Chemie verraadt ouderdom van vingerafdrukken

Uit vingerafdrukken valt ook af te leiden wanneer een dader ze heeft achtergelaten. Met een voldoende precieze datering kunnen onder meer alibi’s van verdachten worden geverifieerd.

Behalve de identiteit van een dader kunnen de lijnenpatronen ­gevormd door onze vingertoppen ook helpen achterhalen wanneer een misdaad werd gepleegd. Zo kan de plaats delict worden verbonden met het tijdstip ervan. Een ouderdomsbepaling kan ook helpen om vingerafdrukken van verschillende mensen in de tijd te onder­scheiden. Een explosief kan bijvoorbeeld zowel sporen dragen van de bommenlegger als van de verkoper van de bomonderdelen. De ­afdrukken van de eerste zullen jonger zijn dan die van de laatste.

Migratie van moleculen

In 2015 kwamen scheikundigen van het Amerikaanse National ­Institute of Standards and Technology met een methode op de proppen om vingerafdrukken te dateren. Ze was gebaseerd op de migratie van de moleculen die de afdruk vormen, voornamelijk componenten van huidzweet, zoals vetzuren. Naarmate de tijd vordert, tuimelen die moleculen naar beneden, van de ‘bergkammen’ van het lijnen­patroon naar de ‘dalen’.

Het voordeel van de methode is dat ze onafhankelijk is van de chemische ­samenstelling van de vinger­afdrukken, want die is gevoelig voor de omgevingsomstandig­heden (temperatuur, luchtvochtigheid) en voor de eigenschappen van het oppervlak waarop ze zitten. Op basis van een analyse met een massaspectrometer en de gekende ­migratiesnelheden van verschillende biomoleculen – zware deeltjes zijn sneller beneden dan lichte – konden de vorsers terugrekenen naar het moment waarop de ­vingerafdrukken moesten zijn ­gemaakt.

Hoewel ze zich in een ­demonstratie beperkten tot een ouderdom van vier dagen, claimden ze een onderscheid te kunnen maken tussen een dag en een week, een week en een maand, en een maand en meerdere maanden.

Maximum een week

De tijdsresolutie van de ouderdomsbepaling kon echter beter. Nieuw onderzoek van andere Amerikaanse scheikundigen brengt daar nu verbetering in. Opvallend is dat zij wél focussen op de ­chemische samenstelling van ­vingerafdrukken. Meer bepaald op de reactie van een resem organische moleculen in de afdrukken met ozon uit de lucht. Hierdoor ontstaat een breed scala aan reactieproducten, een complexe mix waarvan de ­precieze moleculaire samen­stelling verraadt hoe oud een ­vingerafdruk is.

Het voordeel van die ‘chemische’ dateringsmethode is haar precisie op het niveau van dagen, tot een maximum van een week. Het nieuwe onderzoek verscheen deze week in het vakblad ACS ­Central Science.

Nog niet inzetbaar op de plaats delict zelf

Een nadeel van beide methodes is wel dat de vingerafdrukken met massaspectrometers moeten ­worden onderzocht, allesbehalve mobiele laboratoriumapparatuur die voor­lopig niet ter plekke kan worden ingezet op een plaats ­delict. Bovendien werden in beide studies ‘ideale’ afdrukken ­gebruikt: volgens de regels van de kunst aangebracht op een zuiver en glad oppervlak.

‘Dit is zeker een belangrijke stap in de ontwikkeling van dateringsmethodes voor sporen in de ­criminalistiek’, zegt Marcel de Puit, chemicus bij het Nederlands Forensisch Instituut. ‘Ik denk ook niet dat dit ­onderzoek beperkt zal blijven tot vingerafdrukken.’

Maar verdere ontwikkeling is nodig, waarbij vooral de brede ­toepasbaarheid een uitdaging vormt, gelet op de uiteenlopende omgevings­omstandigheden op plaatsen ­delict en de veelheid aan materialen waarop vinger­afdrukken voorkomen. ‘Er is nog te weinig onderzoek gedaan naar de invloed van temperatuur, licht en wind op de chemische samen­stelling van afdrukken.’

Op café

Kennis van de ouderdom van een vingerafdruk kan een belangrijke bijdrage leveren aan een ­forensisch onderzoek. ‘Het kan een afdruk bijvoorbeeld volledig ­irrelevant maken’, zegt De Puit. ­De Nederlandse forensisch ­expert staaft dit met een voorbeeld. ‘Stel dat mijn vingerafdrukken worden gevonden op een plaats ­delict, neem in dit geval een café. Dat zou heel belastend kunnen ­zijn voor mij. Tot blijkt dat de ­vingerafdruk twee dagen oud is, wat spoort met mijn uitleg dat ik ­eergisteren in het café wat ­gedronken heb. Het zou de vingerafdruk quasi irrelevant ­maken.’

Bron » De Standaard

Jean-Jacques Cassiman (79) overleden: dankzij zijn DNA-onderzoek werden tal van cold cases opgelost

Jean-Jacques Cassiman heeft op 79-jarige leeftijd de strijd tegen kanker verloren. De charismatische geneticus was een van de grondleggers van het forensisch DNA-onderzoek in ons land.

Na een studie Medische Wetenschappen aan de KU Leuven behaalt Cassiman in 1967 zijn diploma. Meteen daarna trekt hij naar Stanford University waar hij vijf jaar bijkomende onderzoek doet naar de menselijke genetica, iets wat toen nog in de kinderschoenen stond. Terug in België start Cassiman zijn carrière bij het Centrum Menselijke Erfelijkheid van de KU Leuven.

Zelf zei Cassiman daarover tegenover wetenschapsblad EOS: “Toen ik op het Centrum begon, had erfelijkheidsonderzoek niet veel meer om het lijf dan een stamboom maken van ouders die een kind hadden met een afwijking.” DNA-tests zoals we die vandaag kennen en slechts een druppeltje speeksel of een haarlok nodig hebben om iemand te identificeren bestonden destijds nog niet. Pas in 2003 ontrafelden wetenschappers voor het eerst het volledige menselijke genoom.

Bende van Nijvel

De grote doorbraak komt er in 1985, in hetzelfde jaar dat de Bende van Nijvel voor het laatst toeslaat. Britse wetenschapper Alec Jeffreys slaagt er voor het eerst in om een DNA-profiel te extraheren uit menselijk cellen. Meteen gaat Cassiman bij hem in de leer. Cassiman ziet groot potentieel in de technologie en richt in 1988 het eerste forensische DNA-labo van ons land op aan de KU Leuven. Op die manier is Cassiman (on)rechtstreeks verantwoordelijk voor het oplossen van tal van moordzaken.

Professor Ronny Decorte is momenteel hoofd van het labo en heeft 20 jaar lang nauw samengewerkt met Cassiman. “Wij waren de pioniers in België, het forensisch onderzoek in ons land heeft alles aan Jean-Jacques te denken”, zegt hij. “De uitvinding van PCR-toestellen in 1985 was baanbrekend. Vandaag kennen we deze technologie van de coronatest. PCR-tests worden ook ingezet om met slechts een heel kleine hoeveelheid DNA, bijvoorbeeld van een bloedspoor, een dader te identificeren”, voegt Sofie Claerhout, onderzoekster in het labo van Decorte, eraan toe.

In 1998 worden alle tot dan toe bekende verdachten van de Bende van Nijvel opgeroepen voor een DNA-onderzoek. Cassiman slaagde er in DNA terug te vinden op een sigarettenpeuk uit de auto van een door de Bende vermoorde taxichauffeur. Tot een doorbraak kwam het echter nooit. In tal van andere cold cases slaagde Cassiman er wél in om het verschil te maken. De zaak-Pándy is één van de meest spraakmakende voorbeelden.

Cold Case opgelost: Hongaarse seriemoordenaar en Kortrijkse roofmoord

De Hongaarse dominee András Pándy verhuisde in 1985 naar België. Pándy vermoordde begin jaren ‘90 zijn twee ex-vrouwen en vier kinderen en stiefkinderen. Bovendien verkrachtte hij drie van zijn dochters. Seriemoordenaar Pándy loste hun lijken op in een bad met ontstoppingsmiddel. Op enkele beenderen na, zoals vingerkootjes en een dijbeen, waren de lichamen opgelost. Het was dankzij DNA-onderzoek van Cassiman dat werd aangetoond dat Pándy effectief een kind had verwekt bij één van zijn dochters, wat de doorbraak was voor zijn veroordeling in 2002.

Wetenschapper van het volk

Cassiman drukte niet alleen zijn stempel op het forensisch onderzoek, maar “leerde zijn volk DNA kennen”, klinkt het bij geneticus Maarten Larmuseau. “Hij was een voorbeeld voor me en opeens mocht ik als jonge onderzoeker nauw met hem samenwerken”, zegt Larmuseau.

“Hij stapte bewust uit zijn ivoren toren en legde op zeer toegankelijke manier feilloos de complexiteit van DNA uit aan een breed publiek. Zijn impact reikt heel wat verder dan de wetenschap, hij mengde zich in het publieke debat op een manier waar veel academici vandaag nog veel van kunnen leren.”

Bron » De morgen

Geneticus Jean-Jacques Cassiman (79) overleden

Geneticus Jean-Jacques Cassiman is vrijdag op 79-jarige leeftijd overleden aan longkanker. Dat zegt Kom op tegen Kanker (KOTK), de organisatie waarvan hij voorzitter was. KOTK omschrijft hem als “briljant”, vanwege zijn “baanbrekend werk op vlak van DNA-onderzoek” en “inspirerend” omdat hij de organisatie deed uitgroeien tot een van de sterkste socialprofitorganisaties in Vlaanderen.

Met zijn DNA-onderzoek kreeg hij wereldfaam, maar daarnaast woog hij ook op het Belgische gezondheidsbeleid. Veel ministers, overheden en andere onderzoekers kwamen, tot voor kort, nog zijn advies vragen.

Cassiman was een goede twaalf jaar de voorzitter van KOTK. “Dankzij hem groeide de organisatie financieel, wetenschappelijk en inhoudelijk verder uit tot een van de sterkste en meest gewaardeerde socialprofitorganisaties in België”, aldus het persbericht. “Hij was een wetenschapper die ver uitsteeg boven zijn vakgebied, een ongelooflijke meerwaarde.” Algemeen directeur Marc Michils voegt daaraan toe dat “Jean-Jacques altijd minzaam was, geen capsones had, zeer sociaal was ingesteld en wanneer nodig een doortastend beslisser. Ook zijn fijn gevoel voor humor was zo typisch voor hem.”

KU Leuven-rector Luc Sels wijst erop dat Cassiman zoveel in zich had. “De warmte en de rust die je vindt bij een goede vriend. De passie om grenzen te verleggen in het DNA-onderzoek. De kunst om complexe wetenschap op bevattelijke wijze te communiceren. De bezieling om vele generaties studenten en eigenlijk ons allemaal in te wijden in de geheimen van de menselijke genetica. De zorg voor patiënt, collega en medemens.”

Tot maart 2023 blijft Jacques De Grève interimvoorzitter, een functie die hij al enkele maanden bekleedde. Michils neemt het voorzitterschap volgend jaar over.

Bron » Gazet van Antwerpen

Forensische genetica kan ‘cold cases’ helpen oplossen

Wordt de 30 jaar oude moord op Ingrid Caeckaert alsnog opgelost? Als onze overheid zou toelaten dat speurders gebruikmaken van de modernste inzichten in de forensische genetica, is dat mogelijk. Dat zegt Sofie Claerhout, de winnares van de PhD Cup.

Sofie Claerhout, doctor in de forensische genetica (KU Leuven), is de winnaar van de PhD Cup. Dat is een wedstrijd waarbij wetenschappers in drie minuten tijd aan leken het onderwerp van hun specialisatie moeten uitleggen. Claerhouts onderzoeksdomein is het Y-chromosoom, dat mannen van vrouwen onderscheidt. Sofie Claerhout bestudeert de minieme verandering die dat chromosoom ondergaat in eenzelfde familie. ‘Ik heb een tool ontwikkeld waarmee ik via onderzoek van het Y-chromosoom kan zeggen: die en die mannen zijn familie van elkaar. Ik kan zelf zeggen hoe nauw de verwantschap is: vader en zoon, of broers, of neven. Ik kan tot tien generaties terug mannelijke familiebanden zien.’

Tijdens haar onderzoek bedacht Claerhout dat de techniek bruikbaar zou kunnen zijn voor onopgeloste moordzaken. ‘Ik ben gaan zoeken naar Vlaamse cold cases en vond de zaak van Ingrid Caeckaert. Ik was meteen geboeid en ook gepakt. Zelfs al gebeurde de moord twee jaar voor mijn geboorte. Maar ik heb een groot rechtvaardigheidsgevoel en zou graag hebben dat de ouders rust vinden en dat de moordenaar van hun dochter alsnog wordt gearresteerd.’

Ingrid Caeckaert werd op 16 maart 1991 met messteken om het leven gebracht. Haar lichaam werd teruggevonden in de trappenhal van haar appartement in Knokke. De onderzoekers hadden de beschikking over het DNA van de dader, maar de moordenaar werd nooit gevonden.

Nicky Verstappen

Dat de techniek van Claerhout werkt, is enkele jaren geleden al bewezen. Toen riep het Nederlandse gerecht de expertise in van Claerhout en haar promotor, professor Ronny Decorte, om de moord op Nicky Verstappen – een jongen van 11 jaar die in 1998 vermoord werd – op te lossen. Vijftienduizend mannen stonden vrijwillig hun DNA af. Uiteindelijk werd de dader gevonden via DNA van zijn familie.

‘Dat zou nu ook kunnen in de zaak van Ingrid Caeckaert, of in andere zaken waarbij de speurders het DNA van de dader hebben’, zegt Claerhout. ‘Helaas mogen Belgische speurders geen bijna-identiek DNA-onderzoek doen. Er mag alleen gezocht worden naar een exacte match, niet naar een link tussen een bijna-match en de dader. Nochtans is de zaak-Nicky Verstappen via zo’n bijna-match opgelost.’

Bron » De Standaard

‘Enorme kansen’ om onopgeloste zaken te kraken met nieuwe dna-technologie

DNA-sporen van duizenden onopgeloste zaken worden vanaf volgend jaar met behulp van nieuwe technologie nog eens door de dna-database gehaald. De verwachtingen bij politie en Openbaar Ministerie zijn hooggespannen. “We gaan hiermee allerlei strafzaken oplossen.”

De nieuwe technologie wordt in eerste instantie gebruikt voor zwaardere zaken, zoals moord, zedenzaken of roofovervallen. Het Openbaar Ministerie verwacht in de eerste helft van 2021 met het onderzoek te kunnen starten. “Het NFI legt de laatste hand aan de benodigde software”, zegt Landelijk forensisch Officier van Justitie Mirjam Warnaar.

Het gaat om strafzaken waarin geen eenduidig dna-spoor, maar zogeheten onvolledige of dna-mengprofielen zijn gevonden. Deze complexe dna-profielen kunnen niet worden toegevoegd aan de landelijke dna-databank voor strafzaken. Ze zijn vaak eenmalig vergeleken met de dna-databank, en belanden daarna op de plank. Het gaat om vijfhonderd tot zeshonderd dna-profielen per jaar.

Maar omdat de dna-databank jaarlijks groeit met 20.000 profielen, loont het om vaker een nieuwe zoekronde te doen. Voorheen moest dat handmatig gebeuren, maar nu wordt dat geautomatiseerd. “Dat biedt enorme kansen”, zegt Warnaar. “We gaan hiermee allerlei strafzaken oplossen, daar ben ik van overtuigd.”

Als eerste aan de beurt

Nieuwe strafzaken waarin complex dna-materiaal wordt gevonden, komen als eerste aan de beurt voor herhaaldelijk onderzoek. Later krijgen ook duizenden oude onopgeloste strafzaken met deze methode een nieuwe kans om alsnog opgelost te worden.

Het dna-project maakt deel uit van verschillende proefprojecten waarmee politie, OM en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) de forensische opsporing naar een hoger niveau willen tillen. Zo draait er een proef met een dna-bus, waarmee de politie meteen op de plaats delict dna-sporen kan analyseren. Ook onderzoekt de politie de mogelijkheid om cold case-dossiers te digitaliseren, in de hoop alsnog een doorbraak te vinden met behulp van vrijwilligers.

De beoogde inhaalslag is hard nodig, betoogt Ruud Staijen, programmadirecteur Forensische Opsporing van de politie. Anderhalf jaar terug luidden politie en vakbonden nog de noodklok, omdat door de uitstroom van rechercheurs een flink personeelstekort was ontstaan. Inmiddels is dat tekort deels ingelopen. “We zijn langs de rand van de afgrond gescheerd en staan er nu iets beter voor”, zegt Staijen in een interview met deze nieuwssite.

Sneller oplossen van misdrijven

De bevlogenheid waarmee Staijen over de forensische opsporing praat, brandt door het scherm. Eigenlijk is het symbolisch dat het interview met de programmadirecteur van de politie via een videoverbinding plaatsvindt. Juist in de digitalisering van het speurwerk liggen de grootste kansen, is zijn pleidooi.

Forensisch onderzoek, het technisch onderzoek naar sporen bij misdrijven, is nu nog een arbeidsintensief proces. Laten we uitgaan van een overval. Forensisch rechercheurs komen op de plaats delict om voorzichtig sporen te ‘rapen’: vingerafdrukken, voetafdrukken, dna. “Vingerafdrukken worden opgenomen en meegenomen naar het bureau. Dna gaat in buisjes en in kratten. Die worden met auto’s naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) gereden. Daar is de capaciteit niet oneindig, dus vaak kan maar een beperkt aantal dna-sporen worden geanalyseerd. Het resultaat laat meestal enkele weken op zich wachten.”

En dat terwijl tijd cruciaal is in elk onderzoek naar de dader. “Hoe sneller we na een misdrijf onderzoeksresultaten hebben, hoe groter de pakkans”, zegt Staijen. “Hoe mooi is het als forensisch rechercheurs direct op de plaats delict dna kunnen laten analyseren en vergelijken met de dna-databank voor strafzaken? Of als je met de beveiligde politietelefoon een foto maakt van vingerafdruksporen, zodat die meteen door het systeem kunnen worden gehaald? Dan kan de dader misschien direct in beeld komen. De sporen zijn immers nog vers en mogelijk vinden we gelijk de buit of aanvullend bewijs.”

Geen verre toekomstmuziek

Het is geen verre toekomstmuziek, want de techniek is al zover. In verschillende proefprojecten experimenteren politie, het Openbaar Ministerie en het NFI met nieuwe mogelijkheden. Eén daarvan is LocalDNA. De politie beschikt nu over een bus waarmee gecertificeerde medewerkers op de plaats delict dna-sporen direct uitlezen. Met een beetje geluk kan de verdachte daarmee binnen enkele uren worden gevonden.

Een andere technologische doorbraak is automatische gezichtsherkenning. Stel dat de vermoedelijke dader door een beveiligingscamera is gefilmd. De software om gezichten te vergelijken is zoveel beter geworden dat het loont om de beelden meteen door de database te halen. “Uiteraard beoordeelt altijd een medewerker het eindresultaat, maar de computer doet steeds betere suggesties.”

Nieuwe mensen

Kortom, de techniek kan het werk van forensische opsporing efficiënter en makkelijker maken. En dat is hard nodig, want anderhalf jaar geleden stond het water de rechercheurs nog aan de lippen. Door pensionering van veel rechercheurs moesten 300 nieuwe werknemers worden ingepast. Dat aantal is inmiddels ruimschoots gehaald, onder meer vanwege een overweldigend aantal van 4000 sollicitanten. “Het inpassen van de nieuwe mensen vraagt nog heel wat qua opleiding en begeleiding, maar terugkijkend: we scheerden langs de rand van de afgrond, maar inmiddels staan we er iets beter voor”, zegt Staijen.

Toch vindt de politiedirecteur dat het tijd is om door te pakken met veelbelovende innovaties. De vraag naar Forensische Opsporing in onderzoeken blijft maar groeien. En het forensisch specialisme komt van ver. Pas vorig jaar kregen rechercheurs hun eigen laptop, zodat ze op de plaats delict digitaal gegevens konden invoeren. Een grote vooruitgang, maar waarom niet eerder? Over de dna-bus werd acht jaar geleden al gesproken. Nu rijdt er één rond. “Ik baal er soms van dat dingen lang duren”, erkent Staijen. “Maar soms is het een kostenkwestie, of moet je wachten tot de wet is veranderd.”

Als hij zou beschikken over voldoende middelen, zou Staijen het wel weten. “Dan werken forensische opsporing en digitale opsporing nauw samen met tactische opsporing en intelligence. Informatie moet stromen op de plaats delict. Sporen moeten direct worden gedigitaliseerd en naar databases verstuurd. Samen puzzelstukjes leggen en betekenis geven aan sporen. Daarmee zouden we een grote stap vooruit zetten in de ratrace tegen criminelen. Maar dat vraagt om voldoende centen en politieke steun.”

Bron » AD