Walter en zijn archief

Voor een keer een stuk dat niet over corona gaat. Historica Klaartje Schrijvers heeft een boek geschreven over een jeugdvriend van Geert Van Istendael, Walter De Bock. De meest gevreesde onderzoeksjournalist van België en omstreken, dixit Van Istendael.

Vandaag niets over keizerin Corona. Of toch. Eén gedachte. Het is onbegrijpelijk dat de grote meerderheid van de kinderen tot september niet meer naar school mag.

Sinds half maart zitten die kinderen nu al thuis. Reken even uit. Ze zullen in 2020 een half jaar lang niet naar school gaan. Niet mogen gaan. Ik vind dat schandalig. Je kunt de omvang van de schade bij de kinderen niet schatten. Ze beseffen het zelf beter dan volwassenen het vermoeden. Laatst zei een buurmeisje, ze zou nu in de derde of de vierde klas van de lagere school moeten zitten: school is niet stom. Als je een kleine zo ver krijgt, ben je bezig met kindermishandeling.

Maar nu, Corona: vade retro, donder op, déguerpis, vattene, vete, hau ab.

Wat volgt is een bericht over vorige eeuw. Nauwkeuriger, over een vorige eeuw binnen vorige eeuw, grotendeels toch. Over iets wat lezers jonger dan een jaar of veertig onmetelijk en onwezenlijk ver moet lijken. Het gaat over Koude Oorlog, communisme en anti-communisme, over een studentenopstand in mei 1966 (66, ja, dat leest u goed) en februari 1968 (februari, ook dat leest u goed), die een regering ten val bracht waarvan de ministers niet eens meer een vage herinnering oproepen. Charles Héger? August De Winter? Henri Maisse?

Historica Klaartje Schrijvers heeft een boek geschreven over een jeugdvriend van me. Vrees niet, ik ga niet zwelgen in nostalgie en vals sentiment. De jeugdvriend is als volwassen man uitgegroeid tot de meest gevreesde onderzoeksjournalist van België en omstreken. Het boek van Klaartje Schrijvers (EPO, 2020) heet terecht:

Het archief van Walter. De onderzoeksjournalist, de historica en de waarheid.

Schrijvers is De Bock gaan opzoeken toen ze aan een doctoraatsthesis geschiedenis werkte met een wel heel opmerkelijke titel: ‘l’Europe sera droite ou ne sera pas!’: de netwerking van een neo-aristocratische elite in de korte 20ste eeuw (Universiteit Gent, 2007). Ze ging naar hem toe omdat ze dacht dat De Bocks archief nuttig zou kunnen zijn voor haar eigen werk als historica. Terecht. De Bocks archief was in kringen van vakgenoten, politici en machthebbers in het algemeen legendarisch.

Nu geeft zij ons een verhaal over haar ontmoetingen met Walter De Bock (1946–2007). Bij het woord verhaal hoort een toelichting. Dit is géén fictie. Het is evenmin het verhaal. Dat zou aanmatigend zijn geweest.

Over archief en onderzoeksjournalist had ik het al. Maar het laatste woord van de titel is waarheid en ook dat staat daar niet zomaar. Walter De Bock heeft zijn hele beroepsleven als journalist in het teken gesteld van de waarheid. Voor hem viel de verdediging van de waarheid samen met de verdediging van de democratie.

Zonder waarheid geen democratie!

Walter begreep als geen ander dat de journalistiek die democratische waarden met hand en tand moest verdedigen. De manier waarop hij werkte en de tools die hij gebruikte om de waarheid aan het licht te brengen, stonden altijd in functie van een rotsvast geloof in die democratie. (blz. 101)

Ik kan dat beamen. In gesprekken met Walter hoorde je hem vaak vragen, is die en die wel een democraat? Of hij zei, ja, die daar, dat is een democraat. Ik heb dat nooit in verband gebracht met Walters onverdroten delven en spitten naar waarheid achter de uiterlijke schijn van politiek en macht. Wat hij uit diepe, verborgen lagen naar het daglicht van de waarheid omhoog rukte, stonk maar al te vaak naar antidemocratische pus.

Ook het boek van Schrijvers staat in het teken van de waarheid. Terecht wijst ze erop dat het postmoderne relativeren van waarheid uiteindelijk in de kaart speelt van rechts en extreemrechts. Dat je met waar en vals, met nep en echt, met eerlijkheid en boerenbedrog, cynisch kunt jongleren ten voordele van eigen macht en glorie, daaraan hadden de nijvere postmoderne wijsgeren niet meteen gedacht. Aan de mogelijkheid bijvoorbeeld van iemand als de postmoderne Amerikaanse president Troef.

Walter De Bock is niet oud geworden. Hij was net de zestig voorbij toen hij bezweek aan de gevolgen van zéér vroege Alzheimer. De ziekte had zich al jaren eerder laten voelen. Schrijvers vertelt in dit nieuwe boek zonder valse schaamte hoe Walters hersens gaandeweg aangetast raakten en dat is ongemeen beklemmend. Ze geeft ons geen abstracte uiteenzettingen. Het zijn tastbare episodes uit zijn steeds stroever verlopende dagelijkse leven.

Walter De Bock was begiftigd met een uitzonderlijk stel hersens. Voeg daar bijtende spot bij, zeker ook zelfspot, en een onverwachte vis comica. Hij had de gave om de saaiste gebeurtenissen zo te vertellen dat de toehoorders dubbel plooiden van het lachen. Maar zijn borende analyses waren allesbehalve onderhoudende lectuur. Zo geestig hij praatte, zo gortdroog schreef hij.

Het greep me naar de keel toen ik bij Schrijvers las hoe Walter lucide en woedend besefte dat zijn brein aan het aftakelen was. Zijn fenomenale redeneervermogen, zijn flitsende inzichten, zijn niets ontziende ratio, het was het enige bezit dat hij ten volle het zijne noemde. En net dat liet hem in de steek, op het toppunt van zijn kunnen, hij zag gebeuren en het maakte hem wanhopig.

Walter De Bock had een achterdochtig karakter en ook dat deelt Schrijvers mee. In zijn laatste jaren dacht hij dat hij vergiftigd was. Hij wantrouwde zelfs zijn eigen (Chinese) echtgenote.

Had hij trekken van paranoia?

We lopen elkaar tegen het lijf in Parijs, het zal 1988 zijn geweest. Totaal toeval. Ik zeg wat lacherig, met een bekakt accent, mais Walthère, mon cher, toi ici? Maar hij lacht niet. Spot niet. Geeft niet lik op stuk, iets waar hij anders onklopbaar in was. Hij fluistert me toe dat hij achtervolgd wordt. Door mannetjes van Dassault. Hij had net een boek uit over illegale wapenhandel, onder meer door de grote kapitalist Dassault.

Dassault heeft onmiddellijk bijna alle exemplaren van dat boek opgekocht. Had hij die methode afgekeken uit de DDR? Daar probeerde het leger onwelgevallige boeken weg te kopen. Alleen waren in Oost-Duitsland de burgers de soldaten meestal te snel af. Het boek van Walter De Bock en een Franse collega werd haast niet opgemerkt in de openbaarheid. Operatie Dassault dus geslaagd.

Ik vraag me toch af of je monumentaal opzoekingswerk zoals dat van Walter De Bock kunt verrichten zonder een stevige dosis paranoia. Wie een natuurlijk vertrouwen heeft in de mensheid kan, denk ik, nooit zo halsstarrig blijven en blijven graven naar de verborgen machinaties die zich aan het oog van de doorsnee waarnemer onttrekken. Walter had weinig natuurlijk vertrouwen in de mens. Zijn ingebakken wantrouwen was de drijfveer om tot grootse resultaten te komen.

Dat bracht met zich mee dat je bestendig de indruk kreeg, Walter, die weet hoe het écht in mekaar zit, die legt vroeg of laten geheime connecties en leidingen bloot, die hoeft zich niet bezig te houden met de beuzelarijen van de dagjespolitiek, die doorschouwt alles tot op de bodem. Walter had, ik kan het niet anders uitdrukken, iets wetends als hij je aankeek.

In onze puberjaren hebben we elkaar goed gekend. We woonden in dezelfde straat, maar we gingen niet naar dezelfde school. Walter had toen al een aura van ongenaakbaarheid, van een geheim weten.

We discussieerden, ook met andere jongens in onze straat, uitbundig tijdens onze apenjaren. Nou, discussieerden, we lulden natuurlijk een eind weg, bij voorkeur over Kunst en Maatschappelijk Engagement en zo, wij hoorden duidelijk de hoofdletters. Vier van ons zijn achteraf in het schrijven beland. Twee dichters, twee romanschrijvers, drie journalisten. Maar dat alles wel verdeeld over vier mensen.

Het is alsof het gisteren gebeurde.

Een zonnige middag. Heverlee, Kardinaal Mercierlaan, tussen het jachthuisje en het romaanse kerkje. Walter en ik hangen weer eens over ons fietsstuur. We staan tegenover elkaar. We voeren het allesomvattende, definitieve gesprek. Voor de xde keer. Walter zegt dat ik ijdelheid verkies boven ernst. Hij zegt het sierlijker. Walter zegt: Literatuur? Jij speelt je ijdele spel in de schoot van een verkochte vrouw. Alweer die sardonische glimlach, alweer die spot en die glans in zijn ogen. Hij gaat op de trappers staan en fietst weg, richting stad.

Richting onderzoeksjournalistiek. Zoals Walter is er tot op heden geen tweede onderzoeksjournalist gevonden in ons land, hoe onbetwistbaar knap zijn leerlingen ook zijn. Tenminste, dat denk ik, wijs me terecht als ik ongelijk heb.

Het archief dat Walter De Bock in de loop der jaren bij elkaar schraapte, soms uit de onwaarschijnlijkste hoeken en kanten, nam gigantische proporties aan en dat is nu eens geen overdrijving. Klaartje Schrijvers heeft haar boek terecht Het archief van Walter genoemd. Voor wie hem niet goed kende kon het soms lijken alsof Walter De Bock en zijn archief één en dezelfde persoon waren. Synoniemen. Dat gold zeker (en wie weet, geldt het nog steeds) voor allen die sidderden van angst als ze dachten aan de onsmakelijke revelaties die over hun duistere werken te vinden zou kunnen zijn in het archief van Walter.

Hoe belangrijk en omvangrijk zijn archief ook was, Walter De Bock was veel meer, spreekt vanzelf. Bijvoorbeeld een zeer erotisch persoon, zoals een van onze gemeenschappelijke vrienden het ooit uitdrukte. Hij hield van lekker eten en drinken. En van Bach. Een puber die op muziek van Bach naakt door de kamer danst, danst een verheven toekomst tegemoet.

Walter De Bock wilde dat zijn alle proporties tartende archief een veilig onderkomen zou vinden in de bibliotheek van de Katholieke Universiteit Leuven. Zo geschiedde. Ik heb me altijd afgevraagd, waarom juist daar? De universiteitsbibliotheek van Leuven is uitstekend, daar gaat het niet om, maar ik had veeleer gedacht aan de V.U.B. Ach, wie ben ik?

Walter was een vrijmetselaar – waarom??? –, lid van de Brusselse loge Branding, die aangesloten is bij het notoir antiklerikale Grootoosten van België. Vertrouwde hij de broeders niet helemaal, zie hierboven? Hij was al eens eerder met hen in aanvaring gekomen. Dat laatste kun je naslaan bij Klaartje Schrijvers.

Dus één conclusie: Lees dit door en door menselijke boek.

Bron: MO* | Geert Van Istendael

De paranoïde jaren van België

Walter De Bock bouwde een ongeëvenaard archief op over de verwevenheid van de economie met de politiek en de misdaad in België. Historica Klaartje Schrijvers zocht documentatie voor haar doctoraat, maar leerde vooral de zieke, maar nog immer geëngageerde journalist kennen.

De Leuvense universiteitsbibliotheek beheert een ongewoon archief.Journalist Walter De Bock (1946-2007) verzamelde een zeer uitgebreide, unieke documentatie over, in de breedste zin, de verwevenheid van economie en politiek, vooral in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw. De Bocks engagement stamde direct uit de studentenrevolte van de jaren 60 aan de Leuvense universiteit. Voor hem was de burgerlijke democratie een façade waarachter andere machten aan de touwtjes trokken, vaak van rechtse signatuur, vaak internationaal vertakt, die opereerden in discrete netwerken – ‘onder vrienden’, zoals De Bock vaak cynisch zei.

Hoe discreet ook, dat netwerk kwam geregeld in de publieke aandacht omdat het de bron van was tal van schandalen, van smeergeld bij legerbestellingen en het omkopen van politici of ambtenaren via grootschalige fraude en zwendel tot machinaties van inlichtingen- en politiediensten en plannen voor een militaire staatsgreep. In die tijd moesten politici hun verkiezingscampagnes nog zelf financieren, wat hen kwetsbaar maakte voor de verleiding van de zelfverrijking. Uiteindelijk konden ze zelfs de aandacht van de maffia trekken.

De vele affaires rond premier en Defensieminister Paul Vanden Boey­nants zijn een voorbeeld, maar het Agusta-schandaal toont dan weer aan dat het gesjoemel geen rechts monopolie was. Een hele generatie onderzoeksjournalisten had daar een ferme kluif aan, met voorop, naast De Bock, vooral in De Morgen, ook Frank De Moor in Knack en René Haquin in Le Soir, drie eigenzinnige karakters die relatief jong stierven. De eigenzinnigheid paste bij hun altijd delicate, soms gevaarlijke werk dat hen voerde in de schaduwwereld van geheime diensten, al dan niet betrouwbare informanten die al dan niet een eigen agenda hadden, spijtoptanten en klokkenluiders, tussenpersonen allerlei, tot criminelen toe.

Jongdementie

Het ontrafelen en blootleggen van die zowel in de onderwereld als in chique salons konkelende netwerken was voor De Bock behalve een professionele zorg ook een existentiële missie. Daarom bouwde hij zo hardnekkig aan zijn archief. Tot hij door jongdementie werd getroffen en zijn levenswerk trachtte te redden door het aan de KU Leuven toe te vertrouwen.

Bij die overdracht dook Klaartje Schrijvers op, die als historica aan de Gentse universiteit een doctoraal proefschrift maakte over een Europees, ook in België erg actief uiterst rechts netwerk. De lui erin rekenden zich tot de aristocratie en vonden in een obsessioneel anticommunisme de motivatie voor een reactionair politiek programma. Ze droomden van een nieuw Heilige Roomse Rijk: ultrakatholiek, antidemocratisch, tegen vakbonden, elitair en corporatistisch.

Schrijvers zocht informatie in het archief van De Bock en de zieke journalist gaf er haar graag toegang toe; ze kon zijn missie verderzetten. Daarover schreef Schrijvers Het archief van Walter, een curieus, erg hybride boek, dat elementen uit haar doctoraat combineert met een boeiend biografisch portret van De Bock. Wat hen bond, is wat Schrijvers ietwat idealistisch ‘de waarheid’ noemt, over dat extremistische gekonkel dus.

Hoewel het proefschrift de ultieme motivatie is in Schrijvers’ contact met De Bock, blijft dat in het boek in de achtergrond hangen. De academische context betekent niet veel voor Schrijvers. De promotor van het doctoraat blijft zelfs helemaal uit beeld. Dat proefschrift (2008) is nooit gepubliceerd, zelfs niet partieel, op die fragmenten in Het archief van Walter na.

Sfeer

Het boek moet het stellen zonder index, wat het lastig maakt om wegwijs te raken in die stoet van uiterst rechtse bad boys. Maar ook elke bronverwijzing of bibliografie ontbreekt. Dat schaadt de geloofwaardigheid. Waar bronnen ontbreken, komt al snel complotdenken in de plaats, waarbij ook elk toeval een bewijs van schuld kan worden. Scepsis en achterdocht zijn goed, maar historische kritiek is beter.

Schrijvers maakt nogal wat opvallende fouten, soms zeer banale, zoals over de rol van de Franse firma Dassault in het Agusta-schandaal. Ze loopt De Bock in zijn stellingen ook vrij kritiekloos achterna – hij maakte, hoe grondig hij zich ook documenteerde, ook fouten of liet zich manipuleren. En ze geeft Albert Raes, lange tijd chef van de Staatsveiligheid, opvallend veel krediet, ook al was hij lid van de paramilitaire organisatie Gladio, die zeker in Italië betrokken was in het extremistische web.

Wat dit boek apart maakt, ligt meer in de sfeer dan in het lang niet altijd betrouwbare, laat staan volledige feitenrelaas. Het roept een beeld op van een van paranoia doordrenkte tijd, met corruptie en collusies tot diep in de politiek en de staatsinstellingen. Het vereiste journalistiek veel ijver en ja, ook wat paranoia om daar zicht op te krijgen. Al zijn nog lang niet alle raadsels opgelost. Zoals: had Gladio echt niets te maken met de Bende van Nijvel? Of: ging het bij Paul Vanden Boeynants in 1989 echt om een ontvoering, of veeleer om een poging om zwart geld wit te wassen door het als losgeld te laten dienen, zoals De Bock opperde?

Bron » De Standaard | Marc Reynebeau

‘Het archief van Walter’, terugblik op een verleden dat zeer actueel is

Met ‘Het archief van Walter – De onderzoeksjournalist, de historica en de waarheid’ neemt historica Klaartje Schrijvers de lezers mee naar een universum dat in internettijden bijna prehistorisch klinkt. Toch is het allemaal niet zo lang geleden. Wat onderzoeksjournalist Walter De Bock tussen 1966 en 2002 presteerde was uniek. Zijn werk houdt belangrijke lessen in voor de journalisten (de echte) van de toekomst.

Klaartje Schrijvers stootte tijdens haar doctoraatsstudie over “hoe in de 20ste eeuw een welbepaalde elite achter de schermen van de politiek streefde naar een rechts Europa” op het archief van een zekere Walter De Bock. Deze journalist schreef van de jaren 1970 tot 2002 talrijke artikels en publiceerde boeken o.a. over de moord op PS-politicus André Cools, over de Bende van Nijvel en het Agustaschandaal, over betrokkenheid bij drugshandel van de Brusselse politie, maar vooral over extreemrechts, Vlaams en Franstalig. Hij publiceerde ook over minder bekende historische zaken van politieke en financiële corruptie, over het Belgisch aandeel in het VS-corruptieschandaal Iran-gate, over de ontvoering van Congolees politicus Moïse Tsjombé.

Schrijvers contacteerde hem en vond een verwarde mens, die door de eerste symptomen van vroege dementie zijn voornaamste werkinstrument aan het verliezen was, zijn geheugen, zijn enorme dossierkennis en uiteraard zijn archief, dat in pré-internettijden uitsluitend een papieren archief was. Hij begon zichzelf in dat archief te verliezen. Een paar jaar na hun eerste ontmoeting, op 20 november 2007, stierf Walter aan zijn ziekte. Hij werd amper 61 jaar.

Zij was vooral geïnteresseerd in de kennis die Walter De Bock had vergaard over de Belgische economische elite. “Zowel in het communisme als in het algemeen stemrecht zag deze elite zich geconfronteerd met de uitholling van zijn invloed en macht. De leden ervan deelden daarom ook een fundamenteel wantrouwen ten aanzien van de parlementaire democratie.”

Extreemrechts in hogere kringen

In Walters archief vond Schrijvers een overvloed van namen met een aantal gemeenschappelijke kenmerken, die hen van het hedendaagse extreemrechts onderscheiden. Zij hadden hun wortels niet in de collaboratie maar net in het verzet tegen de Duitse bezetter. Daar waren ze echter niet actief om in België de democratie te herstellen na de oorlog, integendeel. Zij waren overtuigde aanhangers van een sterke monarchie met politieke macht (en onder meer rabiate tegenstanders van gelijke rechten voor de vrouw, wat ze consequent toepasten, hun organisaties lieten geen vrouwelijke leden toe).

Schrijvers lost de toenemende beperking van Walter De Bock op met haar eigen onderzoek van zijn enorme archief. Daar vindt ze namen van personen en van organisaties, zoals de Académie Européenne de Sciences Politiques. Een vaste waarde in dat archief is het politiek-ideologische netwerk rond voormalig minister van Defensie (1972-1979) en eerste minister (1966-1968, 1978-1979) Paul Vanden Boeynants, beter bekend als VDB. Het lijkt al zo lang geleden, maar ooit was de partij van deze man oppermachtig in België. De huidige CdH is nu nog een schijntje van wat ooit de PSC was, de Franstalige tegenhanger van de CVP (nu CD&V).

De meedogenloze megalomanie van VDB merk je nog elke dag in het desolate landschap rond Brussel-Noord, waar hele volkswijken werden platgegooid voor zijn protserig ‘Manhattan‘. Zijn wolkenkrabbers raakten nooit verkocht en VDB plaatste er dan maar de ministeries in, die daarvoor hun eigen gebouwen leeg lieten staan. Zijn bevriende bouwpromotoren werden stinkend rijk …

Fysieke archieven

Walter De Bock blijkt tijdens zijn goede momenten een uitmuntende verteller, wat niet direct bleek uit zijn artikels en boeken. “Waarom Walter zijn onderzoek niet opschreef zoals hij het vertelde? Walter schreef inderdaad gortdroge artikels en eigenlijk vond hij het schrijven een verplichte corvee.” Voor hem was de publicatie slechts het noodzakelijke eindpunt. Waar het echt om ging was het onderzoek zelf, naar de waarheid achter de schijn, achter de persconferenties (die hij haatte en minachtte).

Walter daarover: “De media moeten ten dienste staan van de burgers en niet van de machthebbers. De democratie kan niet zonder integere journalisten die elke schatplichtigheid durven af te wijzen en die vanuit een meer democratische bewogenheid altijd kritisch blijven.” Actueler en kritischer over de huidige gang van zaken in de media kan niet. De Van Thillos van 2020 denken er anders over.

Klaartje Schrijvers bewondert, maar blijft kritisch. De Bock maakte immers ook fouten. Hij vergaloppeerde zich soms in zijn enthousiasme. De Bock gebruikt lekken, mispakt zich daar soms bij, maar is zich over het algemeen goed bewust van het gevaar van ‘gelekte informatie’. Wie heeft er baat bij dat dit lekt? Geheime documenten zijn soms meer revelerend door wat er niet in staat. Dit waren de hoogdagen van de Koude Oorlog, toen elke vorm van politieke dissidentie werd weggezet als pro-Sovjet-propaganda. De Bock was een man van links, maar was volkomen partijloos en erkende in zijn werk geen ideologische grenzen. Of corruptie van links of rechts kwam, het maakte hem niet uit. Alleen de waarheid telde.

Talrijke organisaties en individuen passeren de revue. Anticommunisme ging vlot samen met misprijzen voor algemeen stemrecht, voor apartheid in Zuid-Afrika en voor het zionisme in Israël. Het anticommunisme is na 1989 overgegaan in de haat voor de islam, het Midden-Oosten, “zeg maar de hele Arabische wereld”. Niets is echter zo eenvoudig. “Deze geschiedenis is zoveel complexer dan dat.”

Geld en macht

Uiteindelijk draait het allemaal om geld, en om macht. “Economische belangen doorkruisen onvermijdelijk de politieke idealen.” Niemand symboliseerde die dubbelzinnigheid beter dan VDB. Als politicus was hij een rabiaat anticommunist en Sovjethater. Het belette hem niet om van zijn status als minister van Defensie lucratieve deals te sluiten voor zijn vleesbedrijf in Bulgarije en andere communistische dictaturen.

Zijn Centre Politique des Indépendants en Cadres Chrétiens (CEPIC) zag “een feodale maatschappelijke ordening als ideaal. Men moest leven in overeenstemming met de orde waarin men geboren was: de orde van de heren, die van de lijfeigenen en die van de ambachten. Er bestond geen enkele mogelijkheid om van de ene stand naar de andere over te gaan”. VDB zou zich goed hebben verstaan met Steve Bannon …

In 1997 was zijn rijk grotendeels voorbij. In een interview werd hij geconfronteerd met het extreemrechtse karakter van CEPIC, zoals De Bock dat had aangetoond. Zijn repliek is tijdloos: “Als ge iedereen extreemrechts noemt die in de tijd van de oprichting van het CEPIC vond dat er teveel belastingen werden betaald en dat er teveel ambtenaren waren, dan was 80 procent van de bevolking extreemrechts.” Extreemrechts én neoliberaal, een Siamese tweeling.

Politiek en bedrijfsleven

“Net dat was Walters credo, namelijk dat politiek en bedrijfsleven onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.” Kan zo vandaag opnieuw geschreven worden. De Bock deed wat de overheidsdiensten, de Staatsveiligheid op kop, niet deden, de corruptie en het machtsmisbruik in de kringen van de machthebbers onderzoeken en vervolgen. De archieven van de Staatsveiligheid puilen uit van informatie over elke vorm van communistische actie, echte maar vooral vermeende. Wat daarentegen volledig ontbreekt, is enig onderzoek naar anticommunistische actie.

“Nochtans is het anticommunisme in België verantwoordelijk voor enkele van de meest ingrijpende en spannendste bladzijden uit de Belgische geschiedenis. De afwezigheid van sporen daarvan is op zijn zachtst gezegd opmerkelijk.” Zo zijn de politieke moorden op Julien Lahaut in 1950 en de moord op Patrice Lumumba in 1961 nog altijd gehuld in mysterie.

Censuur heeft vele vormen

Zeer leerrijk zijn Schrijvers’ observaties over vormen van censuur. “Een veel voorkomende manier is de zwarte doorhaling zodat de tekst onleesbaar is … Een andere manier is het document botweg vervalsen … Ook het uitvinden van documenten is een vorm van censuur.” Vervang papieren documenten door websites op het internet en het klopt nog steeds. “Je kunt ook helemaal niets archiveren over een bepaalde groep of over een bepaalde gebeurtenis en zo … de indruk wekken dat die groep nooit bestaan heeft en dat die gebeurtenis nooit heeft plaatsgevonden.”

Schrijvers ondervindt tijdens haar opzoekingswerk zelf de vooroordelen die De Bock moest trotseren. “De verbetenheid waarmee het archief van Walter in vraag werd gesteld, was opmerkelijk.”

Er staat nog veel meer in dit boek, over de Bende van Nijvel bijvoorbeeld, over Walters onderzoek naar louche wapendeals met buitenlandse regimes, steun aan de apartheid in Zuid-Afrika. Soms is het wat anekdotisch, voor de jongere lezers had er misschien wat meer historische context bij gemogen, maar al bij al is dit een fascinerend boek, over een journalist en een tijd die voorbij lijkt, maar in feite actueler dan ooit is.

Schrijvers neemt de lezers verder nog mee naar haar eigen onderzoek, naar de archieven van de CIA in de VS en neemt afscheid van Walter. Zijn laatste dossier was de corruptiezaak van Tractebel voor exploitatie van gaspijplijnen in Kazachstan. “Gigantische sommen zwart geld die aan de Belgische fiscus werden onttrokken. Het duurde nog tot in 2017 voor de zaak effectief werd afgehandeld.” Tien jaar na zijn overlijden. ‘Het archief van Walter – De onderzoeksjournalist, de historica en de waarheid‘ is een waardig eerbetoon aan een echte journalist. Verplichte literatuur, niet alleen voor journalisten-in-spe maar voor iedereen.

Klaartje Schrijvers. Het archief van Walter – De onderzoeksjournalist, de historica en de waarheid. EPO, Antwerpen 2020. ISBN 9789462672017

Bron » De Wereld Morgen | Lode Vanoost

‘Van nachtelijke contacten met misdadigers schrok Walter De Bock niet terug’

Historica Klaartje Schrijvers kreeg in 2005 als eerste toegang tot het archief van De Morgen-journalist Walter De Bock. Daarna vielen de puzzelstukken van haar doctoraat over een ondergronds, Europees anticommunistisch netwerk eindelijk op hun plaats. Over haar unieke samenwerking met De Bock heeft Schrijvers nu een boek klaar.

Walter De Bock (1946-2007) was een van de studentenleiders van mei ’68 en groeide uit tot de belangrijkste onderzoeksjournalist van het land. Zijn werk verscheen vooral in De Morgen, waarvan hij ook een tijdje hoofdredacteur was. De Bock publiceerde onthullingen over de moord op PS-leider André Cools, de Bende van Nijvel, wapenhandel en extreemrechts. Hij beschikte over een fenomenaal archief en stierf in 2007 jong aan alzheimer.

Het archief van Walter. De onderzoeksjournalist, de historica en de waarheid is geen klassieke biografie over De Bock, noch is het een academisch of journalistiek verslag. Het is een reis langs historische en journalistieke zoektochten naar de waarheid en een ode aan de heuristiek, de kunst van het vinden. Een verhaal ook over weten en vergeten: door toedoen van alzheimer voerde De Bock een gevecht tegen de tijd om nog zoveel mogelijk informatie over te dragen aan Schrijvers.

“Het deed mij nadenken over wat geschiedenis betekent wanneer de herinnering ophoudt te bestaan”, zegt Klaartje Schrijvers. Al was er ook die tweede laag. Tijdens haar onderzoek moest Schrijvers vaststellen dat er over het anticommunisme nauwelijks bronnen bestaan. “Alleen het archief van Walter vormde daarop een uitzondering.” In dertig jaar onderzoeksjournalistiek verzamelde De Bock duizenden documenten, persknipsels en briefwisseling. Het sluitstuk van zijn archief was zijn fichebak: steekkaarten met informatie over machtige figuren uit de economie en de politiek. “Toen we elkaar leerden kennen, liet Walter zich ontvallen dat zijn archief op mijn doctoraat had liggen wachten”, zegt Schrijvers.

U ontmoette Walter De Bock voor het eerst toen hij al vier jaar alzheimer had. Hoe was het om met hem samen te werken?

Klaartje Schrijvers: “In het begin hoopte hij nog dat de wetenschap met een oplossing zou komen voor zijn dementie. Walter aanvaardde niet dat de ziekte via een defect zijn hersenen was binnengeslopen. Hij bleef ervan overtuigd dat er sprake was van een vergiftiging of een afrekening.”

“Toen ik hem leerde kennen, was hij zijn archief aan het overhevelen van zijn huis naar de bibliotheek van de KU Leuven. Hij wilde zijn kennis zoveel mogelijk vrijwaren, maar zijn concentratievermogen varieerde. Het ene moment kon hij nog iets aan mij doorgeven, maar er waren dagen dat hij totaal de mist in ging. Het zat wel in zijn hoofd, maar het raakte er niet meer uit. Dat bemoeilijkte de communicatie. Al was er ook plaats voor humor: soms waren we aan het schateren over de misverstanden die ontstonden. Dat luchtte op. Het was een geruststelling dat hij wist dat ik wist dat hij aan het ontweten was.”

U werkte aan de Universiteit Gent aan een doctoraat over een extreemrechts Europees netwerk. Hoe rijmt u dat met het werkterrein van De Bock, die zijn hele leven onderzoek deed naar de verstrengeling tussen de politiek en de bedrijfswereld?

“Mijn onderzoek ging over het in kaart brengen van een extreemrechts netwerk dat na de Tweede Wereldoorlog streefde naar een rechts Europa. Ik was niet op zoek naar het Vlaamse extreemrechts, dat zijn wortels heeft in de collaboratie, maar focuste op een Europese elite de l’esprit – wat op zich al een contradictie is met het nazisme en fascisme van de Tweede Wereldoorlog, dat erg populistisch en anti-elite was.”

“Door zijn elitaire denken had dit Europees extreemrechts een minachting voor de parlementaire democratie. Het streefde naar zoveel mogelijk economische en financiële vrijheid en zo weinig mogelijk politieke inmenging. De gemeenschappelijke vijand was het communisme, dat vanuit een westers, christelijk en kapitalistisch standpunt uit alle macht bestreden moest worden.”

Die anticommunistische actie noemt u een van de spannendste periodes uit de recente Belgische geschiedenis. Waarom?

“Het was een opwindende periode, die echter ook tot de meest tragische gebeurtenissen heeft geleid: de moord op de communistische voorman Julien Lahaut en op Patrice Lumumba, de eerste Congolese premier. Toen ik in archieven op zoek ging naar die anticommunistische actie, botste ik op een muur. Ofwel was er niets over verzameld, ofwel werd het ronduit gecensureerd.”

De Franstalige Gentenaar Florimond Damman is de centrale persoon in uw netwerk. U omschrijft hem als een deep state actor. Wie was hij en wat waren zijn motieven?

“Damman was een geboren netwerker die van jongs af een reactionair en een rabiate anticommunist was. Tijdens het interbellum werd hij lid van het Nationaal Legioen (de eerste fascistische beweging in België, red.). Zijn angst voor het communisme was een obsessie die hij deelde met de Franse contraspion Jean Violet. Ze verwierpen het algemeen stemrecht en hanteerden een duidelijke visie over wat Europa zou moeten zijn: L’Europe sera de droite ou ne sera pas.”

“Een van Dammans goede vrienden was Otto van Habsburg, de laatste telg van het keizerlijk geslacht van Oostenrijk-Hongarije. Die inspireerde Damman in 1969 tot de oprichting van de AESP, de Académie Européenne de Sciences Politiques. Daarin verzamelde zich de Europese jetset die tijdens zogenoemde charlemagnediners de linkerzijde van de Europese beweging probeerde in te dijken en tegelijk fungeerde als anticommunistisch bolwerk en bondgenoot van de Verenigde Staten.”

Veel protagonisten uit uw netwerk hadden een band met Paul Vanden Boeynants en diens CEPIC, de extreemrechtse vleugel van de vroegere PSC (voorganger van cdH, red.). Vanden Boeynants wordt vaak in één adem genoemd met de Bende van Nijvel. Is de Bende een uitvloeisel van het netwerk dat u bestudeerde?

“Dat heb ik niet onderzocht. Maar de witteboordencriminaliteit van de elite die ik heb bestudeerd, past totaal niet in het gratuite, hooliganeske geweld van de Bende. Het netwerk had dat geweld niet meer nodig: de meeste van zijn doelen waren al bereikt. De neoliberale samenleving waarin de financieel-economische elite doet wat ze wil, was een feit.”

“Paul Vanden Boeynants zat ook in de Cercle des Nations, een elitaire Brusselse club waarvan heel wat politici en zakenlui lid waren. Net als de AESP faciliteerde zij connecties. De Cercle des Nations wilde van Brussel het Manhattan van Europa maken – onder meer de bouw van de Manhattantorens in de Brusselse Noordwijk is daar beklonken met projectontwikkelaar Charly De Pauw. Verschillende bedrijven hebben in de Cercle lucratieve deals met elkaar gesloten. De bedrijfswereld beïnvloedde er de politieke besluitvorming en omgekeerd. En wie anders dan Vanden Boeynants belichaamde precies die verstrengeling tussen politiek en economie?”

“Dat is ook de reden waarom Walter al op de unief zijn tanden zette in de handel en wandel van Vanden Boeynants. In het Staatsblad ontdekte hij dat Vanden Boeynants niet alleen politicus was, maar ook belangen had in bedrijven – een typisch recept voor sjoemelarij, waardoor de democratische besluitvorming in het gedrang komt.”

U schrijft dat De Bocks alzheimer u geholpen heeft als onderzoeker. Hoezo?

“Bij historisch onderzoek vertrek je altijd van datgene wat je weet, om dan verder te exploreren. Maar het gevaar is dat je gezichtsveld beperkt blijft door de weg die je insloeg. Wat dan ontbreekt, is een caleidoscopisch perspectief. In de gesprekken met Walter was ik op dat bredere perspectief aangewezen, omdat de contactlijnen tussen de verschillende herinneringen bij hem ontbraken. Ik moest zelf, via een omweg, betekenis geven aan onsamenhangende feiten. Op die manier kreeg ik nieuwe informatie die een beter beeld schiep van mijn netwerk, dat op zich al onmetelijk complex was. Je zou kunnen zeggen dat Walter mij anders leerde denken.”

U laat kennissen ook een portret schetsen van De Bock. Het valt op dat ze hem neerzetten als een moeilijke man, maar ook met veel liefde over hem spreken.

“Het verhaal was nooit eenduidig. Het is ook nooit mijn bedoeling geweest om een hagiografie van Walter te schrijven. Soms was het zoeken, bijvoorbeeld als ik het heb over de bizarre relatie met zijn tweede vrouw, een Chinese die hij er op een gegeven moment van verdacht een spionne te zijn. Maar ik denk dat ik het fijngevoelig genoeg heb verteld.”

De Bocks leven was bijna een film. Hij verdween soms weken van het toneel en was alleen maar bezig met zijn dossiers. Soms publiceerde hij maandenlang niets, tot ergernis van sommige collega’s bij De Morgen.

“Walters passie lag bij de waarheid, koste wat kost. Het was een van zijn overtuigingen dat de onder- en bovenwereld niet van elkaar gescheiden zijn, maar in elkaar overvloeien. Zijn onderzoek situeerde zich meestal op het raakvlak van die twee werelden. Van geheime nachtelijke contacten met figuren uit het misdaadmilieu schrok hij niet terug.”

Het grote drama van De Bocks ziekte was dat hij daardoor zijn werk niet meer kon doen. Hoe hard leed hij daaronder?

“Hij kon daar kwaad en immens verdrietig over zijn. Walters laatste grote case was de smeergeldaffaire bij Tractebel (dat Belgische bedrijf betaalde geheime commissielonen om een pijpleidingennet van Kazachstan naar het Westen te mogen aanleggen, red.). Hij onderzocht die zaak, maar het schrijfwerk is bijna volledig gedaan door zijn toenmalige collega Walter Pauli (nu journalist bij ‘Knack’, red.).”

“Eind 2003 is hij nog gaan getuigen op het assisenproces over de moord op André Cools. Voor hem was dat een eerherstel: het gerecht gaf hem over de hele lijn gelijk met zijn onderzoek, dat hij in 1992, een jaar na de feiten, al in De Morgen had gepubliceerd.”

“Walter bleef altijd voortdoen. Hij deed het niet om de scoop of de roem. Walter wilde de waarheid achterhalen en de leugen doorprikken. Dat was de reden waarom hij journalist was geworden.”

U bent voorlopig een van de weinigen die toegang kreeg tot het archief van De Bock. Een voorrecht?

“Het archief is toegankelijk, maar niet voor het publiek. Het is de Raad voor de Journalistiek die toelating geeft aan onderzoeksjournalisten nadat ze hun aanvraag omstandig hebben gemotiveerd. Het probleem is vooral dat het archief nog niet professioneel is gearchiveerd, waardoor veel interessant materiaal onbereikbaar is. Bovendien is het voor een leek onbegonnen werk om je weg erin te vinden. Daar is dus nog werk aan.”

Bron » De Morgen | Sue Somers

De blinde jaren tachtig

Paul Goossens stond in 1985 aan de Delhaize in Aalst die door de Bende van Nijvel was overvallen. In die tijd hadden politici het vaker over de begroting dan over het aantal doden van de Bende.

November 1986. Plots stond ze op de redactievloer van De Morgen: de politie. En wat voor politie. Onder leiding van superflik in wording Glenn Audenaert en een bevallige assistente gooide een blits team alle kasten open en snuffelde het in elk dossier dat het in handen kreeg. Huiszoeking heet dat. De bende van Audenaert was op zoek naar een fraudedossier over het ECC-tennistoernooi waar de krant een tijd voordien over had bericht. Ze waren met veel, speurden naarstig en lieten de palavers met de redactie aan de chef en zijn assistente over. Na één uur was de klus geklaard. De hoofdredacteur werd wegens verzet en protest aangehouden en één document werd in beslag genomen. Daarna heb ik nooit nog iets over het dossier gehoord. Over Audenaert daarentegen des te meer.

De branie en de zelfverzekerdheid waarmee Audenaert toen zijn job klaarde en het lef waarmee hij iedereen van repliek diende, intrigeerden. Een huiszoeking op een kranten­redactie, het was geen routineklus. Zeker niet omdat de krant net failliet was verklaard, onder curatele stond en de huiszoeking als een revanchisme van de politie geïnterpreteerd kon worden. De krant had in die kringen een reputatie en telde er, door het onverzettelijk speuren van Walter De Bock, meer vijanden dan vrienden. Met een ongeziene culot lachte Audenaert het allemaal weg. Er zijn vissen die zich pas in troebel water lekker voelen. Hij was zo’n flik. Eén die veel over het eigen huis wist en besefte dat die kennis een opportuniteit was. Zeker in een land waar alles wat met justitie, politie- en veiligheidsdiensten te maken had, evenveel staten in de staat waren.

Het was de tijd dat ministers van Binnenlandse Zaken eindeloos konden tafelen, want de job was nauwelijks meer dan een baan in bijberoep. Een afscheidscadeautje voor de verdienstelijke partijzeloot. Van 1981 tot 1987 was het Charles-Ferdinand Nothomb, die met het Heizeldrama in 1985 op onnavolgbare wijze zijn onkunde etaleerde, vervolgens weigerde ontslag te nemen en na vervroegde verkiezingen dezelfde portefeuille opeiste en kreeg. Voor lieden als een Audenaert is zo’n minister een hapje.

Martens’ masterplan

De politieke figuur die met de jaren tachtig vereenzelvigd wordt, is Wilfried Martens. Slechts heel even was hij in dat decennium geen premier en hoewel hij jurist van vorming was, valt zijn afwezigheid in de grote justitie-, politie- en terreurdossiers van die tijd op. Martens had een andere agenda, een economische, en daar moest alles voor wijken. Om de Belgische concurrentiepositie te herstellen, voerde Martens de laatste devaluatie van de Belgische frank door,werd de heilige index opgeschort, werden de lonen bevroren en werd met volmachten geregeerd. Het ‘masterplan’ was in Poupehan bedacht en een werkstuk van Martens’ kabinetschef Fons Verplaetse, vakbondsleider Jef Houthuys en de baas van de christelijke spaarkas BAC, Hubert Detremmerie.

Alles was ondergeschikt aan het herstelplan, zelfs de vete tussen Martens en Leo Tindemans werd enkele jaren onder het tapijt geveegd. Het hielp, bij de verkiezingen van oktober 1985 haalde CVP 49 zetels, een winst van zes. In de nieuwe rooms-blauwe coalitie werd de lijn doorgetrokken. Onder invloed van nieuwkomer Guy Verhofstadt ging het opnieuw over cijfers. Niet over het aantal doden van de Bende van Nijvel, wel over de begrotingstekorten.

Geheim netwerk? Sensatie!

Het Bendedossier bleef jarenlang etteren omdat zowel de Vlaamse als Franstalige toppolitici ervoor terugschrokken om het echte kwaad te ‘benoemen’. Halsstarrig bleven ze de kwestie depolitiseren. Terwijl de parlementaire onderzoekscommissie en de media getuigenissen en feiten opdiepten dat het om veel meer dan een raid van criminelen ging, bleven de regeringstop en de bevoegde ministers angstig op de vlakte. Dat er misschien reden was tot groot alarm, omdat het zenuwcentrum van de staat mee in de slag zat, was een bedenking, die in hoge regeringskringen als bijna subversieve agitprop werd weggewuifd.

Als de politici van de jaren tachtig al knielden voor een dogma, sloeg het op de neutraliteit van orde- en veiligheidsdiensten. Alsof die boven en buiten de politiek opereerden. Dat in geheel West-Europa met de steun van de CIA en de Navo een geheim stay behind-netwerk opereerde dat door rechtse diehards werd gestuurd, werd door de weldenkende Wetstraat als sensatie weggeblazen. Zoveel blindheid heeft waarschijnlijk alles met het hypocriete en gekooide denken van de Koude Oorlog te maken.

Eind jaren 70 zag ik samen met Walter De Bock een politieke thriller van Sidney Pollack, Three days of the condor. Een beklemmend verhaal met veel doden over een interne afrekening binnen de CIA. Ik maakte mij ervan af met de bedenking dat het slechts fictie was en dat het alleen in de VS mogelijk was. De Bock had daar zijn twijfels over. Op zaterdagnacht 9 november 1985 stonden we beiden aan de Delhaize in Aalst. De Bock was toen heel zeker dat het geen overval was, wel een aanslag. Toen durfde ik hem al nauwelijks tegenspreken, vandaag zeker niet.

Bron » De Standaard | Paul Goossens

Koppig tot op het einde

Dag op dag 20 jaar na het losbarsten van de zaak-Dutroux koos privédetective André Rogge (76) voor euthanasie. De gewezen inbreker werd in de jaren 90, als luis in de pels van justitie, een cultfiguur. De moord op PS-kopstuk André Cools helderde hij tien jaar voor het gerecht op.

André Rogge ging door het leven met de gewoonten van een onderwereldfiguur. Stoppelbaard, priemende ogen. Een oude Alfa Romeo met een in Monaco geregistreerd kenteken. Afspreken deed hij bij voorkeur in een paalsdansclub nabij het Brusselse Zuidstation. “Hier ruiken ze politiemensen direct”, verklaarde hij.

Als gewezen beroepsdief kende hij het politiewereldje erg goed. Hij was jarenlang informant van de Brusselse gerechtelijke politie. Rogge liet zich inhuren voor klusjes waarbij moordenaars en zwendelaars met valse cheques moesten worden opgespoord. Moest er buiten lijntjes worden gekleurd, dan was hij de man. Tot hij ontdekte dat hoofdcommissaris Frans Reyniers een notoire Duitse juwelendief tegen betaling zijn gang liet gaan. Hij trok met zijn gegevens naar onderzoeksjournalist Walter De Bock van De Morgen.

Exit commissaris Reyniers

De privédetective en de in 2007 overleden onderzoeksjournalist bleven jarenlang een onafscheidelijk duo. Het waren zij tweeën die in de zomer van 1992 voor een doorbraak zorgden in de meest enigmatische moordzaak van die tijd: die op PS-kopstuk André Cools op 18 juli 1991.

Justitie in Luik zat helemaal op een dood spoor, maar het was Rogge die als eerste een van de direct betrokkenen aan de praat kreeg. Carlo Todarello, een figuur uit de directe entourage van oud-PS-minister Alain Van der Biest. Het was hij, de zwaar aan de drank zittende Van der Biest, die twee Tunesische huurmoordenaars op Cools had afgestuurd.

Van meet af aan juist

Geen mens die in 1992 geloof hechtte aan de onthullingen van Rogge en De Bock, maar ze bleven volharden. Pas in 1996 volgde een hele reeks arrestaties, onder meer van Van der Biest zelf. Het zou nog tot in 2002 duren voor de moordenaars van Cools zouden worden veroordeeld, maar aan het eind kon weinig anders worden besloten dan dat de kleine bonkige privédetective het van meet af aan bij het rechte eind had gehad.

Je kreeg nooit helemaal hoogte van Rogge, die teruggetrokken leefde in een huisje in het Waals-Brabantse Ellezelles. Hij leek het niet te doen voor het geld en ook al niet voor de erkenning. “Het geeft ergens een goed gevoel”, zei hij ooit. “Ik kies om de een of andere reden altijd de kant van de zwakken.”

Rogge publiceerde in 1996 al zijn memoires, ‘Het riool van België’. Het werd een van de bestverkopende boeken van dat zwarte jaar. Over corrupte politiemensen, zijn zoektocht door half Europa naar de verdwenen tiener Elisabeth Brichet, zijn persoonlijke oorlog met handelaars in kinderporno.

Niemand tot last

Zijn laatste grote zaak was die van het zogenaamde duivelse koppel, Peter-Uwe Schmitt en Aurore Martin in 1997. Ze hadden elk afzonderlijk een partner gekozen, een contract voor een levensverzekering doen ondertekenen en kort daarna vermoord. Opnieuw was het Rogge die als allereerste een familielid van Martin aan de praat kreeg. Zijn getuigenis op het assisenproces was zowat zijn laatste grote moment.

André Rogge werd een jaar geleden ernstig ziek. Hij meed alle contact, wou volgens een kennis “in deze staat niemand tot last zijn”. Hij koos er zelf voor om uit het leven te stappen. Op zondag 15 augustus, exact 20 jaar na het losbarsten van de zaak-Dutroux.

Bron » De Morgen

Comité I krijgt geen toegang tot archief Walter De Bock

Het Comité I, de parlementaire waakhond die toezicht houdt op het werk van de inlichtingendiensten, heeft een mislukte poging ondernomen om het archief van de in november 2007 overleden De Morgen-journalist Walter De Bock te raadplegen. Op 18 december vorig jaar brachten Reinier Van Camp, lid van de enquêtedienst van het Comité I, en Wauter Van Laethem, jurist van het Comité I, een bezoek aan de centrale bibliotheek van de Katholieke Universiteit van Leuven op het Ladeuzeplein, waar het archief van Walter De Bock sinds 2006 wordt bewaard.

De twee speurders werden er ontvangen door Paul Huybrechts, een voormalige journalist die zich bezighoudt met het beheer van het archief. Dit archief is in principe voor iedereen toegankelijk, maar voor bepaalde documenten die vallen onder het journalistieke bronnengeheim is toelating nodig van de Raad voor de Journalistiek. De bezoekers beweerden niet te weten dat de toegang voor bepaalde documenten beperkt is, en kregen geen enkel document te zien.

Guy Rapaille, voorzitter van het Comité I, schreef vervolgens een brief naar Filip Voets, secretaris-generaal van de Raad voor de Journalistiek, met de vraag om toegang te krijgen tot het archief in het kader van een onderzoek naar de klacht van Benoît de Bonvoisin tegen de Staatsveiligheid.

Voets antwoordde op 15 januari jongstleden aan voorzitter Rapaille dat het Comité I geen toegang krijgt tot het archief van De Bock, met als argument dat een dergelijke toelating mogelijk strijdig zou zijn met de inmiddels wettelijk verankerde bescherming van het journalistieke bronnengeheim. De Bonvoisin meent het slachtoffer te zijn van door de Staatsveiligheid gefabriceerde gegevens die zijn reputatie hebben vernietigd.

Die beschadigingsoperatie begon volgens de baron in 1981 met de publicatie door De Bock in deze krant van een aan de Staatsveiligheid toegeschreven nota waarin De Bonvoisin werd afgeschilderd als de occulte financier van het gewelddadige, extreem rechtse Front de la Jeunesse.

Na een procedureslag die meer dan twintig jaar duurde, kreeg De Bonvoisin inmiddels gelijk van de rechtbank en ging hij in het tegenoffensief. In het kader van hetzelfde onderzoek naar de klacht van De Bonvoisin voerde het Comité I in februari 2006 ook een huiszoeking uit bij de Staatsveiligheid.

Tijdens die huiszoeking werd het bestaan ontdekt van geheime, illegale dossiers met compromitterende informatie over politici. Die ‘gereserveerde’ dossiers vielen buiten de normale informatiehuishouding van de dienst en werden aangelegd op bevel van en persoonlijk beheerd door Albert Raes, de toenmalige chef van de Staatsveiligheid.

Bron » De Morgen

Klaartje Schrijvers doctoreert met een proefschrift op basis van het archief van Walter De Bock

Tijdens de heropbouw van Europa na de Tweede Wereldoorlog reorganiseerde een neoaristocratische elite van rechtse signatuur zich achter de schermen in een kluwen van allianties. Als eerste legde historica Klaartje Schrijvers dat netwerk bloot in haar proefschrift ‘L’Europe sera de droite ou ne sera pas’, waarmee ze onlangs aan de Universiteit Gent promoveerde tot doctor in de nieuwste geschiedenis. Schrijvers baseerde zich in belangrijke mate op het monumentale archief van de onlangs overleden De Morgen-journalist Walter De Bock.

Walter De Bock stierf eind november aan de gevolgen van alzheimer. Een jaar voor zijn dood schonk hij zijn archief, dat dertig jaar onderzoeksjournalistiek omvat, aan de faculteit Geschiedenis van de KU Leuven. Voor het archief toegankelijk werd voor studenten en onderzoekers, mocht voormalig animatiefilmmaakster Klaartje Schrijvers (39) er anderhalf jaar naar hartenlust in wroeten. “Walter had me carte blanche gegeven. Toen ik in januari 2005 voor het eerst bij hem kwam, had ik een lijst bij me van 360 protagonisten over wie ik meer wilde weten. Walter was meteen wild enthousiast. ‘Het is op jouw doctoraat dat mijn archief heeft liggen wachten’, glunderde hij.”

Walter De Bock maakte naam met zijn dossiers over grootschalige corruptie en fraude, illegale wapenhandel en de infiltratie van de georganiseerde misdaad in het zakenleven en de politiek. Daarnaast bracht De Bock tijdens zijn carrière extreem rechts in kaart en onderzocht hij de verwevenheid tussen neonazi’s en ‘fatsoenlijk’ rechts. Het was precies in die laatste branche dat Schrijvers zich op dat moment al twee jaar aan het verdiepen was.

“Ik was in het bezit van parlementaire verslagen en allerlei officiële documenten, maar daar kon ik niets mee doen. Wat ik nodig had waren egodocumenten: losse krabbels van telefoongesprekken, agenda’s, briefwisseling, ledenlijsten van al dan niet obscure organisaties. Dat zat allemaal in het archief van Walter. Ik ben ook op gerechtelijke dossiers gestoten en op documenten van de Staatsveiligheid. Dat is de redding van mijn doctoraat geweest. Walters archief was het enige dat heb ik kunnen raadplegen waarin de anticommunistische actie uitvoerig was opgenomen. Op basis van zijn documenten heb ik een rechts netwerk in kaart kunnen brengen dat nog nooit was ontrafeld.”

Het onderzoek van Schrijvers deed heel wat stof opwaaien. Tijdens haar verdediging midden december kreeg de doctoranda de wind van voren van eminente wetenschappers als Rik Coolsaet en Bruno De Wever, die haar verweten zich bijna uitsluitend te hebben gebaseerd op de “niet geheel onzijdige collectie” van De Bock. Maar, zo gaf Coolsaet toe, “dit proefschrift zal niet te mijden zijn door wie hier later iets over wil schrijven.”

Rudi Van Doorslaer, die samen met Etienne Verhoeyen een boek schreef over de moord op Julien Lahaut, prees het titanenwerk van Schrijvers. “Door het in kaart brengen van een netwerk van rechtse allianties kan de moord op Lahaut op een dieper niveau worden gecontextualiseerd”, klonk het enthousiast.

Een mooi compliment van Rudi Van Doorslaer. Eigenlijk zegt hij dat u voor een stuk hebt meegeschreven aan de Belgische geschiedenis.

Klaartje Schrijvers: “Ik heb althans een bijzonder aspect van onze geschiedenis belicht waar niet naast valt te kijken. Uit mijn onderzoek blijkt dat in de twintigste eeuw allianties hebben gefunctioneerd die Europa te allen prijze rechts wilden maken. Die organisaties hebben buiten de schijnwerpers bestaan, wars van alle andere evoluties in de voorbije eeuw, zoals de emancipatie van de arbeider.”

“Voor alle duidelijkheid: ik heb de moord op Julien Lahaut niet opgelost (onlangs raakte door een Canvasdocumentaire de echte dader bekend). Maar ik heb wel kunnen aantonen waarom de moord al die jaren nooit is opgelost. Het gaat over meer dan een paar royalisten die beslisten Lahaut een kogel door de kop te jagen omdat hij tijdens de eedaflegging van koning Boudewijn ‘Vive la république’ zou hebben geroepen. Door mijn onderzoek heb ik een ruimere context blootgelegd waarin de moord mogelijk was gemaakt.”

Wat hebt u precies onderzocht in uw doctoraat?

“De ondertitel van mijn proefschrift is: ‘De netwerking van een neoaristocratische elite in de korte twintigste eeuw’. Ik heb figuren bestudeerd die zich in het midden van de voorbije eeuw duidelijk als rechts, autoritair, antidemocratisch, anticommunistisch, ultrakatholiek en royalistisch profileerden. Vanuit die gemeenschappelijke ideologie troffen ze elkaar in diverse organisaties. Daarop heb ik een kluwen van allianties in kaart gebracht die functioneerden tussen 1917 en 1989. Ik noem dat de anticommunistische periode, omdat de protagonisten in de netwerken allemaal anticommunistisch waren. Dat was de belangrijkste drijfveer om allianties aan te gaan.”

“Die neoaristocratische elite bestond enerzijds uit bloedadel, anderzijds uit de hoogopgeleide bourgeoisie en de nouveaux riches. Er zaten ook veel industriëlen en bankiers tussen, net als hoofdredacteurs van rechtse bladen, politici, inlichtingenagenten en juristen. Florimond Damman, een Franstalige Gentenaar, fungeerde als gids van mijn verhaal. Damman was bekend om zijn ‘grands diners européens’, waar elke keer zo’n 200 genodigden op afkwamen, en die hij veelzeggend ‘Charlemagnediners’ had gedoopt. De deelnemers verheerlijkten de christelijke middeleeuwen ten tijde van Karel De Grote.”

“Voor het grote publiek is hij een onbekende, maar Damman had banden met alle organisaties, niet alleen Belgische. Hij was een begenadigd spreker en werd overal uitgenodigd. Daarnaast stichtte hij de AESP, L’Académie Européenne des Sciences Politiques. Dat was een internationale organisatie waarin de rechtse neoaristocratische jetset uit heel Europa was vertegenwoordigd. Ze discussieerden over welke richting de Europese eenmaking uit moest gaan. Via Dammans onwaarschijnlijke contacten kon ik van het ene netwerk naar het andere gaan.”

Wie zat allemaal in die netwerken?

“Te veel mensen om op te noemen. Otto von Habsburg, zoon van de laatste keizer van Oostenrijk-Hongarije, die later een politiek mandaat opnam als Europarlementslid, is misschien de bekendste. Je hebt ook Alfredo Sanchez-Bella, Spaans minister onder het Francoregime, Antoine Pinay, voormalig eerste minister van Frankrijk en Giulio Andreotti, voormalig eerste minister van Italië.”

“In België duiken figuren op als Paul Van Zeeland, Paul Vanden Boeynants en merkwaardig genoeg ook Gaston Eyskens. Die was lid van de AESP en zat ook in het CEDI, het Centre Européen de Documentation et d’Information, dat banden had met Opus Dei en het Vaticaan. Via Andreotti kwam ik zelfs tot de stay-behindnetwerken van na de Tweede Wereldoorlog en de CIA.”

Het ging in ons land om royalisten en nationalisten, die toch nadachten over een supranationaal Europa. Is dat geen paradox?

“De adel was dan wel nationalistisch wanneer het over het koninkrijk ging, maar op zich is de aristocratie altijd internationaal geweest. Hun dynastieën kennen geen grenzen. Bovendien ging het om een Franstalige elite, die haar Belgisch nationalisme combineerde met een verdoken imperialisme. Een eengemaakt Europa moest voor hen als een soort compensatie gelden voor het machtsverlies in de kolonies. Er waren absoluut geen banden met het Vlaams nationalisme. Eigenlijk is het vooral de koningskwestie en de dekolonisatie van Congo die de netwerkvorming van voormalige rechtse verzetslui hebben gevoed.”

“Opvallend genoeg liggen de roots van dat netwerk in de anticommunistische actie tijdens het interbellum. Toen al voelde de adel en een deel van de industriële en financiële elite zich bedreigd door het communisme. Het segment dat ik heb bestudeerd en waarvan vele leden later in het rechtse verzet gingen, was in het interbellum aanhanger van de Nieuwe Orde en zocht onder meer aansluiting bij paramilitaire organisaties.”

“Dat antidemocratische karakter lijkt voldoende om als collaborateur te worden gebrandmerkt, maar het rechtse verzet was naast nationalistisch en royalistisch ook anti-Duits en ultrakatholiek. De leden waren fervent leopoldistisch: ondanks de houding van Leopold III in de Tweede Wereldoorlog sprak het rechtse verzet zich onomwonden uit voor zijn terugkeer na zijn verbanning.”

Was een sterk eengemaakt Europa na de Tweede Wereldoorlog niet vooral een Amerikaanse constructie?

“Europa moest in de jaren vijftig economisch worden heropgebouwd en daar hebben de VS met hun Marshallplan een grote rol in gespeeld, dat klopt. Maar ondertussen waren de regeringen in ballingschap er al over aan het debatteren hoe dat Europa er staatkundig en organisatorisch uit moest zien. Na de oorlog ontstonden behalve de officiële European Movement verschillende ‘Europeïstische’ organisaties die een rechtse koers beoogden. Hun credo was: l’Europe sera de droite ou ne sera pas. Europa moest bovenal de christelijke en westerse waarden incarneren en een machtig bolwerk vormen tegen het communistische gevaar.”

Volgens professor Rik Coolsaet vervulde dat netwerk maar een marginale rol.

“Van de figuren die ik in mijn netwerken heb geïdentificeerd, zoals Otto von Habsburg en Antoine Pinay, kun je toch bezwaarlijk zeggen dat zij politiek marginale figuren waren. Hun werk speelde zich discreet af achter de schermen. Ze hadden niet de behoefte om in de schijnwerpers te staan.”

Maar hebben zij concrete dingen verwezenlijkt?

“Dat is een delicate vraag. Men ontmoette elkaar op diners, meetings en conferenties waar de jetset van Europa samenkwam. Niet op het politieke toneel. Het enige wat je kunt vermoeden, is dat er sprake is geweest van een zekere impact. Maar die impact concreet neergeschreven terugvinden is onmogelijk, net omdat de protagonisten subtiel te werk gingen. Je kunt je wel afvragen of Europa door dat netwerk nu rechts is, of niet links genoeg.”

“Ik ben geen expert van de Europese Unie, maar je kunt er niet onderuit dat extreem rechts in Europa behoorlijk aan terrein wint. Alleen heeft dat niets te maken met de rechtse allianties die ik in kaart heb gebracht. Je kunt bezwaarlijk van het Vlaams Belang zeggen dat het een ‘élite de l’esprit’ is. Beweren dat Europa antidemocratisch is en geen parlementen heeft, is al even grote onzin.”

“Maar je kunt wel zeggen dat Europa de christelijke en westerse waarden die het predikt steeds meer centraal stelt. De christelijke lobby is momenteel een van de sterkste in Europa. Het zou interessant zijn te onderzoeken in hoeverre die lobbygroeperingen mijn rechtse netwerken overlappen.”

Hoe bent u er eigenlijk toe gekomen om dat netwerk in beeld te brengen?

“Ik ben altijd al geïntrigeerd geweest door de moord op Julien Lahaut. De symbiose van royalisme en anticommunisme die in ons land tot een macaber hoogtepunt komt, dat is fascinerend. Etienne Verhoeyen en Rudi Van Doorslaer waren bovendien de eersten die na de moord wezen op het bestaan van anticommunistische netwerken in ons land.”

“Tegelijk was ik in mijn licentiaatsverhandeling tot een min of meer gelijklopende vaststelling gekomen. Tijdens de artsenstaking van 1964 kwam de politieke elite tegenover het artsenkorps te staan, dat de liberale waarden van het beroep wilde vrijwaren van het ‘etatisme’. De overheid was immers gewonnen voor meer inmenging in de sociale zekerheid door de salarissen en het aantal consultaties van de artsen vast te leggen.”

“De staking die daarop volgde, was alleen maar mogelijk omdat de artsen zich organiseerden in syndicale kamers. Daar doken plotseling vroegere verzetslui, ex-kolonialen en figuren uit poujadistische partijen op. Wat deden die mensen opeens in dat verhaal? Toen had ik al een vermoeden van een zekere netwerking.”

Zijn de allianties die u hebt geïdentificeerd vandaag nog actief? Het is nog altijd niet duidelijk hoe de moord op Lahaut is kunnen gebeuren en wie precies de opdracht heeft gegeven.

“We mogen niet in complottheorieën denken. Toch is het best mogelijk dat men als het onderzoek naar de moord op Lahaut wordt heropend de werkelijke opdrachtgevers vindt. En ik sluit niet uit dat in dat geval mijn netwerken opduiken, of dat de daders mijn netwerken op zijn minst kruisen. Maar om dat fatsoenlijk te kunnen onderzoeken moet de archiefwet dringend veranderen. Nog altijd is het voor onderzoekers moeilijk om de anticommunistische actie te bestuderen.”

Hebt u veel weerstand ondervonden bij het vergaren van de informatie?

“Ofwel stoot je op een muur van stilzwijgen door censuur en door de ontoegankelijkheid van de bron, ofwel stoot je op afwezige bronnen. In de archieven van de gerechtelijke politie is bijvoorbeeld nauwelijks iets terug te vinden over anticommunisme, omdat zij voornamelijk de communistische actie viseerden. Bij de Staatsveiligheid ben ik niet eens binnen geraakt, ook niet na herhaaldelijk aandringen en een persoonlijk gesprek.”

“In de National Archives and Records Administration in Washington was er ronduit sprake van censuur. Telkens als ik nog maar in de buurt kwam van anticommunisme, stootte ik op restricted files. Bovendien was de informatie die ik er aantrof niet altijd even accuraat. Het gaat om documenten die verzameld zijn door de CIA, Amerikaanse ambassades, militaire inlichtingendiensten, de State Departement.”

“Ook over België, ja. Maar hun biografische gegevens kloppen niet altijd. Namen zijn fout gespeld, gebeurtenissen fout geïnterpreteerd of uitsluitend door een Amerikaanse bril. Zes weken aan een stuk heb ik daar zes dagen per week alles uitgespit wat ik kon vinden. Gelukkig was het archief van Walter er nog.”

Heeft Walter De Bock nog geweten dat uw doctoraat klaar was?

“Ik heb hem de laatste keer gezien bij de overdracht van zijn archief in november 2006. Paul Huybrechts, die zijn archief inventariseerde, heeft hem een week voor zijn dood nog kunnen zeggen dat het doctoraat af was. Het proefschrift lezen kon hij uiteraard niet meer. Walter was de laatste twee jaren snel achteruit gegaan. Toen ik hem in januari 2005 leerde kennen, kon hij nog uit het blote hoofd dingen ophalen die nuttig waren voor mijn onderzoek. Dat ging op het einde niet meer en daar kon hij heel boos om worden.”

“Ik besef dat ik enorm bevoorrecht ben geweest. Niemand zal ooit nog zo vrij zijn archief kunnen raadplegen. Ik heb het kunnen inkijken op het moment van de overheveling, met de fiat van Walter zelf. Mensen die na mij komen, zullen zich aan de archiefwet moeten houden, of kunnen stuiten op het journalistieke bronnengeheim. Zeker met betrekking tot erg delicate dossiers.”

“Het spreekt voor zich dat mijn onderzoek nooit zo uitgebreid zou zijn geweest zonder het archief van Walter. Het is gemakkelijk om mijn doctoraat op basis daarvan onderuit te halen. Walter had ten slotte een uitgesproken ideologisch profiel en zijn critici gaan ervan uit dat zijn archief op dezelfde manier gekleurd zou zijn. Maar elk archief komt tot stand door selectie. Je zegt toch ook niet van de zuilgebonden archieven zoals het Kadoc en het liberaal archief dat ze niet neutraal zouden zijn.”

Tijdens de lofrede liet uw promotor Gita Deneckere uw vorige carrière als filmmaakster niet onbesproken. Vreemde switch: animatrice wordt doctor in de geschiedenis.

“Tot 2000 heb ik gewerkt als zelfstandig kunstenares. Ik behoor tot een van de laatste lichtingen van Raoul Servais in Gent. Maar het kunstenaarsbestaan is zo onzeker. In 1994 heb ik het filmfestival van Venetië mogen openen met mijn kortfilm, maar het volgende jaar moest je bij wijze van spreken krabben om rond te komen. Ik deed het graag, het was monnikenwerk dat opperste concentratie vereiste. Maar het was tijd voor iets anders.”

“Geschiedenis heeft me altijd geïnteresseerd. Waarom ook niet, dacht ik. Op mijn dertigste ben ik gewoon tussen de eerstejaars les beginnen te volgen. Toen ik met mijn licentiaatsverhandeling grootste onderscheiding behaalde, kwam ik in aanmerking om te doctoreren. Dingen onderzoeken en me verdiepen in informatie heeft altijd in me gezeten. Ik vind het heerlijk om aan iets te beginnen waarvan je niet weet wat de uitkomst zal zijn. Zo wist ik niet dat ik van het rechtse verzet in België zou uitkomen bij een Europees netwerk. Iets van nul kunnen creëren, dat is gewoon fantastisch. Eigenlijk is dat met animatiefilms precies hetzelfde.”

Bron » De Morgen

Biografie van Walter De Bock

Dikke bril, scherpe blik

Bij leven en welzijn was Walter De Bock een fenomeen. Journalistiek en menselijk. Toen hij in 1992 hoofdredacteur ad interim van De Morgen werd, verliep een sollicitatiegesprek als volgt. “Afspraak één: bel vanuit een telefooncel naar de redactie, dan kom ik wel naar buiten. Wees discreet: niemand mag het weten.” Het was de pre-gsm-periode en vanzelfsprekend bevond Walter zich op het afgesproken ogenblik niet aan ‘zijn’ toestel en nam een collega op.

Die hoorde je dan door de oude redactielokalen in de Brogniezstraat brullen: “Waar zit De Bock? Een sollicitant voor hem aan de lijn.” Waarop Walter je uitnodigde in zijn auto en hij vervolgens de kleine ring van Brussel rondreed. Eén, twee, drie keer zo lang als nodig. “Zo ben ik zeker dat niemand ons afluistert.” Alsof de CIA daarvoor interesse had. Of Benoît de Bonvoisin.

Zo was Walter De Bock, bezeten van zijn vak, een onderzoeksjournalist die tegelijk leefde op de redactie van zijn krant en bij de geheime diensten tussen de ‘bronnen’ van uiteenlopend kaliber en kwaliteit, een onderzoeksjournalist die meeslepend vertelde, hoekig schreef, er op het eerste zicht ongevaarlijk uitzag, maar jarenlang de schrik was van al wat en wie hij in zijn vizier kreeg. Hij was bovendien het productiefst in ‘de jaren van lood’, de jaren zeventig en tachtig, toen ook in België de Koude Oorlog woedde.

De Bock was een gedeclareerde tegenstander van extreem-rechts, in al zijn gedaanten: VMO’ers, en natuurlijk hun financiers, wapenleveranciers die gemene zaak maakten met Zuid-Amerikaanse generaals of het apartheidsregime, de lui achter de Bende van Nijvel.

Of het koningshuis, toen Albert II nog prins Albert heette en voorzitter was van de Dienst voor Buitenlandse Handel kreeg De Bock hem in het vizier in wat zou uitlopen op het dossier Eurosystem-Hospitalier. Een verhaal van Saoedische prinsen en hun leger, een gigantisch vastgoedproject, smeergeld en callgirls. Uiteindelijk zou PS-voorzitter Karel Van Miert, in een zeker voor die tijd hoogst ongebruikelijke demarche, prins Albert waarschuwen voor zijn entourage.

Moord op André Cools

Voor De Bock sijpelde rechts ook door in kringen waar dat niet verwacht werd. Socialisten als Edmund Leburton – als grote vriend van Mobutu – of Henri Simonet nam hij even meedogenloos op de korrel. En hoewel hij zelf tijdlang lid was van de loge klaagde hij publiek de uitwassen aan van bepaalde maçonnieke obediënties, het laatst nog in het ontrafelen van de moord op André Cools.

De zaak-Cools is een van de talloze dossiers waarin De Bock een beslissende rol speelde. Zijn openingskop op de voorpagina van De Morgen, op 13 juni 1992, blijft van historische waarde: ‘Kabinet-Van der Biest betaalde moordenaars.’ Tot vandaag is die kop tot de laatste letter waar, dat bleek nogmaals toen de laatste betrokkene, Domenico Castellino, in maar 2007 definitief veroordeeld werd door het Luikse hof van beroep.

Maar tussen 2003 en De Bocks historische primeur in 1992 lag meer dan tien jaar. In die periode heeft De Bock de bitterste kritieken ondergaan en dat was niet voor het eerst in zijn carrière. Soms was daar ook reden voor en had De Bock inderdaad een fout gemaakt.

Toen De Bock op 13 november 2006 zijn beroemde archief aan de Katholieke Universiteit van Leuven overdroeg, parafraseerde zijn vriend Paul Huybrechts in dat verband de legendarische uitspraak van wijlen Piet De Somer, rector van die univeristeit: het is onvermijdelijk dat onderzoeksjournalisten in een jarenlange loopbaan soms dwalen en dat kan, indien het in evenwicht gehouden wordt door een genereuze toepassing van het recht van antwoord. Bijwijlen dwong De Bock De Morgen om daarin eerder gul te zijn.

Maar bovenal blijft de herinnering aan een moedige en kundige man. Een journalist met historisch besef, want naast de grote actuele dossiers kon bijvoorbeeld de controle op het Congolese uranium De Bock blijvend interesseren. Hij schreef het boek De mooiste jaren van mijn generatie, een uitgebreide bundeling van artikels die eerder in De Morgen verschenen en bedoeld waren als ingenieuze één-twee met de beruchte tv-serie van Maurice De Wilde over de collaboratie.

Terwijl veel andere kranten vooral moord en brand schreeuwden over De Wilde en zijn hoogst persoonlijke stijl, bracht De Bock nog eens extra onthullingen aan, vaak over personen die bij De Wilde op tv nog net de dans ontsprongen waren, maar die op de ochtend van de uitzendingsdag zelf in die kleine krant even gedetailleerd als genadeloos gefileerd werden.

Op die manier was De Bock een krijger met tal van scalpen aan zijn gordel. Misschien zijn allerlaatste belangrijke slachtoffer was Johan De Mol. Die zat toen nog niet bij het Vlaams Blok, maar was de bekende, beruchte, controversiële en hoe dan ook populaire politiecommissaris van Schaarbeek, een man die met harde optreden tegen allochtonen steevast het nieuws haalde. Onder meer de voorpagina-artikels van De Bock deden De Mol de das om, want ze verplichtten toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Vande Lanotte een schorsing uit te spreken.

De Bock had toen al zijn journalistieke techniek verfijnd: “Vroeger gaf ik alles wat ik wist in één dossier: boem-baf, vier, acht, als het moest nog meer pagina’s krant. Maar dan had je niets meer te zeggen. Ik heb intussen geleerd dat je je beste argumenten in twee moet delen. Op dag één geef je je op één na sterkste argument. Dat wordt dan ontkend en zo denkt je tegenstrever dat hij gewonnen heeft. Maar op dag twee kom je dan met je grote slag.”

Zo gebeurde met De Mol: eerst een linkse, dan een rechtse van De Bock en vervolgens knock-out, zij het in de tweede ronde. En zeggen dat De Bock halfweg de jaren zestig begonnen was als hoofdredacteur van Ons Leven het blad van wat voluit het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond heet.

Samen met kompanen als Paul Goossens, Kris Merckx en Ludo Merckx vormde hij de historische kern van de Vlaamse soixante-huitards of mei-68’ers. Ze begonnen een Vlaamse strijd ‘Walen buiten’, maar bogen die om tot ‘bougeois buiten’. Martens en Merckx stichtten de extreem linkse partij Amada, later PVDA, Goossens loodste De Bock in 1979 naar De Morgen.

Uitgerekend Goossens, een ex-seminarist, en De Bock, zoon van een professor uit Leuven, stonden mee aan de basis van de ontzuiling in Vlaanderen en vooral van de ontzuilde journalistiek. Zelfs de CIA toonde zich in interne documenten ongerust over de agitatie die van hen uitging: “Both Goossens and De Bock are aggressive personalities and dynamic speakers.”

Dat bewees hij trouwens bij zijn last hurrah, een reeks over de discutabele praktijken van onze nationale trots Tractebel in Kazachstan. Het bedrijf wilde op een persconferentie de onthullingen van De Morgen ontkrachten, maar Walter gaf ter plaatse de laatste grote performance van zijn leven en neutraliseerde de uitleg van topman Jean-Pierre Hansen. Overigens speelde De Bock in 1992-1993 een zeer cruciale rol toen hij na Paul Goossens en Piet Piryns hoofdredacteur ad interim wilde zijn van De Morgen, op een ogenblik dat niemand nog in die krant geloofde.

De socialistische beweging had eerder al haar steun stopgezet, de eigen solidariteitsacties volstonden niet en de nieuwe eigenaar Hoste – zo heette De Persgroep Publishing toen – bleef hoogst afstandelijk. Jaren later, in een opgemerkt interview in De Tijd, zou Christian Van Thillo verklaren dat De Bock de eerste was om een toenadering te zoeken die later providentieel bleek voor deze krant.

Zijn laatste sit-in

Van de kopstukken van de studentenleiders van ’68 is Walter De Bock een van de eersten om te sterven. Hij was zich daar al enige tijd van bewust, voor zover dat de laatste maanden nog kon. Tijdens zijn korte maar hevige omzwervingen in rust- en ziekenhuizen en psychiatrische instellingen organiseerde Walter zijn laatste sit-in. Zijn allerlaatste: tegen het paternalisme jegens psychiatrische patiënten in het algemeen en het min of meer gedwongen bijwonen van de eucharistieviering in het bijzonder.

Walter De Bock bleef achtenzestiger tot zijn laatste dag. Maar hij zag zijn dood onder ogen. In een pakkend afscheidsinterview in De Morgen, samen met alzheimeronderzoekster Christine Van Broeckhoven, zei Walter over de dood van zijn vader, zeer onlangs: ‘Ik wist dat het erg zou zijn, maar het was erger dan ik dacht. De manier waarop, dat sterven. Dat is moeilijk. Dus vandaar. Ik wacht.’ Het einde kwam sneller dan iedereen, ook hijzelf, dacht.

Bron » De Morgen

Afscheid van Walter De Bock

Met een indrukwekkende en ontroerende plechtigheid in de Promotiezaal van de Universiteitshal van de KU Leuven werd afscheid genomen van Walter De Bock, voormalig journalist van De Morgen en de onbetwiste grootmeester van de onderzoeksjournalistiek in Vlaanderen. De Bock overleed op 20 november 2007 aan de gevolgen van Alzheimer.

Meer dan driehonderd familieleden, vrienden en collega’s-journalisten uit binnen- en buitenland verzamelden zaterdag om hulde te brengen aan De Bock en te luisteren naar toespraken, muziek en gedichten van Bertolt Brecht. De afscheidsplechtigheid werd geleid door oud-journalist Paul Huybrechts, een goede vriend van De Bock die hem de laatste jaren hielp bij het inventariseren van zijn omvangrijke archief.

Met de schenking van dat archief aan de KU Leuven, die vorig jaar plechtig bezegeld werd, kon De Bock zijn levenswerk afronden. De bewaring van zijn archief, dat raadpleegbaar is voor onderzoekers en journalisten, betekent dat zijn werk ook na overlijden voort kan worden gezet.

Sprekers als Geert van Istendael, Walter Zinzen, Ludo De Witte, Paul Goossens, Filip Voets, Rik Van Cauwelaert en anderen haalden herinneringen op, wezen op de vele kwaliteiten van De Bock en onderstreepten het uitzonderlijke belang van zijn oeuvre voor de journalistiek. Opmerkelijk en emotioneel was de toespraak van Marcel Cools, zoon van de vermoorde PS-leider André Cools.

Hij sprak namens zijn familie zijn diepe dankbaarheid uit aan de journalistiek. Destijds heeft De Bock als eerste en enige journalist in De Morgen het juiste spoor blootgelegd dat leidde naar de moordenaars van André Cools. Pas vele jaren later kwam ook het Luikse gerecht tot dezelfde conclusie.

Marc Vervenne, rector van de KU Leuven, prees De Bock als een waardige zoon van de alma mater. De Bock begon veertig jaar geleden zijn carrière als een van de leiders van het studentenproces, aan de zijde van Paul Goossens en Ludo Martens, tegen de toen unitaire Leuvense universiteit. Het was mede onder invloed van De Bock dat die revolte evolueerde van een Vlaams-nationalistische geïnspireerde beweging voor Leuven-Vlaams naar een bredere, linkse contestatie tegen het establishment.

Bron » De Morgen