VSOA-politie staakt tegen opnemen verhoren van verdachten

De liberale politievakbond VSOA wil op 8 november staken tegen opnemen van verhoren van verdachten. Dat zegt ondervoorzitter Vincent Houssin. Door een circulaire van 4 mei jl. van het college van procureurs-generaal moeten de eerste verhoren van verdachten van ‘levensbedreigende misdaden’ en van andere misdaden die voor assisen moeten komen, audiovisueel worden opgenomen. Iedere procureur kan bovendien zelf beslissen dat nog andere verhoren in ernstige zaken worden opgenomen.

VSOA-politie gaat hiermee niet akkoord en wil dat de maatregel wordt ingetrokken. De politievakbond heeft een stakingsaanzegging ingediend voor 8 november. Houssin haalt vijf redenen aan tegen de verplichting om verhoren op te nemen: “Dit is de wereld op zijn kop. Onze speurders zullen nu moeten gaan bewijzen dat ze geen geweld hebben gebruikt, geen druk hebben uitgeoefend op de verdachten en geen suggestieve vragen hebben gesteld. Niemand moet zijn onschuld bewijzen, toch? Maar de speurders dan blijkbaar wel.”

Bovendien schenden de regels volgens Houssin de privacy van de speurders. “Wat als een speurder zegt dat hij niet wil gefilmd worden? Heeft men daar al aan gedacht? Volgens de privacywet hebben onze politiemensen dat recht.” Ook wil Houssin niet dat de lokale korpsen opdraaien voor de kosten van de aanschaf van de camera’s en opname-apparatuur. De regeling komt er officieel omdat België niet in orde is met het Salduz-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.

Maar dat gelooft Houssin niet: “Dat arrest gaat niet over het opnemen van verhoren, het gaat over de aanwezigheid van de advocaat bij het eerste verhoor van iedere verdachte.” Ten slotte betreurt Houssin dat de speurders niet opgeleid zijn om die audiovisueel begeleide verhoren uit te voeren.

Is het opnemen van verhoren dan zo ongewoon? In Engeland gebeurt het al sinds 1984 en in Denemarken werd het in dezelfde periode ingevoerd. Een studie van criminoloog Cyrille Fijnaut uit 1988 toonde aan dat de politie daar aanvankelijk tegen was, maar er nadien een groot voorstander van werd omdat de speurders beschermd werden tegen onterechte klachten.

Het Europees Parlement besloot op 6 september 2003 dat het systeem van videoverhoren in alle lidstaten moet veralgemeend worden. De goede speurders worden zo immers beschermd tegen onterechte klachten en de 6% speurders, die nu volgens onderzoek van de Gentse criminoloog Paul Ponsaers, geweld gebruiken tegen verdachten, zullen zich dan wel inhouden.

De verplichting tot video-opnames bestaat nu al in België voor minderjarigen en slachtoffers in pedofiliezaken. In september 2003 stelde ook de Antwerpse korpschef Eddy Baelemans voor om verhoren op te nemen. En volgens de Antwerpse procureur-generaal Yves Liégeois zijn ‘de politiediensten’ gewonnen voor het opnemen van verhoren. Maar ze hebben vragen bij de kostprijs.

In 2006 schatte Dirk Van Nuffel, de voorzitter van de Vaste Commissie van de Lokale Politie, de kostprijs van de installatie van een videoverhoorruimte gemiddeld op 35.000 euro. VSOA-politie is nu wel eenduidig tegen. Houssin: “De situatie van Engeland en Denemarken kan niet naar België worden veralgemeend omdat ons land een heel andere rechtstraditie heeft.”

Bron » Gazet van Antwerpen

Gents eredoctoraat voor criminoloog Fijnaut

De Nederlandse criminoloog en hoogleraar Cyrille Fijnaut heeft vandaag een eredoctoraat ontvangen van de rector van de Gentse universiteit, Paul Van Cauwenberge. Volgens Van Cauwenberge mag Fijnauts impact op de ontwikkeling van het strafrechtelijk beleid en het politiewezen in België en in Nederland, en zelfs in heel Europa, niet worden onderschat.

Fijnaut was zowel in Nederland als in België als expert betrokken in verschillende parlementaire onderzoekscommissies, zoals de onderzoekscommissies rond mensenhandel, rond de Bende Van Nijvel en de commissie Van Traa. Op de uitreiking waren dan ook verschillende politici en hoogwaardigheidsbekleders aanwezig met wie Fijnaut heeft samengewerkt, zoals Louis Tobback, Tony Van Parys, Marc Verwilghen en de Nederlandse minister van Justitie, Ernst Hirsch Ballin.

Maar volgens Van Cauwenberge is en was Fijnaut steeds een voorbeeld van “grote onafhankelijkheid van zijn opdrachtgevers”, iemand die steeds het onderscheid wist te maken tussen zijn taak als wetenschapper en de taak van de politici.

“In die zin is hij een vertegenwoordiger van onze ‘Durf Denken’-slogan”, aldus Van Cauwenberge. Fijnaut zelf benadrukte de blijvende nood aan samenwerking tussen België en Nederland op politioneel en justitioneel vlak. Zo moet er volgens hem geïnvesteerd worden in flankerende maatregelen, zoals de betere opleiding voor politie en justitie, “en hen zo meer vertrouwd maken met de werking van hun instellingen, en met de mogelijkheden tot samenwerking”.

Bron » De Morgen

Bende-mysterie blijft

Het mysterie rond de Bende van Nijvel blijft. Tussen 1982 en 1985 werden 28 mensen gedood bij ongemeen brutale overvallen. Zwaar bewapende en gemaskerde mannen schoten wild om zich heen en verdwenen met een vaak verwaarloosbare buit. De auto’s die ze bij hun raids gebruikten, lieten ze stukgesneden of volledig uitgebrand achter in de bossen.

Parallel met de overvallen van de Bende waren er – in 1984 en 1985 – de aanslagen van de CCC. Het land was in shock. Mensen durfden geen warenhuis meer binnenstappen. Ondertussen lopen de daders nog altijd op vrije voeten. Allerlei hypotheses werden geopperd: gangsters, terroristen, gangmakers voor een extreem-rechtse samenzwering, rijkswachters die een staatsgreep voorbereidden…

Twee parlementaire onderzoekscommissies bogen zich over het onderzoek, de eerste eind jaren tachtig (1988-1990), de tweede in 1996-1997. De commissies kwamen met aanbevelingen voor hervormingen van het gerecht en van de politie. Als experts van tweede Bende-commissie, maakten de Leuvense hoogleraren Cyrille Fijnaut en Raf Verstraeten een doorlichting van het Bende-onderzoek. In hun lijvig rapport – twee boekdelen van samen 1.200 pagina’s – rekenden ze af met allerlei indianenverhalen.

De hypothese dat extreem-rechtse organisaties (Front de la Jeunesse, Westland New Post) achter de aanslagen zouden zitten, in een poging om de staat te destabiliseren, werd wel degelijk ernstig genomen, maar ze leverde niks op. De experts vonden ook geen enkele band tussen de Bende en de “roze balletten”. Volgens die thesis zouden slachtoffers van de Bende van Nijvel hebben deelgenomen aan seksfuiven en werden ze tijdens een “gecamoufleerde liquidatie” uit de weg geruimd.

De hoogleraren Cyrille Fijnaut en Raf Verstraeten stelden in hun rapport wel “hallucinante samenwerkingsmoeilijkheden” vast tussen de onderzoeksteams in de verschillende gerechtelijke arrondissementen (Nijvel, Charleroi, Dendermonde). 

Bron » De Standaard

Oordeel valt over lot laatste Bende-verdachte

Naar alle waarschijnlijkheid beslist de kamer van inbeschuldigingstelling (KI) in Bergen vandaag dat Philippe De Staerke niet langer wordt vervolgd voor zijn vermeende aandeel in het dossier van de Bende van Nijvel. Na twintig jaar onderzoek verdwijnt daarmee de laatste verdachte.

Philippe De Staerke is een zware jongen. Hij werd in maart 1986 aangehouden voor een reeks inbraken en overvallen gepleegd door de zogenaamde Bende van Baasrode. Voor die brutale overvallen kreeg De Staerke twintig jaar cel. Na veertien jaar opsluiting werd hij in de zomer van 2000 vrijgelaten.

In juni 1987 stelde de toenmalige Dendermondse onderzoeksrechter Freddy Troch De Staerke in verdenking voor medeplichtigheid aan de overval van de Bende van Nijvel op het Delhaize-warenhuis van Aalst, op 9 november 1985. Daarbij werden acht mensen doodgeschoten. Het werd de laatste aanslag van een serie van 23 moordaanslagen die tussen 1982 en 1985 aan de Bende van Nijvel werd toegeschreven.

Er waren voor De Staerke bezwarende getuigenissen van zijn vriendin Yvette en haar toen tienjarig dochtertje dat de gangster de dag voor de Delhaize-aanslag in Aalst het terrein had verkend. Volgens de speurders in Dendermonde bezat De Staerke ook wapens die konden zijn gebruikt bij de Bende-aanvallen.

Maar materiële bewijzen voor de betrokkenheid van De Staerke bij de Bende van Nijvel zijn nooit gevonden. In hun 1.200 pagina’s tellende rapport over het onderzoek naar de Bende concluderen de Leuvense hoogleraren Cyrille Fijnaut en Raf Verstraeten dat “het onderzoek naar de bende De Staerke vanaf 1988 in een impasse verkeerde”. Dat was nog vóór het dossier later dat jaar verhuisde van Dendermonde naar Charleroi.

In 2000 stelde de raadkamer in Charleroi, op vraag van het openbaar ministerie, De Staerke buiten vervolging. Tenzij er onverwacht nog uitstel volgt, doet de beroepsinstantie, de KI, vandaag een uitspraak. Peter Callebaut zegt “zich geen illusies te maken over de beslissing”. Callebaut is de advocaat van de nabestaanden Marie-Jeanne Callebaut (geen familie) – wier man Jan Palsterman het leven liet als bij de aanslag op de Delhaize in Aalst – en haar dochter Irena Palsterman.

Maar ook als de KI De Staerke vandaag buiten vervolging stelt, is voor advocaat Callebaut het dossier niet gesloten. “Als de KI De Staerke buiten vervolging stelt, stappen we naar het Hof van Cassatie en als we ook daar geen gelijk krijgen, gaan we naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.”

Callebaut wil dat het onderzoek terugkeert naar Dendermonde. “Ik zeg niet dat De Staerke een van de daders was van de aanslag, wel dat hij er minstens meer van afweet. Waarom? Hij is op verkenning geweest en hij heeft een koffer verborgen waarin wapens hebben gezeten, maar dat onderzoeksspoor heeft men verknoeid.” Als de KI De Staerke vandaag, ruim zestien jaar na de aanslag in Aalst, buiten vervolging stelt, is het Bende-onderzoek wellicht bezegeld. Al blijft het speurdersteam in Jumet officieel operationeel.

Bron » De Standaard

 

Interview met hoogleraar Cyrille Fijnaut

Cyrille Fijnaut gelooft nooit dat de federale politie over tien maanden klaar is voor de start. Volgens de politiespecialist is de hervorming hoogstens een tussenstap, omdat er te veel “kleine korpsjes” overblijven. Fijnaut is hoogleraar criminologie en strafrecht aan de KU Leuven en aan de KU Brabant in Tilburg.

Hij werkte in ons land mee aan de parlementaire onderzoekscommissies rond mensenhandel, het onderzoek naar de Bende van Nijvel en de Dutroux-affaire.

U heeft geen hoge pet op van de manier waarop de politiehervorming in ons land wordt aangepakt. Wat zijn uw belangrijkste bezwaren?

“Die hebben zowel te maken met de inhoud, als met het proces. Wat de inhoud betreft, vind ik dat de regering een onmogelijk systeem op poten wil zetten. Met bijna tweehonderd lokale politiekorpsjes, creëert ze te veel verdeeldheid aan de voet. Dat wordt een overgangssysteem, want het zal zijn eigen onvermogen bewijzen. Tenzij men de federale politie opnieuw sterk uitbouwt die dan de tekorten van de lokale korpsen opvangt.”

De 190 lokale politiekorpsen zullen niet opwegen tegen de federale politie?

“Precies. Te veel van die korpsen kunnen absoluut niks verhapstukken.”

De minister van Binnenlandse Zaken, Antoine Duquesne, had dus gelijk, toen hij bij zijn aantreden als minister stelde dat er in het ontwerp van de vorige regering te veel politiezones overbleven?

“Ja, zonder meer. Kijk, Engeland heeft een veertigtal grote politiekorpsen en maar een klein beetje federale politie. Nederland heeft vijfentwintig grote regionale korpsen. En dat vinden veel mensen in Nederland en Engeland te veel. 190 lokale korpsen in een klein land als België is een anachronisme.”

“Totnogtoe heb je natuurlijk ook honderden kleine korpsen, maar dat levert geen problemen op omdat er een sterke overkoepelende rijkswacht is. Nu kappen ze de rijkswacht doormidden.”

U hebt niet alleen inhoudelijke kritiek, maar ook bezwaren tegen de manier waarop de regering het aanpakt.

“Ja, vooral dan tegen de overhaasting waarmee alles gebeurt. Naar mijn smaak is die reorganisatie operationeel niet voorbereid. Men verwijst naar de bestaande politiezones. Die IPZ’s zijn wel aardig, maar ze zijn vooral gebaseerd op taakverdeling. Dat is iets anders dan diensten operationeel integreren.”

“Het gaat om een van de grootste ambtelijke reorganisaties. Niet van een dienst die ergens in de schaduw van de maatschappij zit in te dutten, maar van een frontlijnorganisatie, van een dienst die 24 uur op 24 moet functioneren.”

“Er is in de parlementaire onderzoekscommissies naar de zaak-Dutroux en de Bende van Nijvel zoveel kritiek gekomen op het gebrek aan planning en coördinatie bij rijkswacht en gerechtelijke politie. Nu de politici zelf iets maken, is er ook geen planning en hebben ze weinig oog voor de complexiteit. Ik moet zeggen dat ik het gewoon angstaanjagend vind. Men springt er toch buitengewoon laks mee om.”

De regering heeft aangekondigd dat ze midden volgende maand in 21 zones van start gaat met de lokale politie. Is dat de goede manier of gaat het om een vlucht vooruit?

“Ik denk dat Verhofstadt goed gezien heeft dat het proces aan het verzieken was en dat je daar op die manier een impuls aan geeft. Dat kan ik wel waarderen aan dat initiatief. Het risico zit erin dat de regering het initiatief gewoon als een politiek glijmiddel gebruikt. Dat zou mij niet zo sympathiek in de oren klinken.”

“In elk geval zal men zien dat die integratie niet zo maar even overhaast doorgevoerd kan worden. Zo simpel is het niet. Wie zal dat korps leiden bijvoorbeeld. Als men ertoe komt die modelprojecten serieus te evalueren, zou het mij niet verbazen dat men die algemene reorganisatie nog één of twee jaar uitstelt, omdat er te veel problemen aan het licht zullen komen.”

Zoals de timing nu is opgevat, begint de federale politie over tien maanden, de lokale politie een jaar later. U bent voorstander van een gelijktijdige start?

“Zo is het systeem ook gebouwd. Net zoals met een organisme, kan je de rijkswacht niet voor de ene helft laten functioneren en de andere helft in de vrieskast zetten. Dat doet men nu. Ik kan me niet voorstellen hoe dat kan functioneren. Als je de rijkswacht coupeert, blijven die lokale brigades daar zo’n beetje rondzingen.”

“Wie stuurt die dan aan, wie krijgt er het gezag over, wie gaat die beheren? Dat roept bij mij duizend vragen op. Ik vrees dat men de rijkswacht in een chaos stort. De VLD, die wel de grote broek wou aantrekken, heeft altijd geëist dat de hervorming gelijktijdig zou plaatsvinden. En nu tracht ze zelf te faseren op een manier die mij volstrekt onlogisch voorkomt.”

Minister Duquesne was wel voorstander van een gelijktijdige start van lokale en federale politie.

“Dat begrijp ik goed genoeg. Als je de rijkswacht kent en weet hoe de samenhang daar is tussen het lokale en het centrale niveau, zet je niet brutaal de schaar in het middenrif. Wat de regering eigenlijk moet doen, doet ze niet. Ze zegt niet: we maken 190 lokale korpsen en we wijzen nu of binnen drie maanden de politiechef aan voor elk korps. Van die hete aardappel blijft men af.”

Maar eerst moet Duquesne toch de politiezones definiëren?

“Ja, dat is het abc. Maar het benoemen van politiemensen voor 200 zones is ook geen sinecure. Men wil echt alles tegelijk doen. Naar mijn smaak had men eerst de gerechtelijke politie moeten fuseren met de BOB van de rijkswacht. Nu doet men alles tegelijk, op een volstrekt irrationele manier.”

Nederland heeft in 1993 ook een grote hervorming doorgevoerd. Wat leert ons de vergelijking?

“In Nederland had men sinds 1945 en 1957 al een verregaande harmonisatie van de statuten. En men was er al een heel eind gevorderd met de operationele integratie. De hervorming van 1993 was met andere woorden het sluitstuk van een harmonisatie- en integratieproces. Terwijl in België de reorganisatie bijna het beginpunt is.”

Kan het lukken?

“Ik heb er toch een hard hoofd in. Goed, men zal het doen, omdat het politiek gewoon niet anders meer kan en men zichzelf ermee tegen de muur heeft gezet. Maar ik zou wel eens willen weten wat de kwaliteit van die handelswijze is. Daar geef ik niet veel voor.”

Bron » De Standaard