Publiek krijgt inzage in geheime documenten Staatsveiligheid

Ruim 100 archiefdozen vol historische documenten staan klaar bij de Staatsveiligheid om overgebracht te worden naar het Rijksarchief.

Liefst zeven kilometer archiefdocumenten zitten gestockeerd in de kelders van het hoofdkwartier van de Staatsveiligheid in Brussel. Het gaat om inlichtingendossiers, veiligheidsonderzoeken en administratie sinds 1944. Volgens de wet op de inlichtingendiensten moet de Staatsveiligheid gedeclassificeerde archiefdocumenten ouder dan 50 jaar overbrengen naar het Rijksarchief. Maar jarenlang stond de relatie tussen beide overheidsdiensten op een zeer laag pitje.

‘We hadden al meer dan tien jaar niet meer overlegd’, zegt Karel Velle, algemeen directeur van het Rijksarchief. ‘In een constructieve vergadering dit voorjaar is het vertrouwen tussen de Staatsveiligheid en het Rijksarchief eindelijk hersteld.’

Het is al van de Tweede Wereldoorlog geleden dat de Staatsveiligheid nog archiefstukken heeft overgemaakt aan het Rijksarchief. Daar zijn ze vlotter toegankelijk voor wetenschappelijk onderzoek én kan het publiek ze inzien wanneer het Rijksarchief dat opportuun acht.

‘Nu staan er opnieuw 110 archiefdozen klaar om over te brengen’, zegt woordvoerster Ingrid Van Daele van de Staatsveiligheid. ’50 dozen bevatten documenten uit de periode 1944-1949: informatie over vrijwilligers die toetraden tot het verzet, de individuele fiches en boekhoudkundige gegevens van inlichtingenagenten, informatie over hun netwerken en de boekhouding van de Staatsveiligheid in Londen.’

Die duizenden documenten zijn intussen allemaal gedeclassificeerd. Dat betekent dat de stempel vertrouwelijk/geheim/zeer geheim eraf is gehaald en je niet langer een veiligheidsmachtiging nodig hebt om ze in te kijken. De documenten zitten al klaar in zuurvrije dozen en kunnen nog voor de zomer naar het Rijksarchief verhuizen.

Het tweede luik – nog eens 50 tot 60 dozen – slaat op het archief van de Sureté Congolaise, de inlichtingendienst die actief was in de voormalige Belgische kolonie. Van Daele: ‘In de documenten vind je bijvoorbeeld gegevens over wapenbezit in Congo, of over het bezoek van koning Boudewijn aan het land. Het gaat om documenten uit de periode 1949 tot 1969. Er moet nog nagegaan worden welke documenten gedeclassificeerd kunnen worden.’

De Staatsveiligheid bezorgde het Rijksarchief ook archiefselectielijsten. Die dienen als basis voor de verdere overbrenging van archiefdocumenten, films en microfilms ouder dan vijftig jaar. Aangezien het Rijksarchief niet uitgerust is om geheime documenten te bewaren, moeten ze wel eerst gedeclassificeerd worden. Velle: ‘Dat kan nog een hele tijd in beslag nemen, want het is arbeidsintensief. Komt daarbij dat soms ook het akkoord van een derde dienst nodig is om zaken te declassificeren, en dat de archiefvorming van de Staatsveiligheid vrij complex is.’

Bron » Knack | Kristof Clerix

Kamer keurt uitbreiding bijzondere methoden inlichtingendiensten goed

De Staatsveiligheid zal binnenkort ook uitzonderlijke methodes, zoals hacking of telefoontaps, kunnen gebruiken voor het opvolgen van extremistische groeperingen of haatpredikers en voor contraspionage. De Kamer heeft vandaag het wetsontwerp goedgekeurd dat de bijzondere inlichtingenmethodes (BIM) uitbreidt. PS en cdH onthielden zich, terwijl de groenen en PVDA tegen stemden.

Het wetsontwerp van minister van Justitie Koen Geens (CD&V) en minister van Defensie Steven Vandeput (N-VA) geeft de inlichtingendiensten – de Staatsveiligheid en de ADIV, de militaire inlichtingendienst – meer slagkracht. ADIV krijgt daardoor een duidelijkere rol in de strijd tegen terreur.

Concreet zullen ze onder bepaalde voorwaarden ook bijzondere methodes kunnen gebruiken in het buitenland. Telefoontjes naar het buitenland zullen bijvoorbeeld ook afgeluisterd kunnen worden.

De inlichtingendiensten krijgen de mogelijkheid om gebruik te maken van fictieve identiteiten om hun agenten te beschermen. Er wordt een nieuwe specifieke methode ingevoerd om de inlichtingendiensten de mogelijkheid te bieden om vervoers- en reisgegevens te vorderen.

Voorts wordt het arrest van het Hof van Cassatie dat telecomproviders die in België actief zijn verplicht zijn mee te werken door het wetsontwerp wettelijk verankerd.

Kritiek

Bij de oppositie rezen vragen over de wetswijziging waardoor de inlichtingendiensten informatie pas na 50 jaar aan het Koninklijk Archief moeten overmaken. Die termijn lag al op 50 jaar voor ADIV, maar zal nu ook gelden voor de Staatsveiligheid. Momenteel geldt daar nog een periode van 30 jaar.

Stefaan Van Hecke (Groen) verwees naar het onderzoek naar de Bende van Nijvel. Door een wetswijziging verjaart dat onderzoek pas na veertig jaar. “Tel daar nog eens vijftig jaar bij en je zit aan negentig jaar. Dat is wel wat lang”, aldus Van Hecke.

Het belangrijkste probleem is voor Van Hecke dat geklassificeerde documenten al die tijd niet toegankelijk zijn voor onderzoekers. Minister van Defensie Steven Vandeput preciseerde dat dit wel het geval is, mits een veiligheidsmachtiging.

De groenen stellen daarom voor een nieuwe wet in het leven roepen die de deklassificatie regelt. Zo zou bijvoorbeeld op het moment van de opmaak van een document een termijn worden vastgelegd, afhankelijk van de graad van geheimhouding. Die zou bij het aflopen van de termijn eventueel kunnen worden verlengd.

De oppositie stelde zich ook vragen bij de mate waarin het Comité I, dat de inlichtingendiensten controleert, zijn controlefunctie met de huidige middelen zal kunnen waarmaken, eens de nieuwe methoden helemaal ingeburgerd zijn.

Bron » Het Laatste Nieuws

Un projet de loi menace la recherche historique, disent les Archives de l’État

Les Archives de l’État ont fait part à la Chambre de leurs vives inquiétudes à propos d’un projet de loi destiné à moderniser les services de renseignement. En les dispensant de transférer leurs archives, le texte met en péril l’avenir de la recherche historique en Belgique, dénoncent-elles.

La loi sur les archives prévoit que les documents d’archive de plus de 30 ans (ou de 50 ans pour le SGRS, service secret de l’armée) doivent être transférés aux Archives de l’État. Les services de renseignement jugent ces délais trop courts puisqu’ils travaillent sur le long terme et que certaines pièces conservent leur pertinence pendant une longue période. Il s’agit en outre souvent de documents classifiés que seul l’auteur peut décider de déclassifier.

Le projet de réforme de la loi organique de 1998, en discussion à la Chambre, dispense les services de renseignement du transfert aux Archives de l’État, en précisant que la consultation par le public devra être assurée aux mêmes conditions qu’aux Archives de l’État. Il ajoute que les autorités judiciaires et administratives, y compris la police, doivent restituer aux services de renseignement les documents classifiés qui émanent d’eux préalablement à leur transfert. A la demande des mêmes services, le document peut être détruit.

Dans un avis demandé par la Chambre, les Archives de l’État réclament la suppression pure et simple de ces dispositions qui heurtent frontalement, à leur yeux, la loi sur les archives. Elles évoquent des raisons techniques et administratives, et mettent aussi en garde le parlement contre les effets sur la recherche historique.

“L’impact de ce projet de loi sur l’avenir de la recherche historique est catastrophique. Les historiens devront analyser le processus des décisions administratives sur la base de dossiers très incomplets. Par le passé, des historiens ont déjà été confrontés à des problèmes liés au caractère complet ou à l’accessibilité des archives dans certains dossiers symboliques comme le dynamitage de la Tour de l’Yser, l’assassinat de Julien Lahaut, les Tueurs du Brabant, etc.”, a averti le directeur général des Archives, Karel Velle.

Une “censure organisée de l’histoire”

Les écologistes Benoît Hellings et Stefaan Van Hecke ont déposé un amendement faisant droit à la demande des Archives.

“L’instauration d’une incapacité quasi-éternelle de pouvoir consulter un fond d’archive lié à un service de renseignement belge pose un problème démocratique profond”, estiment les députés qui redoutent une “censure organisée de l’histoire”.

La mention d’une consultation des archives des services de renseignement aux mêmes conditions qu’aux Archives de l’Etat semble de peu de valeur vu l’impossibilité d’accéder même à une salle de lecture de la Sûreté ou du SGRS sans habilitation de sécurité. Quant aux échéances de 30 ou 50 ans, elles visent des dossiers clos auquel le service fixe encore un délai d’utilité.

À l’appui de leur craintes, les parlementaires invoquent le cas des archives de la Sûreté coloniale, service de renseignement des autorités coloniales belges. Elles devraient être transférées aux Archives de l’État dans le cadre du grand transfert des archives africaines entreposées au Palais d’Egmont mais la Sûreté de l’État s’y oppose pour le moment, indiquait-on mercredi aux Archives de l’État.

Bron » RTBF

Geheimen van Staatsveiligheid dreigen te vergaan

Wat kwam Staatsveiligheid te weten over de Bende van Nijvel? In de toekomst zullen onderzoekers en historici zulke vragen allicht niet of nauwelijks kunnen beantwoorden. Als het van de regering afhangt, mogen de inlichtingendiensten voortaan zelf bepalen welke informatie ze bewaren of vernietigen.

Een catastrofale impact op het geheugen van onze samenleving. Dat is de kritiek van Karel Velle, directeur van het Algemeen Rijksarchief, op het voornemen van de federale regering. Die is van plan om met een wetsontwerp de Belgische inlichtingendiensten veel meer zeggenschap te geven over hun eigen archieven.

Anders gesteld: Staatsveiligheid en de militaire inlichtingendienst ADIV zullen in de toekomst niet langer verplicht zijn om hun stukken over te brengen naar het Rijksarchief. Ze zullen ook alle eerder overgedragen geclassificeerde dossiers kunnen terugvragen en informatie naar eigen goeddunken kunnen vernietigen.

“Het stemt mij heel droevig”, zegt Velle. “Ik ben ontgoocheld dat goede voorbeelden uit het buitenland, zoals de VS of het VK, niet worden gevolgd. Het lijkt erop dat hier geclassificeerde documenten zullen terugkeren naar hun respectievelijke diensten om te vermijden dat ze ‘verloren’ zouden gaan, waardoor archieven uit elkaar gerukt kunnen worden. Ook zullen de diensten eigenhandig stukken mogen vernietigen.”

“Dreigend democratisch deficit”

Het advies van het Rijksarchief, waarover Knack eerder berichtte, liegt er niet om. Zo spreekt het archief van een “ernstig precedent” en een “dreigend democratisch deficit”. “Als dit ontwerp wet wordt, zal er geen ernstige controle meer mogelijk zijn op de werking van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, die naam waardig.”

De archieven vormen volgens de nota een noodzakelijke basis voor bijvoorbeeld historici en onderzoeksjournalisten om de werking van de inlichtingendiensten, de besluiten ervan en de impact op de maatschappij te reconstrueren.

“Historici zullen moeten analyseren op basis van zeer onvolledige dossiers. In het verleden werden zij reeds in een aantal symbooldossiers zoals de moord op Julien Lahaut (toenmalig voorzitter van de Kommunistische Partij, RA/AVDB) en de zaak rond de Bende van Nijvel geconfronteerd met problemen inzake volledigheid en toegankelijkheid van de archieven.”

Velle geeft aan dat hij “jarenlang” vergeefs heeft geprobeerd om in dialoog te treden met de regering en richt zijn hoop nu op de Kamercommissie Justitie. Die buigt zich na de herfstvakantie over het wetsontwerp. Commissielid Stefaan Van Hecke (Groen) maakt zich alvast ernstige zorgen.

“Er kunnen anders belangrijke dossiers verdwijnen, bijvoorbeeld over de Bende van Nijvel. We hebben geen enkele garantie dat zulke documenten in de toekomst er nog zullen zijn. Daarom dat wij voorstellen om de archiefkwestie uit het wetsontwerp te halen en er een apart debat over te voeren.”

Vandaag moeten Staatsveiligheid en ADIV de documenten na respectievelijk dertig en vijftig jaar overbrengen naar het Rijksarchief. Een periode die als “te kort” wordt beschouwd. Zij maken zich onder meer zorgen om de privacy van betrokken en de bescherming van hun bronnen.

Het kabinet van minister van Justitie Koen Geens (CD&V) geeft verder mee dat de rijksarchivaris toezicht blijft houden op de archieven. “Ook moet hij toestemming blijven geven over de vernietiging van archieven”, klinkt het. “Dat gebeurt niet zomaar. Het wetsontwerp waar sprake van is, gaat enkel over de plaats van bewaring. Het gaat hier om archieven die geclassificeerde documenten bevatten en die aan bepaalde veiligheidsmaatregelen moeten voldoen.”

Bron » De Morgen

Militaire inlichtingendienst wil meer naar buiten treden

De militaire inlichtingendienst ADIV zal in 2016 een eerste openbaar jaarverslag publiceren. Dat kondigt diensthoofd Eddy Testelmans aan in het jubileumboek ‘1915-2015: het verhaal van de Belgische militaire inlichtingen- en veiligheidsdienst’, dat vandaag wordt voorgesteld. MO* kon het manuscript als eerste inkijken.

Het jubileumboek – een klepper van 670 pagina’s – is het eerste wetenschappelijke werk ooit over de Belgische militaire inlichtingendienst.

“Onze honderdste verjaardag is een kans om ons beter bekend te maken bij het grote publiek”, schrijft generaal Eddy Testelmans in het voorwoord. “De wereld van inlichtingendiensten moet antwoorden op een behoefte, niet van transparantie maar veeleer van openheid.”

Eindelijk een jaarverslag

Ook “geheime” diensten kunnen een minimale mate van openheid aan de dag leggen. Onder voormalig administrateur-generaal Alain Winants publiceerde de Staatsveiligheid in 2008 haar eerste officiële jaarverslag. Ook de Nederlandse militaire inlichtingendienst MIVD publiceert al sinds 2002 een openbaar jaarverslag. Dat is zelfs een wettelijke verplichting, vastgelegd in de Nederlandse Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Volgens Testelmans is nu ook de ADIV van plan om op korte termijn – tegen 2016 – een eerste openbaar jaarverslag te publiceren. In de periode 2012-2014 stelden verschillende divisies binnen de ADIV voor het eerst een intern jaarverslag op – een geclassificeerd document dat terugblikt op de werking en prioriteiten van de divisie dat jaar.

Testelmans: “In 2015 volgt het eerste geïntegreerde interne jaarverslag van de hele ADIV, opnieuw een geclassificeerd document. Dat zal de basis vormen voor een niet-geclassificeerde versie, die in 2016 openbaar wordt gemaakt. Dat is toch de intentie. Indien de publicatie van een geschreven versie om een of andere reden niet zou lukken, stellen we de activiteiten van 2015 voor op een persconferentie.”

Eindelijk een mediabeleid

De ADIV haalt maar zelden de krantenkolommen. De voorbije twintig jaar verschenen over de inlichtingendienst amper vierhonderd artikels in Vlaamse pers. Gemiddeld twintig artikels per jaar is extreem weinig voor een dienst van de federale overheid.

Dat is deels aan de ADIV zelf te wijten. In heb jubileumboek geeft Testelmans toe dat zijn dienst tot voor kort geen mediapolitiek had. “We waren in het verleden eigenlijk altijd reactief op krantenartikels die verschenen, als we überhaupt al reageerden. We moesten ons bij wijze van spreken altijd verdedigen – indien we al van de CHOD [chief of defense, nvdr] en de minister van Defensie de toestemming kregen om te reageren.”

“Persoonlijk vind ik reactief zijn geen goede politiek. In samenspraak met de CHOD en het kabinet-Defensie hebben we besloten van mentaliteit te veranderen. De ADIV wil meer naar buiten treden. In de woorden van Alain Winants, de voormalige administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat: ‘faire savoir notre savoir-faire’. Wij willen onze dienst beter doen kennen. Wie zijn we, wat doen we, wat doen we niet? Over welke specifieke middelen beschikken we? En hoe belangrijk zijn we, niet alleen voor defensie maar ook voor België?”

De ADIV is volgens Testelmans niet van plan om proactief de media te gaan opzoeken. Bedoeling is wel om systematisch in te gaan op vragen van journalisten – mits aan een aantal modaliteiten is voldaan, zoals de mogelijkheid om de tekst na te lezen voor publicatie.

Een woordvoerder heeft de ADIV daarvoor niet – die taak neemt Testelmans zelf waar, onder meer bij gebrek aan personeel. Bovendien is het de bedoeling dat ook specialisten van de dienst – zij het anoniem – de pers te woord zullen staan.

Een werkpunt op communicatief vlak blijft een eigen website. De ADIV-informatie die voorheen op de website van defensie stond, is intussen verwijderd – inclusief de namen en contactgegevens van de Belgische militaire attachés in het buitenland. Volgens Testelmans was dat laatste een bewust keuze, ingegeven door informatica-veiligheid en veiligheid in het algemeen.

Corinne Faut, directeur-generaal Communicatie bij Defensie, kondigde op de persconferentie naar aanleiding van de honderdste verjaardag van de ADIV wel aan dat “het de wil is van de militaire inlichtingendienst om een eigen website te ontwikkelen”.

Het Congo-archief van de inlichtingendienst

Ook inzake archiefwerking wil de ADIV meer openheid aan de dag leggen. Het ADIV-archief van de periode tot 1939 is ondergebracht in het Legermuseum en is sowieso voor iedereen toegankelijk.

Het niet-operationele archief van de militaire inlichtingendienst vanaf Wereldoorlog II maakt echter deel uit van de zogenaamde Classified Archives, waar onder meer ook de historische archieven van Defensie en dossiers van officieren toe behoren. Die Classified Archives – die deel uitmaken van de ADIV – zijn ondergebracht in blok nummer 15 van de Koningin Elisabethbasis en beslaan samen vijf kilometer.

Het niet operationele ADIV-archief van na WOII is goed voor 150 strekkende meter en is volledig geclassificeerd. Kathleen Van Acker, diensthoofd van de Classified Archives, werkt momenteel aan de declassificatie van de WOII-stukken.

“Gezien ze meer dan 50 jaar oud zijn, had dat eigenlijk al moeten gebeuren, maar door personeelsgebrek is dat er niet eerder van gekomen”, aldus Van Acker in het jubileumboek. “Momenteel zijn we bezig met de opening van dat deel van het archief, dat dan voor iedereen toegankelijk wordt – al blijft de Privacywet natuurlijk nog altijd van tel.”

In een later stadium zullen volgens Van Acker ook de documenten met betrekking tot de VN-operatie in Korea (waar tussen 1950 en 1953 een Belgisch bataljon aan deelnam) en Congo gedeclassificeerd worden. Eens dat gebeurd is, worden de stukken overgemaakt aan het Legermuseum of het Algemeen Rijksarchief.

Gladio

Het jubileumboek besteedt ook ruim aandacht aan de geschiedschrijving van de ADIV. Zo brengt David Somer, archivaris bij Justitie, het portret van Florent Édouard Louwage, een politieman die tijdens beide Wereldoorlogen werkte voor de militaire geheime dienst. De voormalige ADIV-diensthoofden Paul Georis en José Michaux beschrijven dan weer hoe de militaire inlichtingendienst vrijwel onveranderd bleef in de periode na de val van de Berlijnse Muur.

Begin jaren negentig, schrijven de auteurs, werd de ADIV overigens geplaagd door ‘chronische instabiliteit’: tussen september 1991 en december 1994 werd de dienst door niet minder dan zes opeenvolgende personen geleid.

Een lacune in het historische luik van het jubileumboek is Gladio, het clandestiene achterblijvernetwerk dat in 1948 door de Amerikaanse en Britse geheime diensten werd opgezet voor het geval de Sovjetvijand ooit Europa zou binnenvallen. In heel het boek komt het woord Gladio amper twaalf keer voor.

Wel krijgt Gladio een plaats op een tentoonstelling die de ADIV in het kader van zijn honderd jarig bestaan organiseert in het Nationaal Instituut voor Veteranen en Oorlogsinvaliden in Brussel: The History of the Belgian Military intelligence Service.

Heikele thema’s

Ook een aantal actuele intelligence-uitdagingen worden in het boek besproken, waaronder cyberveiligheid, de strijd tegen terrorisme en de bescherming van het wetenschappelijk en economisch potentieel.

Bijzonder informatief is het overzicht dat Eric Kalajzic, commandant van de divisie Inlichtingen bij de ADIV, geeft over de modus operandi – van menselijke bronnen tot satellietgegevens – en de interne keuken van de inlichtingendienst. Kalajzic schrijft onder meer dat de ADIV wel op strategisch en operatief niveau erin slaagt zijn inlichtingenmissies te vervullen, maar dat voor het tactische niveau de menselijke middelen ontbreken “om aan de verwachtingen van de cliënten tegemoet te komen”.

Kalajzic gaat ook in op een bijzonder heikel thema: “Gezien de budgettaire beperkingen en de besparingsagenda die worden opgelegd aan publieke diensten, waaronder defensie, en tegelijkertijd de toegenomen vraag van de politiek naar veiligheidsevaluaties, is er misschien geen andere optie dan zich naar de private sector en gespecialiseerde bedrijven te wenden om aan de vraag te kunnen voldoen.”

Tussen de lijnen laat de inlichtingenofficier verstaan wat hij van dat privatiseringsscenario vindt. “Uiteindelijk werkt een privébedrijf voor de belangen van zijn aandeelhouders en niet voor die van de staat. Hoe kan je garanderen dat zo’n bedrijf zijn analyses niet gaat aanpassen om te kunnen blijven profiteren van het financiële manna dat het gevolg is van een conflict of spanningen?”

Het geheim van de defensieattaché ontbloot

Verhelderend is eveneens het hoofdstuk over defensieattachés, van de hand van Frederik Derolez – zelf defensieattaché op de Belgische ambassade in Tunis. “Zowel binnen Defensie, maar zeker daarbuiten, heerst een onterecht geheimzinnige sfeer rond de functie van defensieattaché en militaire raadgever”, schrijft Derolez. “Momenteel heeft België in het buitenland twee militaire raadgevers en eenentwintig defensieattachés, waarvan elf in Afrika.”

Enerzijds onderhouden ze de bilaterale relaties tussen de Belgische defensie en de defensie van het accreditatieland. Anderzijds volgen ze de toestand in het gastland op door permanent de politieke, sociale, economische en veiligheidsfactoren te observeren en de relevante informatie daarover over te maken aan de defensiestaf.

Enkele voorbeelden uit hun dagelijkse takenpakket: “het voorbereiden en organiseren van levensnoodzakelijke medische evacuaties van Belgische militairen die deel uitmaken van een klein detachement in een uithoek van één of ander Afrikaans land; het Belgische gerecht in contact brengen met lokale autoriteiten om een onderzoek te voeren betreffende in Kenia gearresteerde Belgische onderdanen die met de terreurorganisatie Al Shabaab hebben meegevochten in Somalië; etc.”

Derolez geeft eveneens een inblik in de werkwijze van de Belgische defensieattachés. “Naast regelmatige contacten met collega’s defensieattachés in het gastland en in de andere accreditatielanden, is het voor de defensieattaché vaak eenvoudig om goede relaties op te bouwen met lokale veiligheidsverantwoordelijken van andere ambassades en internationale organisaties, zoals lokale vertegenwoordigingen van de Verenigde Naties en het Rode Kruis, van bepaalde ngo’s, maar ook van grote bedrijven. Aangezien al deze mensen permanent op zoek zijn naar hetzelfde, namelijk aanduidingen die kunnen wijzen op een verandering van de algemene veiligheidstoestand, kan de defensieattaché een netwerk uitbouwen dat grotendeels buiten de normale contacten van de diplomaten van de ambassade valt.”

In principe is de functie van defensieattaché beperkt tot eenmaal in de loopbaan. Derolez vraagt zich af of dat systeem niet aan vernieuwing toe is. “Zou men, in navolging van andere landen, kunnen opteren voor de oprichting van een zogenaamd Corps van defensieattachés, die op een bepaald tijdstip in hun loopbaan, samen met hun partner, kiezen voor deze functie en na een specifieke vorming die blijven uitoefenen tot aan de op ruststelling?”

Bron »  MO | Kristof Clerix​