatie van de Grijze Wolven te zijn. Daarover werd een Turks parlementair onderzoek gevoerd dat aantoonde dat die organisatie ook verantwoordelijk was voor aanslagen, ontvoeringen en terreur. In het verslag daarover is te lezen dat de werking van het parlementair onderzoek werd belet. Anderzijds voerde de rijkswacht gedurende jaren opeenvolgende operaties uit tegen de in ons land verblijvende leden van de linkse Koerdische organisatie PKK. Geen enkele van die grote operaties leidde voor de rechtbank tot veroordeling wegens het beweerde terrorisme.

Zoals dat ook in de zaak-François en het onderzoek naar de Bende gebeurde, werden ook rond Antwerp Tower en in de Turkse dossiers maatregelen genomen om de stilte te bewaren. Hoewel alle misdrijven werden bewezen, verdween het dossier rond Antwerp Tower in de kelders van het justitiepaleis. Rapportering in de Turkse dossiers door het Vast Comité P werd vermeden door het verslag uit te stellen tot een nieuwe voorzitter en een nieuwe chef-enquêtes konden worden benoemd.

Het parlementair onderzoek naar Marc Dutroux had de waarheid kunnen bovenhalen. Want ook daarin ging het om de geheime en voor de magistratuur afgeschermde rijkswachtoperaties Décimes en Othello. En alweer werden dezelfde technieken toegepast om de stilte te bewaren. Door twee leden van het Vast comité P werd een zelfs binnen dat comité afgeschermd onderzoek gevoerd. In dat onderzoek bekenden de rijkswachters dat zij de operatie-Othello niet ter kennis hadden gebracht van de onderzoeksrechter “omdat het niet de gewoonte was”.

In het verslag aan het parlement werden deze bekentenissen verzwegen en werd de rijkswacht volkomen witgewassen. De onderzoekscommissie bevestigde dat de operaties geheime en parallelle acties van de rijkswacht waren en de onderzoeksrechter er buiten gehouden werd. De onderzoekscommissie ontdekte ook waarom dat gebeurde. Het was de strategie en de onderzoekspiste van de rijkswacht dat er achter Dutroux een netwerk bestond.

Kinderen als lokaas

De staf wou dit netwerk oprollen en hield daarom tijdens de opsluiting van Dutroux zijn huizen onder bewaking. Aan de vrouw van Dutroux, Michèle Martin, werd verboden het huis te betreden. Uit meerdere en samenlopende elementen uit het onderzoek bleek dat de kinderen in het huis opgesloten zaten terwijl de rijkswacht het huis onder observatie hield. Werden de kinderen als lokaas misbruikt om het beweerde netwerk te kunnen oprollen?

De parlementaire onderzoekscommissie gaf volgend antwoord: “Mochten de meisjes toen nog in leven zijn geweest, dan is het verdere verloop van de gebeurtenissen echt tragisch te noemen. De huissleutels werden immers pas op 6 januari 1996 teruggegeven aan de echtgenote van Dutroux, na herhaalde verzoeken van Dutroux en zijn advocaten aan de onderzoeksrechter, met de bede Michèle Martin in het huis te laten wonen. Als de kinderen in het huis aanwezig waren, betekent dit dat ze het één maand lang zonder verzorging en zonder voeding hebben moeten stellen.” Hoewel de commissie het “echt tragisch” noemde, werd geen verder onderzoek verricht. De commissie sloot haar werkzaamheden zonder sluitend antwoord.

Zoals dat in de zaak-François en de Bende het geval was, komt ook hier de vraag naar voor door welke “duistere macht”, zoals het eerste Bendeverslag het noemde, de stilte kon worden bewaard. Duister is die macht evenwel niet. Door de demilitarisering van de rijkswacht kwam dat korps onder het versterkt gezag van Binnenlandse Zaken te staan. Van daaruit werd gewerkt om de rijkswacht tot het sterkste korps te maken dat andere politiediensten als de zeevaart en de luchtvaartpolitie opslorpte.

Toen de commissie-Franchimont, die de knelpunten in het gerechtelijke optreden moest wegwerken,  de versterking van de opdrachten van de procureur en de onderzoeksrechter bekwam, werd door Binnenlandse Zaken een tegenzet gedaan. In de wet op het politieambt werd de politieoperatie verzelfstandigd en enkel onder het bevel van de politiemeerdere geplaatst. Op een studiedag stelde rijkswachtgeneraal De Ridder openlijk waar het om ging. “De procureur is niet bij machte om de leiding van de opsporing op zich te nemen: hij is daar niet geschikt voor. Hij kan alleen maar toezicht uitoefenen op de volledigheid en de degelijkheid van de opsporingen.” In deze duidelijke miskenning van de grondwettelijke opdrachten van de magistratuur en het voorstel tot radicale ingrepen handelde de korpsoverste niet enkel uit eigen overtuiging maar tevens onder de verantwoordelijkheid van zijn voogdijminister.

Geest van Vande Lanotte

De verantwoordelijkheid voor die radicale maatregelen van de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, Johan Vande Lanotte (Vooruit), kan niet worden ontzien. Het is onder en door zijn beleid dat de rijkswacht verder kon gaan met het uitvoeren van geheime en parallelle operaties die tot de grootste disfuncties hebben geleid. Waarom hij het deed, heeft Vande Lanotte intussen bekend. Zijn boek draagt de toepasselijke titel “Machtspoliticus pur sang”.

Nadat de Keizer van Oostende zijn politieke macht verloren had, werd hij advocaat in het kantoor dat de belangen van de slachtoffers van de Bende vertegenwoordigt. Omdat dat kantoor inzage had in een groot deel van het dossier en het de evolutie van het nog steeds lopende onderzoek op de voet volgt, lijkt de aanwezigheid van Vande Lanotte veel op een bewaker van de stilte. Om zijn verantwoordelijkheid voor de ontsporingen van de rijkswacht in de Turkse operaties te keren heeft Vande Lanotte nu zelfs een tribunaal opgericht dat de schending van de mensenrechten door Turkije aanklaagt. Ook in de huidige werking van de parketten is de geest van Vande Lanotte niet weg te denken. Het is op zijn initiatief dat de justitieminister het monopolie van het strafrechtelijke beleid verkreeg waardoor alleen hij beslist over de richtlijnen die door de parketten verplicht moeten worden opgevolgd.

Of het een complot moet genoemd worden, is bijzaak. De hoge parketmagistratuur was niet in staat de eigen onafhankelijkheid veilig te stellen. Uit een ander parlementair onderzoek, dat naar Kazachgate, bleek dat twee procureurs-generaal gewillig meewerkten om een van megafraude betichte oligarch uit de wind te zetten. Ook daarover werd in de verslaggeving  de stilte bewaard. Mag het gezegd dat deze stilte oorverdovend is geworden? Is ons land dan nog een rechtsstaat of is het zoals de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie beweerde een “schurkenstaat” geworden? Wanneer wordt de stilte opgeheven?

Bron » Apache | Walter De Smedt

Walter De Smedt is gewezen raadslid van Comité I en Comité P. Hij bracht in juni 2020 het boek ‘Het land van de onbestrafte misdaden. Waarom faalt justitie?’ uit bij uitgeverij Kritak.

25 jaar na de Witte Mars: ‘Als we toen hadden opgeroepen tot revolutie, was dat gebeurd’

Een kwarteeuw geleden, op 20 oktober 1996, liepen 300.000 mensen door de Brusselse straten in de Witte Mars na de zaak-Dutroux. Drie deelnemers kijken terug op een van de indrukwekkendste manifestaties die ons land gekend heeft.

Dennis Barbion (52): “Ik word er opnieuw emotioneel van”

“Is het al 25 jaar geleden? Dat is bizar om vast te stellen, het staat nog vers in mijn geheugen gegrift. Ik was toen een jonge knaap, een twintiger. Ik word opnieuw emotioneel als ik eraan denk. Ik zat bij mijn ouders en zag de beelden van twee meisjes die gered werden uit het huis van Dutroux op tv. Dat had een enorme impact op mij. Er was daarvoor al een algemeen gevoel van ongerustheid: enkele kinderen waren vermist en dat maakte indruk, omdat ik dat echt ongezien vond voor België. Ik dacht: hoe is dat in godsnaam mogelijk? Ik vond het mijn plicht om deel te nemen aan de mars.

“Ik wilde mijn steun betuigen aan de ouders van vermiste en vermoorde kinderen, een teken geven van ‘ik denk aan jullie’. Maar ik deed ook mee om een signaal te sturen naar beleidsmakers, het gerecht en politici, want er moest echt iets wezenlijks veranderen. Het rammelde toen echt langs alle kanten.

“Ik weet dat er enorm veel volk aanwezig was en dat we stapsgewijs door Brussel liepen. Het was heel heftig en hartverwarmend om al die mensen te zien. Ook al was ik op dat moment maar één druppel in de oceaan, ik wilde iets mee veranderen. En dat is dan ook wel gelukt. De Witte Mars was noodzakelijk om effectief tot veranderingen te komen, zoals de oprichting van Child Focus daarna. Al vind ik het enorm droevig om te beseffen dat er eerst kinderen moesten sterven voordat er iets veranderde.”

Paul Marchal (68): “We wilden de kinderen eren”

“Als vader van een van de slachtoffers van Dutroux heb ik de Witte Mars als een enorme kracht en uiting van solidariteit ervaren, van alle burgers. De Witte Mars is gegroeid uit een aantal ouders van verdwenen, vermoorde of teruggevonden kinderen. We wilden geen protestmars organiseren, we wilden de kinderen eren en aandacht vragen voor kindslachtoffers, en voor de problematiek die er toen was: de overheid luisterde onvoldoende naar ons.

“Vijf families organiseerden de mars, onder wie de ouders van Julie en Melissa en de ouders van Loubna Benaïssa. Alles ging toen vrij snel: we hadden blijkbaar alle burgers mee. Door de mars is er ook wat veranderd, en ook dat ging ineens heel snel. We werden uitgenodigd door toenmalig premier Jean-Luc Dehaene, aan wie we onze grieven mochten vertellen. Het was een goed gesprek, maar wij wilden natuurlijk meer. We wilden dingen op papier. Een van de belangrijkste dingen die we op papier hebben laten zetten is dat er in ons land een plek zou komen waar ouders van verdwenen kinderen terecht konden. Wij hadden de ervaring dat we in de kou bleven staan en dat wilden we voor andere ouders niet.

“We wilden ook dat verdwijningen serieuzer werden genomen. Soms lieten speurders zelfs dagen en weken voorbijgaan. Dat was de aanleiding voor onze eisen: we wilden een organisatie en een structuur waar ze onmiddellijk naar ouders van verdwenen kinderen zouden luisteren. Dat is ook gelukt, en dat was een grote verandering.

“Als we hadden opgeroepen tot een revolutie zou dat zelfs gebeurd zijn, denk ik. Niet dat ik dat wou, we wilden een geweldloze mars en daartoe hadden we ook opgeroepen. Het woordje ‘solidariteit’ heeft op die mars voor mij alleszins inhoud gekregen.”

Magda De Bruyne: “Ook mijn zus werd ontvoerd en vermoord”

“Mijn zus is in 1961 op negenjarige leeftijd ontvoerd en vermoord in Kortrijk. Ze was 33 dagen vermist. Ik werd pas later geboren en kreeg dezelfde naam als haar, en was een soort van vervangdochter geworden. Mijn ouders waren altijd bang om mij ook te verliezen. Heel mijn leven stond in het teken van wat er gebeurd was. Voor mijn ouders was het een enorme klap, het tekende ook hun leven.

“In die tijd was zoiets heel uitzonderlijk. Toen al die verhalen over Dutroux uitkwamen leefde iedereen, maar wij vooral, ook mee. Ik weet nog dat mijn moeder in de periode-Dutroux ziek werd van de verhalen en weer nachtmerries kreeg omdat ze zich in de onrust van de families herkende. Ze beleefde alles opnieuw. Die onzekerheid, het blijven zoeken naar een kind, dat deed iets met onze familie.

“Ik ging die dag alleen naar de Witte Mars en wist niet goed wat ik kon verwachten, maar ik ben heel blij dat ik er toen bij was. Er was die grote massa waarin we allemaal meeliepen, die menigte op de trein. Ja, dat was allemaal heel aandoenlijk. Ik was er vooral omdat ook ik de angst van de getroffen families voelde. Ik herkende het verdriet daar, verdriet dat ouders en gezinnen van verdwenen kinderen altijd zullen meedragen.

“Ik vind dat de straffen voor daders strenger moeten. Op dat vlak vind ik dat justitie nog kan verbeteren, ook al zijn er ondertussen al wat dingen gebeurd. Maar ik kan niet begrijpen dat bijvoorbeeld de vrouw van Dutroux nu gewoon vrij is. Ik zag haar liever nog wat langer in de gevangenis zitten. Mensen die kinderen hebben laten uithongeren en sterven en die dan weer vrij rondlopen, dat is gewoon iets dat voor mij niet kan. Dat gaat er bij mij echt niet in.”

Bron » De Morgen

De zaak-Dutroux maakte de rechter sterker

Op 13 augustus 1996, vandaag 25 jaar geleden, is Marc Dutroux gearresteerd. De zaak-Dutroux markeerde het einde van een tijdvak en woog op wat in de plaats gekomen is. Luc Huyse maakt de balans.

Klachten over de werking van het recht en de rechtbanken zijn van alle tijden. Maar de intensiteit waarmee ze komen varieert in een ritme dat aan ebbe en vloed doet denken. Van de vroege jaren 70 tot de late jaren 90 was het ononderbroken hoog water. En altijd keken de politici de andere kant op. Wie de regeringsverklaringen van die periode leest, zal tevergeefs zoeken naar enige aandacht.

De politieke agenda heeft zowat alles wat met justitie te maken had gewoon genegeerd. Ook budgettair was het een ramp. Jaar na jaar kromp het aandeel van het departement in de begroting. Het absolute dieptepunt kwam in het midden van de jaren 80. Van elke 1.000 Belgische frank overheidsgeld gingen er 10 naar justitie en daarvan de helft naar de rechtspleging. Dat was geen verwaarlozing meer, maar plompe vernedering van de derde macht.

Minachting sprak ook uit de bemoeizucht van de politieke partijen bij de benoeming en promotie van rechters. Vanaf de jaren 70 was dat niet langer het werk van individueel dienstbetoon, maar van gulzige partijapparaten. Macht was zo zeer ongelijk verdeeld. Daar zorgde de opgedrongen vermageringskuur al voor. En de klemgreep op de loopbaan van magistraten verlengde tot ver in de toekomst de controle op de beroepsgroep. Neen, rechters zijn toen nooit wereldvreemd genoemd.

De top van de magistratuur heeft zich jarenlang bij deze scheve machtsverhoudingen neergelegd. Dat was het gevolg van een eigenzinnige interpretatie van de scheiding der machten. Het was al vroeg te zien in de reacties op Het beleid van de rechter, een boek uit 1973 van Walter Van Gerven, de Leuvense rechtsgeleerde en latere advocaat-generaal bij het Europese Hof van Justitie. De rechter, schreef hij, kiest ‘tussen verschillende, juridisch-technisch even goed verdedigbare oplossingen’ en hij neemt die beslissing op ‘grond van economische, sociologische, filosofische opties, hoe onvolmaakt hij zich daar ook van bewust is’.

In sommige gevallen, vond Van Gerven, kan het zelfs aangewezen zijn dat een rechter uitdrukkelijk de grenzen van de rechtsregel verlegt: ‘Dat betekent in feite dat de rechter, naar mijn smaak, een beleid mag voeren door een waarde, die mogelijk een minderheidswaarde is, boven een andere waarde te verkiezen.’ Rechterlijk activisme avant-la-lettre? Ik was erbij toen Van Gerven zijn visie presenteerde aan een gezelschap van hoge magistraten. Daar bleek hoezeer zij zijn argumentatie als onbespreekbaar beschouwden. Zij ging in hun ogen brutaal in tegen wat nog enkele decennia als een onwrikbaar dogma zou gelden: de rechtsregel is eenvormig en hard en daarom staat een rechter altijd boven het gewoel en zwijgt.

Spaghetti-arrest

Op de arrestatie van Marc Dutroux volgden twee maanden van traumatische gebeurtenissen. De toenmalige regering-Dehaene (1995-1999) probeerde de politieke agenda om te gooien, maar miste kracht, tempo en tijd. Het is de ontsnapping van Dutroux op 23 april 1998 die de politieke klasse uiteindelijk in overdrive zou zetten. De gevolgen daarvan zouden de machtsdeling tussen regering, parlement en magistratuur grondig wijzigen. En alle drie kregen zij te maken met burgers die van het beroep op de rechter een politiek wapen hebben gemaakt.

De zaak-Dutroux maakte de rechterlijke macht sterker. Haar feitelijke degradatie door de fel beperkte budgetten en het slot op de politieke agenda nam, nu justitie alle aandacht trok, aanzienlijk af. Er was voortaan ook constructief overleg tussen het departement en de magistratuur. En bij de benoeming en promotie van rechters is, na meer dan een eeuw, de bemoeiziekte van de politieke partijen grotendeels aan banden gelegd.

Ook binnen het rechterlijk korps zijn de machtsverhoudingen gewijzigd. Persrechters, door de regering-Dehaene ingevoerd, hebben de zwijgcultuur doorbroken. Een nieuwe generatie magistraten erkent nu dat, in de geest van Het beleid van de rechter, recht spreken onvermijdelijk een politieke dimensie heeft. Sommigen onder hen volgen Van Gerven zelfs in de stelling dat grondige herinterpretatie van de wet gerechtvaardigd kan zijn. Het Spaghetti-arrest in het Dutroux-onderzoek heeft in die twee ontwikkelingen een rol gespeeld.

Deze uitspraak van het Hof van Cassatie heeft op 14 oktober 1996 onderzoeksrechter Jean-Marc Connerotte, massaal door het publiek gesteund, na een juridische minizonde tot ontslag gedwongen. De manier waarop procureur-generaal Eliane Liekendael van het Hof de beslissing verdedigde, was een achterwaartse stap te ver. ‘Als ik het gevoel moet volgen’, zei ze toen in Het Nieuwsblad, ‘dan laat ik Connerotte voortspeuren. Maar al wie de deur binnenstapt moet zijn gevoel achterwege laten. Dat is eigen aan de rechtsstaat. Mijn enige taak is de rechtsregels toe te passen.’ Zo had ik het al in 1973 gehoord.

Plaatsvervangend wetgever

De hervormingen hebben ook vrij snel de positie van de burgers in de rechtspleging versterkt. Het slachtoffer kreeg een volwaardiger plaats in de gerechtelijke procedure. Aan laagdrempelige loketten in zogeheten justitiehuizen is informatie over rechtbankzaken aangeboden. Wat later is, dankzij goedkope rechtshulp, de gang naar het gerechtsgebouw vergemakkelijkt. Dat alles versnelde een evolutie die al enige jaren aan de gang was. De bevolking had zich al eerder als een derde speler tussen rechters en politici genesteld. Geregeld vroeg zij de magistratuur, via de Raad van State bijvoorbeeld, om in haar naam overheidsbeslissingen aan te vechten. Ook beroep op Europese rechtsinstanties was al ingeburgerd.

De weg naar de rechter als verzet tegen betwist overheidsbeleid is vandaag zo goed als ingeburgerd. Die route laat toe om, zoals in de nu lopende Klimaatzaak, een abstracte en ongrijpbare macht via de rechter om te zetten in een concrete, mobiliseerbare persoon. Het is ook een alternatief voor de maskerade rond onbevattelijke verantwoordelijkheden in de politiek (de open paraplu’s!). Daar hebben de Antwerpse actiegroepen, stRaten-generaal en Ademloos, in het Oosterweeldossier van gebruikgemaakt. Een dreiging met de inzet van de Raad van State was al genoeg om wat klaarheid te scheppen. (De Vlaamse regering poogt momenteel om voor burgers de weg naar rechtsinstanties een stevig stuk smaller te maken. Dat is nodig, zegt ze, om het bestuur krachtdadiger te laten werken. Maar wat de politici aan slagkracht denken te winnen, verliezen ze gegarandeerd aan legitimiteit.)

De politiek komt ook via de politici zelf de gerechtshoven binnen. Meer en meer slagen parlement en regering er niet in om binnen een redelijke termijn wetgevend werk te voltooien. Het gevolg is dat de rechter als het ware uitgenodigd wordt om, via het vellen van vonnissen en arresten, een algemene gedragslijn uit te zetten. Dat is wat in de late jaren 80 is gebeurd rond de wijziging van de abortuswetgeving. Die terugtred promoveert de magistratuur de facto tot plaatsvervangend wetgever. Een tweede vorm van, zij het ongewilde, uitbesteding volgt uit de overvloedige aanvoer van kreupele en onafgewerkte wetten en decreten. Hoe mistiger een rechtsregel, hoe vaker rechterlijke interpretatie mogelijk en nodig is. Dat was het probleem met het Octopusakkoord, de blauwdruk van het grondig gewijzigd politie- en justitielandschap. In nauwelijks vijf weken na de ontsnapping van Dutroux lag het er. Kort nadien is strijd om de juiste lezing ervan begonnen.

Langs meerdere wegen dringt de politiek de rechtspraak binnen. Voor één ervan zorgen burgers. Twee hebben de politici zelf aangelegd. Rechters spreken recht, met onvermijdelijk politieke gevolgen. Zo is, mede beïnvloed door de zaak-Dutroux, rond het beginsel van de scheiding der machten een wel heel complexe toestand ontstaan. Spelregels en afspraken zijn in beweging. Territoriumtwisten verharden. De uitkomst is onzeker.

Bron » De Standaard | Luc Huyse

25 jaar Cel Vermiste Personen: “Daar stonden we dan, samen te blèten”

Toen Julie, Melissa, An en Eefje van de radar verdwenen en ons land op zijn kop stond, kwam er een niet te weigeren missie: in allerijl een Cel Vermiste Personen oprichten. Founding fathers Alain Remue (60) en Guido Van Rillaer (65) stonden een kwarteeuw lang samen langs elke waterloop en doorploegden elk bos. Beiden gezegend met één cruciale eigenschap om vermiste kinderen of demente bejaarden tijdig terug te vinden: fingerspitzengefühl. “88 procent van onze dossiers loopt goed af.”

Twee letters van een nummerplaat: een F en een R. Meer had Guido Van Rillaer niet nodig om seriemoordenaar Marc Dutroux te ontmaskeren. We schrijven 1996 en het land staat al een jaar in rep en roer na een tweedubbele ontvoering. Verontrustende verdwijningen die in het collectieve geheugen zitten, alleen al door hun voornamen.

“Eerst verdwenen Julie en Melissa, niet veel later An en Eefje”, vertelt hij. “We stonden onder grote druk en het onderzoek liep voor geen meter. We hadden aangedrongen op een buurtonderzoek rond het zwemdok van Bertrix, waar iemand een verdachte camionette had gezien.” Collega-speurder Albert Priem had een getuige gesproken die op dat ogenblik in een gracht stond te plassen, hij kon slechts twee letters van de nummerplaat van de Renault-camionette doorgeven. Twee, geen drie, dus eigenlijk konden ze wettelijk weinig doen.

“We hebben geen drie letters dus ze gooien die info hier in de vuilnisbak, maar ik geef het toch maar mee, Guido, zei hij. Gezond boerenverstand leert me dat het alfabet 26 letters telt, dus ging ik aan de slag met het computersysteem en deduceerde na een uurtje speurwerk 77 nummerplaten. Daar stond ene Marc Dutroux tussen, ooit al geschaduwd in een ander onderzoek, Operatie Othello. Het kostte hemel en aarde om de collega’s in Neufchâteau tot enige actie aan te manen, maar we zaten juist.”

Van Rillaer vertelt het zonder een spat gepoch. Hij is, wanneer u dit leest, “met tegenzin” toe aan zijn eerste pensioendag na 43 dienstjaren. Een vintage speurder is hij. Een flik met stropdas die de schijnwerpers mijdt en zijn daden laat spreken.

Gedijen deed de rijkswachter het best in de schaduw van Alain Remue, de voorbije 25 jaar zijn baas en net op zijn best in de schijnwerpers. Altijd vriendelijk voor mensen achter het politielint, kordaat als er aasgieren opduiken. “Ik ben vaak het uithangbord van de hele cinema geweest”, zegt Remue daarover, “maar heb vooral 25 jaar het voorrecht gehad om met topflikken als Guido te werken. Guido was de eerste die Dutroux linkte aan de verdwenen meisjes, dat feit alleen al kan nooit onderschat worden. Alleen al over dat staaltje speurwerk zou je films en documentaires kunnen maken. Hoe vaak heeft hij niet meegeschreven aan scenario’s voor Vermist, Witse of Heterdaad? Nooit ging het over Guido’s verdiensten zelf. Of wie stond er als eerste in de gruwelkelders van de Hongaars-Belgische seriemoordenaar Andras Pandy, denk je? Guido.”

Hoe zijn ze bij jullie terechtgekomen om de Cel Vermiste Personen op te richten?

Van Rillaer: “Ik leidde destijds de sectie zeden en geweld op het Centraal Bureau Opsporingen. Wij deden alles: moord, ontvoeringen, gijzeling, verkrachtingen, noem maar op. Toen, in de zomer van ’95, waren er vier meisjes verdwenen en stond Justitie onder grote druk om een speciale cel op te richten. Ik kreeg telefoon van majoor Danny Decraene. Ik kreeg één uur om te beslissen, hapte toe en nam nog drie goede collega’s mee. De eerste weken van de Cel waren gekkenwerk. Vergelijk het met iemand die een winkel opendoet, nog volop zit te vloeren terwijl de eerste klanten al in de winkel staan. En het ergst van al: we kregen als baas een ‘onderrichter’, een soort strenge onderwijzer van de rijkswachtschool, een zekere Remue. Dat was niet het type op wie rijkswachters als ik zaten te wachten.” (lacht)

Remue: “We hadden elkaar nog nooit gezien of gesproken. Maar het marcheerde meteen. We hadden ook geen tijd om te zeuren en werden onmiddellijk meegesleurd in de zaak-Dutroux, naast lopende zaken als de verdwijningen van Nathalie Geijsbregts en Elisabeth Brichet. Het waren zotte tijden eigenlijk.”

In plaats van lof kwam er in die woelige periode, midden jaren 90, een stortvloed aan kritiek. De eerste pagina uit 25 jaar Cel Vermiste Personen werd meteen de donkerste.

Remue: “Ik ben een zeer positief ingestelde mens, maar het is de enige periode in mijn leven waar ik met bitterheid naar terugkijk. Eigenlijk was er niets logisch aan die hele periode. Wij, net in het leven geroepen om jacht te maken op vermiste kinderen, werden met alle zonden van Israël beladen. We kwamen in een politieke mallemolen terecht, waar we geen enkele vat op hadden. Er moesten koppen rollen en wij waren een makkelijke schietschijf. Genre: wij bij de rijkswacht wisten van de ontvoeringen, hielden alles achter en wilden nog meer kindjes laten ontvoeren om dan, veel later, tot meerdere eer en glorie van de rijkswacht de zaak op te lossen. Verzin het en het gebeurde. Tijdens de Dutroux-commissie werden wij behandeld als criminelen. Gelukkig zijn wij voor 200 procent over de hele lijn vrijgepleit. (fel) Het was gebakken lucht, er was nul komma nul achtergehouden.”

Liam Vanden Branden (2) verdwijnt op 3 mei 1996 in de buurt van Mechelen. Wat er met hem gebeurd is, is tot op vandaag niet duidelijk.

Van Rillaer: “Wij werden uitgescholden. Op school gaf men lessen over hoe slecht de rijkswacht wel was. Het was ongelooflijk hoe wij compleet ten onrechte werden aanpakt, terwijl wij net Dutroux hadden gepakt. De rijkswachters, zo ontstond de perceptie, dat waren de slechteriken. René Michaux, de befaamde rijkswachter die in het huis van Dutroux stond maar de meisjes niet vond, is aan de schandpaal genageld. De man is later vrijgepleit, maar heeft zich letterlijk dood gedronken, in totale eenzaamheid. Het is een periode die aan onze ribben is blijven kleven. Gelukkig is die perceptie, door succes te boeken en hard te werken, ook snel gekeerd.”

Remue: “Laat duidelijk zijn: de shit die wij toen onterecht over onze kop kregen, valt in geen duizend jaar te vergelijken met het leed dat de ouders van de vermoorde meisjes moesten doorstaan. Ik zie die mensen graag, en dat weten ze.”

Intussen zijn we bijna 29.000 dossiers van vermiste kinderen, demente ouderen, criminele feiten, accidenten en wanhoopsdaden verder. Hoe emotioneel betrokken raak je bij die dossiers?

Van Rillaer: “Je kan dat nooit helemaal afsluiten. Ik ben jarenlang op VN-missie geweest in Kosovo, om daar massagraven te onderzoeken als head mission of missing persons. Soms zat de lijkgeur drie weken in mijn auto als ik huiswaarts naar Pristina reed. Ik heb vier jaar in Pristina gewoond en heb er meer lijken gezien dan hier, maar het was een schone tijd. Zeker als je zelf kinderen hebt, kruipen al die zaken onder je vel. Ik geef een voorbeeld: een van mijn laatste operationele zaken in België, in de provincie Namen, was een vrouw die we terugvonden met een bijl in haar borst, verstopt onder een stapel hout. Vermoord door een Rus op zoek naar geld. Nadat we haar lichaam vonden, heb je ’s avonds wel nood aan een debriefing met een pintje.”

Remue: “Iedereen op het bureau heeft zo zijn eigen, emotioneel geladen dossiers. Voor mij zijn dat Aurore Ruyffelaere, de studente die op de Gentse Feesten verdween en door ons dood werd teruggevonden. Annick Van Uytsel ook, slachtoffer van Ronald Janssen. En, met stip: Julie Van Espen. Een blonde, knappe, ambitieuze jonge vrouw van 23. Mijn dochter? Eva, 23 jaar, blond, knap, ambitieus. Ik heb dat arme meisje gezien als ze uit het kanaal werd gehaald. Fuck! Dat vergeet je nooit meer. (lange stilte) Het kon ieders dochter geweest zijn. Mijn dochter, Guido’s dochter. Ik word boos als ik mensen hoor zeggen dat Julie pech had omdat ze op de verkeerde plek op het verkeerde moment was. No way!(fel) Die pipo, Steve Bakelmans, moest daar niet zijn. Ieder kind, elke jonge vrouw, is een kras op je ziel.”

Van Rillaer: “Het is onze taak om in zulke stresssituaties professioneel te blijven. Maar je denkt daar wel aan natuurlijk. Julie Van Espen was heel erg. Maar ook drie dagen eerder was er iets heel ergs gebeurd, waar amper een haan naar heeft gekraaid: de moord op een mannetje van 9, Daniël, in het asielcentrum in Broechem. Dat was ook een heel heavy verhaal. Ik heb het er persoonlijk moeilijk mee dat zulke verhalen, op jullie reconstructie in Het Nieuwsblad na, amper aandacht hebben gekregen.”

Wat is de schoonste zaak die jullie samen hebben opgelost?

(In koor) “Alizéetje. Furfooz, paasvakantie 2006.”

Remue: “Als leidinggevenden gingen we niet constant samen op pad. We hadden de dag en nacht voordien net een ander meisje levend teruggevonden toen de telefoon ging. Guido belde. Klein meisje vermist, op een camping, langs de Lesse. Alizée heette ze, twee jaar oud en al twee uur weg.”

Van Rillaer: “We hebben meteen helikopters gestuurd, speurhonden, alle grote middelen. Op zo’n moment twijfelen we nooit. Het is meteen met de grote karavaan.”

Remue: “Ik herinner me nog het geluid van die kolkende rivier wanneer ik arriveerde. Het was slecht weer, het was koud, het was nat. Links zie je dat donkere bos, rechts de donkere Lesse. Ook haar ouders wisten dat het er heel benard uitzag.”

Van Rillaer: “In de gietende regen zijn we toen dat bos beginnen uit te kammen. Plots vonden we haar broekje. En dan haar laarsje. En wat verder: haar slipje. Dan denk je: Oh my God, dit kan toch niet waar zijn. Zeg dat het niet waar is.”

Remue: “De ochtend nadien hebben we Alizée alsnog levend en wel teruggevonden. Ze lag kletsnat te slapen in een bos. Wat bleek? Dat arme meisje was al twee kilometer uit de richting gelopen en moest plassen. En had dus haar broekje uitgedaan.”

Van Rillaer: “Ik zie een van de speurders nog met haar op de arm uit het bos komen. Een onwaarschijnlijk beeld. En wij: op ons knieën in de modder zakken en huilen, een kwartier aan een stuk.”

Remue: “Het was magisch. Ik mocht toen het goede nieuws gaan vertellen aan de ouders, die compleet radeloos in hun tentje zaten. Ik zal het nooit vergeten, omdat ik mij als een lompe hond gedroeg. (lacht) In plaats van meteen We hebben haar! te roepen, zei ik: Ik heb nieuws, blijf kalm. We wisten duidelijk nog niet goed hoe we goed nieuws moesten brengen.”

Hoe vaak is het nieuws dat jullie moeten brengen slecht?

Remue: “Ik heb het speciaal uitgezocht. 88 procent van onze dossiers loopt goed af. Meestal gaat het om vermiste, vaak demente bejaarden of weglopers. Helaas ook wel mensen die een wanhoopsdaad plegen of een bizar ongeval meemaken. Mensen associëren ons altijd met vermiste kinderen in criminele dossiers, bijvoorbeeld zoals de langs een Luikse spoorweg dood teruggevonden zusjes Stacy en Nathalie, maar dat is maar 1 procent van ons werk. Twaalf procent loopt dus slecht af.”

Van Rillaer: “Je intuïtie leert je vrij snel in welke richting het gaat. Elke zaak is anders, zegt Alain altijd. En dat klopt. Bij ons zijn er geen standaardrichtlijnen, en toch weet je vaak of het goed of slecht dreigt af te lopen. Dat mag ook wel na 29.000 dossiers. Voor ons is dat fingerspitzengefühl.”

Remue: “En toch gaat het soms toch nog totaal anders. Neem de recente verdwijningszaak van Eduard Timmermans in Heverlee. 77 jaar en weggelopen uit het rusthuis. Ik had het gevoel dat we hem na een halfuur zouden terugvinden. Uiteindelijk is hij pas drie weken later teruggevonden na een zoveelste zoekactie. De heli met warmtecamera was wel al over de plek gevlogen. Maar geloof niet in fabels of filmscenario’s: onder een dicht loofbos detecteert zo’n camera niks. Chapeau voor die familieleden die drie weken lang hebben gezocht naar zijn lichaam. We kregen dan de vraag om naar de herdenking te gaan, maar ik doe dat nooit. De voorbije 25 jaar hebben we exact 3.390 mensen dood teruggevonden. Dat zijn 3.390 begrafenissen, maar wij gaan nooit. Onze taak is dan volbracht en hoezeer ik die nabestaanden ook in mijn hart sluit, ik probeer die persoonlijke band af te houden.”

Alain, je bent de voorbije jaren in nagenoeg elk rusthuis gaan spreken over de problematiek van dementie.

Remue: “Ik kom terug op Eduard. Wat is het eerste wat wij doen? Dat rusthuis binnenstebuiten keren. Liefst 65 procent van alle vermiste bejaarden vinden we terug ín het rusthuis. Vandaar de sensibilisering. De bewustwording van die problematiek, ook alzheimer bijvoorbeeld, is mijn grote dada.”

Van Rillaer: “Ze zitten in het verwarmingskot, in een ander bed, in de kelder. De ervaring leert ons dat als er op het proces-verbaal staat dat de initiële zoeking negatief was, je het best opnieuw begint te zoeken.”

Remue: “Eerst het elementaire: elke deur openen, elke kast, onder elk bed. Pas als we zeker zijn, gaan we naar buiten.”

Na 25 jaar tussen hoop en wanhoop: hoe heeft deze job jullie visie op het leven bepaald?

Remue: “Als ik één ding geleerd heb doorheen onze carrière, dan is het wel het leven an sich te omarmen. Wij hebben intussen heel wat collega’s zien afhaken door ziekte, door kanker. Veel fijne collega’s die zo graag leefden. Als ik dan zoveel wanhoopsdaden zie van jonge mensen, van gasten die zich verhangen aan een boom omdat hun lief het heeft uitgemaakt, dan kan ik mij daar soms wel lastig in maken. Ge gooit het meest kostbare, uw eigen leven, zo weg. Die confrontatie vind ik soms hard om dragen.”

Nu je dat zegt: het leven is zoveel waard. Denken jullie dan achteraf soms nog: “Hadden we maar sneller dit of dat gedaan?”

Remue: (kordaat) “Neen. Uiteraard volgt er altijd een debriefing, en uiteraard is er ruimte voor kritiek en bijsturing. Maar het wordt nooit of nooit persoonlijk. Dat is een heilige lijn waar ik als chef over waak.”

Van Rillaer: “Uiteraard heb ik de voorbije 25 jaar wel een paar keer serieus onder mijn klo* gekregen. Maar dat was altijd terecht.” (lacht luid)

“Vergeet niet: zonder ons blijven veel zaken onder de radar. Een man die verklaart dat zijn vrouw verdwenen is. Een meerderjarige die zogezegd in haar auto is gesprongen en vertrokken. Zoiets is niet verboden. Zonder tussenkomst van de Cel blijft het daar ook bij. Tot dan blijft het dat mijnheer om 7.30 uur al de auto stond te stofzuigen. Op een zondag dan nog. En ook haar sacoche lag nog thuis. Verdacht!”

Naar aanleiding van 25 jaar Cel Vermiste Personen maakte VRT een vierdelige documentaire, gepresenteerd door Fatma Taspinar. Elke woensdag in september op Eén.

Bron » Gazet van Antwerpen | Pieter Huyberechts

Ex-procureur Bourlet: ‘Men is niet tot het uiterste gegaan in het dossier Dutroux-bis’

In het dossier Dutroux-bis, waarin werd gezocht naar de vermeende netwerken rond Marc Dutroux, zijn veel pistes niet uitgespit. Dat zegt Michel Bourlet, de voormalige procureur verantwoordelijk voor het dossier, in La Dernière Heure. Volgens hem had er ‘meer in gezeten’, vooral wat betreft de piste rond de uitbater van het vroegere Blankenbergse Hotel Brazil en niet-geïdentificeerde DNA-sporen.

“In 2000 vertelt onderzoeksrechter (Jacques, red.) Langlois mij over microsporen en duizenden haren gevonden in de geheime kelder (in het huis van Dutroux, red.) in Marcinelle en in de witte Renault Trafic van Dutroux”, zegt Bourlet. “Hij weigerde ze te analyseren. Er waren nog 28 onbekende DNA-sporen, waarvan twee van vrouwelijke genetische profielen. Ze hadden vergeleken moeten worden met het DNA van de verdachten.”

Er werd ook een niet-geïdentificeerd mannelijk DNA-spoor aangetroffen in de geheime kelder, herinnert de ex-magistraat zich.”Niet gevonden in een haar, maar wel in microsporen (speeksel, bloed, sperma, tranen, zweet) op de binnenmuur van de kelder en gemengd met het DNA van Julie Lejeune.”

Een hele hoop verdenkingen wezen naar Niccolo Mazzara, Marcel Marchal en Michel Piro, aldus Bourlet. Dat het dossier na zijn pensioen zonder vervolg werd gesloten, geeft hem geen gerust geweten, zegt hij.

Met name de piste van Marcel Marchal had mogelijk iets kunnen opleveren. “Marchal, dat is de kerel van ‘Brazil’, een hoerenbar in Blankenberge. Hij werd verdacht van mensensmokkel. We hebben zijn naam gevonden in de agenda van Marc Dutroux. Zijn bar was dicht bij het casino waar An en Eefje gezien zijn. Een buurman zegt zelfs dat hij de twee jonge meisjes samen met Dutroux voor de bar heeft gezien, rond middernacht op de avond van hun verdwijning. Waarom is men Marchal niet in Brazilië gaan zoeken om zijn DNA af te nemen en het te vergelijken met de 28 onbekende DNA-stalen van het dossier bis?”

Bron » De Morgen