De moordenaars van Julien Lahaut zijn er gloeiend bij

Het heeft lang geduurd, maar nu mogen we de moord op communistenleider Julien Lahaut in 1950 opgehelderd noemen. De daders kenden we al, en nieuw historisch onderzoek wijst nu ook de vermoedelijke opdrachtgevers aan. En wat was de rol van Albert De Vleeschauwer, tot twee dagen voor de moord nog CVP-minister van Binnenlandse Zaken?

“Vive la République!”

Een krantenbericht, de volgende dag, vermeldt de korte stilte in het parlement: ‘Dan breekt een geloei van verontwaardiging los dat overgaat in een applaus zoals de Kamer nog nooit heeft gehoord. Minutenlang juichen de CVP’ers, socialisten en liberalen de prins toe, die niet bewogen heeft, alleen even naar de grond heeft gekeken. Maar de afstraffing volstaat niet en zodra het applaus wat afneemt, buldert de onbeschoftheid in persoon, de Moskoviet Lahaut, op zijn beurt: Vive la République. Weerom knettert een onstuimig applaus.”

Het was vrijdag 11 augustus 1950, de dag waarop een 19-jarige jongen genaamd Boudewijn trouw zwoer aan het land en zijn wetten. België hoopte hier en nu eindelijk een punt te kunnen zetten achter de woelige jaren van oorlog, repressie, de koningskwestie. En nu dit. In 1950 zetelden er nog tien communisten in het Parlement. De kreten kwamen uit die hoek. Precies een week later, iets na negenen ’s avonds, wordt aangebeld in de rue de la Vecquée 65 in Seraing. Hier woont Julien Lahaut, de 65-jarige voorzitter van de KPB, de Belgische communistische partij.

Zijn echtgenote Géraldine Noël opent de deur en ziet twee mannen, een lange en een korte.

“Wij willen kameraad Lahaut spreken.”

“Met wie heb ik de eer?”

Even later weerklinken er vier, mogelijk vijf schoten. Julien Lahaut heeft een oorlogswinter in Sint-Petersburg overleefd en het concentratiekamp van Mauthausen, maar niet die kreet in het parlement. Tenminste, zo is het verhaal altijd verteld.

‘Ik schoot’

Dankzij het boek van historici Rudi Van Doorslaer en Etienne Verhoeyen uit 1985 weten we min of meer wie de moord heeft gepleegd. Het commando, vier man sterk, werd aangevoerd door verzekeringsagent en ex-verzetsstrijder François Goossens uit Halle, die in zijn dorp Essenbeek wordt herinnerd als ‘de zot van de Guussens’. Zijn naam werd in 2003 in de archieven van het Luikse gerecht opgetekend en naar buiten gebracht door Vincent Van Quickenborne, tegenwoordig Open Vld-burgemeester van Kortrijk.

Vier jaar later biechtte de toen 83-jarige Eugène Devillé, zoon van de Halse burgemeester, op Canvas op dat hij de tweede man was geweest. Goossens was de lange, hij de korte. “We gingen gelijktijdig schieten, dat was afgesproken, maar hij heeft niet gevuurd. De ambetanterik.” Hij, Eugène Devillé, was de moordenaar. Tot een eind in de jaren zeventig stapte er tijdens de jaarlijkse processie in Essenbeek achter het Mariabeeld en de pastoor altijd een man mee met witte handschoenen en een Colt.45. Veel mensen in het dorp keken lachend toe, ze wisten wat hier werd uitgebeeld. Dit was een hulde aan de moordenaars van Lahaut.

Ook al zijn er nu een paar namen bekend, de moord op Julien Lahaut blijft een enigma, iets wat de leerkracht in de klas niet krijgt naverteld zonder lachje. Dat wij daar nooit het fijne van gaan weten. Want veel meer dan de vraag wie de trekker overhaalde, blijft het een raadsel hoe het kon dat de daders nooit werden opgespoord en het Luikse gerecht de zaak in 1972 gewoon klasseerde.

Van François Goossens is bekend dat hij na de moord te biecht ging bij ex-verzetsman en contraspion André Moyen, die in die jaren met zijn eigen inlichtingendienst genaamd het Netwerk als ‘Kapitein Freddy’ een legertje van geheime burgeragenten leidde. Moyen, begeesterd door een nakende invasie van de Russen, overleed in 2008 en begon pas in de laatste jaren van zijn leven te praten. Hij portretteerde Goossens in De Morgen ooit als een ongeleid projectiel: “Die vent was gek. Hij was tot alles in staat.”

Een impulsieve daad? Dat is wat Moyen ons wilde doen geloven. In 2008 stemde de Senaat in met een resolutie die het Studiecentrum Oorlog en Maatschappij (CegeSoma) opdroeg nieuw wetenschappelijk onderzoek te voeren rond de meest manifeste politieke moord die België ooit kende. Volgende maand, na jaren bedelen om eerst toegezegde en daarna door minister van Wetenschapsbeleid Sabine Laruelle (MR) weer ontzegde middelen, presenteren historici Emmanuel Gerard, Widukind De Ridder en Françoise Muller binnenkort hun werk Wie heeft Lahaut vermoord? Pagina na pagina maakt het onderzoeksrapport duidelijk dat de moord op Lahaut allesbehalve een impulsieve daad is geweest. Conclusie van de auteurs, aan het eind: ‘Niet de koningskwestie, maar de Koude Oorlog is het kader waarin de moord op Lahaut moet geplaatst worden.’

Te koop

Voor het huis in de tot rue Lahaut omgedoopte straat hangt een al een poos niet meer opgeblonken gedenkbord. ‘Ter ere van Julien Lahaut, vermoord op 18 augustus door vijanden van het volk.’ Het bord is half overplakt met een plastic bord van immokantoor Liboy-Lejeune. Te koop. Hier, aan de overkant van de straat, heeft de mythische Vanguard gestaan. De auto waarmee François Goossens deelnam aan autoraces in Francorchamps, en waarmee hij volgens oudere dorpelingen in Essenbeek “zeker twee of drie mensen heeft doodgereden”.

Op de dag van de aanslag was de Vanguard voorzien van een in Antwerpen gestolen nummerplaat. Slachtoffer Julien Lahaut stelde in 1950 politiek nochtans weinig of niks meer voor. Toen hij na de oorlog uit het concentratiekamp terugkeerde, had een nieuwe generatie de leiding over de KPB overgenomen. Ze waren toegetreden tot de eerste naoorlogse regering en voor de oude Lahaut was geen functie van betekenis meer weggelegd. Hij werd voorzitter, een in communistische partijen doorgaans onbestaande titel.

Maar hoe protocollair zijn positie ook was, voor de buitenwereld is hij de langst meegaande communistische politicus van het land. De volksmenner uit Seraing was eind jaren 40 met zijn stem als een klok vooropgegaan in de campagne tegen de terugkeer van koning Leopold III. Vier betogers werden door de rijkswacht doodgeschoten in Grâce-Berleur, en het land flirtte net zo lang met de burgeroorlog tot koning Leopold III de troon afstond aan zijn zoon, Boudewijn.

Op zijn graf op het gemeentelijke kerkhof in Seraing staat een uit steen gehouwen versie van de politicus, armen gehesen. Ook hier weer, de tekst: ‘Vermoord door vijanden van het volk.’ Je kunt je niet voorstellen dat dit op 22 augustus 1950 het eindpunt moet zijn geweest van een stoet van 150.000 mensen. Tien keer zoveel als voor Luc De Vos.

Een synarchie

In het Kadoc in Leuven werkten de drie historici zich de voorbije jaren door de persoonlijke archieven van gewezen minister van Binnenlandse Zaken Albert De Vleeschauwer (1897-1971). Hun aandacht voor de vroegere Leuvense christen-democratische politicus werd gewekt door een bizarre gebeurtenis, daags voor de begrafenis van Lahaut. Nadat hij in zijn agenda melding had gemaakt van “bedreigingen tegen mij”, reisde hij op maandag 21 augustus met zijn zoon naar Bouillon, waar hij zich naar de Franse grenspost laat escorteren door een jeep, bestuurd door André Moyen. Weer die Moyen.

In hun boek tonen de historici aan hoe De Vleeschauwer, minister van Binnenlandse Zaken tijdens de koningskwestie, eind 1949 Moyen heeft leren kennen. En waarderen, blijkbaar. Hij moest waar mogelijk informatie inzamelen over de vijand die de plaats van de Duitsers had ingenomen: De Rus. Moyen had met zijn Netwerk al sinds 1945 een kantoortje in de Komediantenstraat in Brussel en werd in het geheim gefinancierd door de Belgische topindustriëlen Herman Robiliart (Union Minière) en Marcel De Roover (Brufina). Hij stuurde geregeld inlichtingenrapporten naar de industriëlen en vanaf eind 1949 ook naar De Vleeschauwer. Hij zou dat blijven doen tot in 1961. Hij dropte zijn rapporten, door de jaren heen 1.787 in totaal, in een postbus in Brussel, die hij onder een valse naam had gehuurd.

Een van deze rapporten, getiteld ‘Activité du Réseau pendant le mois d’août 1950’ is op 31 augustus 1950 erg expliciet: ‘De executie van Lahaut heeft de lamlendigheid van de overheid aangetoond. Het gaat ontegensprekelijk om een misdaad en het valt te betreuren dat het zover moest komen, maar zij die gehandeld hebben zijn van mening dat het tijd is om onze gezagsdragers wakker te schudden (…).’

‘We brengen zonder commentaar verslag uit van de ideeën die leven binnen het milieu dat wij verantwoordelijk achten voor de executie van Lahaut: het gaat in elk geval om een apolitieke en zelfs antipolitieke groep, patriottisch en onbaatzuchtig, die aanvankelijk gedacht had om pas ten tonele te verschijnen op het ogenblik van een bezetting door de Sovjets. Het is een soort synarchie die haar pionnen heeft in de meest gesloten kringen en, in het geval van Lahaut, tot bij de onderzoekers.’

Moyen kende dus de daders en hun motieven. Hij legt in zijn rapport uit dat de ‘synarchie’ tentakels heeft tot bij de speurders in Luik zelf, en dat de daders er dus gerust op zijn dat justitie hen nooit zal (willen) vinden. De historici gaan niet zo ver te besluiten dat De Vleeschauwer of de industriëlen opdracht hebben gegeven voor de moord, maar het zit er in hun ogen niet ver naast: “Het lijkt onwaarschijnlijk dat ooit een geschreven document zal worden gevonden, dat met zoveel woorden een bevel of opdracht bevat.”

Maar is de vraag naar de opdrachtgevers nog relevant, wanneer we de draagwijdte van het Netwerk in ogenschouw nemen en de bescherming die het van hogerhand genoot? “De grote maatschappijen hebben hun financiering niet stopgezet na de aanslag van 18 augustus en niemand heeft Moyen bij de justitie verklikt. Herman Robiliart, de sterke man van de Union Minière, heeft het fameuze maandrapport van augustus 1950 ontvangen en er wijselijk de passage over de ‘executie van Lahaut’ afgescheurd. Een ernstige vorm van schuldige nalatigheid was er vooral bij een man als De Vleeschauwer, die tot enkele weken voor de ontvangst van dat rapport minister van Binnenlandse Zaken was.”

Al gepland sinds 1948

Brengt de nieuwe studie ons opdrachtgevers, dan ook een motief. De moord op Lahaut was een geplande oorlogsdaad in volle Koude Oorlog, die al was gepland in mei 1948. Het bewijs is gevonden in de archieven van het Antwerpse gerecht. Daar stootten de historici op de vergeelde processen-verbaal van commissaris Alfred Van der Linden, hoofd van de afdeling moordzaken van de gerechtelijke politie daar.

Van der Linden is begin 1961 de ondervrager van uurwerkmaker Walter Daems. Hij wordt verdacht van een roofmoord bij zijn eigen schoonouders en stelt Van der Linden een deal voor: “Hij hengelt naar voorwaardelijke vrijlating. Hij beweert dat hij Justitie volledig kan inlichten over de moord op Lahaut.”

Daems heeft het over een organisatie genaamd Belgisch Anticommunistisch Blok (BACB) waar hij zelf even bij betrokken is geweest. Het BACB heeft zich in 1947 al eens doen opmerken met het verspreiden van pamfletten op Het Zuid in Antwerpen: ‘Wij eisen de onmiddellijke aanhouding van alle communistische leiders, verraders bij uitstek, die niets beters of niets minder verdienen dan de doodstraf met den kogel met als bijkomende bepaling: in den rug!’

De organisatie is toen vervolgd en bij een lid, ene Louis Kerckhof, is later beslag gelegd op een brief van 21 mei 1948 met daarbij gehecht twee vodjes papier. Aantekeningen lijken het, van tijdens een vergadering. Als commissaris Van der Linden ze in 1961 uit de archieven opdiept, kan hij weinig anders hebben ervaren dan een opstoot van adrenaline: ‘Lahaut – Seraing – aanslag – niet akkoord – één dezer dagen – geen moorden. Auto-plaat zou medegedeeld worden.’

De vergadering van het BACB, zo weet Van der Linden nog uit te vissen, heeft plaatsgevonden in de melkerij Stassano in Antwerpen. De directeur daar, Raphaël Van Os, was een van de stichters van het BACB. De historici gaan er nu van uit dat de aanslag in 1948 op de valreep is afgeblazen, precies omdat er met labiele figuren als Daems en Kerckhof een te groot risico was op loslippigheid.

Verkeerd geklasseerd

Commissaris Van der Linden is dicht bij de waarheid gekomen. Heel dicht. Hij zat ook Moyen op de hielen en in een van zijn processen-verbaal lezen we: “Moyen zou regelmatige maandelijkse geheime verslagen toegericht hebben aan zijn opdrachtgevers, getiteld: ‘Activité du Réseau pendant le mois de…’, alleszins zou het de moeite lonen in het bezit te komen van een verslag van einde augustus 1950, nà de moord op Lahaut.”

Van der Linden heeft de rapporten nooit te zien gekregen. En politiediensten zamelden ook toen al los van elkaar informatie in, maar wisselden zelden iets uit. De historici kregen nu toegang tot de archieven van de Belgische Staatsveiligheid en stootten daar op een map op naam van Raphaël Van Os, aangelegd op 12 november 1949: ‘Inlichtingen betreffende het BACB (Belgisch Anticommunistisch Blok).’

De organisatie, zo staat er, is opgericht door Van Os en zijn broer en – alweer hij – André Moyen. Het rapport gaat verder: “Met zekerheid kan eveneens worden gemeld dat volgende personen daadwerkelijk optreden in het kader van het BACB: 1. Goossens, Frans, assureerder, wonende te Halle.”

De these van de impulsieve daad kan voorgoed de vuilbak in. De naam van Goossens is tijdens het officiële moordonderzoek maar één keer gevallen. Nadat hij kennelijk op café had zitten opscheppen dat hij een van de daders was en een agent van de Staatsveiligheid daar lucht van had gekregen. In een normale wereld had de Staatsveiligheid zelf direct het verband moeten leggen met het eigen BACB-rapport. Maar dit is en blijft België, zo leert ons het nieuwe onderzoek: “Van het oorspronkelijke rapport werden acht kopies gemaakt, waarvan één bestemd voor het dossier van Goossens, maar dat afschrift werd verkeerd geklasseerd.”

Jammer toch.

Bron » De Morgen | Douglas De Coninck

Doder Lahaut al na 13 dagen bekend

62 jaar na de moord op communistenleider Julien Lahaut stootten historici op een belangrijk document. Daarin staat dat oud-minister van Binnenlandse Zaken Albert De Vleeschauwer (CVP) al na twee weken wist wie de daders waren.

Volgens Wikipedia werd Julien Lahaut op 18 augustus 1950 in Seraing neergekogeld omdat hij bij de eedaflegging van koning Boudewijn “Vive la République!” riep. Intussen zijn historici het erover eens dat het niet hij was die riep en dat dat er niet eens toe doet. In 1985 onthulden Rudi Van Doorslaer en Etienne Verhoeyen na gesprekken met ex-spion André Moyen (1914 – 2008) dat de moord gepleegd werd door vier mannen uit Halle die actief waren bij een anticommunistische groep.

Recent volgden nieuwe onthullingen, met een interview van Moyen, kort voor zijn dood in deze krant. De daders zijn nu bij naam gekend: François Goossens en drie zonen van de toenmalige CVP-burgemeester Jan-Nikolaas Devillé. Een van hen, Eugène Devillé, bekende kort voor zijn dood op Canvas dat hij de fatale schoten loste. Maar wie gaf de opdracht? De man nam zijn geheim mee in zijn graf.

Op aanzet van oud-senator Pol Van Den Driessche kregen historici Emmanuel Gerard, Francoise Müller en Widukind De Ridder en het onderzoekscentrum Soma in 2008 middelen voor wetenschappelijk onderzoek. Gisteren presenteerden zij hun ontdekking. “Het is misschien niet de smoking gun”, zegt Gerard. “Het is wel het eerste geschreven stuk uit de periode van de moord zelf, augustus 1950.” Het gaat om een rapport van – alweer – André Moyen, de man die door leden van de families Goossens en Devillé worden aangewezen als ‘opdrachtgever’.

Het rapport dateert van 31 augustus 1950, 13 dagen na de moord en is gericht aan Albert De Vleeschauwer, tot kort daarvoor minister van Binnenlandse Zaken voor de CVP. De tekst ademt de sfeer uit van de koningskwestie, toen België op de rand van een burgeroorlog balanceerde, met op de achtergrond ook nog de Koreaanse Oorlog.

Het rapport: “De executie van Lahaut is (…) een misdaad, en het is onbetwistbaar en betreurenswaardig dat we zo ver gekomen zijn, maar zij die in actie kwamen meenden dat het tijd werd om de verantwoordelijken wakker te schudden. Aangezien zij geen maatregelen nemen tegen de Vijfde Kolone doet men het in hun plaats.” Met Vijfde Kolone wordt gedoeld op een Sovjetinvasie.

Eerder onderzoek liet zien dat De Vleeschauwer zich na de moord op Lahaut bedreigd voelde. Als aanhanger van Leopold III vreesde hij dat represailles hem konden treffen. Op 21 augustus 1950 vluchtte hij met Moyen naar Frankrijk. “Opmerkelijk”, zegt Gerard. “De net afgetreden minister van Binnenlandse Zaken voelt zich beter beschermd bij André Moyen dan door de rijkswacht.”

De historicus ziet nog een andere toevalligheid: “In een eerste reactie op de moord veroordeelde premier Pholien die op 19 augustus 1950 in de scherpst mogelijke bewoording. Kort daarna, op 12 september 1950, kondigde hij aan dat in België alle communisten worden gebannen uit openbare functies.”

De nota kan helpen verklaren waarom de toenmalige regering opeens zo’n krachtig anticommunistisch signaal meende te moeten geven. Volgens het rapport-Moyen zouden nog meer moorden volgen, en dreigde er dus minder dan een burgeroorlog: “De actiegroep bevestig dat zij doorgaat met haar serie tot de dag waarop de regering beslist om een einde te maken aan de handelingen van de Vijfde Kolone.”

Het rapport noemt namen van volgende doelwitten: secretaris-generaal van de Kommunistiche Partij Jean Terfve, de communistische politicus Edgard Lalmand en de Antwerpse havenarbeider en stakingsleider Frans Van den Branden. “De vraag is waarom dit document niet naar de onderzoeksrechter werd doorgestuurd”, vindt Gerard. “Daar hoorde het te zitten, niet in de lade van Albert De Vleeschauwer.”

Ook al vermeldt het rapport dat de moordenaars van Lahaut beweren banden te hebben met de speurders in Luik en er ook mee dreigen om magistraten om te leggen als die te dicht in hun buurt zouden komen, mijdt Gerard het woord ‘complot’. Hij looft integendeel het werk van de onderzoeksrechters en van commissaris Vanderlinden bij de Antwerpse gerechtelijke politie. Die liep al sinds 1961 verwoed te zoeken naar de rapporten die Moyen voor De Vleeschauwer maakte, omdat die volgens hem de sleutel naar de opheldering van het mysterie bevatten.

“We vonden dit document, een stencil, in de archieven van de oud-minister De Vleeschauwer bij het Kulak”, zegt Gerard. “We stootten ook op een inventaris, en die laat zien dat voor de maand augustus 1950 8 rapporten van Moyen ontbreken. Ze laten vooral ook zien dat Moyen tot in 1961 nauwgezet rapporten bleef opstellen. En we zien vooral dat voor augustus 1950 8 rapporten over de ‘activiteiten van ons netwerk’ ontbreken.”

André Moyen, ook actief bij het geheime burgerleger Gladio, is een omstreden figuur. “Velen zagen deze man op zijn oude dag als een fantast, maar nu moeten we vaststellen dat hij in 1950 aan het hoofd stond van de voornaamste Belgische private inlichtingendienst”, zegt Gerard. “De dienst werd gefinancierd door Marcel De Sloover – topman bij Brufina, in die tijd de grootste Belgische financiële groep na de Generale – zijn rapporten werden doorgestuurd naar twee generaals, van wie er één nauwe banden had met het koninklijk paleis.”

Het Soma riep gisteren minister van Wetenschapsbeleid Paul Magnette (PS) op nieuwe middelen vrij te maken voor verder onderzoek en vrij toegang tot gesloten gebleven overheidsarchieven.

Bron » De Morgen

Histoire Funérailles à Ciney d’André Moyen, décédé à l’âge de 93 ans

Les funérailles, célébrées lundi à Ciney, d’André Moyen, décédé mardi dernier à l’âge de 93 ans, ont permis à l’assistance de se souvenir d’une figure de proue de la résistance belge et du renseignement militaire.

Né en Resteigne en 1914, il s’engage très tôt dans la Résistance, pour compte de laquelle il mène, au sein du groupe Athos, de périlleuses missions d’infiltration. Sous les noms de guerre de “capitaine Freddy”, “Le Crocodile”, “Cincinnatus” ou “André de Saint-Michel”, il réussit notamment l’attaque d’un centre de télécommunications allemand à Menuchenet. Avec Fernand Canoot, il créa une fausse force de police, la “speziale polizei” qui mena, au nez et à la barbe des occupants, plusieurs opérations de renseignements ou dirigées contre des collaborateurs.

À l’issue de la guerre, Moyen intègre le contre-espionnage belge, dont il devient le numéro deux. Il effectue des missions au Congo, au Maroc, en Egypte, à Taïwan, à Saigon et en Corée. Il fut impliqué dans la création, en Belgique, des réseaux Gladio, ces cellules dormantes d’agents secrets. L’anticommunisme était l’un des chevaux de bataille de Moyen, réputé être proche des milieux conservateurs et royalistes. Il fut accusé, sans preuve, d’avoir été l’instigateur du meurtre de Julien Lahaut, le député communiste qui cria “vive la république” lors de l’intronisation du roi Baudouin.

André Moyen créa en 1962 la branche belge de Group 4 Securitas. Sur le tard de sa vie, il se lança à nouveau dans le renseignement, multipliant les sorties matamoresques dans de nombreux dossiers judiciaires, dont les tueries du Brabant. Il voyait des communistes partout. Et il n’hésitait pas à faire mener des enquêtes sur des gendarmes, à accuser des journalistes d’être payés par la Sûreté.

Il était proche du baron de Bonvoisin, dont le procès pour les “faux KGB”, auxquels Moyen participa, a – ironie des dates – débuté le jour même de ses funérailles.

Bron » Le Soir

Contraspion André Moyen overleden

André Moyen, voormalig lid van de Belgische militaire inlichtingendienst, is dinsdag op 93-jarige leeftijd in Ciney overleden. Dat hebben zijn nabestaanden gisteren bekendgemaakt. André Moyen is op 29 september 1914 geboren in Resteigne, in de provincie Luxemburg. Tijdens de Duitse invasie in 1940 was hij soldaat.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog richtte hij in de Ardennen de verzetsbeweging ‘Athos’ op. Later sloot hij zich aan bij het geallieerde leger. Na de Tweede Wereldoorlog was Moyen jarenlang de op een na belangrijkste Belgische contraspion, eerst in eigen land en later in Congo.

In de jaren ’50 richtte hij een anticommunistische cel op bij de Belgische militaire inlichtingendienst. Hij gaf ook les aan het Athénée Cardinal Mercier in Eigenbrakel. Maandag wordt in de kapel van het rusthuis ‘Home du Sacré Coeur’ in Ciney een herdenkingsmis gehouden. Daarna wordt de as van André Moyen in intieme kring uitgestrooid op de begraafplaats van Ciney.

Bron » De Morgen

Een lekker ouderwets echt complot: de moord op Julien Lahaut

Komt er 57 jaar na de feiten dan toch een parlementaire onderzoekscommissie over de moord op Julien Lahaut? De daders opsporen, dat hoeft gelukkig niet meer. De kwestie is waarom justitie in Luik weigerde dat te doen. Nu blijkt dat de moordenaar nog leeft, zou een vraag kunnen worden gesteld: wat maakte u zo zeker dat u hiermee weg zou komen?

Zeer sympathiek, die processie hier, vond hulppastoor Rik Devillé. Het was de zomer van 1974. Ter gelegenheid van het honderdjarige bestaan van hun parochie beeldden inwoners van Essenbeek, deelgemeente van Halle, oude beroepen en klederdrachten uit. Devillé zag herders, boerenmeiden en scharenslijpers.

“En plots, middenin de optocht, een jagersfiguur”, weet hij nog. “Deze man droeg witte handschoenen en hield een pistool vast. En iedereen moest lachen. Ik vroeg aan de mensen rond me: wat voor beroep beeldt hij uit? Er kwamen cryptische antwoorden. Er werd met me gelachen. Ik was dan ook nieuw in dat dorp. Pas achteraf is het me verteld: daar liep de moordenaar van Julien Lahaut.”

Vrijdagavond 18 augustus 1950, rue de la Vecquée, Seraing. De man, klein van gestalte, heeft eerst aangebeld op het nummer 27, waar hij te horen krijgt dat camerade Julien Lahaut hier al een poosje niet meer woont. De man spreekt een wandelaarster aan (geweldige voorbereiding, het moet gezegd) die achteraf zijn fysionomie kan beschrijven en in staat is om zijn Vlaamse accent na te doen. De vrouw ziet hoe een grijze Vanguard de man traagjes volgt en er uit de auto een tweede man komt gestapt, iets groter van gestalte. Ze lopen naar het huis met nummer 65 en bellen aan. Géraldine Lahaut doet open: “C’est pour camerade Lahaut.”

Twee schoten treffen de voorzitter van de Belgische communistische partij even later in het rechteroor, een derde gaat door de onderbuik en is fataal. Twee andere kogels missen doel. De schoten zijn afgevuurd met een Colt .45.

Voor hele generaties was de moord op Lahaut, tot die op André Cools, de meest uitgesproken politieke moord die België ooit kende. Want Lahaut, zo werd aangenomen, had een week eerder bij de eedaflegging van de jonge koning Boudewijn in het parlement “Vive la République!” geroepen. En, fluisterde onze leraar geschiedenis, de daders zijn nooit gevonden.

Deze week was de moordenaar – met verborgen gezicht – te zien in een documentaire van Keerpunt (Canvas). Zijn naam, Eugène Devillé, werd de kijker onthouden, dat was de deal tussen makers en familie. Devillé (86) was niet de leider van de groep, dat was François Goossens, een flamboyante ex-verzetsstrijder uit Halle.

“Hij had me gevraagd mee te gaan om voor zijn veiligheid te zorgen”, aldus het enige nog levende lid van het moordcommando. “Ik moest hem beschermen. Onderweg vroeg hij: ‘Gaan we het samen doen?’ Hij ging een teken geven. Maar hij deed niks, den ambetanterik. Ik heb geschoten, hij heeft enkel bij het weglopen een schot gelost.”

Case solved? Totaal niet. In 1985 al onthulden historici Rudi Van Doorslaer en Erwin Verhoeyen de schuilnaam van Goossens. Ze kregen het niet vaak genoeg herhaald: niet de namen van de daders zijn van belang, wel die van hun eventuele opdrachtgevers.

De twee historici hebben sterke vermoedens dat Goossens niet op eigen initiatief naar Seraing reed. Ze konden de hand leggen op oude onkostenstaten die de in 1979 overleden Goossens naliet. Die lieten zien dat hij na de oorlog opereerde als spion en man voor het vuile werk voor zowel André Moyen als een onbekende organisatie die hij in zijn notities de codenaam VN/H gaf. André Moyen werkte in die tijd voor de militaire veiligheidsdienst SDRA. Hij lag mee aan de basis van het Gladionetwerk, een geheime gewapende groep, paraat om in actie te komen van zodra ‘de Rus’ in aantocht was.

Anders dan de zoon van Goossens in 2003 in een uniek interview met De Morgen beweerde, bleef Moyen altijd ten stelligste betwisten dat de opdracht van hem kon zijn gekomen. “Ik kende Goossens goed, dat klopt”, aldus Moyen (93), enkele jaren terug. “Hij heeft mij het verhaal over de moord in geuren en kleuren verteld. Ik heb dat geheim meer dan vijftig jaar helpen bewaren, dat klopt allemaal. Maar wie mij kent, weet dat ik het in 1950 al een stommiteit heb genoemd.”

“Lahaut, die betekende niks. Hij was partijvoorzitter ja, maar bij de communisten was dat een symbolische functie. Lahaut, dat was een volksmenner, een man van het volk. Dat was niet l’homme de Moscou. Het omleggen van Lahaut was een risico voor onze organisatie. Een onderzoek zou volgen en zou bij ons kunnen uitmonden. Terwijl wij er nu juist alles aan moesten doen om onzichtbaar te blijven.”

Deze week dienden de senatoren Patrick Vankrunkelsven (Open Vld) en Josy Dubie (Ecolo) hun wetsvoorstel in voor de oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie. Want 57 jaar later is er wel degelijk nieuws onder de zon. Anders dan gedacht is een van de daders nog in leven en lijkt een van de ooit smalend weggelachen complottheorieën opeens akelig juist.

Op 1 april 1958 werden in een klein en nagenoeg leeg zaaltje van het Brusselse justitiepaleis de debatten geopend in het proces tegen de 34-jarige Emile Delcourt, oplichter, zakelijk avonturier en sigarettensmokkelaar. Delcourt was aan de haal gegaan met 12 miljoen frank van zijn ex-werkgever, de eerbiedwaardige Kardinaal Mercier Stichting.

Bij de aanvang van het proces gaf Delcourt schoorvoetend toe dat hij misschien inderdaad wat creatief was omgesprongen met de boekhouding, maar dat hij nooit verwacht had dat het tot een proces zou komen. Want: “Een deel van de fondsen van de Kardinaal Mercier Stichting is gebruikt om de moord op Lahaut te financieren.”

‘Wat nog?’ leek de rechter te denken. De bisschop, de paus, Hij hemzelve? Jawel, zei Delcourt, en hij noemde meteen ook man en paard: Paul Calmeyn, voorzitter van de stichting en onderpastoor in de Onze-Lieve-Vrouwkerk op de Brusselse Zavel zou enkele dagen voor de aanslag met onder meer André Moyen hebben vergaderd in Café de l’Horloge. Daar zou het hele moordplan zijn ontvouwd. Moyen ontkent niet dat dat soort vergaderingen er in die tijd was, maar blijft erbij dat hij er enkel naartoe ging met pleidooien om Lahaut vooral níét om te leggen.

Pastoor Calmeyn werd nooit ondervraagd. Of liever: kon nooit worden ondervraagd. Hij verdween in de psychiatrie, kreeg wat injecties en bracht tot zijn laatste dag alleen nog wartaal uit. En Delcourt zelf? Die begon manifest foute sporen aan te wijzen, bekloeg zich in de gevangenis over dreigementen aan het adres van zijn kinderen en trok uiteindelijk al zijn verklaringen in.

In hun boek ‘De moord op Lahaut’ laten Van Doorslaer en Verhoeven de Delcourtsaga niet onvermeld. Ze schrijven: ‘Vader Delcourt was een persoonlijke vriend van een van de invloedrijkste personen in Mechelen, kanunnik Leclef, de privésecretaris van kardinaal Van Roey.’ Dan wordt de wereld opeens klein.

Volgens de door Keerpunt verzamelde getuigenissen was monseigneur Leclef de man door wie Goossens enkele dagen na de moord werd ontvangen op het bisschoppelijk paleis in Mechelen. De naam van Leclef duikt ook op in het hoogst bizarre verhaal over de ‘jury’ in het klooster van de paters-conventuelen, in de zomer van 1951. Deze ‘jury’ zou hebben gefungeerd als een soort maffiarechtbank.

Goossens stond er ‘terecht’, maar hij niet alleen. Een agent van de Staatsveiligheid, Pierre Potargent, werd ontvoerd, geblinddoekt en in een wagen naar het klooster overgebracht. Met welk gezag de ‘jury’ optrad, daar hebben we het raden naar, maar de locatie geeft wel een impressie, net als het gedrag van Goossens achteraf. Hij voelde zich beschermd door God en de koning.

“Het is simpel”, zegt Moyen. “Goossens pleegde een impulsieve daad. Hij was verbitterd omdat Leopold III troonsafstand deed. Die kreet in het parlement, dat was er te veel aan. Maar Goossens en zijn mannen werkten wel ondergronds voor zowel mijn groep als voor de geheime dienst van het Vaticaan. Die code, VN/H, verwijst naar het Vaticaan. We zaten volop in de Koude Oorlog. Er diende na de moord een afweging te worden gemaakt: Goossens voor de rechter laten brengen of onze anticommunistische netwerken vrijwaren.”

Moord met de pauselijke zegen? Of moord met de pauselijke zegen achteraf? Welke van de twee hypothesen ook de goede is, een cover-up was er hoe dan ook. Nergens is een redelijke verklaring terug te vinden voor de blindheid van de Luikse onderzoeksrechter René Louppe. Op 2 oktober 1950 vindt hij op zijn bureau een uitgebreide nota van de Staatsveiligheid die de aandacht vestigt op François Goossens die ‘… s’est vanté d’avoir participé à l’assasinat de Lahaut Julien.’

Het feit dat de Staatsveiligheid spontaan een zo concrete tip doorspeelt, is op zich al uitzonderlijk. Wat het document nog uitzonderlijker maakt, is dat het is doorgestuurd door de Brusselse procureur-generaal Pholien. Hij is de broer van de toenmalige eerste minister Joseph Pholien, die daags na de moord op de radio de bevolking toesprak: “Niets zal onverlet worden gelaten om de schuldigen op te sporen en te straffen!”

Goossens die loopt op te scheppen over zijn daad, dat strookt met de herinnering van veel bejaarden in Halle. Tegenover zijn echtgenote en zijn kinderen sprak hij de eerste jaren zelden of nooit over Lahaut, maar dat kon veranderen, al na een paar pinten in café Van Snick op de Beestenmarkt. Hier situeert zich ook, zovele decennia later, de ergernis van Eugène Devillé, de echte moordenaar, in Keerpunt: “De Goossens ging dat dan overal rondbazuinen… En allemaal leugens.”

Ze waren dus met z’n vieren: in de ene auto Goossens en Devillé, en in de andere (om een veilige aftocht te garanderen) een broer van Devillé en Aldo H. Goossens vertelde erover op café, de drie anderen ergerden zich vooral dood aan de openhartigheid van de Zot van de Guussens.

Wat maakte hem zo zeker van zijn stuk? Onderzoeksrechter Louppe liet honderden anonieme tips natrekken, de een al waanzinniger dan de ander, maar ondervroeg Goossens nooit. Goossens bestond het om met zijn Vanguard deel te nemen aan rally’s in Francorchamps: de wagen die door ooggetuigen heel nauwkeurig was beschreven. Diezelfde auto werd gebruikt toen Goossens op 27 augustus 1951 ook nog een handtasdiefstal pleegde in Schaarbeek. De hand was die van Frederika Stern, een medewerkster van de Belgische communistische partij. De inhoud: partijdocumenten die achteraf in handen kwam van Moyen.

Halve tot hele speurdersloopbanen zijn opgegaan aan het zoeken naar hét wapen. Goossens’ Colt .45, weten we nu, werd in 1977 door zijn dochter in het kanaal Brussel-Charleroi gegooid. Ook het wapen is alweer een indicatie dat Goossens geen reden zag om wat dan ook te verbergen. “Hij heeft het mij nog getoond op zijn sterfbed, in het ziekenhuis in Herent”, zegt Moyen. “Hij droeg het altijd en overal bij zich, ook daar. Zijn kinderen hebben het na zijn dood gevonden onder zijn hoofdkussen.”

In Essenbeek waren er mensen die wisten dat dit niet hét moordwapen was. “Het echte moordwapen stond als een familiepronkstuk uitgestald op de schoorsteenmantel van een van de Devillés”, zegt een insider van de familie. “En het heeft daar jaren gestaan, tot een eind in de jaren tachtig. Wat er van het wapen geworden is? Niemand die het weet. Er is een inbraak geweest in de woonst van die mensen. Het wapen is gestolen. Wie weet wie er na Lahaut nog mee is vermoord. Het was een mooi wapen, het werd geregeld opgeblonken.”

Stel je voor dat morgen Jean-Marie Dedecker, Bart De Wever of Olivier Maingain werden neergekogeld voor hun woonst. Zij vertegenwoordigen een specifiek electoraat dat niet gek veel kleiner of groter is dan dat van de Belgische KP in 1950. Stel je voor dat de moord nooit werd opgehelderd. Stel je voor dat de daders daar ergens in hun dorp in een carnavalsstoet de draak mee staken. Stel je de reactie voor van de generatie na ons.

Bron » De Morgen