Geplaatst in

Hoe Bende-leden Robert Beijer en Madani Bouhouche met gif strooiden en afpersten: “Er is een geldsom betaald door Delhaize: ze wilden een vierde bloedbad absoluut vermijden”

Blauwzuur in babymelk, ontploffende brandblussers in supermarkten en cyanide in chocolade of confituur. Tussen 1985 en 1987 werden meerdere Belgische voedselconcerns afgeperst. In één geval werd er ook betaald. HUMO ontdekte nooit eerder geopenbaarde dossierstukken die mogelijk een nieuw licht werpen op wat er schuilging achter de laatste drie aanslagen van de Bende van Nijvel en onderzocht de rol van ‘de twee B’s’, Madani Bouhouche en Robert Beijer.

‘Wat doet zij hier?’ horen zijn ondervragers Robert Beijer eind juli 1988 tegenpruttelen. In een verhoorlokaal van de Brusselse Bewakings- en opsporingsbrigade (BOB) heeft hij de vroegere receptioniste van de Brusselse residentie Ladbroke opgemerkt. Voor de speurders verraadt zijn schrikreflex dat hij beseft dat het net rond hem zich heeft gesloten. Dat hij is ontmaskerd als degene die magistraten, politiemensen en bedrijfsleiders maandenlang nachtmerries heeft bezorgd over baby’s die sterven in de armen van hun moeders bij het zuigen aan een papfles.

Beijer is een ex-politieman die begin jaren 80 met z’n collega Madani Bouhouche misdaad ging beoefenen in plaats van bestrijden. Het duo verliet eind 1983 de rijkswacht, de toenmalige federale politie, en richtte een detectivebureau op, ARI. Dat bureau groeide uit tot een misdaadkartel dat gretig misbruik maakte van insidepolitieweetjes om hun vroegere collega’s te misleiden.

Beide B’s waren aangehouden op verdenking van de moord op wapeningenieur Juan Mendez-Blaya. Zijn met kogels doorboorde lichaam was op 7 januari 1986 aangetroffen langs de E411. Het onderzoek tegen de B’s breidde zich vervolgens uit naar een hele reeks andere misdrijven. Waaronder één met babymelkpoeder.

Zoekertje

Residentie Ladbroke bevond zich in de Troonstraat 36, in de Europese wijk. Vandaag wordt het gebouw ingenomen door het Europees Parlement. In 1986 waren er 54 luxeappartementen die vooral dienstdeden als occasionele verblijfplaats voor diplomaten, lobbyisten en expats. Midden januari had een man met een raar hoedje zich bij de receptie gemeld. Hij had drie maanden vooruitbetaald voor de huur van appartement 09. Hij had er een telefoonaansluiting laten plaatsen en tussen de naamplaatjes in de inkomhal eentje toegevoegd met de naam Helmut Maucher, op dat moment de Duitse CEO van het Zwitserse voedingsconcern Nestlé

Op donderdag 3 april 1986 wordt een vijf pagina’s lange afpersingsbrief afgeleverd op het hoofdkantoor van Nestlé in het Zwitserse Vevey, gericht aan de échte Helmut Maucher. Bovenaan staat in blokletters: ‘Voor alles moet u weten dat de doorzichtige plastic zak een zeer giftig product bevat.’ In de bijgevoegde stalen zit babypoedermelk vermengd met witte korrels natriumcyanide, een witte geurloze stof die extreem goed oplost in water. ‘We noemen het ook blauwzuur,’ legt toxicoloog Jan Tytgat (KU Leuven) uit. ‘De dodelijke dosis bedraagt ongeveer 10 milligram.’

De brief gaat verder: ‘Uw bedrijf is ons 5 miljoen Zwitserse frank (ongeveer evenveel euro, red.) verschuldigd. Bij weigering zullen met het poeder vergiftigde producten van Nestlé in verkooppunten worden geplaatst. Ook zullen brieven met monsters worden verstuurd naar overheidsinstanties en media. Nestlé zal synoniem zijn aan een gewelddadige dood.’

De instructies in de brief zijn duidelijk. Het moeten vier bundels zijn van 1.250 biljetten, samengebonden met touw. Het proces van overhandiging zal beginnen in appartement 09. De receptioniste van residentie Ladbroke is volgens de brief op de hoogte: ‘Zij zal u de sleutels van de flat overhandigen.’

Om te bevestigen dat de deal doorgaat, moet Nestlé op 8 april 1986 een zoekertje plaatsen in de Brusselse krant Le Soir. Met als hoofding ‘ELTSEN’ – Nestlé achterstevoren gespeld – en vermelding van het merk, de kleur en de nummerplaat van de auto die bij de geldoverdracht zal worden ingezet.

In een vergeeld exemplaar van Le Soir treffen we het zoekertje aan op pagina 17. De advertentie is geplaatst door speurders van de Brusselse BOB, Nestlé heeft meteen de Belgische autoriteiten ingelicht. De speurders komen in eerste instantie tegemoet aan de eisen van de afpersers. Die laatste bellen op donderdag 10 april naar appartement 09 en laten, zoals aangekondigd in de brief, drie seconden klassieke muziek horen. Nog volgens de brief: ‘Als u na die drie seconden ja antwoordt, sturen we een boodschap naar dit adres, met uitleg over de procedure. Omdat dit systeem niet eenvoudig is, verzoeken wij u een koerier te sturen met voldoende intelligentie.’

Heli’s in de lucht

In 1986 is Herman Perdu als rijkswachtofficier actief bij de Groep Diane, de speciale eenheid van de rijkswacht. Hij krijgt de leiding over de operatie die moet leiden tot de arrestatie van de afpersers. Het eerste wat zijn mensen doen is het telefoonnummer van het toestel in het appartement onder observatie zetten.

Helaas. Het Ladbroke-gebouw is vanwege de diplomatieke status van enkele residenten verbonden met een eigen, aparte telefooncentrale waarop geen enkel gesprek kan worden afgeluisterd of nagetrokken, iets wat slechts een klein kringetje van (ex?)-politiemensen kan weten. Nadat het telefoontje is gekomen en beantwoord, stopt een taxi voor residentie Ladbroke. De argeloze koerier stapt uit en overhandigt een groot blad papier.

Herman Perdu: “Daarop stonden allerlei letters en cijfers. Het was een puzzel die je onmogelijk kon oplossen. Het enige wat we ervan begrepen, was dat we naar de autosnelweg richting Parijs moesten rijden, de E19, en onderweg aandachtig moesten zijn voor boodschappen op verlichtingspalen of kilometerborden langs de kant.”

HUMO: Waren die er?

Perdu: “Zeker. Al waren het geen echte boodschappen. Het waren losse A4’tjes met uitgesneden vierkantjes. We kregen snel door dat we die, als rasters, boven op het blad met letters en cijfers moesten leggen. Zo kwam een logische zin tevoorschijn die aangaf naar welk punt de chauffeur vervolgens moest rijden. En zo ging dat verder.”

HUMO: Dit klinkt als een aflevering van ‘De Mol’.

Perdu: “Het was een hele operatie, er waren meer dan twintig anonieme wagens bij betrokken. Ik denk dat we een hele dag bezig zijn geweest met het rijden van paal naar paal. We hadden Nederlandse helikopters ingeschakeld die vanuit de lucht beelden doorstuurden van wat er op de grond gebeurde. Ongezien, in die tijd.”

HUMO: Waren jullie echt van plan om de gevraagde 5 miljoen Zwitserse frank te bezorgen?

Perdu: “Nee, in het pakket zat namaakgeld. Er zaten wel acht echte Zwitserse bankbriefjes tussen. Dat moest zo van het Brusselse parket, om het geheel achteraf als strafrechtelijk misdrijf te kunnen catalogeren. Ons doel was de dader – of daders – te vinden. Dat kon enkel, dachten wij, door dat pakket op de gevraagde plek achter te laten en het vanuit alle mogelijke hoeken te observeren.”

HUMO: Laat ons meteen spoilen: dat is mislukt?

Perdu: “Paal na paal ging de tocht verder, tot we rond middernacht aankwamen aan de verkeerswisselaar van Saint-Ghislain, voorbij Bergen. Daar moest het pakket honderd meter voorbij kilometerpaal 66 worden neergelegd op een bepaalde plek. Onze mannen deden dat. Ik volgde alles vanuit het commandovoertuig.”

“Wij waren ervan overtuigd dat de daders ons onmogelijk konden hebben gezien. Dat pakket lag daar, en nu was het een kwestie van wachten tot iemand het zou komen oppikken. We telden de minuten. Niets. Na een halfuur zei ik: ‘Laten we toch maar eens gaan kijken.’ Het pakket was weg. Alsof het in de grond was gezakt.”

“Het pakket was neergelegd op een zwarte plaat die achteraf een valluik bleek te zijn dat uitkwam op een riolering. Dat valluik kon enkel van onderuit worden geopend. De riolering was breed en had doorgangen naar lager liggende velden. De afperser moet een paar kilometer verder met het pakket bovengronds zijn gekomen. Het was geniaal bedacht.”

HUMO En dan vloeken?

Perdu: “Wees maar zeker, want ik zat in de commandowagen met commissaris Georges Marnette van de Brusselse gerechtelijke politie. Plots zegt die: ‘Zo is het vorig jaar ook gegaan bij Côte d’Or.’ Ik was razend. Waarom had hij ons niet verteld dat er eerder een gelijkaardige zaak was geweest?”

“We kwamen te weten dat de afpersers ook toen hadden gewerkt met een puzzel en rasters, met een overdracht op dezelfde autosnelweg. Het pakket was toen neergezet voor een geluidscherm waar een gat in was gemaakt. De daders waren al weg toen de politie de locatie achter het geluidscherm kon bereiken, vertelde Marnette. Het was de tijd van rivaliserende politiediensten die weinig informatie met elkaar uitwisselden.”

Bij Côte d’Or was de brief op 25 februari 1985 per postpakket afgeleverd in de chocoladefabriek naast het Zuidstation in Brussel. Hij was bestemd voor toplui Baudouin Michiels en Michel Bieswal en vergezeld van twee kleine repen en een reageerbuisje met wit poeder.

De brief: ‘Dit is slechts een steekproef van onze voorraad. Uw chocolaatje, dat een hoge dosis van een zeer giftige stof bevat, is nu dodelijk. Als u de chocolaatjes hebt aangeraakt, raden wij u aan uw vingers niet in uw mond te stoppen.’
In het lab werden in de chocolaatjes fatale doses zinkcyanide aangetroffen. Ook deze keer schreven de afpersers dat ze, indien nodig, na de eerste doden de media zouden inlichten. Er werd 25 miljoen Belgische frank geëist, in briefjes van 1.000 Zwitserse frank. Omgerekend is dat ongeveer 620.000 euro.

De gelijkenissen met de latere Nestlé-afpersing waren treffend. Sommige zinswendingen klonken zelfs identiek, zoals: ‘Côte d’Or zaait de dood.’ Ook toen, in de nacht van 1 op 2 maart 1985, was de operatie begonnen met een taxichauffeur die een puzzel was komen afleveren. Het was het startschot voor een rit langs de E19. Die keer eindigde die bij kilometerpaal 64,4. ‘Onze leiding was achteraf niet bepaald fier,’ zegt een betrokken politieman. ‘Er is nooit over gecommuniceerd.’

Er zijn destijds jaren overheen gegaan voor de twee B’s zouden worden verdacht van de afpersingen bij onder meer Nestlé en Côte d’Or. In een proces-verbaal van de BOB van Nijvel worden in 1991 de aanwijzingen opgelijst. Over de afpersing van Côte d’Or lezen we: betaald. Het document verduidelijkt niet of het gaat over het volledige bedrag van 25 miljoen frank. De gepensioneerde Côte d’Or-topman Michel Bieswal, aan wie de afpersingsbrief was gericht, voelt er weinig voor om herinneringen op te halen met HUMO: ‘Dit gaat mij niet aan, en bedankt voor uw telefoontje.’ Einde gesprek.

Opblaasbootje

Dat de twee B’s in het onderzoek naar de Bende van Nijvel in beeld kwamen, had te maken met de moord op Juan Mendez-Blaya. Die was in mei 1985 beroofd van zijn privéwapencollectie en was er na de laatste Bende-aanslag in Aalst van overtuigd dat daar was geschoten met een van zijn riotguns. Bouhouche was kort voor de roof bij hem op bezoek geweest. Mendez-Blaya had hem toen verteld dat hij eerstdaags nieuwe en betere sloten zou plaatsen. Bouhouche was zowat de enige die hiervan wist.

In het Mendez-onderzoek liet de Nijvelse onderzoeksrechter Luc Hennart huiszoekingen uitvoeren in de garageboxen en de flats waar de twee B’s jarenlang her en der gestolen wagens, wapens en explosieven hadden verborgen. In een van de boxen vonden de speurders twee nagemaakte nummerplaten: DUJ 501. Een combinatie die hun bekend voorkwam. Na de mislukte geldoverdracht in de Nestlé-zaak hadden speurders iets verdachts opgemerkt. Net voor ze het pakket gingen neerleggen, zagen ze er een Renault 4’tje van de Bergense Watermaatschappij kort halt houden, ter hoogte van een rioolputdeksel aan kilometerpaal 66,1. Voor de zekerheid noteerden ze de nummerplaat: DUJ 501.

Het Mendez-onderzoek zou de moord op Mendez niet ophelderen, maar leidde in 1995 wel tot de veroordelingen van de twee B’s tot twintig en veertien jaar cel voor onder meer de moorden op veiligheidsagent Francis Zwarts en die op de Libanese diamantair Ali Suleiman.

In de marge van al die moordzaken kwam ook rijkswachter Christian Amory in beeld, een goede vriend van de twee B’s. Hij bekende in 1987 dat hij vier jaar eerder samen met hen ’s nachts een dinghy – een opblaasbootje – was gaan stelen op het strand in Knokke. Wat daar de bedoeling van was, wordt duidelijk als het team van Hennart een oude opslagplaats ontdekt in de Washuisstraat 16, in het centrum van Brussel.

Ook Robert Beijer verwijst in zijn boek ‘De Laatste Leugen’ uit 2010 onrechtstreeks naar het doel. Een fragment: ‘Sommige supermarkten hebben een Quick. Bouhouche heeft bedacht dat we ons kunnen voordoen als werknemers die brandblussers komen controleren. We zouden de echte vervangen door andere, gevuld met explosieven. Vervolgens zouden we ’s nachts twee of drie leden van de raad van bestuur wakker maken: ga binnen tien minuten eens kijken in uw Quick.’

Het idee was losgeld te eisen van het concern boven de fastfoodketen, GB-Inno-BM. Als dat er niet zou komen, zouden her en der brandblussers exploderen. Nog een fragment uit bovengenoemd boek: ‘Als u niet betaalt, laten we een artikel verschijnen waarin staat dat uw gierigheid het leven heeft gekost aan tientallen mensen!’

Het losgeld had volgens Beijer moeten worden afgeleverd in de Washuisstraat 16, waar hij en Bouhouche hadden zitten graven aan een tunnel die de kelder zou verbinden met de ondergronds lopende Zenne. Die rivier vormt in Brussel de as van het rioolstelsel. Terwijl de politie het huis nog aan het doorzoeken zou zijn, zouden de B’s met hun dinghy ondergronds de Zenne afvaren en kilometers verderop, nabij Vilvoorde, bovengronds komen. In verhoren uit 1998, na zijn proces, verduidelijkte Bouhouche dat er best veel tijd in het project was gekropen.

Madani Bouhouche: “We hebben verschillende keren door de riolen genavigeerd. We moesten eerst onze weg zien te vinden door dat labyrint. We hadden er plannen van, maar die waren onvolledig. Dan parkeerden we midden op de weg. We plaatsten signalisatie en een opklapbare metalen afscheiding en tilden een putdeksel op om in de riolen af te dalen.”

Als je Beijers boek naast de afpersingsbrieven legt, voelt het alsof één en dezelfde persoon aan het pennen is geweest. Dat kan in het geval van de zaak-Nestlé in ieder geval niet Bouhouche zijn geweest, want die was op 15 januari 1986 aangehouden op verdenking van de moord op Mendez-Blaya. Hij zou pas weer vrijkomen op 2 september van datzelfde jaar.

Perdu: “Bouhouche, Beijer en een paar kompanen hebben het plan bedacht, daar ben ik van overtuigd, en met mij veel mensen die op de zaak-Nestlé hebben gewerkt. De geldoverdracht is bij ontvoeringen en afpersingen altijd het kritieke punt. Daar komen daders en politie fysiek in elkaars buurt. Zij waren bezig met het ontwikkelen van een perfecte methode.”

HUMO: En altijd via de riolen?

Perdu: “Dat hadden ze niet zelf uitgevonden. Heel wat criminelen hadden grote bewondering voor Albert Spaggiari, het brein achter de bankroof van de eeuw in 1976 in Nice. Hij en zijn bende groeven vanuit een rioolpijp een acht meter lange tunnel naar de kluizenzaal van een bank.”

25 Kilo goud

Nadat speurders eind 1988 de onafgewerkte tunnel hadden ontdekt, was de uitleg van de twee B’s dat ze op een gegeven moment het geploeter beu waren. Er was volgens Beijer ook ruzie ontstaan tussen Amory en een vierde bendelid. Of daarmee het hele plan om GB-Inno-BM af te persen van de baan was, valt te betwijfelen.

Op maandag 16 maart 1987 treft een topman van het bedrijf een brief tussen de post aan met alweer dezelfde aankondiging. 50 miljoen Belgische frank (1,2 miljoen euro), of er zullen met strychnine vergiftigde producten in de winkelrekken worden geplaatst: ‘Het is aan u om ervoor te zorgen dat dit niet gebeurt.’

Opnieuw willen de afpersers iets zien verschijnen in Le Soir als bevestiging dat de onderhandelingen kunnen starten. Opnieuw gebeurt dat. Het is deze keer geen zoekertje, maar een opsporingsbericht, tussen de politieke berichtgeving in, op pagina 2: ‘Persoonlijk bericht, mijnheer Bourgeois, rijdend in de Franse Var met een blauwe Ford Scorpio, nummerplaat BBA 288, wordt gevraagd dringend te bellen vanwege zijn zieke nicht.’

Op diezelfde 16 maart verslikt ook de CEO van confituurproducent Materne zich in zijn koffie. In de brief wordt 25 kilo goud geëist, want: ‘Bijgevoegd vindt u een staal van een gewelddadig vergif dat de onmiddellijke dood veroorzaakt. Laat het analyseren of test het op een dier.’ Wéér moet er een zoekertje komen in Le Soir, en wéér verschijnt het, op pagina 10. Het is zogezegd ingestuurd door iemand die op zoek is naar een miniatuurtje van een grijze Ford Scorpio.

In de nacht van 23 op 24 maart 1987 herhaalt het hele scenario zich. Speciale eenheden rijden met een Scorpio de E19-autosnelweg af. Volgens een oud-speurder eindigt de tocht opnieuw ergens in het Henegouwse.

Perdu: “Achteraf bedachten we dat onze mensen steeds weer naar een zone in Henegouwen werden geleid waar Christian Amory nog in dienst was bij de rijkswacht. Waarschijnlijk zaten ze mee te luisteren naar onze radiocommunicatie, en ligt daar ook de verklaring waarom ze alweer niet konden worden ingerekend.”

Over het verloop van de operaties rond GB-Inno-BM en Materne is weinig bekend. De luttele beschikbare bronnen geven aan dat het in geen van beide zaken tot een geldoverdracht is gekomen.

Nog een anekdote over die brieven aan GB-Inno-BM en Materne: toen een wandelaar in 1988 in de bossen van Chavannes-de-Bogis in het gras het lint van een elektrische schrijfmachine opmerkte, vond hij dat verdacht. Hij trok ermee naar de politie. Die hield het lint tegen het licht en kon op die manier letter na letter de laatst getypte zinnen reconstrueren. Het waren zinnen uit de afpersingsbrieven van 16 maart 1987.

En dan was er nog de receptioniste van residentie Ladbroke. Op haar aanwijzingen was in 1986 al een robottekening gemaakt van de man die appartement 09 had gehuurd. Volgens wat in oude dossierstukken te lezen staat, was het een vrij nauwkeurig portret van Beijer. Toen hij later tijdens de fysieke confrontatie tegenover de jonge vrouw werd gezet, bleef hij in alle toonaarden ontkennen dat hij haar ooit had ontmoet. Zij hield voet bij stuk.

Een maand na de confrontatie met de receptioniste kwam Beijer op 26 augustus 1988 vrij uit voorarrest. Een van de redenen was een gloednieuwe afpersingsbrief, deze keer gericht aan de toen nog bestaande Henegouwse winkelketen Batard. Er werd gedreigd met gif in winkelrekken als er geen 15 miljoen frank werd betaald. Deze keer was de brief niet vergezeld van een gifmonster, maar volgden er als reactie op een zoekertje in Le Soir instructies om een potje met gif te gaan opdelven naast kilometerpaal 55 langs de E19.

In de afpersingsbrief legde de auteur zelf de link met de vorige zaken: ‘Mocht u denken dat dit een zoveelste poging tot afpersing is, gedoemd te mislukken, dan moet u weten dat de Belgische politie op 11 april 1986, na een soortgelijk voorstel aan een groter bedrijf dan het uwe, met een indrukwekkende operatie met helikopters een poging deed ons te arresteren. Zonder succes. We hebben het voor ons bestemde pakket uit handen van de politie laten nemen en ze hebben onze tussenpersoon niet eens gezien. Op 23 maart 1987, na een ander voorstel aan een ander bedrijf, hebben we de plannen van de politie gedwarsboomd.’

Volgens de toenmalige politielogica was dit het bewijs dat de ware afperser nog vrij rondliep. Jaren later draaien speurders in een rapport de redenering om: ‘Binnen twee weken na de confrontatie (met de receptioniste, red.) deed zich een soortgelijke zaak voor. Hier werd nooit losgeld betaald, wat ons doet vermoeden dat het een truc van Beijer was om zijn onschuld voor te wenden.’

In augustus 1988 vonden in Brussel opnieuw twee geheime operaties plaats waarbij politiediensten in contact trachtten te komen met de afperser(s). Niemand kwam opdagen. Als het doel van de laatste brief erin bestond Beijer buiten beeld te krijgen, was dat gelukt.

De vraag rijst waarom de afpersingszaken nooit zijn opgenomen in de akte van beschuldiging toen Beijer en Bouhouche voor het Brusselse hof van assisen verschenen. ‘Het zegt me vaag iets, die afpersingen,’ reageert oud-onderzoeksrechter Hennart. ‘Die mannen waren met dat soort zaken bezig.’

HUMO: Veel actiever dan gedacht, blijkbaar.

Luc Hennart: “Ik was een gastje van 34 toen ik aan dit onderzoek begon. Er kwam van alles op mij af en vaak heb ik me afgevraagd: waarin ben ik nu beland? Zij hebben heel wat uitgespookt en, als het klopt wat Beijer zei, deden ze dat soms in opdracht van de Staatsveiligheid. Ze hádden effectief plannen om grote winkelketens af te persen. Denk maar aan de Washuisstraat, ik heb destijds die tunnel ontdekt.”

HUMO: Ze zijn hier nooit voor vervolgd.

Hennart: “Ze hebben voor zover we wisten dat plan met die dinghy niet uitgevoerd. U mag ook niet vergeten dat er voor geen van die zaken ooit door iemand klacht is ingediend.”

HUMO: U hebt ze uiteindelijk wel voor de rechtbank gekregen.

Hennart: “En veroordeeld gekregen, voor een hele reeks andere feiten. Met enkel zaken die we honderd procent konden hardmaken. Hadden we beter kunnen doen? Zeker. Het zou me absoluut niet verbazen mocht dat duo veel meer hebben uitgespookt dan we toen konden bewijzen.”

“Ik weet ook: als we alle aanwijzingen en verdenkingen tegen die twee verder hadden moeten blijven onderzoeken, was ik dat vandaag nog altijd aan het doen.”

Schaakmat

Na de moord op de Libanese diamantair Ali Suleiman sloeg Beijer in 1989 op de vlucht en trok hij zowat de wereld rond. Hij belandde in de Thaise badstad Pattaya en voor de lokale autoriteiten hem daar te grazen konden nemen en aan België uitleveren, investeerde hij er volop in vastgoed. Beijer woonde er in een kast van een villa.

In een mail uit 2010, die later door het federaal parket werd onderschept, schreef Beijer aan een vriend: ‘Ik woon in Pattaya, op 100 meter van de zee en naast twee koninklijke landgoederen, dus ik profiteer van hun beveiliging. Ik heb hier vlak bij de zee een stuk grond en twee appartementen gekocht. Over twee maanden begin ik met de bouw van een nieuw huis dat ik ga verkopen, op mijn eigen grond.’

Grond die werd betaald door Côte d’Or? Dat zullen we vast nooit weten. We legden onze bevindingen per mail voor aan Robert Beijer. Er kwam geen reactie. Madani Bouhouche werd in 2005 doodverklaard na een ongeval tijdens het omhakken van een boom in de Franse Pyreneeën.

Nadat we hem hebben laten meelezen in oude dossierstukken, voelt Herman Perdu zich nog meer gesterkt in zijn overtuiging. Voor de gepensioneerde politieman blijft het onwezenlijk te beseffen dat alles het werk lijkt te zijn van mensen die ooit zijn collega’s waren.

HUMO: Frustrerend?

Perdu: “Ik snap het niet. De verbanden tussen al die afpersingspogingen zijn zonneklaar. In hun laatste brief vermelden de afpersers de inzet van helikopters. Ze wisten dus alles via afluisteren of via een mol. De tweede aanslagengolf van de Bende van Nijvel krijgt hiermee toch een heel andere context?”

Bij twee golven, in 1982-1983 en 1985, vermoordde de Bende van Nijvel 28 mensen. Tijdens de eerste golf viseerde de bende net zo goed Colruyts en GB’s (nu Carrefour) als Delhaizes. Tijdens de veel bloedigere tweede golf – 16 doden bij 3 overvallen – werden uitsluitend Delhaizes aangevallen. Tijdens de eerste golf werd er gemoord om getuigen uit de weg te ruimen, bij de tweede waren alle slachtoffers willekeurig gekozen shoppers, kinderen of een kassierster.

HUMO: U denkt dat Bouhouche en Beijer daarachter zaten?

Perdu: “Hun wegen zijn op een zeker ogenblik uit elkaar gelopen. Bouhouche was de man van de actie, van de wapens. Beijer was meer de puzzelaar, het brein. Als je zijn boek leest, zie je dat hij kickte op scenario’s waarmee hij zijn vroegere collega’s schaakmat kon zetten.”

Werd in 1985 ook Delhaize afgeperst, op een veel gewelddadigere manier dan? Zeker, zegt de voormalige topman van de Staatsveiligheid Christian Smets als hij begin 2022 zijn einde voelt naderen. Hij plaatst een ’testament’ online waarin hij beweert dat een baron die familie van hem was hem dat ooit onder vier ogen heeft verteld. Anderhalve maand voor zijn overlijden wordt hij hierover verhoord door het federaal parket.

Christian Smets: “Het ging om baron Franz Tilmans. Hij was de dooppeter van mijn zus en kwam drie keer per week bij ons thuis. Hij werkte samen met mijn moeder bij de bank in de Koloniënstraat in Brussel. Hij heeft niet gezegd hoeveel er is betaald en ook niet hoe dat is verlopen. Ik herinner me dat hij aangaf dat hij geen andere keuze had. ‘Ik kon het risico op een vierde bloedbad en het verlies van honderden banen niet nemen,’ zei hij. Ik heb er nooit met iemand over gesproken. Hij had me dit in vertrouwen gezegd.”

Franz Tilmans, overleden in 1991, stond destijds mee aan het hoofd van Cobepa, aandeelhouder bij Delhaize. Hij zat ook in een ridderorde met een andere edelman die directeur was bij de Delhaize in 1985. Die laatste wordt kort voor z’n negenentachtigste verjaardag samen met drie andere voormalige toplui in november 2022 ondervraagd door het federaal parket. Van 24 oktober tot 15 november worden ook drie telefoonlijnen van de drie heren op leeftijd afgeluisterd, in de voelbare hoop dat één van hen z’n mond voorbij zal praten.

Dat gebeurt niet. Twee van hen, de negentig voorbij, bellen na hun passage bij de politie wel met elkaar. Speurders horen dat ze het enkel over koetjes en kalfjes hebben en hoe een van hen zegt: ‘De ondervragers deden wel heel aardig.’ Hier eindigde alle verdere onderzoek.

Bron » Humo | Douglas De Coninck