Bijna de helft van de speurders van de federale gerechtelijke politie is ongerust over beïnvloeding, druk en valsheden om een dossier in een bepaalde richting te sturen. Eén derde is bevreesd over regelrechte sabotage. Volgens de federale politie toont een nieuwe rapport met deze conclusies evenwel beperkingen.
Het gaat slecht met de federale gerechtelijke politie. In 2024 kwam een eerste zogenaamd Corespo-rapport ‘Respect’ uit. Het beeld dat naar voren kwam over de federale speurders en de leiding, was niet fraai: in de kantoren heerste een toxische werksfeer en was er ook sprake van pesterijen en grensoverschrijdend gedrag tegenover vrouwen. Commissaris-generaal Eric Snoeck moest uitleg komen geven in het parlement, maar daarna bleef het stil.
Nu is er dus een nieuw rapport, getiteld ‘Corruptie’, waaraan 1.776 van de 3.670 federale speurders meegewerkt hebben. Het Nieuwsblad kon er de hand op leggen. Opnieuw zou je kunnen spreken van problematische resultaten. Bijna één op de drie agenten werd tijdens zijn loopbaan geconfronteerd met corruptie binnen de eigen organisatie. Eenzelfde percentage zag al een onrechtmatige inmenging in een dossier. De corruptiecijfers zijn opvallend hoger dan de ‘te verwachten’ cijfers in de politiesector over bedreigingen uit het milieu (28,3 procent) en aanklachten van iemand uit het milieu (16,5 procent).
Bijlagen vervalsen
De belangrijkste vraag uit het rapport luidt als volgt: ‘Waar was je de laatste vijf jaar vaak ongerust over?’ Topantwoord is ”beïnvloeding” (45,3 procent). Dat is een zogenaamde clusterterm voor “het onrechtmatig afronden van een dossier, druk uitoefenen in het kader van een dossier of het vervalsen van bijlagen”.
De respondenten geven ook voorbeelden, zoals het niet onderzoeken van misdrijven om een lager criminaliteitscijfer te creëren. Of de houding van vooraanstaande leden van de politiehiërarchie, die zo ver gingen dat ze een openbaar document vervalsten om collega’s te beschuldigen. Er waren ook onofficiële contacten en romantische relaties tussen hogere politiefunctionarissen en magistraten, waardoor informatie werd uitgewisseld buiten de wettelijke procedures om en waardoor beslissingen worden beïnvloed. Een hoofdcommissaris waarschuwde dan weer een target dat lid was van ‘Vereniging X’. Met dat laatste wordt de loge bedoeld.
Wie dan verantwoordelijk is voor de “meest ongepaste invloed”, is ook duidelijk. Met 45,1 procent luidt het topantwoord “politieke figuren”. Daarna volgen advocaten uit een dossier, gevolgd door media, verdachten of getuigen en criminele organisaties. Dat zijn mensen buiten de politieorganisatie. Maar ook binnen de organisatie is er – zoals de eerdere voorbeelden duidelijk maken – een groot probleem van beïnvloeding. “De invloed van controleorganisaties zoals Comité P, parket, lokale politie, interne diensten of directies of andere overheidsinstanties ligt met cijfers tussen 10 en 20 procent nog altijd hoog”, staat te lezen in het rapport.
Een opvallend voorbeeld van een politieman uit het rapport: “Een vrederechter schreef een brief aan mijn directeur om te klagen over een boete die zijn dochter kreeg. Mijn superieuren vroegen me de andere kant op te kijken voor dingen die storend waren of niet gingen zoals ze zouden moeten gaan.”
Het tweede topantwoord omtrent de ongerustheid van speurders in het rapport, is het favoritisme, zowel bij interne promotieprocedures (33,8 procent) als bij selectieprocedures van nieuwe kandidaten (21 procent). “Er leeft de indruk dat vrienden of familieleden van leidinggevenden voorrang krijgen.” “Favoritisme werkt enorm demotiverend. Het tast het vertrouwen in de organisatie aan. Leidinggevenden die doordrongen zijn van vriendjespolitiek verzieken de organisatie. Zeer nefast”, klinkt het bij de bevraagde speurders.
Verzonnen bewijsmateriaal
De resultaten die boven de 20 procent scoren, worden door de rapporteurs aanzien als “prioritaire aandachtspunten in de organisatie”. Ook de ‘lagere’ resultaten zijn bijzonder, niet vanwege de percentages, maar omdat ze überhaupt voorkomen. Speurders zijn bijvoorbeeld bezorgd over het “neerleggen van verzonnen bewijsmateriaal, het laten verdwijnen van een dossier, vervalsen van bijlagen, opzettelijke vernietiging van bewijsmateriaal, de vraag om mee te werken met activiteiten van georganiseerde misdaad, het verdwijnen van in beslag genomen goederen of geld, uitrusting die ter beschikking gesteld wordt van externen, en diefstal van voorwerpen op een plaats delict of bij een huiszoeking”.
De cijfers van al die zaken blijven onder de 10 procent en krijgen het etiket “controleerbare risico’s”. Maar opgeteld tot de clusterterm ‘verdwijnen van materiaal’, halen ze 31,3 procent en zijn ze toch “prioritaire aandachtspunten”, aldus de rapporteurs.
Tussen 10 en 20 procent spreekt men van ‘gewone’ aandachtspunten. Het gaat daarbij bijvoorbeeld over het misbruik van overheidsmiddelen voor privéredenen (10,5 procent), het vergemakkelijken van gunningen voor overheidsopdrachten (12,7 procent), ingaan op vragen voor voorkeursbehandeling (18,7 procent) en het aanvaarden van cadeaus van ondernemingen en organisaties (19,7 procent).
Niet openbaar
Het rapport en de resultaten zijn – ondanks vragen vanuit het parlement – nooit openbaar gemaakt. Binnenlandminister Bernard Quintin (MR) zei daarover in het parlement dat hij twijfels had over de methodologie en de representativiteit van het rapport. Datzelfde antwoord geeft de federale politie nu ook. “Dit is geen finaal rapport. Het doel van deze bevraging was om organisatierisico’s te detecteren en passende maatregelen te nemen.”
Maar dat is niet meteen gelukt, zegt de federale politie over het rapport dat ze nochtans zelf besteld heeft. “Het rapport toont beperkingen qua representativiteit en wetenschappelijke onderbouw. De bevraging gaat deels over de hele loopbaan en kan dus niet dienen om de actuele werksituatie in beeld te brengen. Daarnaast zijn er ook meerdere thema’s verweven die niet altijd in lijn liggen met de vraagstelling over corruptie en zijn er individuele casussen geïntroduceerd, wat geenszins de bedoeling was van het onderzoek. Dit rapport geeft spijtig genoeg geen afdoend antwoord op de centrale onderzoeksvraag en haar context, dat is ook zo meegedeeld aan de vakorganisaties en de voogdijminister.”
De federale politie trekt er dus haar handen van af. “We moeten de methodologie herzien. We hebben interpreteerbare en bruikbare resultaten nodig. We zullen deze ‘Corespo-methode’ onder de loep nemen met een interne en externe analyses. In afwachting zetten we dit traject niet verder. Anderzijds is de strijd tegen corruptie één van de prioriteiten van de FGP. We beseffen ook dat het risico op corruptie binnen een politieorganisatie reëel en actueel is. We blijven alert, nemen elke melding serieus en zullen niet nalaten om maatregelen te nemen.”
Bron » De Standaard