Bende van Nijvel: ‘Het klasseren van het onderzoek kan leiden tot een doorbraak’

Of Rudi Van Doorslaer, die mee de decennialang onopgehelderde moord op Lahaut oploste, het dossier Bende van Nijvel zou willen onderzoeken? ‘Misschien, onder de juiste voorwaarden: in alle onafhankelijkheid, met voldoende middelen en een multidisciplinair team van academici. Zo zouden wij het dossier op een andere manier kunnen benaderen, op dezelfde manier die succesvol was in het dossier Lahaut’, zegt hij in Deze Week.

Wat ook zou helpen om tot een doorbraak te komen, is het klasseren van het onderzoek?

“Toen we de moord op Lahaut voor het eerst onderzochten, in 1985, was het gerechtelijk dossier na verjaring al dertien jaar geklasseerd. Het heeft ons – Etienne Verhoeyen en ik – toen ongeveer drie weken gekost om min of meer zekerheid te hebben wie er naar Seraing was gereden om Lahaut te vermoorden. Zou dat ook mogelijk geweest zijn, mocht het gerechtelijk onderzoek toen nog hebben gelopen? Zouden er zo snel mensen naar buiten zijn gekomen om te verklaren dat zij wisten wie Lahaut had vermoord? Ik vermoed van niet.”

“Een cruciale getuigenis kwam trouwens van een van de zonen van de dader. Ik betwijfel of die man openlijk met ons zou hebben gepraat en met ons meegewerkt als er nog kans was op vervolging. Ook al was zijn vader toen overleden, er waren nog mededaders in leven. Dat is een belangrijk element in de overweging vandaag.”

“Er zijn nu wel interessante nieuwe gerechtelijke initiatieven met een meldpunt en de uitbreiding van de onderzoekscel, maar het is natuurlijk wel zo dat het gerechtelijk onderzoek verdergaat en daders nog kunnen gestraft worden. Het rechtsgevoel zegt ons dat dit maar logisch is. Maar of het zover komt en of er dan een antwoord komt op de waarom-vraag, is na 32 jaar en de lange lijst zogenaamde doorbraken verre van zeker. Daarom is het mijn overtuiging dat, om de nabestaanden van de slachtoffers van de Bende van Nijvel eindelijk enige duidelijkheid te verschaffen, het afsluiten van het dossier meer voor- dan nadelen heeft.”

Kan het gerecht niet samenwerken met historici die een parallel onderzoek uitvoeren?

“Mijn standpunt in die kwestie is genuanceerd om redenen die ik daarnet heb aangehaald. Maar onmogelijk is het natuurlijk niet. Alleen denk ik dat er bij de gerechtelijke autoriteiten weinig animo is om een deel van dat onderzoek te delegeren aan mensen die buiten het gerechtelijk onderzoek staan.”

“Emmanuel Gerard en ik zijn trouwens in 2015 met die vraag benaderd geweest door speurders van de cel Bende van Nijvel in Charleroi. Ze hadden het rapport over de moord op Lahaut gelezen en stonden versteld van de parallellen tussen beide onderzoeken. Ze vroegen ons of we bereid waren hen bij te staan voor bepaalde onderdelen van het onderzoek. Wij hebben daar niet negatief op gereageerd, maar wel gezegd: dat moet aan bepaalde voorwaarden voldoen en uiteraard moet er een officiële opdracht komen van de magistraten die verantwoordelijk zijn voor het onderzoek.”

“Na lange tijd is ons gemeld dat die onderzoekers niet langer contact met ons mochten leggen. Dat is betreurenswaardig. Wij hebben nooit de pretentie gehad om ons in de plaats te stellen van de politiemensen die in de dagelijkse praktijk de misdrijven onderzoeken. Onze opdracht zou van een heel andere aard zijn. Als geschiedkundigen kunnen we vertrekken van een hypothese met onderzoeksvragen tot uit kritisch onderzoek van de bronnen eventueel blijkt dat we het bij het verkeerde eind hebben.”

Dat doet een onderzoeksrechter toch ook?

“Ja, maar die vertrekt vanuit de gegevens over de misdrijven. Wat daaruit tevoorschijn is gekomen in de loop van de voorbije 35 jaar is helemaal troebel geworden… Het onderzoek heeft de onderzoeksrechters al naar zoveel pistes geleid: de roze balletten, wapens die Israël levert in ruil voor drugsgeld, banale criminaliteit van vierdewereldfiguren uit Charleroi… en natuurlijk óók de politieke piste van extreemrechts. Maar zelfs een begin van duidelijkheid is daaromtrent vanuit het onderzoek nooit gekomen.”

Hoe zou jullie aanpak zijn?

“Door de aard van de feiten, de periode waarin de Bende toesloeg en met wat wij weten uit het dossier Lahaut, zou onze werkhypothese deze kunnen zijn: laat ons kijken naar die geheime anticommunistische Koude Oorlogsnetwerken. Hoe zijn die verder geëvolueerd in de tijd? Het onderzoek dat we deden rond Lahaut loopt door tot de jaren 1970.”

“Het onderzoek van Emmanuel Gerard heeft aangetoond dat bij bepaalde onderdelen van de toenmalige gerechtelijke politie er een heel sterke wederzijdse dienstverlening was tussen die private netwerken en de officiële diensten.”

“De eerste feiten die toegeschreven worden aan de Bende van Nijvel dateren van 1982. Dat is niet zo heel veel later en nog steeds in volle Koude Oorlog. Wat is er intussen met die netwerken gebeurd? Welke waren hun doelstellingen, wie waren de opdrachtgevers en de financiers? Welke invloed oefenden zij uit op het gerechtelijke apparaat en de politiediensten? Waarom probeerde iemand als André Moyen, de spilfiguur in de moord op Lahaut, herhaaldelijk het onderzoek naar de Bende te manipuleren? Dat zouden bij de start de onderzoeksvragen kunnen zijn.”

“In tegenstelling tot de onderzoeksrechter zouden wij dus niet vertrekken van de feiten die gepleegd zijn tussen 1982 en 1985, maar vanuit de bredere context, wat Emmanuel Gerard ‘de buitenste schil’ noemt. Wij beweren helemaal niet dat wij hiermee alles zouden kunnen oplossen, maar we denken wel dat dit type van historisch onderzoek enige klaarheid zou kunnen brengen in zaken die tot nu toe totaal onbegrijpelijk zijn. Wat kun je na al die jaren nog vinden?”

“We kunnen er zeker van zijn dat heel veel sporen zijn uitgewist. Het gaat hier tenslotte om de zwaarste misdaadreeks in België in de twintigste eeuw. Ook in de zaak Lahaut waren vele bronnen gekuist. Maar ook al zuivert men erg grondig archieven en documenten, bijna altijd worden er details over het hoofd gezien die een goed historicus uiteindelijk wel ziet en die eventueel tot een doorbraak kunnen leiden.”

Wat heeft de moord op Julien Lahaut te maken met de Bende van Nijvel?

Het gerechtelijk onderzoek leverde in beide gevallen niets op. Historisch onderzoek toont aan dat de moord van Lahaut rechtstreeks verband houdt met extreemrechtse netwerken tijdens de Koude Oorlog, met vertakkingen in politiek en justitie. Volgens de historici die de moord op Lahaut zestig jaar na de feiten oplosten, moet de piste van die netwerken ook onderzocht worden voor de Bende van Nijvel.

De Bende van Nijvel

Pleegde tussen 1982 en 1985 moorden, diefstallen, inbraken en overvallen. In totaal vielen er 28 doden en tientallen gewonden. Geen enkel bendelid werd ontmaskerd. In oktober 2017 bleek dat ene Christiaan B. de ‘Reus’ zou zijn.

De moord op Lahaut

De voorzitter van de Kommunistische Partij (KPB), Julien Lahaut, zou tijdens de eedaflegging van Boudewijn “Vive la République” hebben geroepen. Een week later, op 18 augustus 1950, werd hij vermoord. Het gerechtelijk onderzoek leidde tot niets en de zaak werd in 1972 geklasseerd. In 1985 wijzen historici Rudi Van Doorslaer en Etienne Verhoeyen in hun boek ‘De moord op Lahaut’ naar een anticommunistisch netwerk en identificeren één van de daders zonder zijn naam te noemen.

In 2011 geeft de Senaat het CegeSoma (Studiecentrum Oorlog en Maatschappij, toen o.l.v. Rudi Van Doorslaer) de opdracht om te onderzoeken waarom het onderzoek niets had opgeleverd en wie de mogelijke daders en opdrachtgevers zijn. In het eindverslag in 2015 wijst het onderzoeksteam van professor Emmanuel Gerard de hoofddader (François Goossens) en zijn opdrachtgevers (o.a. André Moyen) aan en brengt een grote verwevenheid aan het licht van private, anticommunistische Koude Oorlogsnetwerken met officiële instanties.

Bron » Deze Week | Dirk Remmerie

‘Natuurlijk is het onderzoek naar de Bende van Nijvel gemanipuleerd’

De Leuvense historicus Emmanuel Gerard bestudeerde zijn hele loopbaan hoe het Belgische politieke systeem werkt, voor en achter de schermen. Veel illusies maakt hij zich niet meer: ‘Wat in werkelijkheid gebeurt, strookt niet met ons beeld van België als een bezadigde, rustig voortkabbelende democratie.’

Op vrijdag 10 november viert de Leuvense historicus Emmanuel Gerard zijn emeritaat met een lezing over ‘de eeuwige terugkeer van de jaren dertig’. Tijdens zijn loopbaan heeft Gerard zijn academisch werk als historicus gekoppeld aan een actief engagement in de christelijke arbeidersbeweging. Ook zijn bekendste historisch werk bevindt zich op de breuklijn tussen geschiedschrijving en politiek. Hij promoveerde in 1984 op de geschiedenis van de vooroorlogse katholieke partij. Zijn promotor Lode Wils loofde dat proefschrift met de woorden: ‘In de mate dat een historisch werk definitief kan zijn, is dit een definitief werk.’

In 2000 schreef Gerard mee het eindrapport van de parlementaire onderzoekscommissie naar de Belgische betrokkenheid bij de moord op de afgezette Congolese premier Patrice Lumumba in 1961. Zijn vervolgstudie ‘Death in the Congo’, waarin ook de betrokkenheid van de Amerikanen aan bod kwam, haalde in 2015 de eindejaarlijstjes van The Wall Street Journal.

Datzelfde jaar leidde Gerard ook het historisch onderzoek dat in opdracht van de Senaat gevoerd werd naar de moord op Julien Lahaut, de voorzitter van de Kommunistische Partij, in 1950. Gerard en zijn team kwamen tot spectaculaire vaststellingen. Ze legden het hele raderwerk rond de moordenaars bloot, inbegrepen hun contacten in de wereld van het gerecht en de politiediensten, hun politieke beschermheren en hun sponsors uit de Belgische haute finance. Dat netwerk heeft ervoor gezorgd dat het gerechtelijk onderzoek naar de moord op Lahaut indertijd even discreet als vakkundig werd gesaboteerd.

Gerard: ‘Ik behoor niet tot de historici die zich alleen maar uit belangstelling voor het verleden interesseren voor de geschiedenis. Je moet het verleden respecteren om wat het is, maar er zijn toch voldoende actuele onderwerpen en problemen die beter begrepen kunnen worden als ze belicht worden uit historisch perspectief.’

Samen met Rudi Van Doorselaer, de gewezen directeur van het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (Cegesoma), pleitte u er in een Vrije Tribune in De Standaard voor om historici bij het onderzoek naar de Bende van Nijvel te betrekken.

Emmanuel Gerard: “Mag ik spreken uit mijn ervaring met het dossier-Lahaut? Ook daarin stuitten we op een privénetwerk dat verweven was met officiële instanties. In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog runde een zekere André Moyen, een voormalig lid van het gewapend verzet en een extreemrechtse anticommunist, een privé-inlichtingendienst die samenwerkte met de Gerechtelijke Politie (GP). Moyen had ook goede banden met mensen uit het bedrijfsleven en de politiek – en niet de minsten.”

“Bij het onderzoek naar de moord op Lahaut stootten de onderzoekers indertijd op de namen van een aantal medewerkers van Moyen, maar telkens liep het spoor bijster. Waarom? Omdat er altijd wel andere onderzoekers waren die een zekere verplichting hadden tegenover Moyen en de feiten begonnen toe te dekken die hun vriend in een lastig parket hadden kunnen brengen. Daardoor kwamen wij een paar jaar geleden tot de vaststelling dat de namen van de moordenaars van Lahaut al in het gerechtelijk dossier zaten. De speurders in Luik hebben ze alleen nooit herkend, omdat ze intern tegengewerkt werden.”

Hoe hebt u die sabotage vijftig jaar later kunnen reconstrueren? En hoe kan dat nuttig zijn voor het Bende-onderzoek?

Gerard: “Omdat men ons als historici niet kon verbieden andere informatie op te snorren dan de gegevens die zich in het gerechtelijk dossier bevonden. De naam van de moordenaar van Lahaut, François Goossens, stond letterlijk vermeld in het gerechtelijk dossier. Na een tip had de onderzoeksrechter in Luik een discreet onderzoek naar hem bevolen. De Gerechtelijke Politie van Luik gaf die opdracht vervolgens door aan de collega’s van Brussel, want Goossens woonde in Halle. Het Brusselse antwoord was, samengevat: ‘Goossens is een brave vent.’ Waarop de onderzoeksrechter besliste om François Goossens met rust te laten.”

“Wij zijn te weten gekomen hoe Goossens de hand boven het hoofd werd gehouden toen we het netwerk van André Moyen in kaart brachten. Ook Goossens behoorde daartoe. Toen we de archieven onderzochten van de Brusselse GP – die dus níét in het eigenlijke moorddossier-Lahaut zitten – stelden we tot onze verbazing vast dat niet minder dan twintig procent van alle dossiers van de politieke sectie van de Brusselse GP aangeleverd werd door André Moyen. Denkt u echt dat ze bij de Gerechtelijke Politie van Brussel een van hun beste contactpersonen zouden verlinken aan de collega’s van Luik?”

“Daarom zouden ze volgens mij het onderzoek naar de Bende van Nijvel ook moeten verruimen. Ik ben er vrij zeker van dat er dan een doorbraak mogelijk is. Zeker in een zaak die zo veel groter en belangrijker is dan die van de moord op Lahaut. De Bende van Nijvel heeft op verschillende plaatsen in het land tientallen slachtoffers gemaakt, er zijn honderden getuigen en nog meer betrokkenen. Er is een Bendedossier van een paar miljoen pagina’s, waarvan er intussen helaas ook een miljoen pagina’s zijn verbrand. (lacht schamper)”

“Het zou dus vreemd zijn als de ware toedracht nooit zou worden gevonden, omdat ik vermoed dat alle namen van de daders al ergens in het Bendedossier zitten. Dat ze nog altijd niet zijn ontdekt, valt alleen maar te verklaren doordat er ook in het Bendedossier andere krachten aan het werk zijn geweest. Vandaar mijn punt: alleen als we het onderzoek uitbreiden tot buiten het eigenlijke Bendedossier, kunnen we te weten komen wat er echt is gebeurd met de Bende van Nijvel.”

U zou ook interne nota’s en correspondentie van de Rijkswacht willen lezen?

Gerard:(knikt bevestigend) “In een strafonderzoek kan dat niet zomaar. Kijk, ik had het voorrecht om me met de zaak-Lumumba en de zaak-Lahaut te mogen bezighouden, zeg maar: met de duistere kant van de Belgische democratie. Wie zich met die dossiers heeft ingelaten, krijgt een ander zicht op wat er in dit land achter de schermen gebeurt. En geloof me: wat er in werkelijkheid gebeurt, strookt niet met ons beeld van België als een bezadigde, rustig voortkabbelende democratie.”

Politicologen roemen die als onze typische ‘overlegdemocratie’. Maar die voltrekt zich dus grotendeels in de coulissen van de macht?

Gerard: “In een beroemde toespraak uit 1981 sprak koning Boudewijn een aantal invloedrijke heren aan als ‘de machten in rechte en in feite’. Dat werd de vorst toen zeer kwalijk genomen omdat hij daardoor de ‘machten in feite’ eigenlijk als zodanig erkende. Op zich is daar weinig fout mee: een democratie werkt nu eenmaal met meer spelers dan alleen de verkozen politici. Maar in dit land hebben sommige organisaties meer macht en invloed dan in het buitenland.”

“Eigen aan het Belgische politieke systeem is bijvoorbeeld de uitzonderlijk centrale positie van de politieke partijen. Ik heb niets tegen partijen an sich, integendeel. In België ontstonden ze in de negentiende eeuw om de persoonlijke politiek van koning Leopold I aan banden te leggen: het was een essentiële ontwikkeling in de verfijning van de parlementaire democratie. Maar na de Tweede Wereldoorlog zijn die partijen uitgegroeid tot machtige, buitenparlementaire machtscentra.”

Hebben de politieke partijen toen de macht gegrepen in onze parlementaire democratie?

Gerard: “De partijen zaten natuurlijk met het trauma van de jaren dertig. Tot het interbellum genoten de parlementsleden een haast onbeperkte vrijheid. Dat leidde tot chaos. Tussen 1918 en 1940 kende België in 22 jaar evenveel regeringen. Na de Tweede Wereldoorlog pleitten ze zowel bij de BSP als bij de CVP voor meer discipline: ‘Wij moeten in staat zijn een regering staande te houden.’ De invoering van de partijtucht was ook noodzakelijk voor de stabiliteit van het systeem.”

“Het gevolg was dat niet de parlementaire fracties maar de partijhoofdkwartieren de echte politieke machtshebbers werden. In andere landen hebben de partijen veel minder invloed. In Nederland zijn de fractievoorzitters in de Tweede Kamer de echte politieke leiders, terwijl de taak van de partijvoorzitters eerder organisatorisch is. De Belgische partijen zijn veel te hiërarchisch gestructureerd. Ze aanvaarden nauwelijks afwijkende opinies.”

“Zodra een partijvoorzitter of een belangrijk minister heeft gesproken, moet de rest van de partij zwijgen. Gewone parlementsleden, en zeker de backbenchers, worden geacht hun mond te houden. Want als ze met een eigen mening naar buiten komen, kan dat de plannen van de partijstrategen verstoren. Terwijl die dissidente stemmen vaak vertolken wat bij de bevolking leeft. We zijn getuige van de verstikking van het partijpolitieke debat.”

In uw onderzoek naar Kamer en Senaat stelde u vast dat de Kamerleden aan invloed verliezen en daardoor niet meer veel tegenwicht bieden tegen de regering.

Gerard: “Het klassieke parlementaire systeem, waarbij de wetgevende macht de uitvoerende macht controleert en ter verantwoording roept, is in ons land veranderd in een systeem waarbij de oppositie de meerderheid controleert. Terwijl in Nederland of elders die oude dualiteit tussen parlement en regering nog altijd bestaat. De Amerikaanse president moet onderhandelen met de zwaargewichten van het Huis van Afgevaardigden en de Senaat en rekening houden met wat zij willen, of dat nu Democraten of Republikeinen zijn.”

Intussen vindt elk parlementslid dat er een ‘herwaardering van het parlement’ moet komen.

Gerard: “In de jaren negentig al voelden de partijen de behoefte om onze parlementen opnieuw meer body te geven. En wat hebben ze bedacht: het systeem van plaatsvervangers! (zucht) Parlementsleden die minister worden, moeten hun zetel afstaan aan een opvolger. Zo dacht men de onafhankelijkheid van de assemblee te vergroten. Precies het tegenovergestelde is gebeurd: het parlement verloor veel van zijn kracht. Herman De Croo sprak ooit van ‘slaafse slippendragers van de regering en de partij’.”

Om het goede voorbeeld te geven in zijn strijd tegen de cumul heeft John Crombez (SP.A) ontslag genomen uit het parlement. Als de voorzitter van de grootste Vlaamse oppositiepartij voortaan kritiek wil leveren op de regering, moet hij naar de media, bij voorkeur de tv.

Gerard: “Ik hou meer van de Britse stijl, waar de regeringsleden deel uitmaken van het parlement. In het Lagerhuis zit de regeringsleider te midden van zijn frontbenchers, en gaat daar in debat met de leider van de oppositie, die recht tegenover hem zit. Het hoeft niet allemaal zo ingewikkeld, met vergezochte ‘vernieuwingen’ zoals die plaatsvervangers. Bovendien heeft dat systeem aan de partijen van de meerderheid méér mandaten gegeven. Ze beschikken over ministers én over extra plaatsvervangende parlementsleden.”

“Je kunt je toch afvragen of dat wel democratisch is. De meerderheidspartijen kunnen dus nog meer wegen op het politieke debat en beschikken bij verkiezingen over meer bekende koppen. Dat speelt toch in het nadeel van de oppositie? Als ze nog eens spreken over de herwaardering van het parlement, dat ze dan beginnen met het systeem van de plaatsvervangers af te schaffen.”

In de huidige democratie is geen enkele partij meer zeker van haar zaak. Uw doctoraat behandelde de crisis van de katholieke partij in het interbellum. Die behaalde toen bij de parlementsverkiezingen scores tussen de dertig en veertig procent. Daarmee kroont de N-VA zich vandaag tot almachtige volkspartij.

Gerard: “Eigenlijk heeft vandaag geen enkele partij het patent op het begrip ‘volkspartij’. De N-VA haalt wel ruim dertig procent van de stemmen, maar een ‘volkspartij’ heeft historisch toch een specifiekere betekenis dan ‘een partij met héél veel kiezers’. De klassieke volkspartijen hadden een brugfunctie en brachten in hun schoot de verschillende sociale groepen samen. Ze verenigen het héle volk, van werkgeversorganisaties tot vakbonden. Bart De Wever heeft een andere ambitie. Hij wil de hele rechterzijde verenigen.”

“De vraag is: waarom is de N-VA in 2010 plots zo groot geworden? Tot op heden heb ik nog geen afdoende verklaring gelezen waarom een partij die in 2003 met Geert Bourgeois nog amper één Kamerlid had, geen tien jaar later dertig procent van de stemmen haalt. Ik denk niet dat je dat kunt toeschrijven aan Brussel-Halle-Vilvoorde. De splitsing van B-H-V beheerste weliswaar al vele jaren de politieke discussies, maar de meeste mensen lagen daar niet van wakker.”

“Volgens mij speelde de financiële crisis van 2008 een belangrijkere rol. Toen waren heel veel mensen erg ongerust. Bekende Belgische banken stonden op de rand van het faillissement. Veel mensen waren bang dat ze hun spaargeld zouden verliezen, omdat talloze ‘veilige’ aandelen sterk in waarde daalden. De zittende partijen hadden die crisis niet zien aankomen, en dat droeg bij tot een klimaat van ras-le-bol: ‘We hebben mensen nodig die dat hier wél durven aanpakken’.”

Ook N-VA-voorzitter Bart De Wever speelt natuurlijk een cruciale rol in het succes van zijn partij.

Gerard:(monkelt) “Toen ik aan de UFSIA doceerde, was De Wever een van mijn studenten voor het vak ‘politieke geschiedenis van België’. Later werd hij assistent van mijn collega-historicus Louis Vos in de faculteit Letteren, terwijl op datzelfde ogenblik mijn assistent hier bij Sociale Wetenschappen Wouter Beke was. De Wever is een raspoliticus. Zijn politiek talent speelt een cruciale rol in de opgang van de N-VA, vandaar dat zijn voorzitterschap steeds maar verlengd wordt. Al begint het na de zoveelste keer toch wel gênant te worden.”

Het succes van de N-VA is toch vooral vervelend voor de andere partijen?

Gerard: “Dat de N-VA zich heeft ontpopt tot zo’n sterke partij stelt de CD&V voor grote problemen, maar een andere belangrijke vaststelling is de afkalving van de SP.A. De internationale neergang van het socialisme is voor mij nog opmerkelijker dan het feit dat de christendemocratie wat aan het zwalpen slaat: in een tijd van financieel-economische crisissen en sociale spanning kan uitgerekend de linkerzijde niet overtuigen.”

“Dat fenomeen deed zich ook al voor in de jaren dertig. Bij de Kamerverkiezingen van 1936 vallen de socialisten terug van 37,3 procent van de stemmen naar 32,1 procent, in 1939 zakken ze nog verder weg, naar 29,4 procent. Dus op het cruciale moment slaagt de sociaaldemocratie er niet in om aan de kiezer te appelleren. Misschien vindt die dat de conservatieven in crisistijd meer zekerheid bieden dan de linkerzijde?”

U argumenteert vaak: dat is eigenlijk niet nieuw, dat hebben we al eerder gezien.

Gerard: “De bekende frase ‘de geschiedenis herhaalt zich’ is een puur retorisch argument. De geschiedenis herhaalt zich níét. De voortdurende verwijzing naar de jaren dertig maakt deel uit van het politieke debat. Theo Francken in een nazi-uniform, Laurette Onkelinx die opnieuw laarzen door de straten hoort marcheren, of de Catalanen die nu Franco bovenhalen: dan is het toch altijd interessant om na te gaan of zulke verwijzingen terecht zijn. En dat zijn ze vaak niet.”

“De jaren dertig worden meestal verengd tot het nationaalsocialisme, Hitler en de Holocaust, terwijl er toen wel meer Europese landen waren die het pluralisme uitbanden of de rechtsstaat niet respecteerden. Dat had niet overal dezelfde desastreuze gevolgen als in Duitsland, maar het gebeurde wel: in Polen, in Portugal, in Oostenrijk, noem maar op. Overal in Europa ging het vertrouwen in de democratische instellingen verloren, vaak in een sfeer van scandalitis.”

Dreigt de nieuwe vloedgolf aan onthullingen over de Bende van Nijvel het vertrouwen in de rechtsstaat nogmaals aan te tasten?

Gerard: “Het ‘slinkende vertrouwen’ van de burgers wordt een endemisch probleem van de westerse democratie. In de jaren tachtig zorgde de Bende van Nijvel inderdaad voor een schok, maar ga eens na wat er tussen 1985 en 1995 nog allemaal is gebeurd: de CCC-aanslagen, de hormonenmaffia, de vrouwenhandel, de Agusta-affaire en zo veel andere smeergeldschandalen, de zaak-Dutroux … De Witte Mars was bijna een prerevolutionair moment, een gebeurtenis waarbij zichtbaar werd hoe fundamenteel het geloof in de rechtsstaat was aangetast. Dat wantrouwen is er nog altijd. En het is er niet kleiner op geworden sinds de aanslagen van 9/11 en de asielcrisis. Het populisme neemt weer toe, hand in hand met de angst voor wie niet tot ‘het volk’ behoort.”

Net zoals in de jaren dertig, lijkt u in uw afscheidscollege te suggereren.

Gerard: “Gelukkig zijn er ook wezenlijke verschillen met de jaren dertig. Vandaag stelt haast niemand de democratie en de instellingen op zich ter discussie. Als in de jaren dertig een fabriek de deuren sloot, was er geen uitkering voor de mensen die hun werk kwijt waren. Die belandden dus in de armoede en werden vatbaar voor het betoog van wie de legitimiteit van de bestaande maatschappelijke orde op de helling zette.”

“Na de Tweede Wereldoorlog heeft de ontwikkeling van de welvaartsstaat een breed draagvlak gecreëerd dat tot vandaag stand houdt: de sociale zekerheid garandeert de mensen bescherming tegen ongeluk en is de ondergrond die het hele systeem stabieler heeft gemaakt. Maar stabieler wil niet zeggen dat het systeem niet onderhevig kan zijn aan schokken en verandering. Vandaag zitten we in zo’n fase. Het draagvlak voor de democratie neemt stilaan af en het is niet meteen duidelijk hoe we haar weer gezonder kunnen maken.”

U weet het ook niet?

Gerard: “Ik citeer weleens een zin uit De gewapende vrede van socioloog Luc Huyse: ‘De politieke actualiteit verliest iets van haar agressiviteit en onvoorspelbaarheid zodra men even stilstaat en de tijd neemt om wat vandaag gebeurt in de bedding van het verleden te leggen.’ Je kunt het ook anders zeggen: als je het verleden niet kent, loop je rond als een kip zonder kop. Niet dat je dankzij geschiedenis kunt voorspellen hoe de zaken zich zullen ontwikkelen.”

“Niets is voorspelbaar. Morgen kan een onnozel incident een enorme steekvlam veroorzaken die alles en iedereen verrast. In de geschiedenis is het toeval ontzettend belangrijk. Maar een historicus kan tradities en spelregels zien, en begrijpen hoe een politiek systeem functioneert. Hij weet hoe ze vroeger conflicten hebben opgelost en kan zich voorstellen wat er kan gebeuren als er opnieuw een conflict uitbreekt. Een historicus kan niets voorspellen, maar hij zal ook nooit voor het compleet onverwachte komen te staan.”

Bron Knack | Walter Pauli & Ewald Pironet

Un lien avec les Tueries? Christian De Valkeneer réagit

En risquant un lien entre l’assassinat de Lahaut et les tueries du Brabant, le directeur du Ceges Rudy Van Doorslaer “fait une démarche d’historien, une démarche d’hypothèses qui consiste à chercher à établir un parallélisme théorique. Des hypothèses, on en a fait beaucoup dans le dossier des tueries, et on peut toujours en faire. Ce qui nous manque, ce sont des preuves”.

Voilà la réaction claire du procureur général Christian De Valkeneer aux propos du directeur du Ceges en présentant l’enquête: Qui a tué Julien Lahaut?

Pour Van Doorslaer, les réseaux anticommunistes “n’ont pas cessé leurs activités en 1950” et “ces gens-là ne sont pas partis à la pêche en 1952” mais ont continué. En pointant du doigt “les années 1980, les tueries du Brabant et les affaires qui y ont été reliées”, Rudy Van Doorslaer, “un historien très sérieux que j’ai rencontré”, fait, selon M. De Valkeneer, un “parallélisme théorique” basé sur des “hypothèses”.

(…) L’ingérence étrangère (et la piste dite américaine) en lien avec la stratégie de la tension? L’implication d’éléments de la gendarmerie et autres services? La piste WNP? Tout cela est fort intéressant. Mais avons-nous des éléments pour le démontrer?”

Selon nos infos , André Moyen fut interrogé dès les années 1990 dans l’enquête sur les tueries, et a notamment été placé sous écoute. Moyen a lui-même proposé des théories. Les enquêteurs ne l’ont jamais tenu pour “farfelu”, le jugeant au contraire “intelligent”, même “dangereux dans le sens de manipulateur” mais “moins vicieux que Beijer”, sans doute “rémunéré par de Bonvoisin (nous savons que les archives secrètes de Moyen furent récupérées à son décès en 2008 par de Bonvoisin)”, enfin comme “n’ayant apporté aucune preuve” et “cherchant à se rendre intéressant”.

Ils excluaient en tout cas qu’André Moyen ait participé aux tueries comme exécutant.

Bron » La Dernière Heure

Historici lossen politieke cold case op

Een meticuleus historisch onderzoek legt pijnlijk bloot hoe de vermenging tussen publieke en private veiligheidsdiensten het onderzoek naar de moord op de communistische voorman Julien Lahaut doeltreffend heeft gesaboteerd.

In de Senaat presenteren de historici Emmanuel Gerard, Widukind De Ridder en Françoise Muller vanochtend het rapport naar de moord op Julien Lahaut. Begin jaren 2000 groeide daar de interesse om uit te pluizen waarom die aanslag uit 1950 na 22 jaar onderzoek in een buiten vervolgingstelling eindigde.

Lange tijd excelleerde die misdaad als het grootste raadsel uit de Belgische naoorlogse geschiedenis. Wetenschapsbeleid en privéfondsen leverden 350.000 euro om het onderzoek tot een goed einde te brengen. Wie heeft Lahaut vermoord? mag dan een onberispelijk wetenschappelijk werkstuk zijn, het leest bij momenten als een spannende detective-, politie- en spionageroman.

De voorgeschiedenis

Op een zwoele vrijdagavond, 18 augustus 1950, schiet een vierkoppig commando het communistische kamerlid Lahaut dood op de dorpel van zijn rijhuis in Seraing. De moord komt een week na de eedaflegging van koning Boudewijn. Tijdens die ceremonie riepen de communistische afgevaardigden met voorbedachten rade “vive la république”. Lahaut was een van hen.

De causaliteit lag voor de hand. Lahaut werd vanwege van zijn overtuiging vermoord. De communistische partij zette die these ijverig in de verf. De politieke rol van het 65-jarige kamerlid was nochtans uitgespeeld. Als politieke gevangene (Neuengamme, Mauthausen) keerde hij pas in 1945 terug. De posten waren al verdeeld. Het protocollaire voorzitterschap van de KPB was een troostprijs voor zijn mateloze populariteit. Zowat 150.000 Belgen woonden zijn uitvaart bij.

Politieke moorden – hoe zeldzaam ook – bedreigen de democratische rechtsstaat. Een falend gerechtelijk onderzoek versterkt dat beeld. Na een telefonische tip (volgend op een tv-uitzending van Maurice De Wilde) identificeerden historici Rudi Van Doorslaer en Etienne Verhoeyen in 1985 ‘Adolphe’ – de naam François Goossens raakte pas in 2002 bekend – als leider van het commando. Hun boek De moord op Lahaut schetste het koningsgezinde en anticommunistische netwerk waarin de ‘bruut van Halle’ actief was. Maar er bleven talrijke hiaten.

Het gerechtelijk onderzoek

Voor het eerst hielden de historici het volledige gerechtelijk onderzoek van 11.000 pagina’s tegen het licht. Hun conclusie bezorgt onderzoeksrechter René Louppe – pienter maar onervaren – eerherstel. Hij maakte er geen rommeltje van, alle denksporen werden zo goed mogelijk uitgezocht. Gebrek aan materieel bewijs maakte hem afhankelijk van bekentenissen.

De aanslag was stoutmoedig. De vier moordenaars sloegen toe bij valavond en vroegen enkele voorbijgangers naar de juiste woning. Louppe kon rekenen op tien ooggetuigen. Zelfs de nummerplaat van de gebruikte wagen werd genoteerd (de platen bleken voor de oorlog gestolen). Maar de verklaringen waren tegenstrijdig. Een belangrijke getuigenis, die verwees naar het automerk Vanguard, bleef steken bij een Brusselse rijkswachtofficier van wacht en bereikte de onderzoeksrechter nooit.

Toch flirtten Louppe en zijn opvolger Georges Moreau enkele keren met een doorbraak. Nauwelijks een maand na de moord bezorgde de Staatsveiligheid Louppe de naam van de moordenaar op een presenteerblaadje. Zo had de ‘genaamde’ François Goossens ‘er zich op beroemd’ aan de moord te hebben deelgenomen.

Maar de onderzoeksrechter focuste eerst op een andere naam in de nota. Een onderzoek van de Brusselse gerechtelijke politie naar Goossens leverde achteraf niets op. Hij reed weliswaar met een Vanguard, maar Louppe besefte het belang daarvan niet.

Vooral de Antwerpse politiecommissaris Alfred Van der Linden beet zich in 1961 in de zaak vast. Een verdachte in een banale moordzaak hoopte voorlopig vrij te komen en beweerde meer te weten over het moordcomplot. Van der Linden diepte uit de politiearchieven explosieve informatie op. Hij achterhaalde dat een Belgisch Anticommunistisch Blok (BACB) al in 1948 een aanslag op Lahaut had beraamd. Omdat de zaak was verklikt, werd ze afgeblazen. De commissaris wees Luik op de vermoedelijke spin in het web, André Moyen.

Het archiefonderzoek

Het meticuleus archiefonderzoek geeft niet alleen uitsluitsel over de complotards, het verklaart waarom Rouppe en zijn opvolgers in het donker bleven fietsen. Cruciaal bewijs vormen de ‘activiteitsverslagen’ die Moyen, een fervent anticommunist en oprichter van een private inlichtingendienst, aan zijn ‘correspondenten’ stuurde.

In het verslag van augustus 1950 suggereert hij niet alleen de daders te kennen, hij geeft ook de context (de oorlog tegen het communisme), vergoelijkt de aanslag (verrader) en geeft drie andere namen op de dodenlijst. Als klap op de vuurpijl verwijst de ‘spion’ naar het bestaan van een ‘synarchie’, een organisatie die overal vertakkingen heeft.

De onderzoekers vonden het document drie keer terug: in het fonds van CD&V-minister en overtuigd Leopoldist Albert De Vleeschauwer, in het archief van de Antwerpse gerechtelijke politie (Van der Linden moet het stuk hebben gezien maar wilde zijn dienst wellicht niet in diskrediet brengen) en in de papieren van Herman Robilliart, directeur van de Société Générale en een financier van Moyen. In de laatste twee versies zijn de passages over de moord verwijderd.

De archieven van de Staatsveiligheid leverden het bewijs dat Moyen de BACB oprichtte, dat Goossens er lid van was en dat Alex Devillé (een tweede moordenaar van wie de naam via de ‘tamtam’ van Halle uitlekte) een ‘agent’ van Goossens was. Door een slordige klassering raakte het bewijs van Goossens’ BACB-lidmaatschap evenwel niet in zijn persoonlijk dossier en werd de info in september 1950 niet meegestuurd naar Luik. Overigens legde de Staatsveiligheid in het voorjaar van 1950 een klacht neer tegen Moyen. Procureur-generaal Camille Pholien, de broer van premier Joseph, vond dit evenwel ‘niet opportuun’…

Het onderzoek etaleert niet alleen het probleem van versnippering – als gerecht, Staatsveiligheid en rijkswacht al hun materiaal hadden samen gelegd, waren de moordenaars in 1950 gevat – het stelt ook scherp op de collusie tussen publieke en private veiligheidsdiensten. Bij de gerechtelijke politie van Antwerpen, Brussel en Luik beschikte Moyen over mannetjes uit zijn netwerk die hem onaantastbaar maakten.

Vakkundig torpedeerden ze elk onderzoek naar zijn persoon. ‘Journalist’ Moyen, enkele keren ondervraagd, raakte nooit verontrust. Met zijn rapporten – hoe fantasierijk sommige ook waren – werd rekening gehouden. Zijn relaties reikten tot de hoogste politieke en industriële machthebbers.

Conclusie

De wortels van Moyens netwerk dateerden van voor de oorlog. De echte banden werden in het verzet gesmeed (hij was niet vies van executies). Na de bevrijding worstelden heel wat extreemrechtse agenten met de normalisering van hun bestaan. De Koningskwestie en de opkomst van het communisme gaven hen een nieuwe oorlog om te vechten. De woelige naoorlogse jaren, met de communistische machtsgreep in Tsjecho-Slowakije en de Koreaanse oorlog als hoogtepunten, vormden een uitstekende voedingsbodem voor de moord.

Toch blijft de vraag hoe Moyen zich ooit in deze positie heeft kunnen manoeuvreren. Naar de opdrachtgevers blijft het trouwens gissen. Tussen een groot complot en een misbegrepen assertiviteit zijn trouwens alle schakeringen mogelijk. Maar dat het onderzoek willens en wetens werd gesaboteerd en afgedekt, staat vast.

Rest de vraag of deze historische modus operandi ook voor andere raadsels kan worden gebruikt, de moordpartijen van de bende van Nijvel bijvoorbeeld. Rudi Van Doorslaer, de directeur van het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Maatschappij (CegeSoma), is er klaar voor.

Bron » De Standaard

Onderzoek naar moord op Julien Lahaut was gedoemd te mislukken

De moord op de voorzitter van de Kommunistische Partij, Julien Lahaut, op 18 augustus 1950, was het werk van het anticommunistisch netwerk van André Moyen. Dat netwerk werd gefinancierd door de haute finance en had nauwe contacten met politiek, politie en staatsveiligheid.

Dat verklaart waarom de opeenvolgende onderzoeksrechters hun tanden stukbeten op het dossier omdat een aantal cruciale stukken voor hen verborgen bleven. Dat blijkt uit het onderzoek van het CegeSoma (Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij), dat dinsdag wordt voorgesteld in de Senaat, die de opdracht gaf tot het onderzoek.

Lahaut werd in Seraing in zijn woning vermoord, een week nadat hij bij de eedaflegging van koninklijke prins Boudewijn ‘Vive la République’ geroepen had. Aanvankelijk werd ook in die richting gedacht voor het motief van de moord. Lahaut zou vermoord zijn door leopoldisten, die het niet namen dat koning Leopold III tot aftreden gedwongen werd wegens zijn omstreden houding tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Er werd ook geopperd dat het om een afrekening onder communisten ging, maar het was tot 1985 wachten op het eerste wetenschappelijk onderzoek. Rudi Van Doorslaer en Etienne Verhoeven verlegden de focus in ‘De moord op Lahaut’ naar de anticommunistische inlichtingendiensten, die in de opkomende Koude Oorlog aan het werk waren, naast de officiële inlichtingendiensten. De auteurs slaagden er ook in om twee daders van de aanslag op Lahaut te identificeren.

In 2011 startte een nieuw onderzoek als gevolg van de in 2008 eenparig gestemde resolutie van de Senaat. Emmanuel Gerard, Widukind De Ridder en Françoise Muller komen in Wie heeft Lahaut vermoord? De geheime Koude Oorlog in België tot de conclusie dat niet de koningskwestie, maar de Koude Oorlog het kader is waarbinnen de moord op Julien Lahaut moet geplaatst worden.

Daarvoor doorploegden ze een rist private en openbare archieven, zoals het gerechtelijke onderzoek van Luik. Dat laatste bleek vernietigd te zijn in 1996, maar de advocaat van de burgerlijke partij had in 1976 een kopie van het volledige onderzoek (11.000 pagina’s) laten maken en neergelegd bij de KP. Hun onderzoek leerde onder meer dat een aantal documenten wel in de archieven van politie, politici of staatsveiligheid terug te vinden waren, maar nooit in handen kwamen van de opeenvolgende onderzoeksrechters. “De onderzoeksrechter liep blind rond in de kamer”, aldus Gerard.

De onderzoekers kregen een goed beeld van het ‘Netwerk’ van de spion André Moyen, dat royaal gesubsidieerd werd door grote maatschappijen zoals de Société Générale en Brufina en zijn oorsprong vond in de anticommunistische strijd. Moyen verdiende zijn sporen in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog en was ervan overtuigd dat na het nazisme het grootste gevaar vanuit het communisme kwam.

Moyen stuurde zijn rapporten naar verschillende bronnen – zijn broodheren, politici zoals Albert De Vleeschauwer (minister van Binnenlandse Zaken in 1949-50), politiediensten en de staatsveiligheid. De onderzoekers wijzen in dit verband op de verwevenheid van de officiële en private inlichtingendiensten. Op vragen van het gerecht wordt het belang van Moyen en zijn rapporten steevast geminimaliseerd. Dat in deze diensten ook agenten van het Netwerk zaten, was hier niet vreemd aan. Moyen is niet meer dan een journalist, luidt het, verwijzend naar zijn dekmantel.

Cruciaal in het onderzoek is het rapport ‘Activité du Réseau pendant le mois d’août 1950’ (activiteiten van het netwerk tijden de maand augustus 1950, de maand dat Lahaut vermoord werd), dat zowel teruggevonden werd in het archief van De Vleeschauwer, van de politieke afdeling van de Antwerpse Gerechtelijke Politie en van de afgevaardigd-bestuurder van Union Minière, een dochter van de Société Générale. Bij de laatste twee kopieën is het laatste deel, met daarin het motief voor de moord, afgesneden.

Bron » De Standaard

De moordenaars van Julien Lahaut zijn er gloeiend bij

Het heeft lang geduurd, maar nu mogen we de moord op communistenleider Julien Lahaut in 1950 opgehelderd noemen. De daders kenden we al, en nieuw historisch onderzoek wijst nu ook de vermoedelijke opdrachtgevers aan. En wat was de rol van Albert De Vleeschauwer, tot twee dagen voor de moord nog CVP-minister van Binnenlandse Zaken?

“Vive la République!”

Een krantenbericht, de volgende dag, vermeldt de korte stilte in het parlement: ‘Dan breekt een geloei van verontwaardiging los dat overgaat in een applaus zoals de Kamer nog nooit heeft gehoord. Minutenlang juichen de CVP’ers, socialisten en liberalen de prins toe, die niet bewogen heeft, alleen even naar de grond heeft gekeken. Maar de afstraffing volstaat niet en zodra het applaus wat afneemt, buldert de onbeschoftheid in persoon, de Moskoviet Lahaut, op zijn beurt: Vive la République. Weerom knettert een onstuimig applaus.”

Het was vrijdag 11 augustus 1950, de dag waarop een 19-jarige jongen genaamd Boudewijn trouw zwoer aan het land en zijn wetten. België hoopte hier en nu eindelijk een punt te kunnen zetten achter de woelige jaren van oorlog, repressie, de koningskwestie. En nu dit. In 1950 zetelden er nog tien communisten in het Parlement. De kreten kwamen uit die hoek. Precies een week later, iets na negenen ’s avonds, wordt aangebeld in de rue de la Vecquée 65 in Seraing. Hier woont Julien Lahaut, de 65-jarige voorzitter van de KPB, de Belgische communistische partij.

Zijn echtgenote Géraldine Noël opent de deur en ziet twee mannen, een lange en een korte.

“Wij willen kameraad Lahaut spreken.”

“Met wie heb ik de eer?”

Even later weerklinken er vier, mogelijk vijf schoten. Julien Lahaut heeft een oorlogswinter in Sint-Petersburg overleefd en het concentratiekamp van Mauthausen, maar niet die kreet in het parlement. Tenminste, zo is het verhaal altijd verteld.

‘Ik schoot’

Dankzij het boek van historici Rudi Van Doorslaer en Etienne Verhoeyen uit 1985 weten we min of meer wie de moord heeft gepleegd. Het commando, vier man sterk, werd aangevoerd door verzekeringsagent en ex-verzetsstrijder François Goossens uit Halle, die in zijn dorp Essenbeek wordt herinnerd als ‘de zot van de Guussens’. Zijn naam werd in 2003 in de archieven van het Luikse gerecht opgetekend en naar buiten gebracht door Vincent Van Quickenborne, tegenwoordig Open Vld-burgemeester van Kortrijk.

Vier jaar later biechtte de toen 83-jarige Eugène Devillé, zoon van de Halse burgemeester, op Canvas op dat hij de tweede man was geweest. Goossens was de lange, hij de korte. “We gingen gelijktijdig schieten, dat was afgesproken, maar hij heeft niet gevuurd. De ambetanterik.” Hij, Eugène Devillé, was de moordenaar. Tot een eind in de jaren zeventig stapte er tijdens de jaarlijkse processie in Essenbeek achter het Mariabeeld en de pastoor altijd een man mee met witte handschoenen en een Colt.45. Veel mensen in het dorp keken lachend toe, ze wisten wat hier werd uitgebeeld. Dit was een hulde aan de moordenaars van Lahaut.

Ook al zijn er nu een paar namen bekend, de moord op Julien Lahaut blijft een enigma, iets wat de leerkracht in de klas niet krijgt naverteld zonder lachje. Dat wij daar nooit het fijne van gaan weten. Want veel meer dan de vraag wie de trekker overhaalde, blijft het een raadsel hoe het kon dat de daders nooit werden opgespoord en het Luikse gerecht de zaak in 1972 gewoon klasseerde.

Van François Goossens is bekend dat hij na de moord te biecht ging bij ex-verzetsman en contraspion André Moyen, die in die jaren met zijn eigen inlichtingendienst genaamd het Netwerk als ‘Kapitein Freddy’ een legertje van geheime burgeragenten leidde. Moyen, begeesterd door een nakende invasie van de Russen, overleed in 2008 en begon pas in de laatste jaren van zijn leven te praten. Hij portretteerde Goossens in De Morgen ooit als een ongeleid projectiel: “Die vent was gek. Hij was tot alles in staat.”

Een impulsieve daad? Dat is wat Moyen ons wilde doen geloven. In 2008 stemde de Senaat in met een resolutie die het Studiecentrum Oorlog en Maatschappij (CegeSoma) opdroeg nieuw wetenschappelijk onderzoek te voeren rond de meest manifeste politieke moord die België ooit kende. Volgende maand, na jaren bedelen om eerst toegezegde en daarna door minister van Wetenschapsbeleid Sabine Laruelle (MR) weer ontzegde middelen, presenteren historici Emmanuel Gerard, Widukind De Ridder en Françoise Muller binnenkort hun werk Wie heeft Lahaut vermoord? Pagina na pagina maakt het onderzoeksrapport duidelijk dat de moord op Lahaut allesbehalve een impulsieve daad is geweest. Conclusie van de auteurs, aan het eind: ‘Niet de koningskwestie, maar de Koude Oorlog is het kader waarin de moord op Lahaut moet geplaatst worden.’

Te koop

Voor het huis in de tot rue Lahaut omgedoopte straat hangt een al een poos niet meer opgeblonken gedenkbord. ‘Ter ere van Julien Lahaut, vermoord op 18 augustus door vijanden van het volk.’ Het bord is half overplakt met een plastic bord van immokantoor Liboy-Lejeune. Te koop. Hier, aan de overkant van de straat, heeft de mythische Vanguard gestaan. De auto waarmee François Goossens deelnam aan autoraces in Francorchamps, en waarmee hij volgens oudere dorpelingen in Essenbeek “zeker twee of drie mensen heeft doodgereden”.

Op de dag van de aanslag was de Vanguard voorzien van een in Antwerpen gestolen nummerplaat. Slachtoffer Julien Lahaut stelde in 1950 politiek nochtans weinig of niks meer voor. Toen hij na de oorlog uit het concentratiekamp terugkeerde, had een nieuwe generatie de leiding over de KPB overgenomen. Ze waren toegetreden tot de eerste naoorlogse regering en voor de oude Lahaut was geen functie van betekenis meer weggelegd. Hij werd voorzitter, een in communistische partijen doorgaans onbestaande titel.

Maar hoe protocollair zijn positie ook was, voor de buitenwereld is hij de langst meegaande communistische politicus van het land. De volksmenner uit Seraing was eind jaren 40 met zijn stem als een klok vooropgegaan in de campagne tegen de terugkeer van koning Leopold III. Vier betogers werden door de rijkswacht doodgeschoten in Grâce-Berleur, en het land flirtte net zo lang met de burgeroorlog tot koning Leopold III de troon afstond aan zijn zoon, Boudewijn.

Op zijn graf op het gemeentelijke kerkhof in Seraing staat een uit steen gehouwen versie van de politicus, armen gehesen. Ook hier weer, de tekst: ‘Vermoord door vijanden van het volk.’ Je kunt je niet voorstellen dat dit op 22 augustus 1950 het eindpunt moet zijn geweest van een stoet van 150.000 mensen. Tien keer zoveel als voor Luc De Vos.

Een synarchie

In het Kadoc in Leuven werkten de drie historici zich de voorbije jaren door de persoonlijke archieven van gewezen minister van Binnenlandse Zaken Albert De Vleeschauwer (1897-1971). Hun aandacht voor de vroegere Leuvense christen-democratische politicus werd gewekt door een bizarre gebeurtenis, daags voor de begrafenis van Lahaut. Nadat hij in zijn agenda melding had gemaakt van “bedreigingen tegen mij”, reisde hij op maandag 21 augustus met zijn zoon naar Bouillon, waar hij zich naar de Franse grenspost laat escorteren door een jeep, bestuurd door André Moyen. Weer die Moyen.

In hun boek tonen de historici aan hoe De Vleeschauwer, minister van Binnenlandse Zaken tijdens de koningskwestie, eind 1949 Moyen heeft leren kennen. En waarderen, blijkbaar. Hij moest waar mogelijk informatie inzamelen over de vijand die de plaats van de Duitsers had ingenomen: De Rus. Moyen had met zijn Netwerk al sinds 1945 een kantoortje in de Komediantenstraat in Brussel en werd in het geheim gefinancierd door de Belgische topindustriëlen Herman Robiliart (Union Minière) en Marcel De Roover (Brufina). Hij stuurde geregeld inlichtingenrapporten naar de industriëlen en vanaf eind 1949 ook naar De Vleeschauwer. Hij zou dat blijven doen tot in 1961. Hij dropte zijn rapporten, door de jaren heen 1.787 in totaal, in een postbus in Brussel, die hij onder een valse naam had gehuurd.

Een van deze rapporten, getiteld ‘Activité du Réseau pendant le mois d’août 1950’ is op 31 augustus 1950 erg expliciet: ‘De executie van Lahaut heeft de lamlendigheid van de overheid aangetoond. Het gaat ontegensprekelijk om een misdaad en het valt te betreuren dat het zover moest komen, maar zij die gehandeld hebben zijn van mening dat het tijd is om onze gezagsdragers wakker te schudden (…).’

‘We brengen zonder commentaar verslag uit van de ideeën die leven binnen het milieu dat wij verantwoordelijk achten voor de executie van Lahaut: het gaat in elk geval om een apolitieke en zelfs antipolitieke groep, patriottisch en onbaatzuchtig, die aanvankelijk gedacht had om pas ten tonele te verschijnen op het ogenblik van een bezetting door de Sovjets. Het is een soort synarchie die haar pionnen heeft in de meest gesloten kringen en, in het geval van Lahaut, tot bij de onderzoekers.’

Moyen kende dus de daders en hun motieven. Hij legt in zijn rapport uit dat de ‘synarchie’ tentakels heeft tot bij de speurders in Luik zelf, en dat de daders er dus gerust op zijn dat justitie hen nooit zal (willen) vinden. De historici gaan niet zo ver te besluiten dat De Vleeschauwer of de industriëlen opdracht hebben gegeven voor de moord, maar het zit er in hun ogen niet ver naast: “Het lijkt onwaarschijnlijk dat ooit een geschreven document zal worden gevonden, dat met zoveel woorden een bevel of opdracht bevat.”

Maar is de vraag naar de opdrachtgevers nog relevant, wanneer we de draagwijdte van het Netwerk in ogenschouw nemen en de bescherming die het van hogerhand genoot? “De grote maatschappijen hebben hun financiering niet stopgezet na de aanslag van 18 augustus en niemand heeft Moyen bij de justitie verklikt. Herman Robiliart, de sterke man van de Union Minière, heeft het fameuze maandrapport van augustus 1950 ontvangen en er wijselijk de passage over de ‘executie van Lahaut’ afgescheurd. Een ernstige vorm van schuldige nalatigheid was er vooral bij een man als De Vleeschauwer, die tot enkele weken voor de ontvangst van dat rapport minister van Binnenlandse Zaken was.”

Al gepland sinds 1948

Brengt de nieuwe studie ons opdrachtgevers, dan ook een motief. De moord op Lahaut was een geplande oorlogsdaad in volle Koude Oorlog, die al was gepland in mei 1948. Het bewijs is gevonden in de archieven van het Antwerpse gerecht. Daar stootten de historici op de vergeelde processen-verbaal van commissaris Alfred Van der Linden, hoofd van de afdeling moordzaken van de gerechtelijke politie daar.

Van der Linden is begin 1961 de ondervrager van uurwerkmaker Walter Daems. Hij wordt verdacht van een roofmoord bij zijn eigen schoonouders en stelt Van der Linden een deal voor: “Hij hengelt naar voorwaardelijke vrijlating. Hij beweert dat hij Justitie volledig kan inlichten over de moord op Lahaut.”

Daems heeft het over een organisatie genaamd Belgisch Anticommunistisch Blok (BACB) waar hij zelf even bij betrokken is geweest. Het BACB heeft zich in 1947 al eens doen opmerken met het verspreiden van pamfletten op Het Zuid in Antwerpen: ‘Wij eisen de onmiddellijke aanhouding van alle communistische leiders, verraders bij uitstek, die niets beters of niets minder verdienen dan de doodstraf met den kogel met als bijkomende bepaling: in den rug!’

De organisatie is toen vervolgd en bij een lid, ene Louis Kerckhof, is later beslag gelegd op een brief van 21 mei 1948 met daarbij gehecht twee vodjes papier. Aantekeningen lijken het, van tijdens een vergadering. Als commissaris Van der Linden ze in 1961 uit de archieven opdiept, kan hij weinig anders hebben ervaren dan een opstoot van adrenaline: ‘Lahaut – Seraing – aanslag – niet akkoord – één dezer dagen – geen moorden. Auto-plaat zou medegedeeld worden.’

De vergadering van het BACB, zo weet Van der Linden nog uit te vissen, heeft plaatsgevonden in de melkerij Stassano in Antwerpen. De directeur daar, Raphaël Van Os, was een van de stichters van het BACB. De historici gaan er nu van uit dat de aanslag in 1948 op de valreep is afgeblazen, precies omdat er met labiele figuren als Daems en Kerckhof een te groot risico was op loslippigheid.

Verkeerd geklasseerd

Commissaris Van der Linden is dicht bij de waarheid gekomen. Heel dicht. Hij zat ook Moyen op de hielen en in een van zijn processen-verbaal lezen we: “Moyen zou regelmatige maandelijkse geheime verslagen toegericht hebben aan zijn opdrachtgevers, getiteld: ‘Activité du Réseau pendant le mois de…’, alleszins zou het de moeite lonen in het bezit te komen van een verslag van einde augustus 1950, nà de moord op Lahaut.”

Van der Linden heeft de rapporten nooit te zien gekregen. En politiediensten zamelden ook toen al los van elkaar informatie in, maar wisselden zelden iets uit. De historici kregen nu toegang tot de archieven van de Belgische Staatsveiligheid en stootten daar op een map op naam van Raphaël Van Os, aangelegd op 12 november 1949: ‘Inlichtingen betreffende het BACB (Belgisch Anticommunistisch Blok).’

De organisatie, zo staat er, is opgericht door Van Os en zijn broer en – alweer hij – André Moyen. Het rapport gaat verder: “Met zekerheid kan eveneens worden gemeld dat volgende personen daadwerkelijk optreden in het kader van het BACB: 1. Goossens, Frans, assureerder, wonende te Halle.”

De these van de impulsieve daad kan voorgoed de vuilbak in. De naam van Goossens is tijdens het officiële moordonderzoek maar één keer gevallen. Nadat hij kennelijk op café had zitten opscheppen dat hij een van de daders was en een agent van de Staatsveiligheid daar lucht van had gekregen. In een normale wereld had de Staatsveiligheid zelf direct het verband moeten leggen met het eigen BACB-rapport. Maar dit is en blijft België, zo leert ons het nieuwe onderzoek: “Van het oorspronkelijke rapport werden acht kopies gemaakt, waarvan één bestemd voor het dossier van Goossens, maar dat afschrift werd verkeerd geklasseerd.”

Jammer toch.

Bron » De Morgen | Douglas De Coninck

Doder Lahaut al na 13 dagen bekend

62 jaar na de moord op communistenleider Julien Lahaut stootten historici op een belangrijk document. Daarin staat dat oud-minister van Binnenlandse Zaken Albert De Vleeschauwer (CVP) al na twee weken wist wie de daders waren.

Volgens Wikipedia werd Julien Lahaut op 18 augustus 1950 in Seraing neergekogeld omdat hij bij de eedaflegging van koning Boudewijn “Vive la République!” riep. Intussen zijn historici het erover eens dat het niet hij was die riep en dat dat er niet eens toe doet. In 1985 onthulden Rudi Van Doorslaer en Etienne Verhoeyen na gesprekken met ex-spion André Moyen (1914 – 2008) dat de moord gepleegd werd door vier mannen uit Halle die actief waren bij een anticommunistische groep.

Recent volgden nieuwe onthullingen, met een interview van Moyen, kort voor zijn dood in deze krant. De daders zijn nu bij naam gekend: François Goossens en drie zonen van de toenmalige CVP-burgemeester Jan-Nikolaas Devillé. Een van hen, Eugène Devillé, bekende kort voor zijn dood op Canvas dat hij de fatale schoten loste. Maar wie gaf de opdracht? De man nam zijn geheim mee in zijn graf.

Op aanzet van oud-senator Pol Van Den Driessche kregen historici Emmanuel Gerard, Francoise Müller en Widukind De Ridder en het onderzoekscentrum Soma in 2008 middelen voor wetenschappelijk onderzoek. Gisteren presenteerden zij hun ontdekking. “Het is misschien niet de smoking gun”, zegt Gerard. “Het is wel het eerste geschreven stuk uit de periode van de moord zelf, augustus 1950.” Het gaat om een rapport van – alweer – André Moyen, de man die door leden van de families Goossens en Devillé worden aangewezen als ‘opdrachtgever’.

Het rapport dateert van 31 augustus 1950, 13 dagen na de moord en is gericht aan Albert De Vleeschauwer, tot kort daarvoor minister van Binnenlandse Zaken voor de CVP. De tekst ademt de sfeer uit van de koningskwestie, toen België op de rand van een burgeroorlog balanceerde, met op de achtergrond ook nog de Koreaanse Oorlog.

Het rapport: “De executie van Lahaut is (…) een misdaad, en het is onbetwistbaar en betreurenswaardig dat we zo ver gekomen zijn, maar zij die in actie kwamen meenden dat het tijd werd om de verantwoordelijken wakker te schudden. Aangezien zij geen maatregelen nemen tegen de Vijfde Kolone doet men het in hun plaats.” Met Vijfde Kolone wordt gedoeld op een Sovjetinvasie.

Eerder onderzoek liet zien dat De Vleeschauwer zich na de moord op Lahaut bedreigd voelde. Als aanhanger van Leopold III vreesde hij dat represailles hem konden treffen. Op 21 augustus 1950 vluchtte hij met Moyen naar Frankrijk. “Opmerkelijk”, zegt Gerard. “De net afgetreden minister van Binnenlandse Zaken voelt zich beter beschermd bij André Moyen dan door de rijkswacht.”

De historicus ziet nog een andere toevalligheid: “In een eerste reactie op de moord veroordeelde premier Pholien die op 19 augustus 1950 in de scherpst mogelijke bewoording. Kort daarna, op 12 september 1950, kondigde hij aan dat in België alle communisten worden gebannen uit openbare functies.”

De nota kan helpen verklaren waarom de toenmalige regering opeens zo’n krachtig anticommunistisch signaal meende te moeten geven. Volgens het rapport-Moyen zouden nog meer moorden volgen, en dreigde er dus minder dan een burgeroorlog: “De actiegroep bevestig dat zij doorgaat met haar serie tot de dag waarop de regering beslist om een einde te maken aan de handelingen van de Vijfde Kolone.”

Het rapport noemt namen van volgende doelwitten: secretaris-generaal van de Kommunistiche Partij Jean Terfve, de communistische politicus Edgard Lalmand en de Antwerpse havenarbeider en stakingsleider Frans Van den Branden. “De vraag is waarom dit document niet naar de onderzoeksrechter werd doorgestuurd”, vindt Gerard. “Daar hoorde het te zitten, niet in de lade van Albert De Vleeschauwer.”

Ook al vermeldt het rapport dat de moordenaars van Lahaut beweren banden te hebben met de speurders in Luik en er ook mee dreigen om magistraten om te leggen als die te dicht in hun buurt zouden komen, mijdt Gerard het woord ‘complot’. Hij looft integendeel het werk van de onderzoeksrechters en van commissaris Vanderlinden bij de Antwerpse gerechtelijke politie. Die liep al sinds 1961 verwoed te zoeken naar de rapporten die Moyen voor De Vleeschauwer maakte, omdat die volgens hem de sleutel naar de opheldering van het mysterie bevatten.

“We vonden dit document, een stencil, in de archieven van de oud-minister De Vleeschauwer bij het Kulak”, zegt Gerard. “We stootten ook op een inventaris, en die laat zien dat voor de maand augustus 1950 8 rapporten van Moyen ontbreken. Ze laten vooral ook zien dat Moyen tot in 1961 nauwgezet rapporten bleef opstellen. En we zien vooral dat voor augustus 1950 8 rapporten over de ‘activiteiten van ons netwerk’ ontbreken.”

André Moyen, ook actief bij het geheime burgerleger Gladio, is een omstreden figuur. “Velen zagen deze man op zijn oude dag als een fantast, maar nu moeten we vaststellen dat hij in 1950 aan het hoofd stond van de voornaamste Belgische private inlichtingendienst”, zegt Gerard. “De dienst werd gefinancierd door Marcel De Sloover – topman bij Brufina, in die tijd de grootste Belgische financiële groep na de Generale – zijn rapporten werden doorgestuurd naar twee generaals, van wie er één nauwe banden had met het koninklijk paleis.”

Het Soma riep gisteren minister van Wetenschapsbeleid Paul Magnette (PS) op nieuwe middelen vrij te maken voor verder onderzoek en vrij toegang tot gesloten gebleven overheidsarchieven.

Bron » De Morgen

Histoire Funérailles à Ciney d’André Moyen, décédé à l’âge de 93 ans

Les funérailles, célébrées lundi à Ciney, d’André Moyen, décédé mardi dernier à l’âge de 93 ans, ont permis à l’assistance de se souvenir d’une figure de proue de la résistance belge et du renseignement militaire.

Né en Resteigne en 1914, il s’engage très tôt dans la Résistance, pour compte de laquelle il mène, au sein du groupe Athos, de périlleuses missions d’infiltration. Sous les noms de guerre de “capitaine Freddy”, “Le Crocodile”, “Cincinnatus” ou “André de Saint-Michel”, il réussit notamment l’attaque d’un centre de télécommunications allemand à Menuchenet. Avec Fernand Canoot, il créa une fausse force de police, la “speziale polizei” qui mena, au nez et à la barbe des occupants, plusieurs opérations de renseignements ou dirigées contre des collaborateurs.

À l’issue de la guerre, Moyen intègre le contre-espionnage belge, dont il devient le numéro deux. Il effectue des missions au Congo, au Maroc, en Egypte, à Taïwan, à Saigon et en Corée. Il fut impliqué dans la création, en Belgique, des réseaux Gladio, ces cellules dormantes d’agents secrets. L’anticommunisme était l’un des chevaux de bataille de Moyen, réputé être proche des milieux conservateurs et royalistes. Il fut accusé, sans preuve, d’avoir été l’instigateur du meurtre de Julien Lahaut, le député communiste qui cria “vive la république” lors de l’intronisation du roi Baudouin.

André Moyen créa en 1962 la branche belge de Group 4 Securitas. Sur le tard de sa vie, il se lança à nouveau dans le renseignement, multipliant les sorties matamoresques dans de nombreux dossiers judiciaires, dont les tueries du Brabant. Il voyait des communistes partout. Et il n’hésitait pas à faire mener des enquêtes sur des gendarmes, à accuser des journalistes d’être payés par la Sûreté.

Il était proche du baron de Bonvoisin, dont le procès pour les “faux KGB”, auxquels Moyen participa, a – ironie des dates – débuté le jour même de ses funérailles.

Bron » Le Soir

Contraspion André Moyen overleden

André Moyen, voormalig lid van de Belgische militaire inlichtingendienst, is dinsdag op 93-jarige leeftijd in Ciney overleden. Dat hebben zijn nabestaanden gisteren bekendgemaakt. André Moyen is op 29 september 1914 geboren in Resteigne, in de provincie Luxemburg. Tijdens de Duitse invasie in 1940 was hij soldaat.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog richtte hij in de Ardennen de verzetsbeweging ‘Athos’ op. Later sloot hij zich aan bij het geallieerde leger. Na de Tweede Wereldoorlog was Moyen jarenlang de op een na belangrijkste Belgische contraspion, eerst in eigen land en later in Congo.

In de jaren ’50 richtte hij een anticommunistische cel op bij de Belgische militaire inlichtingendienst. Hij gaf ook les aan het Athénée Cardinal Mercier in Eigenbrakel. Maandag wordt in de kapel van het rusthuis ‘Home du Sacré Coeur’ in Ciney een herdenkingsmis gehouden. Daarna wordt de as van André Moyen in intieme kring uitgestrooid op de begraafplaats van Ciney.

Bron » De Morgen

Een lekker ouderwets echt complot: de moord op Julien Lahaut

Komt er 57 jaar na de feiten dan toch een parlementaire onderzoekscommissie over de moord op Julien Lahaut? De daders opsporen, dat hoeft gelukkig niet meer. De kwestie is waarom justitie in Luik weigerde dat te doen. Nu blijkt dat de moordenaar nog leeft, zou een vraag kunnen worden gesteld: wat maakte u zo zeker dat u hiermee weg zou komen?

Zeer sympathiek, die processie hier, vond hulppastoor Rik Devillé. Het was de zomer van 1974. Ter gelegenheid van het honderdjarige bestaan van hun parochie beeldden inwoners van Essenbeek, deelgemeente van Halle, oude beroepen en klederdrachten uit. Devillé zag herders, boerenmeiden en scharenslijpers.

“En plots, middenin de optocht, een jagersfiguur”, weet hij nog. “Deze man droeg witte handschoenen en hield een pistool vast. En iedereen moest lachen. Ik vroeg aan de mensen rond me: wat voor beroep beeldt hij uit? Er kwamen cryptische antwoorden. Er werd met me gelachen. Ik was dan ook nieuw in dat dorp. Pas achteraf is het me verteld: daar liep de moordenaar van Julien Lahaut.”

Vrijdagavond 18 augustus 1950, rue de la Vecquée, Seraing. De man, klein van gestalte, heeft eerst aangebeld op het nummer 27, waar hij te horen krijgt dat camerade Julien Lahaut hier al een poosje niet meer woont. De man spreekt een wandelaarster aan (geweldige voorbereiding, het moet gezegd) die achteraf zijn fysionomie kan beschrijven en in staat is om zijn Vlaamse accent na te doen. De vrouw ziet hoe een grijze Vanguard de man traagjes volgt en er uit de auto een tweede man komt gestapt, iets groter van gestalte. Ze lopen naar het huis met nummer 65 en bellen aan. Géraldine Lahaut doet open: “C’est pour camerade Lahaut.”

Twee schoten treffen de voorzitter van de Belgische communistische partij even later in het rechteroor, een derde gaat door de onderbuik en is fataal. Twee andere kogels missen doel. De schoten zijn afgevuurd met een Colt .45.

Voor hele generaties was de moord op Lahaut, tot die op André Cools, de meest uitgesproken politieke moord die België ooit kende. Want Lahaut, zo werd aangenomen, had een week eerder bij de eedaflegging van de jonge koning Boudewijn in het parlement “Vive la République!” geroepen. En, fluisterde onze leraar geschiedenis, de daders zijn nooit gevonden.

Deze week was de moordenaar – met verborgen gezicht – te zien in een documentaire van Keerpunt (Canvas). Zijn naam, Eugène Devillé, werd de kijker onthouden, dat was de deal tussen makers en familie. Devillé (86) was niet de leider van de groep, dat was François Goossens, een flamboyante ex-verzetsstrijder uit Halle.

“Hij had me gevraagd mee te gaan om voor zijn veiligheid te zorgen”, aldus het enige nog levende lid van het moordcommando. “Ik moest hem beschermen. Onderweg vroeg hij: ‘Gaan we het samen doen?’ Hij ging een teken geven. Maar hij deed niks, den ambetanterik. Ik heb geschoten, hij heeft enkel bij het weglopen een schot gelost.”

Case solved? Totaal niet. In 1985 al onthulden historici Rudi Van Doorslaer en Erwin Verhoeyen de schuilnaam van Goossens. Ze kregen het niet vaak genoeg herhaald: niet de namen van de daders zijn van belang, wel die van hun eventuele opdrachtgevers.

De twee historici hebben sterke vermoedens dat Goossens niet op eigen initiatief naar Seraing reed. Ze konden de hand leggen op oude onkostenstaten die de in 1979 overleden Goossens naliet. Die lieten zien dat hij na de oorlog opereerde als spion en man voor het vuile werk voor zowel André Moyen als een onbekende organisatie die hij in zijn notities de codenaam VN/H gaf. André Moyen werkte in die tijd voor de militaire veiligheidsdienst SDRA. Hij lag mee aan de basis van het Gladionetwerk, een geheime gewapende groep, paraat om in actie te komen van zodra ‘de Rus’ in aantocht was.

Anders dan de zoon van Goossens in 2003 in een uniek interview met De Morgen beweerde, bleef Moyen altijd ten stelligste betwisten dat de opdracht van hem kon zijn gekomen. “Ik kende Goossens goed, dat klopt”, aldus Moyen (93), enkele jaren terug. “Hij heeft mij het verhaal over de moord in geuren en kleuren verteld. Ik heb dat geheim meer dan vijftig jaar helpen bewaren, dat klopt allemaal. Maar wie mij kent, weet dat ik het in 1950 al een stommiteit heb genoemd.”

“Lahaut, die betekende niks. Hij was partijvoorzitter ja, maar bij de communisten was dat een symbolische functie. Lahaut, dat was een volksmenner, een man van het volk. Dat was niet l’homme de Moscou. Het omleggen van Lahaut was een risico voor onze organisatie. Een onderzoek zou volgen en zou bij ons kunnen uitmonden. Terwijl wij er nu juist alles aan moesten doen om onzichtbaar te blijven.”

Deze week dienden de senatoren Patrick Vankrunkelsven (Open Vld) en Josy Dubie (Ecolo) hun wetsvoorstel in voor de oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie. Want 57 jaar later is er wel degelijk nieuws onder de zon. Anders dan gedacht is een van de daders nog in leven en lijkt een van de ooit smalend weggelachen complottheorieën opeens akelig juist.

Op 1 april 1958 werden in een klein en nagenoeg leeg zaaltje van het Brusselse justitiepaleis de debatten geopend in het proces tegen de 34-jarige Emile Delcourt, oplichter, zakelijk avonturier en sigarettensmokkelaar. Delcourt was aan de haal gegaan met 12 miljoen frank van zijn ex-werkgever, de eerbiedwaardige Kardinaal Mercier Stichting.

Bij de aanvang van het proces gaf Delcourt schoorvoetend toe dat hij misschien inderdaad wat creatief was omgesprongen met de boekhouding, maar dat hij nooit verwacht had dat het tot een proces zou komen. Want: “Een deel van de fondsen van de Kardinaal Mercier Stichting is gebruikt om de moord op Lahaut te financieren.”

‘Wat nog?’ leek de rechter te denken. De bisschop, de paus, Hij hemzelve? Jawel, zei Delcourt, en hij noemde meteen ook man en paard: Paul Calmeyn, voorzitter van de stichting en onderpastoor in de Onze-Lieve-Vrouwkerk op de Brusselse Zavel zou enkele dagen voor de aanslag met onder meer André Moyen hebben vergaderd in Café de l’Horloge. Daar zou het hele moordplan zijn ontvouwd. Moyen ontkent niet dat dat soort vergaderingen er in die tijd was, maar blijft erbij dat hij er enkel naartoe ging met pleidooien om Lahaut vooral níét om te leggen.

Pastoor Calmeyn werd nooit ondervraagd. Of liever: kon nooit worden ondervraagd. Hij verdween in de psychiatrie, kreeg wat injecties en bracht tot zijn laatste dag alleen nog wartaal uit. En Delcourt zelf? Die begon manifest foute sporen aan te wijzen, bekloeg zich in de gevangenis over dreigementen aan het adres van zijn kinderen en trok uiteindelijk al zijn verklaringen in.

In hun boek ‘De moord op Lahaut’ laten Van Doorslaer en Verhoeven de Delcourtsaga niet onvermeld. Ze schrijven: ‘Vader Delcourt was een persoonlijke vriend van een van de invloedrijkste personen in Mechelen, kanunnik Leclef, de privésecretaris van kardinaal Van Roey.’ Dan wordt de wereld opeens klein.

Volgens de door Keerpunt verzamelde getuigenissen was monseigneur Leclef de man door wie Goossens enkele dagen na de moord werd ontvangen op het bisschoppelijk paleis in Mechelen. De naam van Leclef duikt ook op in het hoogst bizarre verhaal over de ‘jury’ in het klooster van de paters-conventuelen, in de zomer van 1951. Deze ‘jury’ zou hebben gefungeerd als een soort maffiarechtbank.

Goossens stond er ‘terecht’, maar hij niet alleen. Een agent van de Staatsveiligheid, Pierre Potargent, werd ontvoerd, geblinddoekt en in een wagen naar het klooster overgebracht. Met welk gezag de ‘jury’ optrad, daar hebben we het raden naar, maar de locatie geeft wel een impressie, net als het gedrag van Goossens achteraf. Hij voelde zich beschermd door God en de koning.

“Het is simpel”, zegt Moyen. “Goossens pleegde een impulsieve daad. Hij was verbitterd omdat Leopold III troonsafstand deed. Die kreet in het parlement, dat was er te veel aan. Maar Goossens en zijn mannen werkten wel ondergronds voor zowel mijn groep als voor de geheime dienst van het Vaticaan. Die code, VN/H, verwijst naar het Vaticaan. We zaten volop in de Koude Oorlog. Er diende na de moord een afweging te worden gemaakt: Goossens voor de rechter laten brengen of onze anticommunistische netwerken vrijwaren.”

Moord met de pauselijke zegen? Of moord met de pauselijke zegen achteraf? Welke van de twee hypothesen ook de goede is, een cover-up was er hoe dan ook. Nergens is een redelijke verklaring terug te vinden voor de blindheid van de Luikse onderzoeksrechter René Louppe. Op 2 oktober 1950 vindt hij op zijn bureau een uitgebreide nota van de Staatsveiligheid die de aandacht vestigt op François Goossens die ‘… s’est vanté d’avoir participé à l’assasinat de Lahaut Julien.’

Het feit dat de Staatsveiligheid spontaan een zo concrete tip doorspeelt, is op zich al uitzonderlijk. Wat het document nog uitzonderlijker maakt, is dat het is doorgestuurd door de Brusselse procureur-generaal Pholien. Hij is de broer van de toenmalige eerste minister Joseph Pholien, die daags na de moord op de radio de bevolking toesprak: “Niets zal onverlet worden gelaten om de schuldigen op te sporen en te straffen!”

Goossens die loopt op te scheppen over zijn daad, dat strookt met de herinnering van veel bejaarden in Halle. Tegenover zijn echtgenote en zijn kinderen sprak hij de eerste jaren zelden of nooit over Lahaut, maar dat kon veranderen, al na een paar pinten in café Van Snick op de Beestenmarkt. Hier situeert zich ook, zovele decennia later, de ergernis van Eugène Devillé, de echte moordenaar, in Keerpunt: “De Goossens ging dat dan overal rondbazuinen… En allemaal leugens.”

Ze waren dus met z’n vieren: in de ene auto Goossens en Devillé, en in de andere (om een veilige aftocht te garanderen) een broer van Devillé en Aldo H. Goossens vertelde erover op café, de drie anderen ergerden zich vooral dood aan de openhartigheid van de Zot van de Guussens.

Wat maakte hem zo zeker van zijn stuk? Onderzoeksrechter Louppe liet honderden anonieme tips natrekken, de een al waanzinniger dan de ander, maar ondervroeg Goossens nooit. Goossens bestond het om met zijn Vanguard deel te nemen aan rally’s in Francorchamps: de wagen die door ooggetuigen heel nauwkeurig was beschreven. Diezelfde auto werd gebruikt toen Goossens op 27 augustus 1951 ook nog een handtasdiefstal pleegde in Schaarbeek. De hand was die van Frederika Stern, een medewerkster van de Belgische communistische partij. De inhoud: partijdocumenten die achteraf in handen kwam van Moyen.

Halve tot hele speurdersloopbanen zijn opgegaan aan het zoeken naar hét wapen. Goossens’ Colt .45, weten we nu, werd in 1977 door zijn dochter in het kanaal Brussel-Charleroi gegooid. Ook het wapen is alweer een indicatie dat Goossens geen reden zag om wat dan ook te verbergen. “Hij heeft het mij nog getoond op zijn sterfbed, in het ziekenhuis in Herent”, zegt Moyen. “Hij droeg het altijd en overal bij zich, ook daar. Zijn kinderen hebben het na zijn dood gevonden onder zijn hoofdkussen.”

In Essenbeek waren er mensen die wisten dat dit niet hét moordwapen was. “Het echte moordwapen stond als een familiepronkstuk uitgestald op de schoorsteenmantel van een van de Devillés”, zegt een insider van de familie. “En het heeft daar jaren gestaan, tot een eind in de jaren tachtig. Wat er van het wapen geworden is? Niemand die het weet. Er is een inbraak geweest in de woonst van die mensen. Het wapen is gestolen. Wie weet wie er na Lahaut nog mee is vermoord. Het was een mooi wapen, het werd geregeld opgeblonken.”

Stel je voor dat morgen Jean-Marie Dedecker, Bart De Wever of Olivier Maingain werden neergekogeld voor hun woonst. Zij vertegenwoordigen een specifiek electoraat dat niet gek veel kleiner of groter is dan dat van de Belgische KP in 1950. Stel je voor dat de moord nooit werd opgehelderd. Stel je voor dat de daders daar ergens in hun dorp in een carnavalsstoet de draak mee staken. Stel je de reactie voor van de generatie na ons.

Bron » De Morgen