‘Enorme kansen’ om onopgeloste zaken te kraken met nieuwe dna-technologie

DNA-sporen van duizenden onopgeloste zaken worden vanaf volgend jaar met behulp van nieuwe technologie nog eens door de dna-database gehaald. De verwachtingen bij politie en Openbaar Ministerie zijn hooggespannen. “We gaan hiermee allerlei strafzaken oplossen.”

De nieuwe technologie wordt in eerste instantie gebruikt voor zwaardere zaken, zoals moord, zedenzaken of roofovervallen. Het Openbaar Ministerie verwacht in de eerste helft van 2021 met het onderzoek te kunnen starten. “Het NFI legt de laatste hand aan de benodigde software”, zegt Landelijk forensisch Officier van Justitie Mirjam Warnaar.

Het gaat om strafzaken waarin geen eenduidig dna-spoor, maar zogeheten onvolledige of dna-mengprofielen zijn gevonden. Deze complexe dna-profielen kunnen niet worden toegevoegd aan de landelijke dna-databank voor strafzaken. Ze zijn vaak eenmalig vergeleken met de dna-databank, en belanden daarna op de plank. Het gaat om vijfhonderd tot zeshonderd dna-profielen per jaar.

Maar omdat de dna-databank jaarlijks groeit met 20.000 profielen, loont het om vaker een nieuwe zoekronde te doen. Voorheen moest dat handmatig gebeuren, maar nu wordt dat geautomatiseerd. “Dat biedt enorme kansen”, zegt Warnaar. “We gaan hiermee allerlei strafzaken oplossen, daar ben ik van overtuigd.”

Als eerste aan de beurt

Nieuwe strafzaken waarin complex dna-materiaal wordt gevonden, komen als eerste aan de beurt voor herhaaldelijk onderzoek. Later krijgen ook duizenden oude onopgeloste strafzaken met deze methode een nieuwe kans om alsnog opgelost te worden.

Het dna-project maakt deel uit van verschillende proefprojecten waarmee politie, OM en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) de forensische opsporing naar een hoger niveau willen tillen. Zo draait er een proef met een dna-bus, waarmee de politie meteen op de plaats delict dna-sporen kan analyseren. Ook onderzoekt de politie de mogelijkheid om cold case-dossiers te digitaliseren, in de hoop alsnog een doorbraak te vinden met behulp van vrijwilligers.

De beoogde inhaalslag is hard nodig, betoogt Ruud Staijen, programmadirecteur Forensische Opsporing van de politie. Anderhalf jaar terug luidden politie en vakbonden nog de noodklok, omdat door de uitstroom van rechercheurs een flink personeelstekort was ontstaan. Inmiddels is dat tekort deels ingelopen. “We zijn langs de rand van de afgrond gescheerd en staan er nu iets beter voor”, zegt Staijen in een interview met deze nieuwssite.

Sneller oplossen van misdrijven

De bevlogenheid waarmee Staijen over de forensische opsporing praat, brandt door het scherm. Eigenlijk is het symbolisch dat het interview met de programmadirecteur van de politie via een videoverbinding plaatsvindt. Juist in de digitalisering van het speurwerk liggen de grootste kansen, is zijn pleidooi.

Forensisch onderzoek, het technisch onderzoek naar sporen bij misdrijven, is nu nog een arbeidsintensief proces. Laten we uitgaan van een overval. Forensisch rechercheurs komen op de plaats delict om voorzichtig sporen te ‘rapen’: vingerafdrukken, voetafdrukken, dna. “Vingerafdrukken worden opgenomen en meegenomen naar het bureau. Dna gaat in buisjes en in kratten. Die worden met auto’s naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) gereden. Daar is de capaciteit niet oneindig, dus vaak kan maar een beperkt aantal dna-sporen worden geanalyseerd. Het resultaat laat meestal enkele weken op zich wachten.”

En dat terwijl tijd cruciaal is in elk onderzoek naar de dader. “Hoe sneller we na een misdrijf onderzoeksresultaten hebben, hoe groter de pakkans”, zegt Staijen. “Hoe mooi is het als forensisch rechercheurs direct op de plaats delict dna kunnen laten analyseren en vergelijken met de dna-databank voor strafzaken? Of als je met de beveiligde politietelefoon een foto maakt van vingerafdruksporen, zodat die meteen door het systeem kunnen worden gehaald? Dan kan de dader misschien direct in beeld komen. De sporen zijn immers nog vers en mogelijk vinden we gelijk de buit of aanvullend bewijs.”

Geen verre toekomstmuziek

Het is geen verre toekomstmuziek, want de techniek is al zover. In verschillende proefprojecten experimenteren politie, het Openbaar Ministerie en het NFI met nieuwe mogelijkheden. Eén daarvan is LocalDNA. De politie beschikt nu over een bus waarmee gecertificeerde medewerkers op de plaats delict dna-sporen direct uitlezen. Met een beetje geluk kan de verdachte daarmee binnen enkele uren worden gevonden.

Een andere technologische doorbraak is automatische gezichtsherkenning. Stel dat de vermoedelijke dader door een beveiligingscamera is gefilmd. De software om gezichten te vergelijken is zoveel beter geworden dat het loont om de beelden meteen door de database te halen. “Uiteraard beoordeelt altijd een medewerker het eindresultaat, maar de computer doet steeds betere suggesties.”

Nieuwe mensen

Kortom, de techniek kan het werk van forensische opsporing efficiënter en makkelijker maken. En dat is hard nodig, want anderhalf jaar geleden stond het water de rechercheurs nog aan de lippen. Door pensionering van veel rechercheurs moesten 300 nieuwe werknemers worden ingepast. Dat aantal is inmiddels ruimschoots gehaald, onder meer vanwege een overweldigend aantal van 4000 sollicitanten. “Het inpassen van de nieuwe mensen vraagt nog heel wat qua opleiding en begeleiding, maar terugkijkend: we scheerden langs de rand van de afgrond, maar inmiddels staan we er iets beter voor”, zegt Staijen.

Toch vindt de politiedirecteur dat het tijd is om door te pakken met veelbelovende innovaties. De vraag naar Forensische Opsporing in onderzoeken blijft maar groeien. En het forensisch specialisme komt van ver. Pas vorig jaar kregen rechercheurs hun eigen laptop, zodat ze op de plaats delict digitaal gegevens konden invoeren. Een grote vooruitgang, maar waarom niet eerder? Over de dna-bus werd acht jaar geleden al gesproken. Nu rijdt er één rond. “Ik baal er soms van dat dingen lang duren”, erkent Staijen. “Maar soms is het een kostenkwestie, of moet je wachten tot de wet is veranderd.”

Als hij zou beschikken over voldoende middelen, zou Staijen het wel weten. “Dan werken forensische opsporing en digitale opsporing nauw samen met tactische opsporing en intelligence. Informatie moet stromen op de plaats delict. Sporen moeten direct worden gedigitaliseerd en naar databases verstuurd. Samen puzzelstukjes leggen en betekenis geven aan sporen. Daarmee zouden we een grote stap vooruit zetten in de ratrace tegen criminelen. Maar dat vraagt om voldoende centen en politieke steun.”

Bron » AD

‘Zwarte baron’ Benoît de Bonvoisin sleept Universiteit Gent voor rechter

Benoît de Bonvoisin (81), aan wie al veertig jaar de bijnaam ‘de zwarte baron’ plakt, sleept de UGent voor de rechter. Hij eist een schadevergoeding van 10.000 euro voor vermeende fouten in de masterproef van een student. Ook de (intussen oud-)student moet voorkomen.

Twee jaar al strijdt De Bonvoisin tegen de masterproef ‘De Westland New Post: pop-up van een veranderende samenleving’. Volgens De Bonvoisin bestempelt die hem onterecht als medestander van de Westland New Post, een extreemrechtse privémilitie uit de jaren 80 die communistische inmenging in de staatsinstellingen wilde blootleggen. De UGent deelt dit oordeel niet en weigert de masterproef, die terug te vinden is via Google, in te trekken.

Dit najaar buigt de Gentse rechtbank van eerste aanleg zich over de zaak. De Bonvoisin eist een schadevergoeding van 10.000 euro van de UGent en de auteur. Hij vraagt dat er een disclaimer wordt toegevoegd aan de masterproef, zodat duidelijk is dat die foute informatie bevat.

“Ik vind het schandalig dat justitie deze zaak laat voorkomen”, reageert Kenneth Lasoen, historicus en een van de lectoren van de masterproef. “Feit is dat Benoît de Bonvoisin steeds blijft opduiken in historisch onderzoek naar extreemrechts in België. Dus is het logisch dat zijn naam ook valt in een masterproef gebaseerd op dat onderzoek. De Bonvoisin wil misschien graag zijn naam uit al die boeken laten schrappen, maar dat is net de academische vrijheid.”

Bende van Nijvel

Het verhaal van Benoît de Bonvoisin gaat ruim 40 jaar terug, tot de loden jaren 80. In die periode wordt de Brusselse edelman, een belangrijke raadgever van de Franstalige politicus Paul Vanden Boeynants, door de Staatsveiligheid aangeduid als geldschieter voor extreemrechtse groeperingen. In een beruchte uitgelekte nota wordt hij omschreven als ‘de zwarte baron’.

De reputatie van De Bonvoisin is gemaakt: zijn naam zal jarenlang bovenkomen in allerlei dossiers, onder meer in dat van de Bende van Nijvel. Bewijzen zijn er niet. De Bonvoisin heeft het over een complot. Hij start een juridische kruistocht om zijn naam in ere te herstellen.

Die kruistocht levert ook iets op. Een onderzoek van het Comité I, dat controle uitoefent op de inlichtingendiensten, besluit in 2009 dat de Staatsveiligheid terecht aandacht had voor de levenswandel van de Bonvoisin – gezien zijn contacten in extreemrechtse milieus. Maar de Staatsveiligheid diepte de informatie over hem onvoldoende uit. In de beruchte nota waarin hij omgedoopt werd tot ‘de zwarte baron’ zijn veronderstellingen aangedikt tot feiten.

In 2013 wordt de Belgische staat veroordeeld tot een schadevergoeding van 100.000 euro aan De Bonvoisin. De zaak wacht momenteel op een behandeling in beroep. De Bonvoisin eist 6,25 miljoen euro. Hij oordeelt dat de Staatsveiligheid bewust zijn carrière heeft gekraakt.

Eenzijdig

“In de masterproef over de Westland New Post worden De Bonvoisin zaken aangewreven waarvan hij al duidelijk is vrijgesproken. Meermaals zelf”, benadrukt advocaat Tom Bauwens van het gerenommeerde kantoor Eubelius. Hij vertegenwoordigt De Bonvoisin. “We beseffen dat het om een gevoelig thema gaat. Een masterproef is inderdaad niet altijd perfect. Maar het feit dat er nergens wordt verwezen naar de uitspraken die hem vrijpleiten, zoals het onderzoek van het Comité I uit 2009, gaat voor ons te ver. Zo ontstaat een heel erg eenzijdige profielschets.”

De Bonvoisin was niet bereikbaar voor commentaar. Sinds een hersenbloeding in 2008 leeft hij teruggetrokken in een herenhuis in Brussel. Zijn broer en zus, Pierre de Bonvoisin en Marie-Françoise de Merode-de Bonvoisin, volgen de rechtszaak tegen de UGent op in zijn naam.

De communicatiedienst van de UGent wil niet vooruitlopen op deze “uitzonderlijke klacht”. De universiteit publiceert alle masterproeven die minstens een score van 14 op 20 halen. De masterproef De Westland New Post: pop-up van een veranderende samenleving kreeg een 14.

Bron » De Morgen | Jeroen Van Horenbeek

Bende-speurders hopen op nieuwe robotfoto’s dankzij DNA-onderzoek

Speurders hopen nieuwe robotfoto’s te kunnen maken van de verdachten in het dossier rond de Bende van Nijvel. Daarvoor gaan ze een tiental DNA-sporen gebruiken die ze dankzij de nieuwste technieken konden verzamelen. Tegenwoordig kan uit DNA immers ook de huidskleur, haarkleur en haarlijn afgeleid worden.

DNA-analyse laat vandaag heel wat meer toe dan enkel het opmaken van een genetische ‘identiteitskaart’, waarmee in laboratoria stalen vergeleken worden. Dankzij nieuw ontdekte “merkers” in de DNA-structuur, die onder meer verantwoordelijk zijn voor huidskleur, kleur van ogen en haar, haarlijn, een deel van de vorm van de neus en de afstand tussen delen van het aangezicht, kunnen ook (gedeeltelijke) robotfoto’s opgemaakt worden.

“Het zou mooi zijn als we dankzij zo’n analyse de nieuwe portretten kunnen vergelijken met de beschrijvingen die wij al hebben”, klinkt het in onderzoekskringen. “En dan kunnen we onze speurtocht richten op een kleinere groep verdachten.”

Van van de neus

Volgens Peter Claes (KU Leuven), toonaangevend wetenschapper op het vlak van gezichtsreconstructie op basis van DNA, zijn we nog niet toe aan het volledig opmaken van een aangezicht op basis van erfelijk materiaal. “Dat lukt voor pakweg 30 procent, en het resultaat is nog niet zo accuraat. De vorm van de neus alleen al wordt bepaald door meerdere merkers. Bovendien moeten we er rekening mee houden dat leeftijd, de omgeving en de leefgewoontes invloed hebben op de vorm van het aangezicht.”

Wet aanpassen

De mogelijkheden met DNA-analyses gaan misschien met rasse schreden vooruit, de wetgeving blijft hopeloos achter. En dat is het grote struikelblok door de Bende-speurders. “Wettelijk mogen wij niet kijken in het coderende DNA dat de informatie over lichamelijke kenmerken bevat”, zei Gert De Boeck, directeur van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie onlangs nog in onze krant.

“Dat soort onderzoeken mag wel in buurlanden Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Om het ook hier in strafzaken te kunnen gebruiken, moet de wet eerst worden aangepast.”

Bron » Het Nieuwsblad

Leidt DNA-onderzoek tot doorbraak in onderzoek bende van Nijvel?

Honderden verdachten en slachtoffers is gevraagd om DNA af te staan in het onderzoek naar de bende van Nijvel, die in de jaren 1980 angst zaaide in België. Wat kun je aflezen uit DNA? We vroegen het aan Peter Claes van de KU Leuven.

Er is al DNA-onderzoek gebeurd in dit dossier. Wat kunnen we nu dat vroeger niet kon?

“Het materiaal is wellicht vandaag veel beter uit te lezen dan tien of twintig jaar geleden. Een DNA-profiel afleiden uit een sigarettenpeuk of uit kledij was toen veel moeilijker. DNA van een plaats delict is helemaal iets anders dan ‘het perfecte DNA’ uit een bloedafname. Het is altijd ‘besmet’ met andere DNA-sporen van mensen of dieren.”

“Die sporen kunnen we nu veel beter van elkaar scheiden, zodat je aparte en volledige zogenoemde STR-profielen van personen verkrijgt. Dat zijn korte sequenties uit DNA die per individu uniek zijn. Door bijvoorbeeld DNA van slachtoffers, nabestaanden of getuigen op te vragen, kun je die profielen elimineren en hou je hopelijk vooral profielen van daders over.”

Hoe lang blijft DNA goed genoeg om er iets mee te kunnen voor forensisch onderzoek?

“DNA kan tientallen jaren heel goed bewaard blijven. Zolang dat in de juiste omstandigheden gebeurt – in een vriezer op -80 graden Celsius. En als het heel snel wordt opgepikt op de plaats delict. Hoe langer het daar aan de omgeving wordt blootgesteld, hoe meer het degradeert.”

Het zou gaan om honderden DNA-monsters. Zou het kunnen dat men een zo groot mogelijk groep uit de buurt opneemt om op die manier niet per se de dader te vinden, maar wel met enige zekerheid (verre) familie – en zo dus een nieuw spoor vindt?

“Die methode heet DNA fishnetting. Je gaat in een straal van een aantal kilometer rond de plaats delict van zoveel mogelijk mensen DNA vergelijken met het DNA van de dader. Deze methode heeft al tot doorbraken geleid, onder meer in Nederland. Maar hier lijkt me dat minder voor de hand liggend. Gewoonlijk moet je het heel snel doen nadat de misdaad is gebeurd. Het werkt vooral goed bij misdrijven als verkrachting of bij seriemoorden omdat dat soort daders meestal in de eigen omgeving toeslaat.”

“Tegelijk zou het natuurlijk kunnen dat de bendeleden uit de buurt kwamen. Lokale mensen die gefrustreerd waren en tegen het systeem in opstand kwamen. Misschien moeten we het niet te ver zoeken.”

“Maar voor een goede fishnetting heb je geen honderden, maar duizenden DNA-monsters nodig.”

Kun je uit het DNA van de plaats delict afleiden om wat voor persoon het gaat?

“Dat heet DNA-fenotypering: op basis van DNA probeer je uit te zoeken hoe iemand eruitziet. Dat is waar ik zelf onderzoek naar doe. Momenteel kunnen we al met grote zekerheid de oog- en haarkleur vaststellen, en de etnische afkomst. En uiteraard kun je ook het geslacht te weten komen.”

“Die fenotypering is in België momenteel verboden – afgezien van het geslacht. Maar die regel is voor het onderzoek naar de bende van Nijvel al met de voeten getreden. Er is al DNA naar een lab van de politie in Lyon gestuurd om het daar te laten uitlezen. In Frankrijk mag dat wel. Mogelijk verandert de wetgeving binnenkort ook in België. Minister van justitie Koen Geens is in elk geval voorstander.”

“In de Verenigde Staten is deze methode al veel verregaander toegepast, om een soort robotfoto te maken op basis van DNA van een plaats delict. Maar daar is het nog veel te vroeg voor. De voorspelling is niet nauwkeurig genoeg. Je verkrijgt vooral ‘gemiddelde’ gezichten, waardoor mensen vals beschuldigd zullen worden.”

En wat met de vergelijking van dader-DNA met een databank van DNA-profielen?

“Dat gebeurt uiteraard ook. Bij ons kan dat alleen met de databank van justitie, en met vergelijkbare databanken uit andere Europese landen. (In 2016 telde de Belgische databank 40.000 DNA-profielen van veroordeelde criminelen en 47.000 profielen van plaatsen delict, red.) Het mag niet met privé-databanken.”

“Dat gebeurt soms wel in de Verenigde Staten. In databanken van bedrijven die genomen analyseren, bijvoorbeeld van mensen die geïnteresseerd zijn in hun stamboom of in hun risico op bepaalde ziekten, zitten inmiddels zoveel profielen dat elke Amerikaan er wel een tweede- of derdegraadsverwant in terugvindt. Als je het DNA van een plaats delict gaat matchen met zo’n grote databank kom je al snel de achternaam van een dader te weten. Tenminste: de vermoedelijk achternaam. Zo’n gevonden verwantschap is nooit honderd procent zeker, het gaat over percentages. Alleen bij een verwantschap in de eerste graad, zoals vader-zoon, is dit een waterdichte methode.”

Belandt iedereen die in het kader van dit onderzoek een DNA-monster afstaat, in de Belgische databank?

“Nee, je mag in België alleen de profielen bijhouden van wie veroordeeld is voor zware feiten. Na het onderzoek zullen ze wellicht vernietigd worden. Een DNA-monster afstaan is overigens niet verplicht. Al kan de onderzoeksrechter het wel opleggen aan individuen die weigeren. Maar een agent kan dit niet bij Jan en alleman afdwingen.”

“Wie weigert, maakt zichzelf natuurlijk wel verdacht. En mogelijk is dat ook een strategie die hierachter zit: het is een psychologisch spel.”

Bron » EOS Wetenschap | Liesbeth Gijsel

‘Wij puren een DNA-profiel uit een speldenprik bloed’

Hightech in een handvol labo’s stelt de speurders in het Bende van Nijvel-dossier in staat een nieuwe klopjacht op DNA te organiseren. ‘We hebben veel minder biologisch materiaal nodig voor onze analyses.’

Leiden nieuwe DNA-sporen – 34 jaar na de laatste overval – tot een doorbraak in het onderzoek naar de Bende van Nijvel? Speurders identificeerden de voorbije maanden nieuwe sporen op voorwerpen die in de loop der jaren in beslag zijn genomen, meldde De Standaard. Ze willen DNA afnemen bij honderden mensen van wie de naam opduikt in het onderzoeksdossier en dat vergelijken met DNA uit het strafdossier.

De eventuele stroomversnelling komt er dankzij de vijf Belgische labo’s die erkend zijn om DNA-stalen te analyseren in strafzaken. ‘Dankzij nieuwe technologie zijn zulke analyses al veel gevoeliger’, zegt Bieke Vanhooydonck, gerechtelijk deskundige DNA-databanken van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (NICC).

Cockpit

Het NICC, dat een van de labo’s huisvest, zit in de cockpit omdat het al die gerechtelijke DNA-analyses binnenkrijgt en verzamelt. Vanhooydonck ontfermt zich over zo’n 100.000 profielen in de nationale DNA-databanken, onder meer van verdachten en veroordeelden van zware feiten.

Het NICC gaat na of er een match is met profielen in een strafdossier. ‘Wij krijgen nooit een naam’, klinkt het. ‘In het belang van de privacy en de neutraliteit is alles uniek gecodeerd. Al die data wisselen we uit met 18 Europese landen.’

De labomachines die een DNA-profiel proberen te puren uit speekselstalen of bloedsporen worden almaar krachtiger, aldus Vanhooydonck. ‘Vroeger had je op een crime scene bij wijze van spreken een halve plas bloed nodig, nu volstaat een speldenprik. We hebben veel minder biologisch materiaal nodig omdat we zelfs een klein aantal cellen via machines kunnen vermenigvuldigen.’

‘Bovendien kunnen we inmiddels op meer plekken in het DNA kijken’, zegt Vanhooydonck. ‘Vroeger kon dat op een zestal plekken of ‘markers’, vandaag op 24. Daardoor is de kans op een foute match miniemer.’

Wattenstaafje

In het dossier van de Bende van Nijvel zijn de DNA-staalnames begonnen. De betrokkenen die instemmen, melden zich bij de politie, waar met een wattenstaafje aan de binnenkant van de mond wangslijm wordt weggenomen. Als iemand weigert, kan de onderzoeksrechter zo’n afname afdwingen. In het Bende-dossier worden ook DNA-stalen afgenomen van mensen bij wie dat ooit al gebeurde.

Dankzij verbeterde technieken kunnen ook afzonderlijke profielen geïdentificeerd worden op objecten waarop tot voor kort alleen zogenaamde ‘mengprofielen’ gevonden konden worden, van twee of meerdere personen.

‘Ik spreek me niet uit over de Bende-zaak’, zegt Vanhooydonck. ‘Maar in het algemeen kan het met nieuwe technologie de moeite lonen om oude overtuigingsstukken, zoals een pistool, opnieuw op DNA te analyseren.’ De speurders in het dossier van de Bende van Nijvel rest alleszins weinig tijd. De verjaringstermijn ligt in 2025.

Bron » De Tijd

“Een paar cellen volstaan”: waarom huidig DNA-onderzoek voor doorbraak in Bende-onderzoek kan zorgen

In het ultieme onderzoek naar de Bende van Nijvel speelt DNA-onderzoek een belangrijke rol. Waarom halen speurders DNA op bij oude verdachten? Wat kan er vandaag wat zoveel jaar geleden niet kon?

Hedendaags DNA-onderzoek voor dummies, in vijf vragen. Met antwoorden waarin wattenstaafjes en sigarettenpeuken een cruciale rol spelen.

Hoe wordt een DNA-staal afgenomen?

Bij mensen zijn er drie mogelijkheden: een bloedstaal, een haarstaal of een speekselstaal. “Dat laatste is veruit de vaakst voorkomende manier van werken”, zegt gerechtelijk deskundige bij het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (NICC) Bieke Vanhooydonck. Bijna alle profielen in de centrale DNA-databank van het NICC zijn er gekomen nadat een agent iemand uitnodigde om met een wattenstaafje een stukje wangslijmvlies af te nemen.

Een bloedstaal moet door een dokter afgenomen worden, en een haarstaal is nog delicater, want dat moet met wortel ter beschikking gesteld worden. Slechts vijf labo’s in ons land (Antwerpen, Leuven, Brugge, Luik en het NICC in Brussel) zijn bevoegd om DNA-profielen op te stellen. Die profielen gaan dan in de centrale databank, die enkel door magistraten van justitie geraadpleegd kunnen worden, niet door de politie zelf.

Wat kan er vandaag wat 20 jaar geleden niet kon?

Veel. Zo was de wet van 1 januari 2014 redelijk revolutionair inzake DNA-onderzoek in ons land. “Vroeger kwamen enkel profielen van mensen die zeer zware criminele feiten pleegden in aanmerking voor de databank, sinds 2014 kunnen er ook profielen in van veroordeelden voor drugsfeiten of mensenhandel. En zelfs, onder strikte voorwaarden, profielen van verdachten.”

Daarnaast is er sinds 2014 een internationale uitwisseling van DNA-profielen. Omdat gangsters nu eenmaal ook grenzen niet ontzien. België kan op die manier gegevens vergelijken met 17 andere landen, en dat aantal kan nog stijgen.

Last but not least is ook de technologie om DNA te onderzoeken enorm geëvolueerd. “Vroeger had je bij wijze van spreken een halve plas bloed nodig om een bruikbaar profiel op te stellen, vandaag volstaan een paar lichaamscellen”, weet Vanhooydonck. “Nieuwe technieken laten toe om met minder staal fijner te werken en DNA-profielen ook ‘groter’ te maken, zodat vergelijken met andere profielen preciezer wordt en meer zekerheid biedt wie er achter een bepaald profiel zit.”

Hoeveel DNA-stalen zitten er momenteel in de Belgische databank?

Op dit moment zo’n 120.000. Daarvan zijn er 54.000 DNA-profielen van mensen die al eens veroordeeld zijn voor een strafbaar feit. Een minderheid van de profielen betreft die van vermiste personen.

Wat met het idee om elke Belg een DNA-staal te laten afleveren?

Het onder meer door strafpleiter Walter Damen geopperde idee om van álle Belgen een DNA-staal in de databank te stoppen, vindt Vanhooydonck onzinnig. “Wat we nu doen, is een speld in een hooiberg zoeken. Als je 10 miljoen profielen in de databank stopt, wordt die hooiberg alleen maar groter, en de kans op toevallige overeenkomsten ook. Net omdat niet Jan en alle onschuldige man in de bank zitten, is onze hit rate (de ‘slaagkans’ van het DNA-vergelijk, nvdr.) groot.”

Je belandt niet zomaar in die databank, met andere woorden. En dan zijn er nog een paar bezwaren. Kan je alle sigarettenpeuken op pakweg de Meir verzamelen, om er het DNA af te halen en daarna iedereen te ondervragen waarom hij/zij daar op zeker moment was? Dat zou héél veel van de politie vergen, en er is ook het ethische aspect. Nu werkt ons rechtssysteem volgens het principe dat iedereen onschuldig is tot het tegendeel bewezen wordt. “Als je iedereen altijd tot de verantwoording kan roepen waarom die ergens was, wordt iedereen schuldig tenzij anders bewezen.”

Is het mogelijk om een dader te vatten als hij zelf geen DNA afstaat?

Ja. Via (bloed)verwantschap kan je dankzij profielen van familieleden bij de dader belanden. Als je weet dat ieder kind sowieso de helft van het genetisch materiaal van beide ouders meekrijgt, kan je gaan vergelijken met profielen die op brede stroken gelijklopend zijn. In het buitenland gebeurt dat al. Alleen: de Belgische wet voorziet (nog) niet dat dit soort afgeleid onderzoek uitgevoerd wordt.

Net als er in theorie wel al robotfoto’s opgesteld kunnen worden met oog-, haar- en huidskleur zoals door het DNA-onderzoek bepaald, maar de Belgische wet dat niet toelaat. “Het kan inderdaad niet de bedoeling zijn dat er een heksenjacht zou komen op alle roodharigen met een bepaald kleur ogen. Mensen kunnen ook hun haar kleuren of lenzen dragen”, aldus Vanhooydonck.

Slotsom: er kan al heel veel, maar er is ruimte om DNA nóg verregaander te gebruiken.

Bron » De Standaard

Hoe DNA-analyse voor een doorbraak zorgde in heel wat cold cases: “Eén minuscuul druppeltje is voldoende”

Toen de Bende van Nijvel op 9 november 1985 in Aalst voor het laatst toesloeg, was de forensische DNA-analyse nog pure sciencefiction, maar amper een jaar later werd in Engeland aan de hand van die techniek een tweevoudig moordenaar geklist. “Intussen zijn de technieken zo verfijnd dat één minuscuul druppeltje speeksel volstaat om een DNA-profiel op te stellen”, zegt Jean-Jacques Cassiman, professor menselijke genetica van de KU Leuven.

Op 31 juli 1986 verdween in het graafschap Leicestershire een 15-jarig meisje dat twee dagen later dood werd teruggevonden. De zaak geleek op die van een ander 15-jarig meisje dat drie jaar eerder op identieke manier werd verkracht en gewurgd. Een seriemoordenaar, kopten de kranten.

Op hetzelfde moment was geneticus Alec Jeffreys erin geslaagd om een DNA-profiel uit cellen te extraheren. Toen een 17-jarige verdachte op basis van deze analyse onschuldig bleek, vroegen de speurders DNA-stalen van 5.000 mannen uit de omgeving. Een jaar later bleek een 27-jarige bakker de dader. Dat had even geduurd omdat de dader zijn beste vriend met een vervalste pas naar de DNA-analyse had gestuurd. Een grote bek op café deed hem alsnog de das om.

Tien jaar later, in 1996, werden in het forensisch instituut van de Universiteit Gent de eerste DNA-analyses gedaan. “We waren een van de eerste labo’s in het land die zich daarmee bezig hield”, zegt professor Dieter Deforce. “Tegenwoordig doen we zo’n 1.000 tot 1.500 gerechtelijke analyses per jaar en er zijn intussen al heel wat positieve matchen uitgekomen die ook tot veroordelingen hebben geleid. Dat gebeurt altijd in de context waarin de politie een aantal verdachten kan identificeren van wie dan doelgericht een staal wordt afgenomen.”

“Daarnaast is er een nationale DNA-databank waar verdachten staan opgenomen voor eerder gepleegde feiten. In die databank, die wordt beheerd door het Nationaal Instituut voor Criminaliteit en Criminologie, staan zo’n 50.000 tot 100.000 profielen, mensen maar ook sporen die werden gevonden op de plaats van een misdrijf.”

Seriemoordenaar Stephaan Du Lion belandde in die databank toen hij werd veroordeeld voor een inbraak bij zijn vorige werkgever. De glazenwasser kon op die manier worden gelinkt aan de moord op Ariane Mazijn en bekende vorig jaar nog drie andere moorden.

Vingerafdruk volstaat

Inmiddels is de DNA-analyse danig geëvolueerd. “Onderzoekers hebben steeds minder nodig om een DNA-profiel op te stellen”, zegt Jean-Jacques Cassiman. Dat was vroeger wel anders: toen had je relatief veel bloed of speeksel nodig maar vandaag gebruikt men veel gevoeligere technieken.

Vandaag volstaat een druppeltje: als iemand praat, vliegt er altijd wat speeksel uit de mond, soms nauwelijks met het blote oog zichtbaar. Tegenwoordig kan je ook uit een vingerafdruk een DNA-profiel opmaken. Een huidschilfer? Daar zit niet veel bruikbaar materiaal in, maar als je er voldoende van hebt, kan het weer wel.”

“We kunnen tegenwoordig ook op basis van een onbekend DNA-profiel, waarbij geen verdachten in beeld komen, fenotypische kenmerken gaan bepalen, zoals oogkleur en haarkleur”, zegt Deforce. “Maar in ons land ontbreekt de wettelijke context en zijn daar ethische vragen rond. In Nederland mag het dan weer wel. Die massascreens zijn bij ons trouwens ook niet mogelijk. Waarmee we ook mee bezig zijn, is het uitvoeren van DNA-analyse op chip. Het idee is daar dat politiediensten op de plaats van het misdrijf met deze technologie heel snel een DNA-profiel kunnen bepalen, binnen een half uur bijvoorbeeld. Daar zijn we mee bezig, maar dat is nog toekomstmuziek, natuurlijk.”

Bron » Het Laatste Nieuws

De snelste weg naar een gerechtelijke dwaling

De kritiek op de verhoormethode Reid is terecht, zegt Pieter Tersago. Maar ook zonder manipulatieve technieken kan je veel informatie uit een verdachte krijgen.

Een Amerikaans bedrijf, gespecialiseerd in verhoortechnieken, klaagt de makers van de Netflix-serie When they see us aan ­wegens laster en eerroof (DS 17 oktober). John E. Reid & Associates pikt het niet dat zijn verhoormethode in de true crime­serie wordt gelinkt aan de valse bekentenissen en de daarop volgende onterechte veroordeling van vijf ­jongemannen voor de verkrachting en zware mishandeling van een vrouw in Central Park, New York.

In de wetenschappelijke literatuur worden deze casus en andere voorbeelden van gerechtelijke dwalingen op basis van valse bekentenissen nochtans druk besproken om aan te tonen hoe de Reid-verhoor­methode het risico op afgedwongen bekentenissen kan verhogen. De methode kan zelfs onschuldige verdachten zover brengen om misdaden te bekennen die ze niet gepleegd hebben.

Valse bekentenissen zijn een van de belangrijkste oorzaken van rechterlijke dwalingen. Valse bekentenissen zijn contra-intuïtief. Waarom zou je onterecht bekennen een ernstig misdrijf te hebben gepleegd en jezelf op die manier blootstellen aan zware gevangenisstraffen? Ook juryleden en professionele strafrechters worstelen met die vraag, zodat de ­bekentenissen doorgaans wel als bewijs worden gebruikt.

Vooral jongeren of verdachten met een verstandelijke beperking of zwakkere persoonlijkheid trappen in de sluwe valstrik van de politie
Als je de Reid-methode bekijkt, wordt dit snel duidelijker. Om te beginnen wordt door de politie­verhoorders al een eerste overtuiging over de schuld van de verdachte gevormd. Dit gebeurt op basis van het dossier, maar ook op basis van een voorgesprek waarbij er vragen worden gesteld die een bepaald gedrag van de verdachte kunnen uitlokken – gedrag dat de Reid-hand­leiding als typisch voor een schuldige verdachte beschouwt.

Feiten verbloemen

Is de verhoorder ervan overtuigd dat de verdachte schuldig is, dan starten de verhoorders de formele ondervraging. Het enige doel is een bekentenis te verkrijgen. In de negen omschreven stappen van de Reid-techniek zijn er drie cruciale fasen.

Eerst tracht je de verdachte zo veel mogelijk te isoleren. Contact met familie en ook met een advocaat wordt zo veel mogelijk vermeden. De verdachte wordt urenlang verhoord. Je tracht de verdachte het gevoel te geven dat hij er alleen voor staat.

Vervolgens sla je de verdachte om de oren met beschuldigingen en confronteer je hem met­ bewijzen – zelfs valse. Zijn ontkenningen worden stelselmatig onderbroken en je tracht hem duidelijk te maken dat zijn schuld vaststaat en ontkennen geen enkele zin heeft.

De derde fase treedt in werking als je de verdachte op die manier volledig in de hoek hebt gedreven. Je probeert hem ervan te overtuigen dat bekennen niet de slechtste optie is en zelfs een uitweg uit die benarde verhoor­situatie biedt. Uitdrukkelijke beloften zijn, ook in de VS, verboden. Maar door de feiten te minimali­seren of te verbloemen en te rationaliseren, kunnen ze de verdachte de indruk geven dat die minder zwaar zijn dan gedacht en dat hij, zeker als hij bekent, mild zal worden behandeld en bijvoorbeeld zal worden vrijgelaten.

Deze methode werkt. Althans, veel verdachten leggen bekentenissen af. Maar jammer genoeg dus ook onschuldige verdachten. Vooral ­jongeren of verdachten met een verstandelijke beperking of zwakkere persoonlijkheid, maar ook volwassen, psychisch gezonde verdachten trappen in de sluwe valstrik van de politie. Zij willen weg uit die benarde, stresserende verhoorsituatie. Zij gaan ervan uit dat verder onderzoek zal aantonen dat ze onschuldig zijn. Bekennen is dan de snelste vluchtweg.

Helaas betekenen bekentenissen vaak het einde van het onderzoek. Bekentenissen gelden in de ogen van de jury en strafrechters als een sterk bewijsmiddel en kunnen leiden tot de veroordeling van onschuldige ­verdachten, ook wanneer zij hun afgedwongen bekentenis later intrekken.

De kritiek op de Reid-methode is meer dan terecht en wordt ondersteund door jarenlang wetenschappelijk onderzoek. In veel landen is er ook van afgestapt. In plaats daarvan kwam de (informatie verzamelende) verhoormethode. Bekentenissen zijn niet langer het doel van het verhoor. Het woord is vooral aan de verdachte. Hem wordt gevraagd zijn relaas te geven. Pas daarna zal hij op neutrale, onbevooroordeelde wijze dieper worden bevraagd en worden geconfronteerd met tegenstrijdigheden met andere bewijsmiddelen.

En in België?

Rechtspsychologisch onderzoek toont aan dat je ook zonder de manipulatieve, dwingende technieken van de Reid-methode in staat bent veel informatie en zelfs bekentenissen van de verdachte te verkrijgen. Hoe meer informatie de verdachte geeft, hoe beter die kan worden ­onderzocht en getoetst aan andere bewijsmiddelen die het onderzoek oplevert. Het risico op valse bekentenissen is zo kleiner, zonder dat een verder strafonderzoek of een veroordeling onmogelijk wordt gemaakt. Zowel vanuit juridisch als vanuit rechtspsychologisch perspectief geniet deze verhoormethode veruit de voorkeur.

Of in België onschuldigen zijn veroordeeld op basis van een valse bekentenis, weten we niet zeker. Maar het risico is niet uit te sluiten. Hoewel de basisverhoortechniek bij ons aansluit bij de informatie verzamelende verhoormethode, komen in de Belgische verhoorhandleidingen ook minimaliserende verhoortechnieken, geïnspireerd door de Reid-methode, aan bod. En mijn doctoraatsonderzoek, dat ik dit jaar afrondde, leert dat ook in de Belgische verhoorlokalen dergelijk verhoortechnieken worden gebruikt.

Strafrechters krijgen ook geen volledig beeld van het verhoor, omdat verhoren in België zelden volledig audiovisueel worden opgenomen. Ze krijgen vooral kennis van het verhoor via het proces-verbaal, en dat is altijd een samenvatting door de verhoorder. Dubieuze verhoortechnieken worden daar niet steevast in opgenomen, zodat strafrechters het risico op afgedwongen valse bekentenissen niet zorgvuldig kunnen beoordelen.

Sinds 2012 hebben verdachten het recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor. De advocaat kan de verdachte adviseren, ingrijpen wanneer zulke verhoortechnieken worden aangewend en de strafrechter daarop attent maken. Het is dan van belang dat de advocaat weet waar de gevaren liggen en tijdens het verhoor actief durft op te treden. Maar bij advocaten ontbreekt daarover vaak de kennis en het lef. Dat is des te problematischer omdat mijn onderzoek uitwijst dat strafrechters ervan uitgaan dat het verhoor correct is verlopen als er een advocaat aanwezig was en die geen opmerkingen maakt.

Vanuit de gedeelde intentie van politie, advocaten en strafrechters om alleen schuldigen te veroordelen en gerechtelijke dwalingen te vermijden, is het te hopen dat deze bijdrage een stimulans mag zijn om de verhoorpraktijk en -beoordeling in België naar een hoger niveau te tillen en niet lichtzinnig om te springen met bekentenissen als bewijs.

Bron » De Standaard | Pieter Tersago

Commissie wil dat speurders meer info mogen halen uit DNA-onderzoek: “Laat hen ook haar-, oog- en huidskleur van dader lezen”

Speurders moeten bij een onderzoek naar een moordenaar of een dief de haar- en huidskleur uit het DNA van de dader kunnen aflezen. Dat is technisch mogelijk, maar is vandaag wettelijk niet toegelaten. Het is een van de wetswijzigingen die wetenschappers binnen de DNA-commissie willen voorleggen aan de toekomstige federale regering.

Als speurders DNA van de dader op de plek van een misdaad vinden, mogen ze nu alleen een DNA-profiel opmaken – een persoonlijke code, zeg maar, om die dan te kunnen vergelijken met een verdachte. Het geslacht van de dader mogen ze ook kennen, maar daar stopt het. Nochtans kunnen wetenschappers eigenlijk véél meer informatie uit DNA halen. Zo zouden ze in een labo kunnen voorspellen wat de natuurlijke haarkleur van de dader is, de kleur van zijn ogen, zijn huidskleur, of hij sproeten heeft en de kleur van zijn wenkbrauwen. Ze kunnen inschatten of hij eerder stijl dan wel krullend haar heeft, of hij kaal wordt, en zelfs de manier waarop hij kaal wordt.

“Alleen, vandaag mogen we dat niet uitzoeken”, zegt Gert De Boeck, operationeel directeur van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (NICC), dat forensisch onderzoek doet voor het gerecht.

Mentaliteitswijziging

De Evaluatiecommissie voor DNA-onderzoek, waar naast het NICC ook het federaal parket, de federale politie en drie wetenschappers in zetelen, heeft de opdracht de minister van Justitie te adviseren over DNA-onderzoek in strafzaken. Zij pleit ervoor de regels rond zulk onderzoek te herbekijken. “De laatste grote aanpassingen in de wet over DNA-onderzoek dateren al uit 2011”, zegt De Boeck, voorzitter van de commissie.

“Er is een mentaliteitswijziging nodig. Nu gebruiken we forensisch onderzoek veelal om te bevestigen wat we al weten. De politie zoekt de dader, en achteraf verzamelen we met DNA bewijslast. De uitdaging is om het forensisch onderzoek al van bij de start te betrekken. Zo zou het kennen van de haarkleur kunnen helpen om bijvoorbeeld een groep uit te sluiten, of om net te weten te komen tot welke groep de dader behoort. Als de politie verschillende verdachten heeft, zou het interessant zijn te weten dat de dader blond is. Vandaag verhindert de wet ons om te kijken in het coderende DNA van een mens, waar die informatie zit.” In buurlanden Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk zijn dat soort onderzoeken wel toegelaten.

Familieleden

Daarnaast stellen de wetenschappers ook voor om familiale zoekingen mogelijk te maken. “Het gebeurt dat het DNA van een onbekende dader geen match oplevert met dat van veroordeelden en verdachten die zijn opgenomen in de databanken van het NICC. Maar de databanken kunnen soms wel bepaalde mensen suggereren die mogelijk familie zijn van de dader”, zo vertellen medewerkers van het NICC in een reportage in onze weekendbijlage NU.

De technologie kan de speurders dus op weg zetten naar de dader. “Alleen mogen we dat niet rapporteren aan het gerecht. De wet voorziet dat niet.” De Evaluatiecommissie wil het gerecht daarom de mogelijkheid geven om wél actief na te gaan of een onbekende dader familie is van een veroordeelde of een verdachte, om zo zijn identiteit te achterhalen. De commissie werkt aan een memorandum daarover. Ze wil dat binnen enkele weken kunnen overhandigen aan de minister van Justitie, en hoopt dat de politieke onderhandelaars die een nieuwe regering zullen vormen er rekening mee zullen houden.

Bron » Het Nieuwsblad

In de VS doen ze het al, in België straks ook? Hoe speurders moorden oplossen dankzij familieleden

Lossen speurders straks moorden op dankzij de hulp van stamboomspecialisten en archieven? In de VS konden rechercheurs één van de ergste seriemoordenaars ooit klissen door zijn DNA te koppelen aan zijn stamboom. Wetenschappers spreken over een revolutie in het misdaadonderzoek. Ook in België willen onderzoekers graag méér doen met DNA.

Het was een blonde, blanke atletisch gebouwde man die zijn slachtoffers binnensmonds schunnig­heden toegromde. Veel meer kon de Amerikaanse politie eigenlijk niet vertellen over de onbekende seriemoordenaar die ze al sinds de jaren 70 en 80 op de hielen zaten en die ze de Golden State Killer waren gaan noemen.

Twaalf jaar lang zaaide de killer angst in de staat Californië. Het begon met enkele inbraken in 1974, waarbij hij vrouwen begluurde en hun ondergoed meegriste. Er zouden honderden inbraken volgen, meer dan 50 verkrachtingen, en uiteindelijk 13 moorden. Tot hij er in 1986 plots mee ophield en verdween.

44 jaar lang zou de killer uit de handen van justitie blijven. Nochtans had het gerecht al die tijd zijn DNA in handen, uit zijn speeksel en sperma. Maar omdat de moordenaar nooit bij een andere misdaad tegen de lamp was gelopen en hij dus in geen enkele databank zat, leverde het nooit een match op.

Tot één creatieve speurder er in 2018 in slaagde om dat obstakel te omzeilen. Onderzoeker Paul Holes liet zich inspireren door een techniek die adoptiekinderen gebruiken om hun biologische ouders terug te vinden: ‘genetische genealogie’. Hij maakte gebruik van de commerciële DNA-databank GEDmatch, waar al duizenden Amerikanen vrijwillig hun DNA hadden afgestaan omdat ze hun stamboom wilden opstellen. De Golden State Killer, voor alle duidelijkheid, had dat niet gedaan. Maar toen Holes het DNA van de moordenaar bij de databank binnenbracht, zag hij dat er tien andere mensen in zaten die verre familie van hem waren. Héél verre familie: ze deelden dezelfde over-over-overgrootvader.

Samen met genealoge Barbara Rae-Venter stelde hij een stamboom op met 25.000 mensen. Het leidde hen naar één verdachte: ex-agent Joseph DeAngelo (73), die dit keer wél door zijn DNA ontmaskerd werd.

Al drie cold cases zijn in de Verenigde Staten met deze methode opgelost. De grootste stap voorwaarts bij het oplossen van misdaden sinds de ontdekking van DNA zelf, zo vinden Amerikaanse wetenschappers en journalisten. “Over 20 jaar zullen we op dit moment terugkijken, en zeggen: Dáár is het allemaal begonnen.”

Werkloze ramenwasser

Ook in België werden de afgelopen jaren een aantal cold cases onverwachts opgelost. “Er zijn de afgelopen jaren technisch gezien grote stappen vooruit gezet”, zegt Vanessa Vanvooren, hoofd van het DNA-labo bij het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (NICC). Hier brengen de speurders hun bewijsmateriaal binnen om er een DNA-profiel van te laten maken. “Terwijl we vroeger een grote plas bloed nodig hadden om dat profiel op te maken, hebben we nu genoeg aan één haartje.”

Eve Poppe (38). Eerder deze maand kreeg haar familie te horen dat zij in 1997 door Stephan D.L. vermoord werd. Zijn DNA gaf de doorslag FOTO: IF
Eerder deze maand kregen de zussen en de schoonbroer van Eve Poppe uit Antwerpen eindelijk te horen wie haar in 1997 vermoord had. Een onbekende man was die dag haar appartement binnengedrongen, om haar te verkrachten en vervolgens te vermoorden met een touw en een mes. Eén klein haartje dat de moordenaar had achtergelaten, kwam hem duur te staan.

Stephan D.L., een werkloze ramenwasser, werd enige tijd geleden opgepakt na een banale inbraak. Tot zijn stomme verbazing kon zijn DNA hem na al die tijd nog aan de moord linken.

“De methodes die we nu gebruiken, zijn al vrij succesvol”, zegt Bieke Vanhooydonck, gerechtelijk deskundige bij de DNA-databanken van het NICC. “Als wij het DNA van een onbekende dader binnenkrijgen, levert dat in één op de vijf gevallen een match op – soms ook met een onopgeloste zaak. Bij die matches kunnen we uiteindelijk op 83% een naam kleven.”

Toch dringt het NICC aan op een uitbreiding van de wet. Ze willen DNA een andere rol in het strafrecht geven. Er moet een ommeslag gemaakt worden, vindt Vanhooydonck. “Nu dient DNA enkel als bewijslast. De speurders zoeken een verdachte, en wij moeten met DNA aantonen of hij de dader is, of niet. Terwijl ons DNA-onderzoek zelf speurders naar een dader kan leiden.”

“Wij mogen enkel het profiel van iemand opstellen – zeg maar ­iemands persoonlijke code, en het geslacht”, zegt Vanessa Vanvooren. “Eigenlijk kan DNA ons veel meer vertellen: haar- en oogkleur van de dader, huidskleur, kleur van de wenkbrauwen, of zelfs de manier waarop iemand kaal wordt. Wetenschappers in de VS experimenteren zelfs met een robotfoto uit DNA. Maar voorlopig vallen die resultaten tegen.”

“De wet uit 1999 verhindert dat wij dat allemaal bekijken. In Nederland mag dat bijvoorbeeld wel. De Belgische wet zegt dat wij niet in het ­‘coderende deel’ van een mens ­mogen kijken. Om de privacy van verdachten te beschermen. De laatste jaren staat dat ter discussie: waarom mag een getuige wel een verdachte beschrijven, en een wetenschapper niet?”

“Dit zou de politie kunnen helpen om een dader op te sporen, maar het mag niet dienen als bewijslast. ­Iemand mag niet in de cel belanden, enkel en alleen omdat hij ros haar heeft. De politie moet op het einde van de rit nog andere bewijzen kunnen voorleggen. Maar als je twaalf verdachten hebt, is het handig te ­weten dat de dader ros haar heeft.”

Door stamboomonderzoek te combineren met DNA-profielen, konden Amerikaanse speurders ook de moordenaar identificeren die in 1985 in het Bear Brook-natuurpark in New Hampshire twee tonnen achterliet, met daarin de lichamen van een vrouw en drie kinderen. De DNA-stamboom leidde hen naar Terrence Rasmussen, een moordenaar die al onder een valse naam in de gevangenis bleek te zitten. Hij werd The Chameleon Killer genoemd, omdat hij zo veel met aliassen werkte.

Zo’n onderzoek kan ook steeds sneller. Terwijl genealoge Barbara Rae-Venter in 2018 nog 10.000 uren nodig had om de stamboom van ­Joseph DeAngelo te maken, deed ze dezelfde oefening dit jaar al in 100 uur. Doordat steeds meer mensen hun DNA in zo’n databank nalaten, worden de familiebanden korter.

Een andere genealoog boog zich dit jaar over het lichaam van een onbekende vrouw, die in 1981 dood was aangetroffen in een greppel in Ohio. Terwijl de politie al 37 jaar naar haar naam zocht, vertelde een DNA-stamboomonderzoek al na vier uur dat ze Marcia King heette. Haar moordenaar is nog niet gevonden.

Algoritme zoekt familie

Lossen we straks in België ook moorden op, met behulp van stamboomonderzoekers? Op z’n minst een interessante denkoefening, zo vindt het NICC, maar ze hebben hun voorbehoud. Vanessa Vanvooren: “De onderzoekers in de VS gebruiken een commerciële databank. ­Willen we dat wel? Hoe controleer je als overheid welke gegevens daarin zitten? Hoe ga je fraude tegen? Wat als je buurman straks zijn DNA opstuurt, maar jouw naam opgeeft? Er is geen enkele controle.”

Een zoektocht naar familieleden in de bestaande drie databanken van het NICC zou in principe wel kunnen. In principe, want de wet voorziet het niet. “Het gebeurt dat het DNA van een dader geen match oplevert, maar dat de databank zelf wel enkele mensen suggereert die mogelijk familie van de dader zijn”, zegt Vanhooydonck. Het gaat dan om ­familieleden van de eerste graad: een vader, een zoon of een broer. “Maar wij mogen dat niet rapporteren aan het gerecht. De wet voorziet dat niet.”

“We zijn al langer voorstander van een wetswijziging, waarbij familiale zoekacties toegelaten zouden worden”, zegt Bieke Vanhooydonck. “Een moordenaar zoeken via zijn ­familieleden die al in een databank zitten, daar moeten we over durven na te denken.”

Het NICC wil deze wetswijzigingen voorleggen aan de nieuwe federale regering.

“Er moeten niet méér mensen in onze databanken”, vindt Vanhooydonck. “Van iedereen het DNA bij de geboorte afnemen, is niet nodig. Er moeten grenzen zijn aan het inzamelen van DNA. We kunnen beter inzetten op betere zoekmethodes, of de huidige methodes verbreden. Daarmee alleen al kunnen we een grote stap vooruit zetten.”

56.000 misdadigers in databank

De sporen die speurders aantreffen, komen terecht in de ­labo’s van het Nationaal Instituut voor ­Criminalistiek en Criminologie (NICC) voor DNA-onderzoek. “Uit alle biologische weefsels kunnen wij in principe erfelijk ­materiaal ­halen”, zegt Bieke Vanhooydonck. “In de ­praktijk zijn het ­vooral bloed, speeksel, ­sperma, haartjes en huidcellen die we krijgen. Zelfs uit een ­vingerafdruk kunnen we DNA ­halen.”

In de praktijk gebeuren de meeste DNA-analyses om inbraken en diefstallen op te ­lossen. Er zijn drie databanken: in de databank ­‘Veroordeelden’ zitten bijna 54.000 profielen van personen die definitief door een rechter veroordeeld zijn. De databank ‘Criminalistiek’ bevat ongeveer 2.200 profielen van verdachten, en nog eens bijna 58.000 profielen van sporen die bij een misdaad zijn gevonden. Sinds 2018 is er ook een databank met het DNA van ­vermiste personen, waar nu al 156 profielen inzitten. Als de politie een DNA-staal van een verdachte of van een onbekend slachtoffer binnenbrengt, worden die met ­alle drie de databanken vergeleken.

Bron » Het Nieuwsblad | Cedric Lagast