Leo Tindemans publiceerde onthullende dagboeknotities uit jaren tachtig

30 december 2014

In 2009 publiceerde Leo Tindemans zijn dagboeken. De Morgen noemde ze “verplichte literatuur voor iedereen die interesse heeft voor de binnen- of buitenlandse politiek van de jaren tachtig”. Herlees het stuk, dat gepubliceerd werd op 18 februari 2009, hier.

Met de vuistdikke uitgave van zijn dagboeknotities als minister van Buitenlandse Zaken heeft de oude Leo Tindemans (°1922) gezorgd voor verplichte literatuur voor iedereen die interesse heeft voor de binnen- of buitenlandse politiek van de jaren tachtig. In Vlaanderen schreef tot dusver nog geen insider even openhartig en gedetailleerd over regeringsraden, partijbijeenkomsten en Europese vergaderingen.

Sinds een jaar of tien is het een goede gewoonte dat de belangrijkste politici van het land memoires schrijven, en zeker de christendemocraten. Daar hebben ze namelijk elder statesmen te over, en sinds Gaston Eyskens zijn Memoires bij Lannoo publiceerde, hebben bij dezelfde uitgeverij ook latere premiers als Leo Tindemans, Wilfried Martens en Mark Eyskens voor ‘hun’ vuistdik volume gezorgd.

Nu komt Leo Tindemans met een tweede klepper: de publicatie van zijn dagboeken. Niet van de jaren dat hij als eerste minister het land leidde, maar toen hij van 1981 tot 1989 minister van Buitenlandse Zaken was in drie opeenvolgende regeringen-Martens. Tindemans had de gewoonte om elke avond “de dag van zich af te schrijven”. Korte tot halflange mededelingen, waar de adrenaline, de frustratie, het dedain, de kick van erbij te zijn of te beslissen, nog levendig in zitten.

Soms klinkt er ook opluchting door, twijfel, onzekerheid. Wel eens fierheid, een enkele keer geluk en dankbaarheid. “31 december 1981. In de ministerraad geef ik een korte uiteenzetting over Polen, die grote aandacht geniet. Gol feliciteert me zelfs. Hoe is het mogelijk?” En dat alles gelardeerd met korte appreciaties van de personen die hij ontmoette.

Het zijn geen volwaardige portretten, veeleer snapshots, even snel en direct als polaroid- of gsm-foto’s. Bijvoorbeeld: “4 april 1984: Bezoek aan Craxi: een niet onsympathieke man met – inderdaad – grote tanden.” Of, over een bezoek aan Thatcher: “20 september 1988. Margaret drinkt whisky voor en na de maaltijd. Ze noemt me ‘Leo’.”

De dagboeken zijn dus een verzameling notities zonder literaire ambitie, maar wel met grote hardnekkigheid neergeschreven. Oud-De Standaard-journalist Guido Boodts en historica Marie-Anne Wilssens zorgden voor een beperkte manicure en een zekere selectie van de tekst. Maar in de teksten zelf grepen ze nagenoeg niet in. De dagboekfragmenten zijn gepubliceerd zoals Tindemans ze schreef. Onaf, imperfect, maar dagvers. Geen Hineininterpretierung, zo eigen aan het genre van de memoires.

Hier en daar wilde Tindemans wat toevoegen of duiden, maar die passages staan cursief. Dat maakt dit boek kwalitatief waardevoller dan wat andere Belgische politici tot nu toe publiceerden. Een politiek testament is dus ook een accuraat (doch persoonlijk) logboek van de laatste regeringen-Martens, en van de CVP uit die periode.

Ondanks zijn staat van dienst was Leo Tindemans zelfs in zijn tijd een buitenstaander, ook omdat hij als minister van Buitenlandse Zaken vaak uithuizig was. Wat hij ziet, stemt hem meestal niet vrolijk. In zekere zin schrijft Leo Tindemans een vervolg op het bittere Een machteloos minister van Robert Van de Putte, minister van Financiën in de korte regering van Mark Eyskens (1980-1981).

Van een Van de Putte kon men nog zeggen dat hij als niet-politicus natuurlijk niet gepokt en gemazeld was tegen de rauwe zeden in de Belgische regering. Maar een politicus als Tindemans, een stemmenkanon dat bijna dertig jaar lang topmandaten bekleedde, was natuurlijk géén watje.

En toch is ook zijn beeld van het interne debat in de rooms-blauwe regeringen weinig verheffend. “6 juni 1986: Op het einde komt het tot een zware botsing tussen Gol en Verhofstadt over de bezuinigingsmaatregelen in de ministeriële kabinetten. Ze roepen nog luider dan de socialisten destijds. Voor Verhofstadt is het de eerste grote uitbarsting in de regering. Hij lijkt van streek.”

Tindemans kan niet om met de cultuur van perslekken. Het voedt zijn ingeboren wantrouwen en achterdocht, het voedt zijn minachting voor de regering, de administratie, zijn eigen partij: “2 april 1988. Buitenlandse Zaken is op hol geslagen. De eerste tekst van de werkproef over Zaïre stond in De Morgen. De nota aan Hassan II was te lezen in Gazet van Antwerpen. Wie is de verklikker?”

Leo Tindemans hoort tot een generatie die ouder is dan Wilfried Martens, en dat kleurt zijn kijk. Leo Tindemans is nog een van de Vlaamse conservatieve intellectuelen die de Neue Zürcher Zeitung las en zijn wereldbeeld erdoor liet beïnvloeden. Zijn ideeën zijn die van een overtuigde christendemocraat, een katholieke gelovige ook, en hij leefde in zijn tijd. Dat wil zeggen: tijdens het laatste decennium van de Koude Oorlog.

Als minister maakt hij nog wel de opmars van Solidarnosc mee, maar net niet meer de Val van de Muur. Europa is nog beperkt tot West-Europa, met West-Duitsland. Bonn in plaats van Berlijn.

Die tijdgeest schemert door in zijn dagboeken: die grauwe jaren tachtig, toen de binnenlandse agenda gedomineerd werd door een torenhoge werkloosheid, een grimmige economische crisis, een wanhopige desolaatheid, die nog versterkt wordt door aanslagen van de CCC en de Bende van Nijvel. (“9 november 1985. Roofoverval in Aalst. Warenhuis onder vuur genomen. Al zeven doden. Wat gebeurt er in dit land?”)

Zoals zovelen toen kiest Tindemans kamp. Tegen de progressieve en linkse krachten, zowel hier als veraf. Hij is dus even nijdig op de sandinisten in Nicaragua als op de vredesbetogers in België. “31 maart 1982. In de CVP menen naïevelingen dat wij ‘open’ moeten praten met de contestatiebewegingen die het goed menen. Hebben ze dan niets van de diepere grond van dit alles begrepen? De katholieke scholen worden bewerkt. Schoolgaande jongeren, soms nog geen vijftien jaar oud, ondertekenen gestencilde teksten over Guatemala, over Zaïre, over El Salvador. Welke gevolgen zal dat hebben op de geestesgesteldheid van deze jonge mensen?”

Tindemans ontwaart er communisten en – in Vlaanderen – socialisten achter. Een man als oppositieleider Louis Tobback ligt hem niet, menselijk noch politiek, een antipathie die trouwens wederkerig was, en is. Of De Morgen en haar hoofdredacteur Paul Goossens: in principe te mijden.

“18 november 1985: Ik sta vandaag een interview toe aan De Morgen over de conferentie van Genève, de ontmoeting tussen Gorbatsjov en Reagan. Mijn kabinetschef overtuigde me het te aanvaarden. ‘U kunt niet blijven weigeren’, was zijn mening. De redactie heeft beloofd correct te zijn en geen commentaar tussen mijn antwoorden te schrijven.”

Maar de ergste mensensoort van allen zijn de Judassen van de goede zaak: de progressieve katholieken. “In eigen land moedigen een paar bisschoppen me wel aan (inzake El Salvador, wp), maar ze hoeden zich ervoor in het openbaar stelling in te nemen. Het terrein wordt bezet door leden van Pax Christi, van het Interpastoraal Beraad en wat weet ik nog. Zoals Robert Houben het soms uitdrukt: ‘Ze hebben moeite met een kleine catechismus, maar ze willen ons op alle andere gebieden zeggen hoe het zou moeten.’ In De Standaard is het een ex-priester die (de christendemocratische president, wp) Duarte in het verdomhoekje wil duwen.

Tindemans geloofde in zijn politiek. Het is dus fout om Leo Tindemans voor te stellen als een ‘opportunistische’ of ‘laffe’ atlantist, een mannetje dat graag aan het handje van de Amerikanen liep. Tindemans was atlantist, maar niet omdat hij moest of niet anders durfde. Hij was atlantist omdat hij dat vrijwillig wilde, omdat hij dat tot in het diepste van zijn wezen wás. En dat zijn partij stilaan minder atlantisch werd, ofwel uit overtuiging ofwel omdat het modieus was ‘moderner’ en ‘opener’ te zijn, dat verdriette hem zeer.

Al in de jaren tachtig herhaalde hij talloze malen zijn vrees dat een slechte ideologische basis, het miskennen van het wezen van de christendemocratie de oorzaak zou worden van de electorale verkruimeling van de CVP. “17 januari 1984. Ik denk na over het CVP-congres. Zullen we onze verdediging opgeven en eenzijdig ontwapenen? Dus toch liever rood dan dood? (…) Is dit het einde van de beschaving? Der Untergang des Abendlandes? En waar staat de christendemocratie? Zullen we net dat prijsgeven wat zin en betekenis aan het leven geeft? Tegenover marxisme, leninisme, liberalisme of nationalisme moeten we onze beginselen en houding in ere herstellen of we zijn de armste, tijdelijk nog bestaande politieke partij in Vlaanderen.”

Of ook: “14 maart 1982. Congres van de CVP. Frank Swaelen wordt tot voorzitter gekozen, ik krijg een wereldbol en het congres eindigt roemloos. Welke ziekte heeft deze eenmaal zo bloeiende beweging getroffen? Wie aandachtig de amendementen leest die op de ontwerpresoluties werden ingediend, kan zich rekenschap geven van de verwarring in de geesten, het gebrek aan beginselen, de afwezigheid van een vaste lijn. Hoe moet dit aflopen?”

“2 mei 1984: Gesprek met Herman Van Rompuy. (…) Ik had hem niet zo ontmoedigd verwacht. Hij heeft het over weggaan. Het studiecentrum bestaat praktisch niet meer en de partij is opnieuw een standenpartij geworden, oordeelt hij. Aan het woord is de knapste kerel van zijn generatie!”

Die Koude Oorlog bepaalt de actieradius van Tindemans, maar beperkt die ook. Omdat Zaïre – zo heette Congo toen – in het westerse kamp zit, is het even ondenkbaar dat België Mobutu zou laten vallen. Hoe corrupt zijn regime ook is. Tindemans aanvaardt dat, de Zaïrezen weten dat, en rammelen met de Belgen waar en wanneer ze kunnen.

Of: “17 juli 1982: ’s Namiddags komt een telefoontje. Ik moet Kengo bellen. Die weet me te vertellen dat Mobutu zeer opgewonden is. Hij beschouwt namelijk de uitnodiging om naar België te komen (die hij eiste!) als een provocatie.” Of: “3 november 1988. Hotel Intercontinental. Voordracht van Martens. Degene die hem inleidt, zegt dat hij hoopt dat Martens de stammentwisten in België zal overwinnen. Applaus. Ze lachen met ons.”

Samengevat: deze dagboeken zijn een goudmijn voor wie interesse heeft voor de jaren tachtig. De bril van Tindemans was gekleurd, met lenzen die elk rood wegfilterden, maar toch keek hij scherp. Ook naar partijgenoten: Dehaene, Eyskens en Martens zullen slikken als ze lezen hoe Tindemans hen observeert en neersabelt. Net zoals hij doet met Europese kopstukken, en af en toe ook eens met zichzelf.

“30 december 1984. De laatste tijd ben ik vaak terneergeslagen. Is het omdat ik moeilijk aansluiting krijg bij de generatie Martens-Nothomb-Gol? Is het omdat het politieke leven zo baadt in mediocriteit? Is het omdat ik ouder word, is het een eerste verschijnsel van het gewicht der jaren? Is het omdat in mijn partij nog zo weinig geestdrift te bespeuren valt en mij meer dan eens de beroemde magische zin van Simón Bolívar te binnen schiet: ‘Ik heb de zee beploegd’?”

Nog dit: Tindemans’ boek bulkt van kleine maar betekenisvolle onthullingen. Hij beschrijft bijvoorbeeld hoe Jean Gol schaamteloos de Israëlische kaart trok in het Midden-Oostenconflict. Gol was van Joodse afkomst. Dat zou niet relevant mogen zijn, behalve als Tindemans diens herhaalde tussenkomsten openbaart.

Bijvoorbeeld: “11 september 1986. Gol vertrouwt me toe: ‘Ik krijg regelmatig rapporten uit Israël (van politieke aard).’ Plots beseft hij dat zijn bekentenis de Belgische minister van Buitenlandse Zaken aan het schrikken kan brengen en hij haast zich eraan toe te voegen: ‘à titre personnel, bien entendu, pour mon information.'” Zijn dit aanwijzingen van interferenties van de Israëlische ambassade – of zelfs van de Mossad – in de interne werking van de Belgische regering?”

Bron » De Morgen

Tags: ,

Menu