Onderzoek

Onderzoeksrechter Langlois

Er waren nog een paar dingen die we niet wisten over hem

Langlois was in de jaren tachtig razend actief bij de Franstalige christen-democratische PSC. In zijn gemeente Etalle werd hij in 1988 verkozen tot gemeenteraadslid. Hij kandideerde op de PSC-lijst voor de provincieraad en was arrondissementeel PSC-voorzitter in Virton, de gemeente van oud-PSC-minister Joseph Michel. Volgens Langlois’ eigen politieke medestanders in de provincie Luxemburg was Michel zonder meer zijn politieke mentor en was hij het die in 1993 zijn benoeming als magistraat bewerkstelligde.

Daar is op zich niets bijzonders aan, want elke magistraat in dit land heeft een politieke kleur. Bijzonder wordt het wel als blijkt dat Joseph Michel in 1978 als minister van Nationale Opvoeding met succes tussenbeide kwam om Dutroux-verdachte Michel Nihoul tegen de uitdrukkelijke wil van de bevoegde ambtenaar bij Justitie uit de gevangenis van Sint-Gillis te halen. Een paar jaar later dook Nihoul in Brussel op als organisator van electorale campagnes van politici van de Cepic. Cepic was de ultrarechtse vleugel van de PSC, waar Michel zich in 1972 toe bekeerde.

Bijzonder wordt het ook als de als onderzoeksrechter vrij onervaren Langlois – het dossier-Dutroux is zijn eerste grote dossier – in Neufchâteau voor een primeur in het Belgische rechtswezen zorgt. Hij staat er met getrokken messen tegenover de procureur, Michel Bourlet. Die eist in zijn rekwisitoor de doorverwijzing van Nihoul naar het assisenhof, aan de zijde van Dutroux en consorten.

Hoewel zijn rol zich in dit stadium van het onderzoek hoort te beperken tot het objectief rapporteren over zijn dossier eist Langlois, op basis van hetzelfde dossier, dat iedereen voor eens en voorgoed zou aanvaarden dat Nihoul onschuldig is. Het is in een gemoderniseerde rechtsstaat gezond dat de onderzoeksrechter méér doet dan in de rechtszaal beaat te zitten herhalen wat het openbaar ministerie al heeft gezegd. De onderzoeksrechter hoort autonoom te rapporteren over zijn dossier.

In tegenstelling tot de procureur vertegenwoordigt hij niets of niemand. Langlois drijft het in zijn streven naar zelfstandigheid wel heel erg ver. Deze week onthulde Journal du Mardi een brief waarin Bourlet op 12 januari 2000 droogjes beschrijft: “Op 12 september 1997, rond 16.30 – 17.00 uur zijn de heren Brewaeys et Deliège van Le Soir Illustré in mijn bureel binnengekomen om mij te groeten. Ze waren uitgenodigd op een vergadering met onderzoeksrechter Langlois, majoor Guissard en misschien nog andere personen in de ondergrondse ruimte van het justitiepaleis van Neufchâteau, terzelfder tijd als hun collega Gérard Rogge van het RTBF-programma Au nom de la loi.

Onderzoeksrechter Langlois

Onderzoeksrechter Langlois

Het was zonder twijfel een vergadering om een en ander op punt te zetten voor de uitzending van Au Nom de la Loi. Als persmagistraat was ik hiervan niet op de hoogte, en ook (eens te meer) niet uitgenodigd op deze vergadering.’ De publicatie van de brief leidde deze week tot heel wat commotie. Zeldzaam waren echter de media die melding maakten van de brief. Het waren De Morgen en Journal du Mardi die “beweerden” dat er zo’n vergadering was geweest.

De obsessie van sommige gerechtsjournalisten om de lezer te kunnen garanderen dat er niets van klopte, was soms ontroerend. In de brief van Bourlet staat duidelijk dat de vergadering plaatsvond in de sous-sol van het justitiepaleis. Luidens een bericht in La Libre Belgique was dat niet juist en ging het om ‘un entresol’, een tussenverdieping. RTBF-journalist Gerard Rogge kon in Ter Zake dan weer onthullen dat het om een “gewone vergaderzaal” ging. Volgens de strafwet mag een onderzoeksrechter onder geen beding praten met journalisten.

Dat het in de alledaags praktijk wel eens durft te gebeuren, zal niemand verbazen, maar journalisten uitnodigen voor vergaderingen en – zoals uit andere nota’s blijkt – artikelen voor publicatie nalezen en correcties suggereren, is zowat het summum van wat wordt verstaan onder een fatale schending van het geheim van het onderzoek. De uitzending van Au Nom de la Loi, vijf dagen na de vergadering, was zonder meer een keerpunt in de perceptie van de zaak-Dutroux bij de publieke opinie. Het was het startpunt van een heuse campagne in nagenoeg alle Belgische media die de bevolking moest verzoenen met de ‘zekerheid’ dat er geen sprake was van ‘netwerken’ of ‘protectie’ en dat Nihoul onschuldig is.

Een bord spaghetti

Jacques Langlois kreeg de leiding over het dossier-Dutroux op 14 oktober 1996, na het veel besproken spaghettiarrest van het Hof van Cassatie. Onderzoeksrechter Jean-Marc Connerotte werd toen van het dossier-Dutroux gehaald omdat hij aanwezig was op een benefietavondje van de vzw Marc et Corinne in Bertrix, waar ook de uit Dutroux’ kelder bevrijde Sabine Dardenne en Laetitia Delhez aanwezig waren. Cassatie beoordeelde dat als een “gewettigd vermoeden van partijdigheden”, zoals de advocaten Julien Pierre van Marc Dutroux en Virginie Baranyanka van Michel Nihoul hadden aangevoerd.

Nogal wat waarnemers fronsten destijds de wenkbrauwen bij het door procureur-generaal Eliane Liekendael gebezigde argument dat een onderzoeksrechter geen blijk mag geven van sympathie voor deze of gene ‘partij’, weze het nu de verdachte(n) of de burgerlijke partij(en). “De mensen bij Cassatie begrijpen blijkbaar niet dat als sympathie voor de slachtoffers niet toegelaten is, men nergens nog een ‘objectieve’ jury zal vinden, tenzij men gaat zoeken naar de ergste psychopaten en emotieloze monsters”, stelde bijvoorbeeld moraalfilosoof Etienne Vermeersch. In zijn boek Nom de Code Neufchâteau citeerde journalist Eric Rydberg nog een hele rits eminente juristen die de uitspraak van Cassatie “een wel erg ruime interpretatie van de wet” noemden.

Connerotte wegsturen kon, aldus Rydberg, na het doorworstelen van alles wat er in de loop der jaren aan juridische analyses verscheen over het spaghettiarrest. Maar, besloot hij: “Met een net zo ruim vermogen tot interpretatie had men het omgekeerde kunnen besluiten en Connerotte voort laten doen.” Onzin, zo betoogde Pierre Ghislain op 22 december 1999 in een naar aanleiding van zijn pensionering verschenen interview in Le Soir. Ghislain zat eind 1996 midden in de drukte. Hij was toen raadsheer bij het Hof van Cassatie en stond er bekend als vertrouwenspersoon van procureur-generaal Eliane Liekendael, die hem wel eens om raad kwam vragen over netelige dossiers. “Het simpele contact tussen de onderzoeksrechter en een burgerlijke partij legitimeerde de verdenking”, aldus Ghislain in Le Soir. En normaal, zei hij, had het hele dossier moeten worden weggetrokken uit Neufchâteau.

“Het was een primeur dat alleen de onderzoeksrechter van de zaak werd ontheven.” Pierre Ghislain was in oktober 2000 lijsttrekker voor de PSC in Neufchâteau en zetelt er vandaag in de gemeenteraad. Hij wordt in zijn eigen streek omschreven als een goede vriend van oud-minister Joseph Michel. Het spaghettiarrest werd uitgesproken door de voorzitter van de tweede kamer bij het Hof van Cassatie, Oscar Stranard, een hoge magistraat met een uitgesproken PSC-etiket. En procureur-generaal Liekendael? Driemaal raden. Het spaghettiarrest liet procureur Bourlet dus buiten schot, maar stipuleerde wel nauwgezet wat er moest gaan gebeuren: “Dat het aan de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Neufchâteau staat om, overeenkomstig artikel 80, eerste lid, van het GerW., een werkend rechter aan te wijzen ter vervanging van de voortaan verhinderde onderzoeksrechter.”

Een nieuwe onderzoeksrechter

De voorzitter van de rechtbank in eerste aanleg te Neufchâteau is Francis Moinet (PSC). Hij stelde in eerste Jacques Langlois (PSC) aan als nieuwe onderzoeksrechter en vervolgens, ter versterking, een tweede. Het ging om Dominique Gérard (PSC). Kon de PSC voorzien dat Connerotte in de avond van 21 september 1996 deel zou nemen aan die dekselse spaghettiavond in Bertrix? Natuurlijk niet. Hadden sommigen binnen de partij in dat heftige najaar redenen om zich ongerust te maken over de evoluties in het onderzoek zoals Connerotte dat tot dan toe voerde? Je zou denken van wel. Er lagen plannen klaar voor een huiszoeking in het hoofdkwartier van de partij in de Tweekerkenstraat in Brussel, om na te gaan voor welke politici Nihoul in de jaren tachtig zoal campagnes organiseerde.

Connerotte had in de marge van het dossier-Dutroux het nevendossier 111/96 geopend. Hoofdverdachte was de Ukkelse advocaat-politicus Jean-Paul Dumont, jarenlang voorzitter van de PSC-jongeren en actief militant bij de Cepic. Dumont liet zich in de jaren tachtig op Brusselse feestjes wel eens fotograferen aan de zijde van Michel Nihoul. Tijdens een huiszoeking in de woonst van Nihoul (proces-verbaal 38.679, gerechtelijke politie Brussel, 24 oktober 1996) werd een deel van de correspondentie teruggevonden tussen Nihoul en Philippe Maystadt (PSC), die ten tijde van het exploderen van het dossier-Dutroux minister van Financiën was.

Maystadt maakte samen met Nihoul deel uit van de bierdrinkersclub Confrérie des Brasseurs. Nihoul sprak dit gepriviligeerde ‘contact’ aan voor een ‘interventie’ ten gunste van een bevriende en met zware schulden bij de fiscus kampende zakenman. Tegenwoordig heet de PSC CdH en de voorzitster Joëlle Milquet. Hoewel ze zowat symbool staat voor de metamorfose die de PSC de laatste jaren onderging, reageerde zij deze week zonder meer woest op de onthullingen in deze krant over het politieke verleden van Langlois. “Waanzin”, noemde ze het. Het is maar wat je waanzin noemt. Op 27 maart 2000 vindt Michel F. deze brief tussen zijn ochtendpost: “Mijnheer. Ik stuur u deze brief als uitnodiging (…) voor het forum met als thema ‘Gelijkheid tussen ouders of het recht van de kinderen om over beide ouders te beschikken.’

35 forums van dit type vinden plaats, overal in Wallonië en Brussel. Door deze ruime opening naar de burgers toe, wensen wij ons oor te luister te leggen bij iedereen, u te ontmoeten en u de gelegenheid te geven deel te nemen aan het debat (…). Ik heb het plezier u bijgevoegd een uitnodiging op te sturen voor onze ontmoeting op 1 april 2000 te Houffalize. Met de meeste hoogachtend. Joëlle Milquet.” Pogingen tot het bekomen van wat uitleg bij Milquet genereerden gisteravond enige nervositeit op het partijhoofdkwartier, waar woordvoerder Alain Raviard meteen een aantal kaderleden aan het werk zette om een en ander uit te zoeken. Of we in afwachting wilden noteren dat de partij het “zonder meer grotesk vindt dat ze er impliciet van wordt beschuldigd Nihoul te beschermen”. Wat bij deze is gebeurd.

Was het dan toch Michel F.?

Toen Marc Dutroux beweerde dat hij Julie en Mélissa nooit seksueel misbruikte, werd hij voetstoots geloofd door onderzoeksrechter Langlois. Paul Marchal herinnert zich levendig hoe Langlois tijdens een onderhoud met grote overtuiging poneerde dat het “materieel onmogelijk” is om met een volwassen penis de vagina van een kind te penetreren. Toen Dutroux beweerde dat de twee meisjes nog leefden toen hij ze in maart 1996 uit zijn kelder haalde, werd hij geloofd door Langlois. Volgens hem is het “mogelijk” dat twee kinderen van acht 103 dagen lang met slechts proviand voor hooguit twee maanden (dixit Dutroux) en onder wekenlange vriestemperaturen tot min 8 graden overleefden.

Toen onder druk van de ouders van Julie en Mélissa een reconstructie werd gehouden van de ontvoering, hoefde Dutroux daar van Langlois niet bij aanwezig te zijn, aangezien hij ook op dit punt geloofde wat Dutroux zei. Er is één essentieel punt waarop Langlois Dutroux niet gelooft. Zelf heeft hij geen idee wie het dan wel deed, maar dat Michel F. de ontvoerder van Julie en Mélissa was, dat weigert hij te geloven. Georges Frisque was op 1 april 2000 aanwezig op het forum van de PSC over de kinderrechten in Houffalize. “Ik stond erbij toen Michel F. handjes ging schudden en zo welkom werd geheten door Joëlle Milquet. Ik weet niet hoe die vent het in zijn hoofd haalde om daar plots de grote Jan uit te hangen, maar hij leek me niet weinig trots.”

Infiltrant, pion of agent van de Staatsveiligheid

Dat Frisque aanwezig was, is geen toeval. De man is overal aanwezig waar hij denkt iets te kunnen vernemen over de zaak-Dutroux, of zoals hij zelf stelt: “De zaak-Nihoul”. Frisque correspondeert ook persoonlijk met Dutroux. Sommigen dichten hem de rol toe van infiltrant, pion van de zwarte baron Benoît de Bonvoisin of agent van de staatsveiligheid. Als dat laatste het geval is, laten zijn benepen flat en zijn aftandse schrijfmachine in de Wérystraat te Elsene toe te stellen dat dat niet echt een lucratieve bezigheid is. “Ik communiceer met iedereen, maar werk alleen voor mijzelf”, zegt Frisque.

“Ik ben uit op revanche.” Begin jaren tachtig was Frisque een veelgevraagd ingenieur voor medische infrastructuur. Zo raakte hij betrokken bij het vooral door de Luikse PS bevroede ziekenhuisproject Centre Médicale de l’Est (CME) in Luik. Het zou hem een paar maanden cel opleveren. Zijn advocate was Annie Bouty, toen de partner van Nihoul, die zelf de rol van ‘pr-man’ voor CME op zich had genomen. Bouty werd echter verliefd op hoofdarts Jean-Marie Guffens. In een opwelling van amoureuze wraak muisde Nihoul er van onder met 5 miljoen frank, bestemd als smeergeld voor politici. Het CME-ziekenhuis zou uiteindelijk nooit worden gebouwd. Frisque en enkele anderen bleven achter met een geruïneerde loopbaan en een berg schulden. En, zegt Frisque: “Een deel van het door Nihoul verdonkeremaande geld kwam terecht bij de Luikse advocaat Georges Dehousse.”

De werkgever van Michel F.?

Frisque: “Precies. Al sinds 1996 tracht ik duidelijk te maken dat het toch wel een gigantisch toeval moet zijn hoe de zaak-CME en de ontvoering van Julie en Mélissa elkaar raken via Nihoul. Toen ik deze week vernam dat Langlois vijf dagen voor die uitzending van Au Nom de la Loi heeft zitten vergaderen met de makers, kreeg ik zowat een hartaanval. Kijk (scharrelt in wat documenten), hier is de brief die ik op 27 september 1997, tien dagen later, naar de RTBF stuurde. In de reportage werd met grote stelligheid geponeerd dat uit het onderzoek ‘onomstotelijk was gebleken’ dat Nihoul geen geheime Zwitserse rekening bezit.”

“Dat is belangrijk, aangezien die rekening gebruikt werd voor het wegmoffelen van het CME-smeergeld. Ik voegde aan de brief het bewijs toe van de opening van de rekening D5-942.276.0 bij de Société de Banque Suisse. Hier, kijk: ‘Genève, 18 oktober 1982.’ Getekend: Michel Nihoul, Troonstraat 16 te Brussel. Ik heb dit document, meer dan één keer al, naar Langlois opgestuurd. Als nu blijkt dat hij mee ten grondslag lag aan die reportage, dan is minstens bewezen dat hij bewust de boel heeft zitten te manipuleren.”

Kan het niet gewoon toeval zijn dat F. bij Dehousse werkte?

“Dat kan, maar mag ik opmerken dat het alibi voor F. op 24 juni 1995 is verstrekt door Dehousse? Ik kom Michel F. verder tegen in een opvangtehuis voor kinderen, dat mee wordt bestuurd door lieden van de Brusselse Cepic. Dezelfden voor wie Nihoul electorale campagnes verzorgde.”

Navraag bij de CdH leidt plots tot twijfels of de uitnodiging voor de bijeenkomst in Houffalize wel ‘authentiek’ is. “Er klopt iets niet met de handtekening van Milquet”, zegt Raviard, nadat we een kopie hebben gefaxt. “En ook niet met de plaats van de datum op het briefpapier. Voor zover we nu, vrijdagavond, kunnen nagaan, zijn er voor dat forum ook geen gepersonaliseerde uitnodigingen verstuurd.”

Honderd procent zekerheid dat het om een vervalsing gaat, kan Raviard niet geven. “U komt hier ook erg laat mee aanzetten. Als zou blijken dat het om een echte brief gaat, dan weze het duidelijk dat het hier gaat om een schrijven uit-de-duizenden, dat is gericht aan alle vzw’s in de Franstalige Gemeenschap die actief zijn op het domein van kinderrechten.” Even later hangt Christian De Bast aan de lijn, kabinetschef van Joëlle Milquet.

Zo erg zeker dat de brief vals is, is hij niet. “Wat zou kunnen, is dat er briefpapier van de partij gebruikt is door mensen die bij de organisatie van dat forum betrokken waren.” Raviard wil nog meegeven dat “als het zou kloppen” dat F. gezellig mee kwam debatteren over de houding van de PSC ten aanzien van kinderrechten, “dient te worden onderstreept dat de CdH zich van dit personage wenst te distantiëren”. En dat de CdH “op geen enkele wijze protectie heeft verleend aan leden van de bende Dutroux of aan Michel Nihoul”. Waarvan nogmaals akte. Was Michel F. de ware ontvoerder van Julie en Mélissa? Volgens Marc Dutroux wel, en volgens vader Jean-Denis Lejeune zou het wel eens kunnen dat Dutroux op dit ene punt de waarheid spreekt.