Bende van Nijvel: ‘Het klasseren van het onderzoek kan leiden tot een doorbraak’

Of Rudi Van Doorslaer, die mee de decennialang onopgehelderde moord op Lahaut oploste, het dossier Bende van Nijvel zou willen onderzoeken? ‘Misschien, onder de juiste voorwaarden: in alle onafhankelijkheid, met voldoende middelen en een multidisciplinair team van academici. Zo zouden wij het dossier op een andere manier kunnen benaderen, op dezelfde manier die succesvol was in het dossier Lahaut’, zegt hij in Deze Week.

Wat ook zou helpen om tot een doorbraak te komen, is het klasseren van het onderzoek?

“Toen we de moord op Lahaut voor het eerst onderzochten, in 1985, was het gerechtelijk dossier na verjaring al dertien jaar geklasseerd. Het heeft ons – Etienne Verhoeyen en ik – toen ongeveer drie weken gekost om min of meer zekerheid te hebben wie er naar Seraing was gereden om Lahaut te vermoorden. Zou dat ook mogelijk geweest zijn, mocht het gerechtelijk onderzoek toen nog hebben gelopen? Zouden er zo snel mensen naar buiten zijn gekomen om te verklaren dat zij wisten wie Lahaut had vermoord? Ik vermoed van niet.”

“Een cruciale getuigenis kwam trouwens van een van de zonen van de dader. Ik betwijfel of die man openlijk met ons zou hebben gepraat en met ons meegewerkt als er nog kans was op vervolging. Ook al was zijn vader toen overleden, er waren nog mededaders in leven. Dat is een belangrijk element in de overweging vandaag.”

“Er zijn nu wel interessante nieuwe gerechtelijke initiatieven met een meldpunt en de uitbreiding van de onderzoekscel, maar het is natuurlijk wel zo dat het gerechtelijk onderzoek verdergaat en daders nog kunnen gestraft worden. Het rechtsgevoel zegt ons dat dit maar logisch is. Maar of het zover komt en of er dan een antwoord komt op de waarom-vraag, is na 32 jaar en de lange lijst zogenaamde doorbraken verre van zeker. Daarom is het mijn overtuiging dat, om de nabestaanden van de slachtoffers van de Bende van Nijvel eindelijk enige duidelijkheid te verschaffen, het afsluiten van het dossier meer voor- dan nadelen heeft.”

Kan het gerecht niet samenwerken met historici die een parallel onderzoek uitvoeren?

“Mijn standpunt in die kwestie is genuanceerd om redenen die ik daarnet heb aangehaald. Maar onmogelijk is het natuurlijk niet. Alleen denk ik dat er bij de gerechtelijke autoriteiten weinig animo is om een deel van dat onderzoek te delegeren aan mensen die buiten het gerechtelijk onderzoek staan.”

“Emmanuel Gerard en ik zijn trouwens in 2015 met die vraag benaderd geweest door speurders van de cel Bende van Nijvel in Charleroi. Ze hadden het rapport over de moord op Lahaut gelezen en stonden versteld van de parallellen tussen beide onderzoeken. Ze vroegen ons of we bereid waren hen bij te staan voor bepaalde onderdelen van het onderzoek. Wij hebben daar niet negatief op gereageerd, maar wel gezegd: dat moet aan bepaalde voorwaarden voldoen en uiteraard moet er een officiële opdracht komen van de magistraten die verantwoordelijk zijn voor het onderzoek.”

“Na lange tijd is ons gemeld dat die onderzoekers niet langer contact met ons mochten leggen. Dat is betreurenswaardig. Wij hebben nooit de pretentie gehad om ons in de plaats te stellen van de politiemensen die in de dagelijkse praktijk de misdrijven onderzoeken. Onze opdracht zou van een heel andere aard zijn. Als geschiedkundigen kunnen we vertrekken van een hypothese met onderzoeksvragen tot uit kritisch onderzoek van de bronnen eventueel blijkt dat we het bij het verkeerde eind hebben.”

Dat doet een onderzoeksrechter toch ook?

“Ja, maar die vertrekt vanuit de gegevens over de misdrijven. Wat daaruit tevoorschijn is gekomen in de loop van de voorbije 35 jaar is helemaal troebel geworden… Het onderzoek heeft de onderzoeksrechters al naar zoveel pistes geleid: de roze balletten, wapens die Israël levert in ruil voor drugsgeld, banale criminaliteit van vierdewereldfiguren uit Charleroi… en natuurlijk óók de politieke piste van extreemrechts. Maar zelfs een begin van duidelijkheid is daaromtrent vanuit het onderzoek nooit gekomen.”

Hoe zou jullie aanpak zijn?

“Door de aard van de feiten, de periode waarin de Bende toesloeg en met wat wij weten uit het dossier Lahaut, zou onze werkhypothese deze kunnen zijn: laat ons kijken naar die geheime anticommunistische Koude Oorlogsnetwerken. Hoe zijn die verder geëvolueerd in de tijd? Het onderzoek dat we deden rond Lahaut loopt door tot de jaren 1970.”

“Het onderzoek van Emmanuel Gerard heeft aangetoond dat bij bepaalde onderdelen van de toenmalige gerechtelijke politie er een heel sterke wederzijdse dienstverlening was tussen die private netwerken en de officiële diensten.”

“De eerste feiten die toegeschreven worden aan de Bende van Nijvel dateren van 1982. Dat is niet zo heel veel later en nog steeds in volle Koude Oorlog. Wat is er intussen met die netwerken gebeurd? Welke waren hun doelstellingen, wie waren de opdrachtgevers en de financiers? Welke invloed oefenden zij uit op het gerechtelijke apparaat en de politiediensten? Waarom probeerde iemand als André Moyen, de spilfiguur in de moord op Lahaut, herhaaldelijk het onderzoek naar de Bende te manipuleren? Dat zouden bij de start de onderzoeksvragen kunnen zijn.”

“In tegenstelling tot de onderzoeksrechter zouden wij dus niet vertrekken van de feiten die gepleegd zijn tussen 1982 en 1985, maar vanuit de bredere context, wat Emmanuel Gerard ‘de buitenste schil’ noemt. Wij beweren helemaal niet dat wij hiermee alles zouden kunnen oplossen, maar we denken wel dat dit type van historisch onderzoek enige klaarheid zou kunnen brengen in zaken die tot nu toe totaal onbegrijpelijk zijn. Wat kun je na al die jaren nog vinden?”

“We kunnen er zeker van zijn dat heel veel sporen zijn uitgewist. Het gaat hier tenslotte om de zwaarste misdaadreeks in België in de twintigste eeuw. Ook in de zaak Lahaut waren vele bronnen gekuist. Maar ook al zuivert men erg grondig archieven en documenten, bijna altijd worden er details over het hoofd gezien die een goed historicus uiteindelijk wel ziet en die eventueel tot een doorbraak kunnen leiden.”

Wat heeft de moord op Julien Lahaut te maken met de Bende van Nijvel?

Het gerechtelijk onderzoek leverde in beide gevallen niets op. Historisch onderzoek toont aan dat de moord van Lahaut rechtstreeks verband houdt met extreemrechtse netwerken tijdens de Koude Oorlog, met vertakkingen in politiek en justitie. Volgens de historici die de moord op Lahaut zestig jaar na de feiten oplosten, moet de piste van die netwerken ook onderzocht worden voor de Bende van Nijvel.

De Bende van Nijvel

Pleegde tussen 1982 en 1985 moorden, diefstallen, inbraken en overvallen. In totaal vielen er 28 doden en tientallen gewonden. Geen enkel bendelid werd ontmaskerd. In oktober 2017 bleek dat ene Christiaan B. de ‘Reus’ zou zijn.

De moord op Lahaut

De voorzitter van de Kommunistische Partij (KPB), Julien Lahaut, zou tijdens de eedaflegging van Boudewijn “Vive la République” hebben geroepen. Een week later, op 18 augustus 1950, werd hij vermoord. Het gerechtelijk onderzoek leidde tot niets en de zaak werd in 1972 geklasseerd. In 1985 wijzen historici Rudi Van Doorslaer en Etienne Verhoeyen in hun boek ‘De moord op Lahaut’ naar een anticommunistisch netwerk en identificeren één van de daders zonder zijn naam te noemen.

In 2011 geeft de Senaat het CegeSoma (Studiecentrum Oorlog en Maatschappij, toen o.l.v. Rudi Van Doorslaer) de opdracht om te onderzoeken waarom het onderzoek niets had opgeleverd en wie de mogelijke daders en opdrachtgevers zijn. In het eindverslag in 2015 wijst het onderzoeksteam van professor Emmanuel Gerard de hoofddader (François Goossens) en zijn opdrachtgevers (o.a. André Moyen) aan en brengt een grote verwevenheid aan het licht van private, anticommunistische Koude Oorlogsnetwerken met officiële instanties.

Bron » Deze Week | Dirk Remmerie

‘Natuurlijk is het onderzoek naar de Bende van Nijvel gemanipuleerd’

De Leuvense historicus Emmanuel Gerard bestudeerde zijn hele loopbaan hoe het Belgische politieke systeem werkt, voor en achter de schermen. Veel illusies maakt hij zich niet meer: ‘Wat in werkelijkheid gebeurt, strookt niet met ons beeld van België als een bezadigde, rustig voortkabbelende democratie.’

Op vrijdag 10 november viert de Leuvense historicus Emmanuel Gerard zijn emeritaat met een lezing over ‘de eeuwige terugkeer van de jaren dertig’. Tijdens zijn loopbaan heeft Gerard zijn academisch werk als historicus gekoppeld aan een actief engagement in de christelijke arbeidersbeweging. Ook zijn bekendste historisch werk bevindt zich op de breuklijn tussen geschiedschrijving en politiek. Hij promoveerde in 1984 op de geschiedenis van de vooroorlogse katholieke partij. Zijn promotor Lode Wils loofde dat proefschrift met de woorden: ‘In de mate dat een historisch werk definitief kan zijn, is dit een definitief werk.’

In 2000 schreef Gerard mee het eindrapport van de parlementaire onderzoekscommissie naar de Belgische betrokkenheid bij de moord op de afgezette Congolese premier Patrice Lumumba in 1961. Zijn vervolgstudie ‘Death in the Congo’, waarin ook de betrokkenheid van de Amerikanen aan bod kwam, haalde in 2015 de eindejaarlijstjes van The Wall Street Journal.

Datzelfde jaar leidde Gerard ook het historisch onderzoek dat in opdracht van de Senaat gevoerd werd naar de moord op Julien Lahaut, de voorzitter van de Kommunistische Partij, in 1950. Gerard en zijn team kwamen tot spectaculaire vaststellingen. Ze legden het hele raderwerk rond de moordenaars bloot, inbegrepen hun contacten in de wereld van het gerecht en de politiediensten, hun politieke beschermheren en hun sponsors uit de Belgische haute finance. Dat netwerk heeft ervoor gezorgd dat het gerechtelijk onderzoek naar de moord op Lahaut indertijd even discreet als vakkundig werd gesaboteerd.

Gerard: ‘Ik behoor niet tot de historici die zich alleen maar uit belangstelling voor het verleden interesseren voor de geschiedenis. Je moet het verleden respecteren om wat het is, maar er zijn toch voldoende actuele onderwerpen en problemen die beter begrepen kunnen worden als ze belicht worden uit historisch perspectief.’

Samen met Rudi Van Doorselaer, de gewezen directeur van het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (Cegesoma), pleitte u er in een Vrije Tribune in De Standaard voor om historici bij het onderzoek naar de Bende van Nijvel te betrekken.

Emmanuel Gerard: “Mag ik spreken uit mijn ervaring met het dossier-Lahaut? Ook daarin stuitten we op een privénetwerk dat verweven was met officiële instanties. In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog runde een zekere André Moyen, een voormalig lid van het gewapend verzet en een extreemrechtse anticommunist, een privé-inlichtingendienst die samenwerkte met de Gerechtelijke Politie (GP). Moyen had ook goede banden met mensen uit het bedrijfsleven en de politiek – en niet de minsten.”

“Bij het onderzoek naar de moord op Lahaut stootten de onderzoekers indertijd op de namen van een aantal medewerkers van Moyen, maar telkens liep het spoor bijster. Waarom? Omdat er altijd wel andere onderzoekers waren die een zekere verplichting hadden tegenover Moyen en de feiten begonnen toe te dekken die hun vriend in een lastig parket hadden kunnen brengen. Daardoor kwamen wij een paar jaar geleden tot de vaststelling dat de namen van de moordenaars van Lahaut al in het gerechtelijk dossier zaten. De speurders in Luik hebben ze alleen nooit herkend, omdat ze intern tegengewerkt werden.”

Hoe hebt u die sabotage vijftig jaar later kunnen reconstrueren? En hoe kan dat nuttig zijn voor het Bende-onderzoek?

Gerard: “Omdat men ons als historici niet kon verbieden andere informatie op te snorren dan de gegevens die zich in het gerechtelijk dossier bevonden. De naam van de moordenaar van Lahaut, François Goossens, stond letterlijk vermeld in het gerechtelijk dossier. Na een tip had de onderzoeksrechter in Luik een discreet onderzoek naar hem bevolen. De Gerechtelijke Politie van Luik gaf die opdracht vervolgens door aan de collega’s van Brussel, want Goossens woonde in Halle. Het Brusselse antwoord was, samengevat: ‘Goossens is een brave vent.’ Waarop de onderzoeksrechter besliste om François Goossens met rust te laten.”

“Wij zijn te weten gekomen hoe Goossens de hand boven het hoofd werd gehouden toen we het netwerk van André Moyen in kaart brachten. Ook Goossens behoorde daartoe. Toen we de archieven onderzochten van de Brusselse GP – die dus níét in het eigenlijke moorddossier-Lahaut zitten – stelden we tot onze verbazing vast dat niet minder dan twintig procent van alle dossiers van de politieke sectie van de Brusselse GP aangeleverd werd door André Moyen. Denkt u echt dat ze bij de Gerechtelijke Politie van Brussel een van hun beste contactpersonen zouden verlinken aan de collega’s van Luik?”

“Daarom zouden ze volgens mij het onderzoek naar de Bende van Nijvel ook moeten verruimen. Ik ben er vrij zeker van dat er dan een doorbraak mogelijk is. Zeker in een zaak die zo veel groter en belangrijker is dan die van de moord op Lahaut. De Bende van Nijvel heeft op verschillende plaatsen in het land tientallen slachtoffers gemaakt, er zijn honderden getuigen en nog meer betrokkenen. Er is een Bendedossier van een paar miljoen pagina’s, waarvan er intussen helaas ook een miljoen pagina’s zijn verbrand. (lacht schamper)”

“Het zou dus vreemd zijn als de ware toedracht nooit zou worden gevonden, omdat ik vermoed dat alle namen van de daders al ergens in het Bendedossier zitten. Dat ze nog altijd niet zijn ontdekt, valt alleen maar te verklaren doordat er ook in het Bendedossier andere krachten aan het werk zijn geweest. Vandaar mijn punt: alleen als we het onderzoek uitbreiden tot buiten het eigenlijke Bendedossier, kunnen we te weten komen wat er echt is gebeurd met de Bende van Nijvel.”

U zou ook interne nota’s en correspondentie van de Rijkswacht willen lezen?

Gerard:(knikt bevestigend) “In een strafonderzoek kan dat niet zomaar. Kijk, ik had het voorrecht om me met de zaak-Lumumba en de zaak-Lahaut te mogen bezighouden, zeg maar: met de duistere kant van de Belgische democratie. Wie zich met die dossiers heeft ingelaten, krijgt een ander zicht op wat er in dit land achter de schermen gebeurt. En geloof me: wat er in werkelijkheid gebeurt, strookt niet met ons beeld van België als een bezadigde, rustig voortkabbelende democratie.”

Politicologen roemen die als onze typische ‘overlegdemocratie’. Maar die voltrekt zich dus grotendeels in de coulissen van de macht?

Gerard: “In een beroemde toespraak uit 1981 sprak koning Boudewijn een aantal invloedrijke heren aan als ‘de machten in rechte en in feite’. Dat werd de vorst toen zeer kwalijk genomen omdat hij daardoor de ‘machten in feite’ eigenlijk als zodanig erkende. Op zich is daar weinig fout mee: een democratie werkt nu eenmaal met meer spelers dan alleen de verkozen politici. Maar in dit land hebben sommige organisaties meer macht en invloed dan in het buitenland.”

“Eigen aan het Belgische politieke systeem is bijvoorbeeld de uitzonderlijk centrale positie van de politieke partijen. Ik heb niets tegen partijen an sich, integendeel. In België ontstonden ze in de negentiende eeuw om de persoonlijke politiek van koning Leopold I aan banden te leggen: het was een essentiële ontwikkeling in de verfijning van de parlementaire democratie. Maar na de Tweede Wereldoorlog zijn die partijen uitgegroeid tot machtige, buitenparlementaire machtscentra.”

Hebben de politieke partijen toen de macht gegrepen in onze parlementaire democratie?

Gerard: “De partijen zaten natuurlijk met het trauma van de jaren dertig. Tot het interbellum genoten de parlementsleden een haast onbeperkte vrijheid. Dat leidde tot chaos. Tussen 1918 en 1940 kende België in 22 jaar evenveel regeringen. Na de Tweede Wereldoorlog pleitten ze zowel bij de BSP als bij de CVP voor meer discipline: ‘Wij moeten in staat zijn een regering staande te houden.’ De invoering van de partijtucht was ook noodzakelijk voor de stabiliteit van het systeem.”

“Het gevolg was dat niet de parlementaire fracties maar de partijhoofdkwartieren de echte politieke machtshebbers werden. In andere landen hebben de partijen veel minder invloed. In Nederland zijn de fractievoorzitters in de Tweede Kamer de echte politieke leiders, terwijl de taak van de partijvoorzitters eerder organisatorisch is. De Belgische partijen zijn veel te hiërarchisch gestructureerd. Ze aanvaarden nauwelijks afwijkende opinies.”

“Zodra een partijvoorzitter of een belangrijk minister heeft gesproken, moet de rest van de partij zwijgen. Gewone parlementsleden, en zeker de backbenchers, worden geacht hun mond te houden. Want als ze met een eigen mening naar buiten komen, kan dat de plannen van de partijstrategen verstoren. Terwijl die dissidente stemmen vaak vertolken wat bij de bevolking leeft. We zijn getuige van de verstikking van het partijpolitieke debat.”

In uw onderzoek naar Kamer en Senaat stelde u vast dat de Kamerleden aan invloed verliezen en daardoor niet meer veel tegenwicht bieden tegen de regering.

Gerard: “Het klassieke parlementaire systeem, waarbij de wetgevende macht de uitvoerende macht controleert en ter verantwoording roept, is in ons land veranderd in een systeem waarbij de oppositie de meerderheid controleert. Terwijl in Nederland of elders die oude dualiteit tussen parlement en regering nog altijd bestaat. De Amerikaanse president moet onderhandelen met de zwaargewichten van het Huis van Afgevaardigden en de Senaat en rekening houden met wat zij willen, of dat nu Democraten of Republikeinen zijn.”

Intussen vindt elk parlementslid dat er een ‘herwaardering van het parlement’ moet komen.

Gerard: “In de jaren negentig al voelden de partijen de behoefte om onze parlementen opnieuw meer body te geven. En wat hebben ze bedacht: het systeem van plaatsvervangers! (zucht) Parlementsleden die minister worden, moeten hun zetel afstaan aan een opvolger. Zo dacht men de onafhankelijkheid van de assemblee te vergroten. Precies het tegenovergestelde is gebeurd: het parlement verloor veel van zijn kracht. Herman De Croo sprak ooit van ‘slaafse slippendragers van de regering en de partij’.”

Om het goede voorbeeld te geven in zijn strijd tegen de cumul heeft John Crombez (SP.A) ontslag genomen uit het parlement. Als de voorzitter van de grootste Vlaamse oppositiepartij voortaan kritiek wil leveren op de regering, moet hij naar de media, bij voorkeur de tv.

Gerard: “Ik hou meer van de Britse stijl, waar de regeringsleden deel uitmaken van het parlement. In het Lagerhuis zit de regeringsleider te midden van zijn frontbenchers, en gaat daar in debat met de leider van de oppositie, die recht tegenover hem zit. Het hoeft niet allemaal zo ingewikkeld, met vergezochte ‘vernieuwingen’ zoals die plaatsvervangers. Bovendien heeft dat systeem aan de partijen van de meerderheid méér mandaten gegeven. Ze beschikken over ministers én over extra plaatsvervangende parlementsleden.”

“Je kunt je toch afvragen of dat wel democratisch is. De meerderheidspartijen kunnen dus nog meer wegen op het politieke debat en beschikken bij verkiezingen over meer bekende koppen. Dat speelt toch in het nadeel van de oppositie? Als ze nog eens spreken over de herwaardering van het parlement, dat ze dan beginnen met het systeem van de plaatsvervangers af te schaffen.”

In de huidige democratie is geen enkele partij meer zeker van haar zaak. Uw doctoraat behandelde de crisis van de katholieke partij in het interbellum. Die behaalde toen bij de parlementsverkiezingen scores tussen de dertig en veertig procent. Daarmee kroont de N-VA zich vandaag tot almachtige volkspartij.

Gerard: “Eigenlijk heeft vandaag geen enkele partij het patent op het begrip ‘volkspartij’. De N-VA haalt wel ruim dertig procent van de stemmen, maar een ‘volkspartij’ heeft historisch toch een specifiekere betekenis dan ‘een partij met héél veel kiezers’. De klassieke volkspartijen hadden een brugfunctie en brachten in hun schoot de verschillende sociale groepen samen. Ze verenigen het héle volk, van werkgeversorganisaties tot vakbonden. Bart De Wever heeft een andere ambitie. Hij wil de hele rechterzijde verenigen.”

“De vraag is: waarom is de N-VA in 2010 plots zo groot geworden? Tot op heden heb ik nog geen afdoende verklaring gelezen waarom een partij die in 2003 met Geert Bourgeois nog amper één Kamerlid had, geen tien jaar later dertig procent van de stemmen haalt. Ik denk niet dat je dat kunt toeschrijven aan Brussel-Halle-Vilvoorde. De splitsing van B-H-V beheerste weliswaar al vele jaren de politieke discussies, maar de meeste mensen lagen daar niet van wakker.”

“Volgens mij speelde de financiële crisis van 2008 een belangrijkere rol. Toen waren heel veel mensen erg ongerust. Bekende Belgische banken stonden op de rand van het faillissement. Veel mensen waren bang dat ze hun spaargeld zouden verliezen, omdat talloze ‘veilige’ aandelen sterk in waarde daalden. De zittende partijen hadden die crisis niet zien aankomen, en dat droeg bij tot een klimaat van ras-le-bol: ‘We hebben mensen nodig die dat hier wél durven aanpakken’.”

Ook N-VA-voorzitter Bart De Wever speelt natuurlijk een cruciale rol in het succes van zijn partij.

Gerard:(monkelt) “Toen ik aan de UFSIA doceerde, was De Wever een van mijn studenten voor het vak ‘politieke geschiedenis van België’. Later werd hij assistent van mijn collega-historicus Louis Vos in de faculteit Letteren, terwijl op datzelfde ogenblik mijn assistent hier bij Sociale Wetenschappen Wouter Beke was. De Wever is een raspoliticus. Zijn politiek talent speelt een cruciale rol in de opgang van de N-VA, vandaar dat zijn voorzitterschap steeds maar verlengd wordt. Al begint het na de zoveelste keer toch wel gênant te worden.”

Het succes van de N-VA is toch vooral vervelend voor de andere partijen?

Gerard: “Dat de N-VA zich heeft ontpopt tot zo’n sterke partij stelt de CD&V voor grote problemen, maar een andere belangrijke vaststelling is de afkalving van de SP.A. De internationale neergang van het socialisme is voor mij nog opmerkelijker dan het feit dat de christendemocratie wat aan het zwalpen slaat: in een tijd van financieel-economische crisissen en sociale spanning kan uitgerekend de linkerzijde niet overtuigen.”

“Dat fenomeen deed zich ook al voor in de jaren dertig. Bij de Kamerverkiezingen van 1936 vallen de socialisten terug van 37,3 procent van de stemmen naar 32,1 procent, in 1939 zakken ze nog verder weg, naar 29,4 procent. Dus op het cruciale moment slaagt de sociaaldemocratie er niet in om aan de kiezer te appelleren. Misschien vindt die dat de conservatieven in crisistijd meer zekerheid bieden dan de linkerzijde?”

U argumenteert vaak: dat is eigenlijk niet nieuw, dat hebben we al eerder gezien.

Gerard: “De bekende frase ‘de geschiedenis herhaalt zich’ is een puur retorisch argument. De geschiedenis herhaalt zich níét. De voortdurende verwijzing naar de jaren dertig maakt deel uit van het politieke debat. Theo Francken in een nazi-uniform, Laurette Onkelinx die opnieuw laarzen door de straten hoort marcheren, of de Catalanen die nu Franco bovenhalen: dan is het toch altijd interessant om na te gaan of zulke verwijzingen terecht zijn. En dat zijn ze vaak niet.”

“De jaren dertig worden meestal verengd tot het nationaalsocialisme, Hitler en de Holocaust, terwijl er toen wel meer Europese landen waren die het pluralisme uitbanden of de rechtsstaat niet respecteerden. Dat had niet overal dezelfde desastreuze gevolgen als in Duitsland, maar het gebeurde wel: in Polen, in Portugal, in Oostenrijk, noem maar op. Overal in Europa ging het vertrouwen in de democratische instellingen verloren, vaak in een sfeer van scandalitis.”

Dreigt de nieuwe vloedgolf aan onthullingen over de Bende van Nijvel het vertrouwen in de rechtsstaat nogmaals aan te tasten?

Gerard: “Het ‘slinkende vertrouwen’ van de burgers wordt een endemisch probleem van de westerse democratie. In de jaren tachtig zorgde de Bende van Nijvel inderdaad voor een schok, maar ga eens na wat er tussen 1985 en 1995 nog allemaal is gebeurd: de CCC-aanslagen, de hormonenmaffia, de vrouwenhandel, de Agusta-affaire en zo veel andere smeergeldschandalen, de zaak-Dutroux … De Witte Mars was bijna een prerevolutionair moment, een gebeurtenis waarbij zichtbaar werd hoe fundamenteel het geloof in de rechtsstaat was aangetast. Dat wantrouwen is er nog altijd. En het is er niet kleiner op geworden sinds de aanslagen van 9/11 en de asielcrisis. Het populisme neemt weer toe, hand in hand met de angst voor wie niet tot ‘het volk’ behoort.”

Net zoals in de jaren dertig, lijkt u in uw afscheidscollege te suggereren.

Gerard: “Gelukkig zijn er ook wezenlijke verschillen met de jaren dertig. Vandaag stelt haast niemand de democratie en de instellingen op zich ter discussie. Als in de jaren dertig een fabriek de deuren sloot, was er geen uitkering voor de mensen die hun werk kwijt waren. Die belandden dus in de armoede en werden vatbaar voor het betoog van wie de legitimiteit van de bestaande maatschappelijke orde op de helling zette.”

“Na de Tweede Wereldoorlog heeft de ontwikkeling van de welvaartsstaat een breed draagvlak gecreëerd dat tot vandaag stand houdt: de sociale zekerheid garandeert de mensen bescherming tegen ongeluk en is de ondergrond die het hele systeem stabieler heeft gemaakt. Maar stabieler wil niet zeggen dat het systeem niet onderhevig kan zijn aan schokken en verandering. Vandaag zitten we in zo’n fase. Het draagvlak voor de democratie neemt stilaan af en het is niet meteen duidelijk hoe we haar weer gezonder kunnen maken.”

U weet het ook niet?

Gerard: “Ik citeer weleens een zin uit De gewapende vrede van socioloog Luc Huyse: ‘De politieke actualiteit verliest iets van haar agressiviteit en onvoorspelbaarheid zodra men even stilstaat en de tijd neemt om wat vandaag gebeurt in de bedding van het verleden te leggen.’ Je kunt het ook anders zeggen: als je het verleden niet kent, loop je rond als een kip zonder kop. Niet dat je dankzij geschiedenis kunt voorspellen hoe de zaken zich zullen ontwikkelen.”

“Niets is voorspelbaar. Morgen kan een onnozel incident een enorme steekvlam veroorzaken die alles en iedereen verrast. In de geschiedenis is het toeval ontzettend belangrijk. Maar een historicus kan tradities en spelregels zien, en begrijpen hoe een politiek systeem functioneert. Hij weet hoe ze vroeger conflicten hebben opgelost en kan zich voorstellen wat er kan gebeuren als er opnieuw een conflict uitbreekt. Een historicus kan niets voorspellen, maar hij zal ook nooit voor het compleet onverwachte komen te staan.”

Bron Knack | Walter Pauli & Ewald Pironet

Un lien avec les Tueries? Christian De Valkeneer réagit

En risquant un lien entre l’assassinat de Lahaut et les tueries du Brabant, le directeur du Ceges Rudy Van Doorslaer “fait une démarche d’historien, une démarche d’hypothèses qui consiste à chercher à établir un parallélisme théorique. Des hypothèses, on en a fait beaucoup dans le dossier des tueries, et on peut toujours en faire. Ce qui nous manque, ce sont des preuves”.

Voilà la réaction claire du procureur général Christian De Valkeneer aux propos du directeur du Ceges en présentant l’enquête: Qui a tué Julien Lahaut?

Pour Van Doorslaer, les réseaux anticommunistes “n’ont pas cessé leurs activités en 1950” et “ces gens-là ne sont pas partis à la pêche en 1952” mais ont continué. En pointant du doigt “les années 1980, les tueries du Brabant et les affaires qui y ont été reliées”, Rudy Van Doorslaer, “un historien très sérieux que j’ai rencontré”, fait, selon M. De Valkeneer, un “parallélisme théorique” basé sur des “hypothèses”.

(…) L’ingérence étrangère (et la piste dite américaine) en lien avec la stratégie de la tension? L’implication d’éléments de la gendarmerie et autres services? La piste WNP? Tout cela est fort intéressant. Mais avons-nous des éléments pour le démontrer?”

Selon nos infos , André Moyen fut interrogé dès les années 1990 dans l’enquête sur les tueries, et a notamment été placé sous écoute. Moyen a lui-même proposé des théories. Les enquêteurs ne l’ont jamais tenu pour “farfelu”, le jugeant au contraire “intelligent”, même “dangereux dans le sens de manipulateur” mais “moins vicieux que Beijer”, sans doute “rémunéré par de Bonvoisin (nous savons que les archives secrètes de Moyen furent récupérées à son décès en 2008 par de Bonvoisin)”, enfin comme “n’ayant apporté aucune preuve” et “cherchant à se rendre intéressant”.

Ils excluaient en tout cas qu’André Moyen ait participé aux tueries comme exécutant.

Bron » La Dernière Heure

Historici lossen politieke cold case op

Een meticuleus historisch onderzoek legt pijnlijk bloot hoe de vermenging tussen publieke en private veiligheidsdiensten het onderzoek naar de moord op de communistische voorman Julien Lahaut doeltreffend heeft gesaboteerd.

In de Senaat presenteren de historici Emmanuel Gerard, Widukind De Ridder en Françoise Muller vanochtend het rapport naar de moord op Julien Lahaut. Begin jaren 2000 groeide daar de interesse om uit te pluizen waarom die aanslag uit 1950 na 22 jaar onderzoek in een buiten vervolgingstelling eindigde.

Lange tijd excelleerde die misdaad als het grootste raadsel uit de Belgische naoorlogse geschiedenis. Wetenschapsbeleid en privéfondsen leverden 350.000 euro om het onderzoek tot een goed einde te brengen. Wie heeft Lahaut vermoord? mag dan een onberispelijk wetenschappelijk werkstuk zijn, het leest bij momenten als een spannende detective-, politie- en spionageroman.

De voorgeschiedenis

Op een zwoele vrijdagavond, 18 augustus 1950, schiet een vierkoppig commando het communistische kamerlid Lahaut dood op de dorpel van zijn rijhuis in Seraing. De moord komt een week na de eedaflegging van koning Boudewijn. Tijdens die ceremonie riepen de communistische afgevaardigden met voorbedachten rade “vive la république”. Lahaut was een van hen.

De causaliteit lag voor de hand. Lahaut werd vanwege van zijn overtuiging vermoord. De communistische partij zette die these ijverig in de verf. De politieke rol van het 65-jarige kamerlid was nochtans uitgespeeld. Als politieke gevangene (Neuengamme, Mauthausen) keerde hij pas in 1945 terug. De posten waren al verdeeld. Het protocollaire voorzitterschap van de KPB was een troostprijs voor zijn mateloze populariteit. Zowat 150.000 Belgen woonden zijn uitvaart bij.

Politieke moorden – hoe zeldzaam ook – bedreigen de democratische rechtsstaat. Een falend gerechtelijk onderzoek versterkt dat beeld. Na een telefonische tip (volgend op een tv-uitzending van Maurice De Wilde) identificeerden historici Rudi Van Doorslaer en Etienne Verhoeyen in 1985 ‘Adolphe’ – de naam François Goossens raakte pas in 2002 bekend – als leider van het commando. Hun boek De moord op Lahaut schetste het koningsgezinde en anticommunistische netwerk waarin de ‘bruut van Halle’ actief was. Maar er bleven talrijke hiaten.

Het gerechtelijk onderzoek

Voor het eerst hielden de historici het volledige gerechtelijk onderzoek van 11.000 pagina’s tegen het licht. Hun conclusie bezorgt onderzoeksrechter René Louppe – pienter maar onervaren – eerherstel. Hij maakte er geen rommeltje van, alle denksporen werden zo goed mogelijk uitgezocht. Gebrek aan materieel bewijs maakte hem afhankelijk van bekentenissen.

De aanslag was stoutmoedig. De vier moordenaars sloegen toe bij valavond en vroegen enkele voorbijgangers naar de juiste woning. Louppe kon rekenen op tien ooggetuigen. Zelfs de nummerplaat van de gebruikte wagen werd genoteerd (de platen bleken voor de oorlog gestolen). Maar de verklaringen waren tegenstrijdig. Een belangrijke getuigenis, die verwees naar het automerk Vanguard, bleef steken bij een Brusselse rijkswachtofficier van wacht en bereikte de onderzoeksrechter nooit.

Toch flirtten Louppe en zijn opvolger Georges Moreau enkele keren met een doorbraak. Nauwelijks een maand na de moord bezorgde de Staatsveiligheid Louppe de naam van de moordenaar op een presenteerblaadje. Zo had de ‘genaamde’ François Goossens ‘er zich op beroemd’ aan de moord te hebben deelgenomen.

Maar de onderzoeksrechter focuste eerst op een andere naam in de nota. Een onderzoek van de Brusselse gerechtelijke politie naar Goossens leverde achteraf niets op. Hij reed weliswaar met een Vanguard, maar Louppe besefte het belang daarvan niet.

Vooral de Antwerpse politiecommissaris Alfred Van der Linden beet zich in 1961 in de zaak vast. Een verdachte in een banale moordzaak hoopte voorlopig vrij te komen en beweerde meer te weten over het moordcomplot. Van der Linden diepte uit de politiearchieven explosieve informatie op. Hij achterhaalde dat een Belgisch Anticommunistisch Blok (BACB) al in 1948 een aanslag op Lahaut had beraamd. Omdat de zaak was verklikt, werd ze afgeblazen. De commissaris wees Luik op de vermoedelijke spin in het web, André Moyen.

Het archiefonderzoek

Het meticuleus archiefonderzoek geeft niet alleen uitsluitsel over de complotards, het verklaart waarom Rouppe en zijn opvolgers in het donker bleven fietsen. Cruciaal bewijs vormen de ‘activiteitsverslagen’ die Moyen, een fervent anticommunist en oprichter van een private inlichtingendienst, aan zijn ‘correspondenten’ stuurde.

In het verslag van augustus 1950 suggereert hij niet alleen de daders te kennen, hij geeft ook de context (de oorlog tegen het communisme), vergoelijkt de aanslag (verrader) en geeft drie andere namen op de dodenlijst. Als klap op de vuurpijl verwijst de ‘spion’ naar het bestaan van een ‘synarchie’, een organisatie die overal vertakkingen heeft.

De onderzoekers vonden het document drie keer terug: in het fonds van CD&V-minister en overtuigd Leopoldist Albert De Vleeschauwer, in het archief van de Antwerpse gerechtelijke politie (Van der Linden moet het stuk hebben gezien maar wilde zijn dienst wellicht niet in diskrediet brengen) en in de papieren van Herman Robilliart, directeur van de Société Générale en een financier van Moyen. In de laatste twee versies zijn de passages over de moord verwijderd.

De archieven van de Staatsveiligheid leverden het bewijs dat Moyen de BACB oprichtte, dat Goossens er lid van was en dat Alex Devillé (een tweede moordenaar van wie de naam via de ‘tamtam’ van Halle uitlekte) een ‘agent’ van Goossens was. Door een slordige klassering raakte het bewijs van Goossens’ BACB-lidmaatschap evenwel niet in zijn persoonlijk dossier en werd de info in september 1950 niet meegestuurd naar Luik. Overigens legde de Staatsveiligheid in het voorjaar van 1950 een klacht neer tegen Moyen. Procureur-generaal Camille Pholien, de broer van premier Joseph, vond dit evenwel ‘niet opportuun’…

Het onderzoek etaleert niet alleen het probleem van versnippering – als gerecht, Staatsveiligheid en rijkswacht al hun materiaal hadden samen gelegd, waren de moordenaars in 1950 gevat – het stelt ook scherp op de collusie tussen publieke en private veiligheidsdiensten. Bij de gerechtelijke politie van Antwerpen, Brussel en Luik beschikte Moyen over mannetjes uit zijn netwerk die hem onaantastbaar maakten.

Vakkundig torpedeerden ze elk onderzoek naar zijn persoon. ‘Journalist’ Moyen, enkele keren ondervraagd, raakte nooit verontrust. Met zijn rapporten – hoe fantasierijk sommige ook waren – werd rekening gehouden. Zijn relaties reikten tot de hoogste politieke en industriële machthebbers.

Conclusie

De wortels van Moyens netwerk dateerden van voor de oorlog. De echte banden werden in het verzet gesmeed (hij was niet vies van executies). Na de bevrijding worstelden heel wat extreemrechtse agenten met de normalisering van hun bestaan. De Koningskwestie en de opkomst van het communisme gaven hen een nieuwe oorlog om te vechten. De woelige naoorlogse jaren, met de communistische machtsgreep in Tsjecho-Slowakije en de Koreaanse oorlog als hoogtepunten, vormden een uitstekende voedingsbodem voor de moord.

Toch blijft de vraag hoe Moyen zich ooit in deze positie heeft kunnen manoeuvreren. Naar de opdrachtgevers blijft het trouwens gissen. Tussen een groot complot en een misbegrepen assertiviteit zijn trouwens alle schakeringen mogelijk. Maar dat het onderzoek willens en wetens werd gesaboteerd en afgedekt, staat vast.

Rest de vraag of deze historische modus operandi ook voor andere raadsels kan worden gebruikt, de moordpartijen van de bende van Nijvel bijvoorbeeld. Rudi Van Doorslaer, de directeur van het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Maatschappij (CegeSoma), is er klaar voor.

Bron » De Standaard

Onderzoek naar moord op Julien Lahaut was gedoemd te mislukken

De moord op de voorzitter van de Kommunistische Partij, Julien Lahaut, op 18 augustus 1950, was het werk van het anticommunistisch netwerk van André Moyen. Dat netwerk werd gefinancierd door de haute finance en had nauwe contacten met politiek, politie en staatsveiligheid.

Dat verklaart waarom de opeenvolgende onderzoeksrechters hun tanden stukbeten op het dossier omdat een aantal cruciale stukken voor hen verborgen bleven. Dat blijkt uit het onderzoek van het CegeSoma (Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij), dat dinsdag wordt voorgesteld in de Senaat, die de opdracht gaf tot het onderzoek.

Lahaut werd in Seraing in zijn woning vermoord, een week nadat hij bij de eedaflegging van koninklijke prins Boudewijn ‘Vive la République’ geroepen had. Aanvankelijk werd ook in die richting gedacht voor het motief van de moord. Lahaut zou vermoord zijn door leopoldisten, die het niet namen dat koning Leopold III tot aftreden gedwongen werd wegens zijn omstreden houding tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Er werd ook geopperd dat het om een afrekening onder communisten ging, maar het was tot 1985 wachten op het eerste wetenschappelijk onderzoek. Rudi Van Doorslaer en Etienne Verhoeven verlegden de focus in ‘De moord op Lahaut’ naar de anticommunistische inlichtingendiensten, die in de opkomende Koude Oorlog aan het werk waren, naast de officiële inlichtingendiensten. De auteurs slaagden er ook in om twee daders van de aanslag op Lahaut te identificeren.

In 2011 startte een nieuw onderzoek als gevolg van de in 2008 eenparig gestemde resolutie van de Senaat. Emmanuel Gerard, Widukind De Ridder en Françoise Muller komen in Wie heeft Lahaut vermoord? De geheime Koude Oorlog in België tot de conclusie dat niet de koningskwestie, maar de Koude Oorlog het kader is waarbinnen de moord op Julien Lahaut moet geplaatst worden.

Daarvoor doorploegden ze een rist private en openbare archieven, zoals het gerechtelijke onderzoek van Luik. Dat laatste bleek vernietigd te zijn in 1996, maar de advocaat van de burgerlijke partij had in 1976 een kopie van het volledige onderzoek (11.000 pagina’s) laten maken en neergelegd bij de KP. Hun onderzoek leerde onder meer dat een aantal documenten wel in de archieven van politie, politici of staatsveiligheid terug te vinden waren, maar nooit in handen kwamen van de opeenvolgende onderzoeksrechters. “De onderzoeksrechter liep blind rond in de kamer”, aldus Gerard.

De onderzoekers kregen een goed beeld van het ‘Netwerk’ van de spion André Moyen, dat royaal gesubsidieerd werd door grote maatschappijen zoals de Société Générale en Brufina en zijn oorsprong vond in de anticommunistische strijd. Moyen verdiende zijn sporen in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog en was ervan overtuigd dat na het nazisme het grootste gevaar vanuit het communisme kwam.

Moyen stuurde zijn rapporten naar verschillende bronnen – zijn broodheren, politici zoals Albert De Vleeschauwer (minister van Binnenlandse Zaken in 1949-50), politiediensten en de staatsveiligheid. De onderzoekers wijzen in dit verband op de verwevenheid van de officiële en private inlichtingendiensten. Op vragen van het gerecht wordt het belang van Moyen en zijn rapporten steevast geminimaliseerd. Dat in deze diensten ook agenten van het Netwerk zaten, was hier niet vreemd aan. Moyen is niet meer dan een journalist, luidt het, verwijzend naar zijn dekmantel.

Cruciaal in het onderzoek is het rapport ‘Activité du Réseau pendant le mois d’août 1950’ (activiteiten van het netwerk tijden de maand augustus 1950, de maand dat Lahaut vermoord werd), dat zowel teruggevonden werd in het archief van De Vleeschauwer, van de politieke afdeling van de Antwerpse Gerechtelijke Politie en van de afgevaardigd-bestuurder van Union Minière, een dochter van de Société Générale. Bij de laatste twee kopieën is het laatste deel, met daarin het motief voor de moord, afgesneden.

Bron » De Standaard