‘Meneer Niemand’ betaalde de bom

Bijna veertig jaar geleden beleefde Italië zijn ergste terreurdaad: de bomaanslag in het station van Bologna. Pas nu heeft het gerecht een min of meer helder beeld van opdrachtgevers en uitvoerders. Het zijn oude bekenden.

Hoeveel kost dat, een bomaanslag? Voor het bloedbad in het station van Bologna in 1980 was het budget 5 miljoen dollar. Het werd vanaf februari 1979 verzameld op een rekening in Genève bij de Zwitserse bank UBS, onder beheer van Licio Gelli. Zo staat het in een document met als titel ­‘Bologna-525779-X.S.’, dat het Italiaanse gerecht al in 1982 bij Gelli in beslag nam. Gelli was grootmeester van de dissidente loge Propaganda Due (P2), die de maçonnieke organisatievorm gebruikte om P2 als een geheim genootschap te laten opereren, met als doel een ‘democratische wedergeboorte’, zijnde een autoritaire, anticommunistische staat.

Het geld op de Zwitserse rekening voedde een reeks transacties die complex waren opgezet om zo weinig mogelijk sporen na te laten, voor het belandde bij de uitvoerders van de aanslag. Die lieten op zaterdag 2 augustus 1980, om vijf voor half elf, op het hoogtepunt van het vakantieseizoen, in de wachtzaal van het drukke Centraal Station van Bologna een met TNT en nitroglycerine gevulde koffer ontploffen. Balans: 85 doden, tweehonderd gewonden. Het was de zwaarste aanslag in Italië sinds de Tweede Wereldoorlog.

Het onderzoek verliep traag, ook omdat zichtbaar sprake was van obstructie. Toch kon het gerecht in 1995 drie daders definitief veroordelen. In 2007 kwam een vierde mededader voor de rechter en begin dit jaar nog kreeg de neofascist Gilberto Cavallini, alias ‘De Zwarte’, die al lange straffen uitzat voor moord en gewapende overvallen, levenslang. Hij had de eigenlijke daders onderdak, valse documenten en een auto bezorgd. Anderen, zoals Gelli en enkele officieren van de geheime dienst en de politie, liepen veroordelingen op omdat ze het onderzoek hadden gedwarsboomd met valse verklaringen en desinformatie (fake news zou dat vandaag heten) in de media. Opvallend: allen bleven elke betrokkenheid bij de aanslag ontkennen.

Follow the money

Dat ‘het bloedbad van Bologna’, zoals de aanslag in Italië bekendstaat, een extreemrechtse terreurdaad was, lijdt geen twijfel. Maar al ontbrak het nooit aan verdenkingen of complottheorieën, er kwam geen klaarheid over de structuur van de samenzwering. Tot vorige week. Toen maakte het parket van Bologna bekend dat het had kunnen reconstrueren hoe de aanslag was opgezet. Vanuit het principe ‘follow the money’ (‘volg het geld’), kwam het uit bij de UBS-rekening. Zo kwam de loge P2 in beeld: van daaruit vertrok het geld, van daaruit kwam dus de opdracht.

De speurders konden het leidende kwartet van P2 identificeren. Van hen is Licio Gelli de bekendste – hij stond nu eenmaal graag op het voorplan. Toch was hij, ondanks zijn titel als grootmeester, niet de spil van de loge. Dat was Umberto Ortolani, alias ‘Meneer Niemand’, een schimmige bankier die vooral in Zuid-Amerika een financieel imperium opbouwde, warme relaties onderhield met het Vaticaan en toen de grond hem thuis te warm onder de voeten werd, lang in Brazilië in ballingschap kon.

De twee andere opdrachtgevers lieten zich voor het eerst gelden tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar in tegengestelde rangen. De ene, Mario Tedeschi, vocht aan de kant van de nazi’s, de andere, Federico Umberto D’Amato, werkte voor de Amerikaanse inlichtingendienst OSS, de voorloper van de CIA. Wat ze toen al deelden, was het anticommunisme. Dat was ook wat hen bond toen ze in 1966 Rome overspoelden met de ‘Chinese posters’, die zogezegd waren aangeplakt door verstokte stalinisten. De posters zongen de lof van de Chinese Volksrepubliek. In die tijd was het net tot een breuk gekomen tussen Moskou en Peking en met de posters hoopten Tedeschi en d’Amato onmin te stichten in de uitgesproken op de Sovjet-Unie gerichte Italiaanse communistische partij PCI.

Tedeschi maakte carrière in de extreemrechtse journalistiek en politiek, onder meer als senator voor de neofascistische MSI, en was een meester in desinformatie, (zoals de ‘Chinese posters’). Ex-politiecommissaris en polyglot d’Amato was een nog invloedrijker personage. Hij leidde het ‘bureau voor vertrouwelijke aangelegenheden’ bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, dat zich vooral inliet met agitatie tegen de vakbonden en de PCI. Hij wordt gezien als verbindingsman tussen de Italiaanse staat, de Navo en de extreemrechtse scène. Hij breide een verrassend eind aan zijn carrière: als restaurantcriticus bij het centrumlinkse (!) weekblad L’Espresso.

8mm-filmpje

Voor de aanslag die ze in gedachten hadden, namen die vier contact met Paolo Bellini, militant van de neofascistische Avanguardia Nazionale (‘Nationale Voorhoede’), die ook informant was van d’Amato’s ‘bureau voor vertrouwelijke aangelegenheden’. Iemand die sterk lijkt op Bellini is ook te zien op een 8mm-filmpje dat een Duitse toerist dertien minuten voor de aanslag in het station had gedraaid. Voor het ‘handwerk’ had Bellini zich gewend tot de Nuclei Armati Rivoluzionari (‘Gewapende Revolutionaire Kernen’), een neofascistische terreurgroep: alle tot nu veroordeelde daders waren er lid van.

En de aanslag in Bologna diende ergens voor. Hij was het tragische hoogtepunt in wat bekendstaat als ‘de strategie van de spanning’ tijdens de zogeheten ‘loden jaren’ in Italië. Die begon in 1969 met een bomaanslag tegen een bank in Milaan (17 doden, 88 gekwetsten), die de politie in de schoenen van extreemlinkse anarchisten trachtte te schuiven. De terreurcampagne – die een spiegelbeeld kreeg in de terreur van ­extreemlinkse Rode Brigades – moest Italië rijp maken voor een autoritaire staat, met anticommunisme als centrale ideologie.

De context daarvan is internationaal: de Koude Oorlog, waarin de VS en de Navo Italië zagen als de ‘weke onderbuik’ van Europa: de communistische PCI haalde traditioneel veel stemmen. De ­Navo en de CIA vonden voor hun zorgen een gewillig oor bij het breed verspreide neofascisme en bij al wie niets goeds verwachtte van het communisme: politici (ook sociaaldemocraten), bankiers en zakenlui, kranteneigenaars, aristocratische nostalgici of op law and order gestelde politie- en inlichtingendiensten. En het ‘hoger belang’ gingen ze al snel zien als een vrijbrief voor politieke moord, pogingen tot staatsgreep en uiteindelijk terreur.

Berlusconiteit

Ongetwijfeld speelde ook Gladio daarin een rol, het clandestiene paramilitaire netwerk dat de Navo had opgezet om het gewapende verzet te organiseren in het geval van een Sovjet-invasie in West-Europa. Dat mocht al beginnen met verzet tegen de PCI. In zijn laatste roman, Het nulnummer (2015), heeft de schrijver Umberto Eco dat web indringend beschreven, waarbij hij vooral ‘de berlusconiteit der dingen’ uit de doeken doet: de pervertering van de democratie via mediamanipulatie (DS 21 februari 2015). Niet toevallig verwees hij zo naar de mediamagnaat en politicus Silvio Berlusconi; die was overigens al lid van P2, nog voor hij in de politiek ging.

De clandestiniteit, beschermd door het veiligheidsapparaat van de staat, creëerde echter een sfeer waarin het officiële doel ook ­privébelangen kon dienen. Dat leidde tot politiek wanbeheer en corruptie, deals met de maffia en tot financiële schandalen als het failliet van de Banco Ambrosiano (waarvan de voorzitter, P2-lid Roberto Calvi, ‘gezelfmoord’ onder een brug in Londen eindigde) en de bank van het Vaticaan.

Rond 1978 leek het gevaar het meest acuut, toen de twee grootste partijen, de christendemocratie en de PCI, zich bereid toonden om een ‘historisch compromis’ te sluiten. Zo zouden de communisten legaal aan de macht komen, vreesde rechts. Extreemlinks verweet de PCI dan weer een onvergeeflijk reformistisch verraad. Voor de neofascisten was ‘Bologna’ daarop het antwoord, georganiseerd vanuit P2, zo is sinds vorige week officieel bekend.
Alleen het klein grut heeft ervoor geboet. Van de vier opdrachtgevers heeft, ondanks tal van aanklachten, niemand ooit één dag in de gevangenis gesleten. En nu zullen ze het ook niet meer aan een rechter hoeven uit te leggen; zijn ze allen overleden.

Bron » De Standaard | Marc Reynebeau

‘Is de Bende van Nijvel verantwoordelijk voor de overval op deze kazerne in Vielsalm?’

Strafrechter op rust Walter De Smedt kijkt, na de nieuwe onthullingen over de Bende van Nijvel, opnieuw naar een overval die in 1984 plaatsvond in de kazerne Ratz in Vielsalm: ‘De overval werd altijd voorgesteld als een wapenfeit van de linkse Belgische terreur. Maar dit heeft nooit tot vervolging geleid en werd ernstig tegengesproken door andere elementen.’

Door de onthullingen over de ‘Reus’ van de Bende van Nijvel en de mogelijke betrokkenheid van de groep Diane – een speciale eenheid van de Belgische rijkswacht – is de theorie van de poging tot ontwrichting van de staat en het zaaien van paniek opnieuw een ernstige piste in het onderzoek geworden.

Maar er blijven nog vele vragen onbeantwoord. Wie maakte nog deel uit van de Bende? Wie gaf de opdrachten? Hoe ging dit alles dan precies in zijn werk?

Het dossier van de Bende van Nijvel is niet het enige dossier uit de zogenaamde loden jaren tachtig waarbij er tijdens een overval slachtoffers vielen zonder enig financieel gewin als motief.

Ook het dossier over de overval op de kazerne Ratz te Vielsalm doet aan een poging tot ontwrichting van de staat denken. De informatie die daarover publiek werd gemaakt bevat alle nodige elementen om de zoektocht naar de daders verder te zetten – plaats, datum, namen van betrokken personen en diensten. Maar wat gebeurde er met dat onderzoek?

De feiten

Op zondag 13 mei 1984 dringt, kort na middernacht, een commando de kazerne van de Ardense Jagers (een van de vier infanteriebataljons van de Landcomponent, een onderdeel van de Belgische Krijgsmacht, nvdr.) te Vielsalm binnen. Zij knippen de prikkeldraad door, zagen de tralies van een wapendepot weg, overmeesteren en knevelen milicien Pascal Moureau en schieten adjudant Carl Freches neer. Terwijl Freches ernstig gewond op de grond ligt, incasseert hij een bijkomend salvo van vier .45-kogels en wordt hij voor dood achtergelaten.

De overvallers verdwijnen met twintig FAL-geweren (licht automatisch geweer, nvdr.), vijf Vigneron-machinegeweren, drie Lee-Enfield geweren en een FALO-machinegeweer.

Als bij wonder overleeft Carl Freches de aanslag. Op 23 augustus 1985 doet de gerechtelijke politie een huiszoeking in een appartement aan de Landhuisjesstraat 73 te Ukkel. Er worden een FAL-geweer en een FALO-machinegeweer – beiden afkomstig van de diefstal in Vielsalm – aangetroffen.

De speurders vinden in het appartement ook de vingerafdrukken terug van Nathalie Ménigon, Jean-Marc Rouillan, Joëlle Aubron en Georges Cipriani, allen topfiguren van Action Directe (een Franse linkse stadsguerrillaorganisatie actief in de jaren tachtig, nvdr.). Een fragment van een andere vingerafdruk zou van de pas aangehouden Chantal Paternostre kunnen zijn.

Linkse terreur

Dit alles werd gezien als een duidelijke aanwijzing dat de daders moesten gezocht worden in de kringen van het Action Directe, de Cellules Communistes Combatantes (CCC, linkse terreurgroep die in de jaren tachtig aanslagen pleegde in België, nvdr.), of de FRAP (Front Revolutionnaire d”Action Proletarienne, een linkse terreurgroep actief in België in de jaren tachtig, nvdr.). Begin 1987 besluit het gerecht de wapendiefstal aan het CCC-dossier toe te voegen. Op 21 februari 1987 werden de leiders van Action Directe in Vitry-aux-Loges gearresteerd. Bij een huiszoeking in een boerderij daar vond de politie ook een van de wapens afkomstig van de diefstal in Vielsalm.

De overval werd altijd voorgesteld als een wapenfeit van de linkse Belgische terreur. Maar dit heeft nooit tot vervolging geleid en werd ernstig tegengesproken door andere elementen.

De andere elementen

Jean-Claude Marlair was op het moment van de overval commandant van de kazerne te Vielsalm. Hij zweeg gedurende lange tijd over wat er zondag 13 mei 1984 gebeurd is. Maar na een gesprek met zijn jeugdvriend, de ondertussen overleden bekende Franstalige onderzoeksjournalist René Haquin, gaf hij zijn versie van de gebeurtenissen.

Het verhaal van Marlair, die uit verontwaardiging zelf op zoek was gegaan naar de waarheid, laat een ander licht schijnen op de overval. Voor hem is de aanslag op de kazerne het werk van special forces uit het Belgische stay-behindnetwerk Gladio (een in 1952 gestart geheim netwerk, gesponsord door de CIA en de NAVO, om de communistische invloed te neutraliseren, nvdr.).

Marlair gaf bovendien ook namen en een reeks details die mits een onderzoek eenvoudig na te trekken zijn: ‘Alles werd op het hoofdkwartier van de Amerikaanse special forces te Londen gecentraliseerd. Een twaalftal leden werkte te Vielsalm en anderen werkten in Diekirch. Op het terrein werden gemengde Belgisch-Amerikaanse pelotons gevormd, één in het zuiden en het andere in het noorden van de provincie Luxemburg. Ieder peloton bestond uit een twintigtal Belgische commando’s en een tiental Amerikanen. Het noordelijk peloton stond onder het bevel van een luitenant van Flawinne, gecoacht door een paramilitaire verbindingsofficier en bemoederd door een partizaan die in zijn streek opereerde, Lucien Dislaire. Zij organiseerden schermutselingen en zetten valstrikken op, met de Ardense jagers achter zich.’

Ook Lucien Dislaire, door Marlair aangeduid als de partizaan van de streek, ging later aan het praten. Hij legde in een driedelige documentaire van de BBC een uitvoerige verklaring af die gelijkloopt met de onthullingen van Marlair. De vraag of hij zelf lid was van Gladio wilde hij niet beantwoorden. Hij verwees naar een artikel van René Haquin waarin vermeld werd dat hij bij zijn aanhouding in Luxemburg in het bezit was van een authentiek Belgisch diplomatiek paspoort. Dislaire voegde ook nog elementen toe aan het verhaal van Marlair. Op 9 juni 2008 herhaalt Lucien Dislaire in een open brief gericht aan Justitie en de Belgische pers alle elementen.

Bendedossier

Het was en is de vraag tot wat de gekende informatie over deze overval op de kazerne van de Ardense Jagers te Vielsalm heeft geleid. Enerzijds is er de vervolging en bestraffing van de gepleegde misdrijven an sich, maar anderzijds is er ook het mogelijk verband met de daden van de Bende van Nijvel. Is de Bende van Nijvel verantwoordelijk voor de overval op deze kazerne in Vielsalm?

Toen Martine Michel het dossier van de Bende van Nijvel overnam, werd er een team samengesteld om de verspreide dossiers samen te brengen en te inventariseren. Toen werd er één nietszeggende bladzijde over de overval te Vielsalm aangetroffen. Is die passage ondertussen al wat aangedikt?

Bron » Knack | Walter De Smedt

Wat was er nu toch eigenlijk aan de hand in die jaren 80?

Waar denkt u aan bij de jaren 80? Het antwoord in een finalevraag in een bekende quiz op een bevriende zender zou dit kunnen zijn: New Wave, U2, de Rode Duivels, E.T. en de komst van VTM. Maar het antwoord zou ook dit kunnen zijn: CCC, complottheorieën, Berlijnse Muur, Bende van Nijvel en Heizeldrama. Wat was dat nu toch met die jaren 80? Wat was er eigenlijk aan de hand? De jaren 80, voor u gefileerd in 8 schijfjes. Twee bevoorrechte getuigen, historica Els Witte (VUB) en journalist Paul Goossens, en ons archief doen de rest.

1. Een politieke en economische ruk naar rechts

Aan de vooravond van de jaren 80, op 3 april 1979, legt de christendemocraat Wilfried Martens de eed af van zijn eerste regering. De eerste van vele. De ene na de andere regering valt. De oorzaken zijn velerlei. De werkloosheidscijfers pieken, de overheidsschuld is torenhoog en de communautaire spanningen lopen hoog op.

Na de verkiezingen van 1981 besluit Martens het roer radicaal om te gooien. Samen met de liberalen neemt hij drastische maatregelen om de economie weer op het spoor te krijgen. Begin 1982 wordt de Belgische frank met 8,5 procent gedevalueerd, de automatische loonindexering wordt opgeschort en er wordt fors gesnoeid in de overheidsuitgaven.

“Dit was duidelijk een zichtbare politieke ommeslag”, zegt Els Witte. “Men grijpt ook in België naar de neoliberale oplossingen, waarbij het marktdenken centraal staat en niet langer de verzorgingsstaat. Groeiende armoede bij de meest kwetsbaren wordt zichtbaar. Vakbonden laten van zich horen en dat zint de rechterzijde uiteraard niet.”

“Het was vooral een schizofrene periode”, vult Goossens aan. “De regeringen-Martens waren enkel met het economische bezig. Dat hele gebeuren van de Bende van Nijvel, dat kluwen van overvallen speelden zich precies in een andere wereld af. Martens en zijn regering waren daar niet mee bezig. Ook de aandacht van de pers werd afgeleid naar de economische dossiers.”

2. Aanslagen versterken het repressie-apparaat

Tussen 1978 en 1995 hebben alle ministers van Justitie ook nog andere bevoegdheden. Zo is de liberale minister Jean Gol van 1981 tot 1985 ook vicepremier en minister van Institutionele Hervormingen. Later krijgt hij er ook nog Buitenlandse Handel bij. In dezelfde periode is ook de belangstelling van de politiek voor justitie fel gedaald.

Het aandeel van Justitie in de rijksbegroting bereikt onder Gol een relatief dieptepunt. Anderzijds wordt het aantal magistraten onder Gol uitgebreid. Vaak met “politieke benoemingen”, wat in die tijd helemaal niet vreemd is. Die sfeer van vriendjespolitiek leidt ook tot omkoping en smeergeld. Denk aan de Augusta-affaire bijvoorbeeld. Die barst zelf pas in de jaren 90 los, maar de omkoping zelf vindt plaats eind jaren 80.

Op Justitie heerst even paniek als in de pers verhalen verschijnen over de infiltratie van neo-nazi’s in de Staatsveiligheid. De ongerustheid neemt toch toe met de reeks bloedige overvallen van de Bende van Nijvel en de aanslagen van de extreemlinkse CCC. Het terrorisme, dat al eerder Duitsland en Italië trof, lijkt nu ook een Belgisch verschijnsel. In het justitiepaleis van Luik vindt een bomaanslag plaats op een moment dat Gol er aanwezig zou zijn. Er valt één dode. De dader is een advocaat met verwarde, extreemrechtse ideeën.

“De aanslagen hebben het repressie-apparaat heel duidelijk versterkt. De rijkswacht wordt versterkt, de begroting verhoogd, de uitrusting verbeterd,…“, aldus Witte. “Al deze maatregelen passen in de context van wat men op meerdere vlakken wel een bewogen periode in de Belgische politiek kan noemen.”

3. Is het toeval dat de CCC-kopstukken wel gepakt werden?

In 1984 en 1985 plegen de Strijdende Communistische Cellen veertien aanslagen in België. De eerste aanslag wordt gepleegd op een vestiging van het Amerikaanse bedrijf Litton in Evere.

In december 1984 wordt op vijf plaatsen tegelijk een NAVO-pijpleiding opgeblazen. In november 1985 wordt een bom in een bank in Charleroi en in de Kredietbank op het Ladeuzeplein in Leuven tot ontploffing gebracht. De Bank of America is op 4 december 1985 het laatste doelwit van de CCC.

De CCC heeft het vooral gemunt op banken en bedrijven, en wil geen menselijke slachtoffers maken. Toch kan de groep niet vermijden dat er twee brandweermannen om het leven komen en in totaal 28 mensen bij hun aanslagen gewond raken. Op 16 december 1985 worden de vier belangrijkste leden van de CCC – Bertrand Sassoye, Didier Chevolet, Pascale Vandegeerde en Pierre Carette – opgepakt als ze hamburgers zitten te eten in een Quick-fastfoodrestaurant in Namen. De vier worden op 21 oktober 1988 voor het hof van assisen in Brussel veroordeeld tot levenslang.

Voor Paul Goossens is het geen toeval dat de extreem-linkse CCC-kopstukken wel gevat werden en die van de Bende van Nijvel niet. “Dit was de prioriteit, daar stond men klaar voor. Als je de steekkaarten van de jaren 80 nakijkt, krijg je een schitterende lijst van alle mogelijke activisten.”

4. De blinde terreur van de Bende van Nijvel

De Bende van Nijvel blijft tot op de dag van vandaag een van de grote mysteries van de jaren 80. De blinde terreur begint in 1982 met een overval op een wapenhandelaar in Waver, al wordt ook een eerdere inbraak bij een kruidenier in verband gebracht met de Bende. Nadien volgen verschillende erg bloedige overvallen waarbij vooral supermarkten worden geviseerd. Opvallend is dat de buit al bij al klein is in vergelijking het buitensporige geweld dat wordt gebruikt.

Na twee bloedige jaren wordt het een tijdlang stil rond de Bende van Nijvel. Pas in het najaar van 1985 volgen nieuwe bloedige overvallen. Die overvallen worden nooit opgehelderd. Vermoedelijk is het de overvallers om de terreur te doen. Het onderzoek loopt helemaal vast. Er zijn aanwijzingen naar de betrokkenheid van rijkswachters bij de Bende, maar die worden nauwelijks opgevolgd. Ook de interne concurrentiestrijd tussen de verschillende politiediensten doet het onderzoek geen goed.

Een parlementaire onderzoekscommissie eind jaren 80 moet de geruchten over een grootschalige doofpotoperatie de kop indrukken, maar doet net het omgekeerde.

5. Overal complottheorieën: van roze balletten, tot VDB en Patrick Haemers

Dat de misdrijven van de Bende van Nijvel niet kunnen worden opgelost, doet in dit klimaat heel wat wenkbrauwen fronsen. Allerhande complottheorieën doen de ronde: zo komt zelfs koning Albert, toen nog prins, in opspraak. De prins wordt in verschillende artikels in verband gebracht met de roze balletten, vermeende geheime seksfeestjes tussen hooggeplaatsten en minderjarigen. Ook ex-premier Paul Vanden Boeynants (VDB) zou daarbij geweest zijn.

De naam van VDB valt tijdens de jaren 80 meermaals in allerlei onfrisse affaires. In 1982 wordt zijn onschendbaarheid opgeheven en enkele jaren later wordt hij veroordeeld tot 3 jaar voorwaardelijk en een geldboete wegens belastingontduiking. Wie aan VDB denkt en de jaren 80 denkt vooral aan zijn ontvoering door Patrick Haemers en zijn gelijknamige bende. Haemers is tot dan toe vooral bekend als overvaller. Hij is door zijn grote gestalte en zijn ervaring met zwaar banditisme overigens ook lange tijd een verdachte in het onderzoek naar de Bende van Nijvel, maar dat is nooit zwart op wit bewezen.

“Als je de goede contacten van Vanden Boeynants met mensen van de extreem-rechtse winkel bekijkt – zoals De Bonvoisin, Westland New Post* -, roept dat toch heel wat vragen op”, meent Goossens. “Daar zijn zo weinig duidelijke antwoorden op gekomen. Maar dat die afspraakjes er waren, dat lijdt geen enkele twijfel. Of hij de man in het spinnenweb was, dat weet ik niet.”

6. “Opgepast Voor Het Rode Gevaar”

“Het algemene politieke klimaat in de jaren 80 wordt rechtser. Neoliberaal denken vat ook post in de liberale partijen en aan de rechterzijde van de katholieke partijen”, zegt Witte. “In de Franstalige christendemocratische PSC voert de CEPIC (Centre politique des Indépendants et Cadres chrétiens) de strijd tegen de vakbonden en voor de neoliberale politiek. Deze club heeft uitlopers in de meest extreem-rechtse kringen.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de theorieën over de Bende van Nijvel vaak verwezen wordt naar een extreemrechts complot, door bijvoorbeeld Groep G, om de staat omver te werpen. Groep G is een groep extreemrechtse rijkswachters die gerekruteerd werden door het Front de la Jeunesse, een begin de jaren 80 verboden extreemrechte groepering. Na de ontbinding van dat Front zou de harde kern rond Paul Latinus Westland New Post (WNP) hebben opgericht. WNP wil mogelijke communistische infiltratie binnen officiële instanties bestrijden. De groep wordt opgeheven na de dood -volgens sommigen moord op- van Latinus.

Ook Gladio wordt genoemd in verband met de Bende. Het gaat om een geheim netwerk dat in de jaren 50 is opgericht door de militaire inlichtingendienst en de staatsveiligheid om verzet te kunnen bieden tegen de Sovjets in het geval die ooit België zouden bezetten. Een verband tussen Gladio, extreemrechts, terreur en de Bende is nooit bewezen.

“Het hele strategische denken in West-Europa werd bepaald door de overkant van het IJzeren Gordijn”, vult Paul Goossens aan. “Bij alle veiligheidsdiensten en in de politieke klasse was het wachtwoord ‘Opgepast Voor Het Rode Gevaar’. In functie daarvan werden in de openbaarheid en onder de radar initiatieven genomen en activiteiten gepland die dat als grote doel hadden. Er was een eendimensionale belangstelling van de veiligheid voor links activisme. Daardoor werd extreem-rechts in de politiediensten gedoogd en als loyale medewerkers beschouwd.”

7. Raketten brengen honderdduizenden mensen op straat

In de jaren 80 woedt de Koude Oorlog nog volop en is er nog een echte wapenwedloop tussen Oost en West. Als reactie op de plaatsing van Russische SS20-raketten in Centraal-Europa neemt de NAVO in 1979 het zogenoemde dubbelbesluit. Enerzijds worden 464 kruisraketten voor de middellange afstand en 108 Pershing II-raketten voor de korte afstand geplaatst in een aantal West-Europese landen, met tegelijkertijd een aanbod aan het Oostblok om te onderhandelen over wapenvermindering. Al die raketten kunnen worden uitgerust met kernkoppen.

Het besluit om al die kernraketten in Europa te installeren, leidt in alle betrokken landen tot massabetogingen. In ons land bereikt het protest zijn climax op de antirakettenbetoging van 23 oktober 1983. Hoeveel betogers er zijn, is niet exact vast te stellen, maar onder meer uit het aantal verkochte treinkaartjes en het aantal bussen dat is afgehuurd, kan worden afgeleid dat het er zo’n 400.000 waren. Ondanks al het protest beslist de regering-Martens om toch kruisraketten te plaatsen. Er komen er 20 op de vliegbasis in Florennes.

“De rechterzijde voelt zich vooral geviseerd op het terrein van de Koude Oorlog”, aldus Witte. “In deze tweede Koude Oorlog speelt wederzijdse afschrikking voor een atoomoorlog in de strategie de hoofdrol. België neemt in die tweede Koude Oorlog een bijzondere plaats in: het behoort dan al tot de hardcore van Europa.”

8. De zwartste dag uit de Belgische voetbalgeschiedenis

29 mei 1985 is wellicht de zwartste dag uit de vaderlandse voetbalgeschiedenis. Bij rellen voor de Europacupfinale tussen Liverpool en Juventus op de Heizel in Brussel komen tientallen mensen om het leven. De organisatoren maken een fout door de Italiaanse en Britse voetbalsupporters naast elkaar te zetten. Aangeschoten Britten gooien nog voor de aftrap met stenen naar de Italianen en chargeren. Door de druk van de mensenmassa stort een muur in en vallen mensen naar beneden. Bij de paniek die uitbreekt, worden tientallen mensen vertrappeld.

De ordediensten kunnen nauwelijks iets doen. Toegesnelde hulpdiensten zouden overigens zelf zijn bekogeld door de hooligans. Uiteindelijk vallen 39 doden en honderden gewonden. De slechte staat van het stadion en de ongecoördineerde aanpak van de rijkswacht en de politie worden met de vinger gewezen. Later worden stadions verplicht om onder meer een rampenplan te voorzien bij dergelijke wedstrijden. Het Heizelstadion wordt verbouwd en omgedoopt tot Koning Boudewijnstadion. Toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Charles-Ferdinand Nothomb weigert ontslag te nemen, wat heel wat ophef veroorzaakt.

9. De jaren 80 eindigen in de jaren 90

Eind 1989 valt de muur van Berlijn: het is het begin van het einde van de Koude Oorlog. Met het IJzeren Gordijn verdwijnt ook de tegenstelling tussen West en Oost én de focus op ‘Het Rode Gevaar’. Ook extreemrechts komt zeker na Zwarte Zondag in 1991 meer in beeld.

De meeste eerder genoemde zaken die tijdens de jaren 80 ontsporen, bereiken samen halfweg jaren 90 een climax als de zaak-Dutroux losbarst. Alles wat foutloopt in Justitie en in de gebrekkige samenwerking tussen de politiediensten culmineert.

Het enorme wantrouwen van de bevolking in de instellingen bereikt zijn hoogtepunt in de Witte Mars als naar schatting 300.000 mensen op straat komen voor betere bescherming van kinderen én een beter functionerend gerecht.

Bron » VRT Nieuws

De loden jaren 80

De vele verhalen over de Bende van Nijvel laten zich lezen als de puzzelstukken die samen de jaren 1980 vorm geven. Een handleiding bij een weinig opwekkende Belgische puzzel.

Malgoverno

In de jaren tachtig was een Belgische regering nooit een lang leven beschoren. Tussen het voorjaar van 1979 en het najaar van 1991 kende het land tien regeringen, de meeste geleid door de christendemocraat Wilfried Martens. Een moeizame staatshervorming (1980, 1988), die al meteen ter discussie stond, de oplopende overheidsschuld en de blijvend hoge werkloosheid droegen bij tot het gevoel dat het land politiek en economisch vierkant draaide. De devaluatie van de Belgische frank (1982) was er een teken van. In grote betogingen protesteerden de vakbonden tegen de besparingspolitiek van de regering, de vredesbeweging organiseerde een breed verzet tegen het bij de bevolking erg onpopulaire Navo-besluit om ook in België Amerikaanse nucleaire raketten te bewaren.

Dat na het Heizeldrama (1985, 39 doden) geen enkele minister politieke gevolgen trok uit de gebreken in de ordehandhaving, die toen aan het licht kwamen, versterkte niet alleen de indruk dat de politiek in een malgoverno verzonk, maar ook dat politici weigerden om er de verantwoordelijkheid voor op te nemen. Het wankele politieke klimaat ondermijnde het vertrouwen van burgers in de politiek en in de efficiëntie van de staatsinstellingen – wat de bereidheid om complottheorieën te geloven alleen kon verhogen.

Rijkswacht

Het aanpakken van zware criminaliteit was een opdracht voor de militair georganiseerde rijkswacht en haar Bewakings- en Opsporingsbrigades (BOB). Voor het zware werk was er een elite-eenheid, de Groep Diane, later het Speciaal Interventie-escadron (SIE). Van een heldere afbakening van taken en bevoegdheden met de gerechtelijke politie (GP) (of zelfs met de Staatsveiligheid) was amper sprake.

In de rijkswacht zouden de extreemrechtse sympathisanten zich hebben verenigd in een zogeheten Groep G. De rijkswachttop was ervan op de hoogte, maar sanctioneerde de leden nooit

Dat leidde tot rivaliteiten, een gebrek aan coördinatie en aan onderlinge communicatie en soms zelfs tot regelrechte tegenwerking. Aan die ‘politieoorlog’ kwam pas een einde nadat de nefaste invloed ervan nogmaals duidelijk was geworden in de zaak-Dutroux. De politiehervorming van 2001 leidde tot de oprichting van een federale politie, waarbij de rijkswacht werd opgeheven en de BOB fuseerde met de GP.

Extreemrechts complot

De raadselachtige en moorddadige overvallen van de Bende van Nijvel deden snel tal van complottheorieën ontstaan. Ze zouden passen in een strategie van de spanning in die loden jaren. Extreemrechtse organisaties zouden terreur organiseren met gelijkgestemden in de politie of bij veiligheids- en inlichtingendiensten en in de politiek om het publiek angst aan te jagen en rijp te maken voor een autoritair regime.

In die context zouden de overvallen van de Bende niets met misdadigheid, maar alles met terreur te maken hebben gehad. In de jaren zeventig deden al geruchten de ronde over nog verdergaande plannen, waarbij hoge officieren plannen maakten voor een extreemrechtse militaire staatsgreep. Van de namen die toen werden genoemd, zouden meerdere weer opduiken in de hypothesen rond de Bende, wat de indruk versterkte dat het ene in het verlengde lag van het andere.

Gladio

In de jaren 1990 zou het bestaan bekend worden van zogeheten stay-behind-groepen, een breedvertakt anticommunistisch netwerk dat vooral bekend is als Gladio. Deze paramilitaire organisaties waren opgezet in een Navo-context en werkten onder controle van de veiligheidsdiensten (ook in België) om in het geval van een Sovjet-Russische invasie het verzet te organiseren. Ze beschikten over clandestiene wapen- en munitieopslagplaatsen. In meerdere landen, onder andere in Frankrijk en Luxemburg, zetten ze in de jaren 1980 de organisatie en haar middelen in voor extreemrechtse terreur.

Golf GTI

In de jaren tachtig zouden de Belgische politiediensten, aldus politiek rechts, niet over voldoende middelen of het gepaste materiaal beschikken om het efficiënt op te nemen tegen de grote dreigingen van de tijd: banditisme, maar ook eventuele politieke subversie en communistische agitatie. Een symbool daarvan was de toen nieuwe, kleine, snelle en vinnige Volkswagen Golf GTI. De Bende van Nijvel maakte er graag gebruik van; daartegen waren de klassieke politiecombi’s of de rijkswacht-R4’tjes niet opgewassen. Als, in de complottheorie, een extreemrechtse machtsovername niet lukte, dan zou een betere uitrusting van de rijkswacht – de Golfjes inbegrepen – een geschikt plan B zijn geweest.

CCC

Op het hoogtepunt van de overvallen van de Bende van Nijvel sloeg ook de extreemlinkse terreur toe. De Cellules Communistes Combattantes (CCC) pleegden in 1984-85 ruim een dozijn bomaanslagen op doelwitten die ze op hun symboolwaarde hadden geselecteerd. Daarbij vielen twee doden. De groep, die geen half dozijn leden telde, werd snel opgedoekt. De CCC pasten zozeer bij de maatschappelijke en politieke destabilisering van de tijd dat al snel de theorie opdook dat ook deze terreurgroep was gemanipuleerd door (buitenlandse?) veiligheidsdiensten.

Paul Vanden Boeynants

In de vele, nooit bewezen theo­rieën over een extreemrechtse machtsgreep in België, direct via een coup of indirect, met een carambole via de terreur à la Bende van Nijvel, dook geregeld de naam op van Paul Vanden Boeynants. Deze flamboyante Brusselse christendemocratische politicus (1919-2003) was een sterkhouder van het Belgische unitarisme. ‘VdB’ diende zelfs even als (interim)premier, maar maakte vooral naam als minister van Defensie, wat hij acht jaar lang bleef. Als zijn carrière toch in mineur eindigde, had politiek extremisme daar niets mee te maken, wel zijn veroordeling wegens fiscale fraude.

CEPIC

‘Fatsoenlijk’ rechts en het rechts-radicalisme vonden een snijpunt in onder meer het Cepic (Centre Politique des Indépendants et Cadres Chrétiens). Deze drukkingsgroep in de christendemocratische partij PSC was het politieke vehikel waarmee vooral Paul Vanden Boeynants een tegengewicht wilde vormen voor de invloed van de christelijke vakbond in de partij. De kleurrijke baron ­Benoît de Bonvoisin speelde er een belangrijke rol.

Als deze organisatie – die ideologisch niet te vergelijken valt met analoge verenigingen in Vlaanderen – in het dossier van de Bende opduikt, komt het doordat ze volgens de complottheorieën ook als schakel zou hebben gediend (om contacten te organiseren en financiële middelen te versassen) tussen onder meer sympathiserende rijkswachters en (doorgaans vrij marginale) extreemrechtse organisaties als de NEM-clubs, Forces Nouvelles, het Front de la Jeunesse of Westland New Post. Ook schietclubs, de zogeheten practical shooting clubs, zouden hebben gediend als plek waar rijkswachters en extreemrechtse militanten elkaar ontmoetten.

Groep G

In de rijkswacht zouden de extreemrechtse sympathisanten zich hebben verenigd in een zogeheten Groep G. In deze context duiken de namen op van rijkswachters als Madani Bouhouche, Robert Beijer en Christian Amory. Vanuit deze vrij informele organisatie, waarover overigens maar weinig details bekend zijn, zouden ze contacten hebben onderhouden met onder meer de bevriende schietclubs, extreemrechtse organisaties, gevestigde politici, of gelijkgezinde figuren in het justitiële milieu, zoals Jean Bultot, adjunct-directeur van de gevangenis van Sint-Gillis. De rijkswachttop was op de hoogte van het bestaan van deze groep, maar sanctioneerde de leden nooit.

Roze balletten

Tot de wat ranzige politieke folklore uit de jaren zeventig en tachtig behoren de zogeheten roze balletten, seksfeestjes waaraan vooral leden van de Brusselse beau monde deelnamen. Het bestaan ervan kwam aan het licht bij een verder vrij banale, uit de hand gelopen echtscheiding (het dossier-Pinon). Het kreeg een betekenis voor de Bende van Nijvel (maar ook in tal van andere complottheorieën), omdat extreemrechtse militanten, zoals Jean Bultot, het dossier-Pinon zouden hebben ingezet om politici te chanteren.

Het delicate eraan was dat er minderjarigen bij betrokken zouden zijn geweest. Dat laatste geldt ook voor een ander omstreden dossier uit die tijd, de verkoop aan het Saudische leger van een medisch complex, dat pas tot een ‘goed’ einde kwam met de inzet van smeergeld en van callgirls, onder wie misschien minderjarigen.

Bizar genoeg dook een tiental jaar geleden op het internet een filmpje op van zo’n seksfeestje, waarop kenners onder anderen Jean Bultot herkennen. Het voldoet nagenoeg geheel aan eerdere beschrijvingen van de confituur-orgieën die de roze balletten hun kleur hebben gegeven. De amper geverifieerde verhalen errond speelden ook een grote rol in de theorieën die de roze balletten opnieuw lieten opduiken in de zaak-Dutroux, waarbij ook ‘hooggeplaatsten’ direct betrokken zouden zijn geweest.

Bron » De Standaard

Het bendedossier of de ontwrichting van de staat

“Ik denk dat ik weet wie er achter de Bende Van Nijvel zit (…) We moeten zeker en vast zoeken in de richting van Staatsveiligheid van die tijd en de Groep Diane. Dan ook terrorisme. Mensen die liever in de samenleving dictatuur hebben en die liever hebben dat het anders is dan de democratie die we kennen.”

Aldus Jef Vermassen aan TV Oost in een interview naar aanleiding van zijn nieuwe boek. “Het is een vervlechting van criminele milieus en van administraties van toen. Ik vermoed dat de namen in het dossier gekend zijn, maar dat dat potje dicht moet gehouden worden.”

Verlengd geheim

Wie de waarheid over de bendeaanslagen wil weten, moet vooral niet op het gerechtelijk onderzoek rekenen. Wat daar in staat is immers geheim, en dit geheim werd door het verlengen van de verjaringstermijn van de feiten ook verlengd: een gerechtelijk onderzoek kan de beste plaats zijn om een geheim te bewaren. Want er is een krachtig wapen om dit geheim te verzekeren: wie uit de biecht klapt kan er voor vervolgd worden, en zopas werd de strafbaarheid van dit misdrijf opgetrokken tot drie jaar en werd het toegelaten om voor het onderzoek van het misdrijf ‘Bijzondere Methoden’ te gebruiken.

Dat de geheimhouding van een gerechtelijk vooronderzoek niet dient om disfuncties en misdaden verborgen te houden, maakt niets uit. Het ‘chilling effect’ van de strafverzwaring heeft zijn doel bereikt: wie van de in het onderzoek betrokken magistraten of politieambtenaren heeft zin om vervolgd te worden omdat hij de waarheid lekt? De vervolging en betuchtiging van een Antwerpse financiële substituut die door een arrest van het Grondwettelijk Hof volkomen gelijk kreeg, strekt tot voorbeeld.

Andere wegen

Wie meer wil weten over wat er ook in ons land tijdens ‘de jaren van lood’ gebeurde, vindt op het net voldoende literatuur om er een waarheidsgetrouw beeld van te krijgen. Op Apache schreef ik er drie bijdragen over: ‘Tien jaar extra onderzoek: voor de waarheid over de Bende?’, ‘De machinaties achter het ultieme spoor richting Bende van Nijvel’ en ‘De naoorlogse waarheid’.

De rode draad doorheen deze bijdragen is ingegeven door wat ‘de theorie van de spanning, de ontwrichting van de Staat’ wordt genoemd. Deze theorie gaat terug naar een nota van generaal Westmoreland, van 1968 tot 1972 bevelhebber van het Amerikaanse leger, die tijdens het onderzoek naar de aanslagen in Italië werd gevonden.

Ook de Belgische parlementaire onderzoekscommissie heeft de nota Westmoreland onderzocht: “In punt 11 van ‘de nota Westmoreland’ wordt aangeraden over te gaan tot rechtstreekse interventies van de agents on special operations in de gastlanden die ervan verdacht worden al te laks op te treden tegen het communisme of de subversie van communistische oorsprong; die interventies hebben tot doel de regeringen en de publieke opinie van die landen te overtuigen dat het gevaar reëel is dat krachtdadig optreden dringend geboden is”.

“De Commissie heeft het noodzakelijk geoordeeld deze toelichting te verstrekken omdat zij kan bijdragen tot een beter begrip van een aantal gebeurtenissen ook al kan niet met zekerheid worden gesteld dat er enig verband is tussen die gebeurtenissen en de anti-subversieve strategie van de Verenigde Staten.” (zie: Parlementair onderzoek met betrekking tot het bestaan van een clandestien internationaal internationaal inlichtingennetwerk – Belgische Senaat 1117-4 (1990-1991)).

Ontwrichting

Het gebruik van geweld is maar één middel om de staat te ontwrichten. Dat het ook anders kan wordt duidelijk aangetoond door het lopende parlementair onderzoek op de afkoopwet, de Kazachgate. Niemand kan ontkennen dat door de wijze waarop de afkoopwet werd voorbereid en uitgevoerd de werking van onze instellingen tot op het hoogste niveau ernstig werd aangetast. Dat gebeurde enerzijds om een verkoop van Franse gevechtshelikopters mogelijk te maken en anderzijds om mega fraude in de diamant onbestraft te laten.

Om het doel te bereiken, werden niet alleen hoogstaande politiekers ingeschakeld maar werd ook beroep gedaan op hoge magistraten: zonder de tussenkomst van die magistraten was de wet er vermoedelijk niet gekomen en was die voor zeker niet toegepast nog voor ze werd gestemd. Meerdere elementen van dit dossier vertonen op uitzondering van de afwezigheid van geweld gelijkenissen met de andere dossiers uit het verleden.

Voordeel

A qui profite le crime? Het antwoord ligt in de waarschuwing die een andere Amerikaanse generaal, president Eisenhouwer, in zijn afscheidsrede gaf: “In the councils of government, we must guard against the acquisition of unwarranted influence, whether sought or unsought, by the military-industrial complex. The potential for the disastrous rise of misplaced power exists and will persist.”

Wat is een verkoop van gevechtshelikopters anders? En diamant dient lang niet alleen om er een ring mee te sieren. Voor wie werd de afkoopwet gemaakt? Het is de copy paste van wat de Amerikaanse justitieminister Holder in de financiële crisis kon bereiken: eerst was hij als vennoot van een groot zakenkantoor betrokken bij de maak van de rommelkredieten, vervolgens kon hij als justitieminister de banken die er verantwoordelijk voor waren uit de wind zetten door mega deals die nooit tot voor een rechter kwamen.

Beter begrip

De parlementaire Gladio commissie verwees naar de theorie ontwrichting van de staat “omdat zij kan bijdragen tot een beter begrip van een aantal gebeurtenissen ook al kan niet met zekerheid worden gesteld dat er enig verband is tussen die gebeurtenissen en de anti-subversieve strategie van de Verenigde Staten”.

Voor een beter begrip van wat er nu gebeurt is het nuttig te wijzen op de rol die justitie en voornamelijk het strafgerecht kan spelen in ofwel het in stand houden van een bepaald maatschappijbeeld ofwel in het nastreven van een geheel andere maatschappelijke ordening. Bovendien is het niet de eerste maal dat deze vraag aan bod komt: het maakt de essentie uit van de boeken die over de moord op de communistenleider Julien Lahaut werden geschreven.

Het nu gepubliceerde boek heeft grote waarde niet alleen wegens het eerste deel van de titel, ‘Wie heeft Lahaut vermoord?’, maar ook wegens het tweede deel: ‘De geheime Koude Oorlog in België’.

Het boek brengt het op grond van wetenschappelijk onderzoek verkregen en dus op archiefstukken gesteunde bewijs van het bestaan in ons land van een naoorlogs, geheim parallel en privé inlichtingen netwerk, gefinancierd door de haute finance, de Société Générale en haar filiaal Union Minière en Brufina – Banque de Bruxelles, met medewerking van agenten in verschillende overheidsdiensten als politie en inlichtingendiensten en zelfs het gerecht, bindingen met de hiërarchie in de katholieke kerk en met correspondenten, opdrachtgevers en bestemmelingen van de rapporten tot op het hoogste echelon van het politiek beleid.

Het boek toont ook aan dat de verschillende onderzoeksrechters die de zaak Lahaut behandelden hun onderzoek behoorlijk en actief hebben verder gezet maar er zowel bij de gerechtelijke politie als bij het parket als in het hoogste politiek beleid tegenstand was die tot gevolg had dat belangrijke informatie niet tot bij de onderzoeksrechter geraakte en daardoor de ontdekking van de gerechtelijke waarheid werd verhinderd. Het boek toont ook dat de activiteiten van het netwerk zich niet beperkten tot informatie inwinning en -verwerking maar er ook operaties werden gevoerd die niet alleen in België maar evenzeer in de kolonie werden uitgebouwd.

Vervolgen en onderzoeken

In het licht van het Gladio en het Bendededossier en met de revelaties van het wetenschappelijk onderzoek over de moord op Julien Lahaut in het achterhoofd mag de vraag worden gesteld door welk “strafrechtelijk systeem” de waarheid het best wordt gediend vooral wanneer het om gebeurtenissen gaat die een onmiddellijke weerslag hebben op het maatschappijbeeld: de sterke Staat als vertegenwoordiger van het militair-industrieel, en nu ook het technologisch complex, tegenover dat van de individuele burger en de door hem verworven rechten.

Aan de ene kant staat het systeem zoals het uit de Franse Revolutie en de door deze geproclameerde mensenrechten is gekomen. Aanvankelijk was het vooronderzoek als het onderzoek op de zitting als het eindoordeel, in handen van het volk, van de door burger gekozen assisenjury. Hoewel deze procedure in de rest van de wereld de standaardprocedure is gebleven (Angelsaksische opvatting) ging de overgang van de Revolutie naar het Keizerschap in Frankrijk, en dus ook bij ons, gepaard met enkele belangrijke aanpassingen. ‘Les Gens du Roi’, de ‘Procureurs de la République’ verkregen opnieuw de plicht om te vervolgen, ‘Les Gens d’armes’ vertegenwoordigden tezamen met de ‘Gouverneurs’ de sterke arm van het centraal gezag. Als tegengewicht werd het onderzoeksmonopolie aan de onderzoeksrechter gegeven en moest ieder strafproces openbaar en tegensprekelijk voor een onafhankelijke en een onpartijdige strafrechter worden gevoerd.

Hoewel wat wij van Keizer Napoleon hebben geërfd twee wereldoorlogen heeft overleefd is de laatste kwarteeuw het ‘systeem’ stelselmatig en gevoelig aangepast. Vooreerst verkregen ‘Les Gens d’armes’ een eigen verzelfstandigde opsporingsvorm: de politieoperatie al of niet met bijzondere methoden, onder eigen bevel. Daarna werd de opsporing door de procureur de meest gebruikte onderzoeksvorm en werd het onderzoek door de onderzoeksrechter herleid tot mini-enquêtes of enkele machtiging tot welbepaalde verrichtingen.

Deze evolutie is de verschillende parlementaire commissies niet ontgaan. In de bendeonderzoeken werd aangetoond dat het parket een overmatige invloed had op de onderzoekspistes en de onderzoekstrategie. In het Dutrouxonderzoek werd bewezen dat de politieoperaties Othello en Décimes voor de onderzoeksrechter werden afgeschermd. Door de afkoopwet werd ook de strafrechter geheel buiten de procedure gezet: een opportuniteitsbeslissing van de procureur verving het rechterlijk vonnis. De assisenprocedure werd vervolgens herleid tot enkele symbolische dossiers. En nu is ook de afschaffing van de onderzoeksrechter in de maak.

Maatschappijbeeld

Dit is niet meer de justitie voor en door de burger, maar de ontwrichting van de democratische rechtsstaat ten voordele van het militair-industrieel-technologisch complex
De wijzigingen in de strafrechtelijke afhandeling, gaan ook gepaard met ernstige wijzigingen in het maatschappijbeeld. De afkoopwet is de uiting van het recht van de ‘wakkere’ en een aantasting van het recht van de ‘zwakkere’: de andere verworvenheid van de naoorlogse periode, de ‘Welvaarstaat’ was niet enkel bedoeld voor de grote fortuinen die nu hun schuld en boete kunnen afkopen. Als nu de burger ook het recht verliest om zelf de vervolging in te stellen, wat de volgende stap in de hervorming uitmaakt, is na de rechter ook de burger uit ‘zijn’ procedure gezet.

Wie het allemaal bedacht heeft, van waar het ook komt, hoeft zelfs geen bekommernis te zijn: het resultaat is hetzelfde. De hervormingen in de strafprocedure hebben niet alleen een grondige wijziging gebracht in strafrechtelijke afhandeling, ook het maatschappijbeeld is er grondig door gewijzigd. Dit is niet meer de justitie voor en door de burger, maar de ontwrichting van de democratische rechtsstaat ten voordele van het militair-industrieel-technologisch complex, het gevaar waarvoor president Eisenhouwer waarschuwde.

Bron » Apache | Walter De Smedt

Un lien entre l’affaire de Vielsalm et les attentats?

Des “petits gangsters” seraient responsables de l’attaque de Vielsalm, dit un mercenaire, qui tient par ailleurs beaucoup de propos contradictoires. Revoilà l’affaire Bommeleeër. Plus précisément l’existence éventuelle d’un lien entre l’affaire de la caserne de Vielsalm en 1984 et les attentats au Luxembourg.

Le mercenaire belge Lucien Dislaire a dit mercredi dans le Wort, que Vielsalm aurait été une affaire de petits gangsters. C’est un truand français, qui aurait ouvert le feu là, et l’aurait avoué plus tard à Dislaire.

Nico Graf n’est pas convaincu par ses propos.

Lucien Dislaire est donc de retour. Celui qui s’était présenté en mai 2014 au procès Bommeleeër en arborant un t-shirt sur lequel figurait l’inscription Mercenary 1960. Sous-entendu : moi, Dislaire, j’étais mercenaire katangais dans les années 60 au Congo. A l’époque, un putsch avait été mené contre la République du Congo et les fameux mercenaires katangais étaient du côté des putschistes, qui défendaient les intérêts belges, et qui avaient été payés pour cela. Dislaire s’était ainsi présenté au procès comme témoin rémunéré, avant d’avoir dit un mot.

Il dit aujourd’hui que l’attaque à la caserne de Vielsalm en 1984, où un sous-officier avait été grièvement blessé, aurait été menée par des petits gangsters. L’un d’entre eux le lui aurait avoué. Le problème est que l’homme qui lui aurait confié cela, est mort. Voilà qui est bien pratique.

Il y a toujours eu trois théories à propos de l’attaque de Vielsalm : celle du petit banditisme, celle des Cellules Communistes Combattantes (CCC) et celles des manoeuvres de l’OTAN dans l’Oesling en 1984, qui auraient dérapé. Et cela aurait été un événement précurseur des attentats à la bombe au Luxembourg.

Au cours du procès, il avait été demandé à Dislaire si Vielsalm avait quelque-chose à voir avec l’affaire Bommeleeër. Il avait tourné autour du pot avant de finalement déclarer qu’il n’y aurait aucun lien. Il avait pourtant dit dans les couloirs du tribunal, qu’il avait circulé en tant que civil de l’OTAN, avec des Luxembourgeois. Quand quelqu’un avait conduit le week-end, les commandants à la frontière, c’était bien parce qu’ils voulaient passer le week-end à leur domicile. “Les jeunes de Diekirch” les avait-il appelés et à son avis, ils auraient dû aussi être entendus lors du procès Bommeleeër.

Des Luxembourgeois dans le contexte de Vielsam donc, quelques mois seulement avant que la première bombe explose au pylône de Beidweiler. Et alors qu’un pylône avait été attaqué à 15 kilomètres de Vielsam pendant des manoeuvres.

L’ancien mercenaire belge au Katanga livre donc un message très contradictoire sur une éventuelle participation militaire aux attentats. L’avocate de la Défense, Lydie Lorang suivrait volontiers la piste militaire, la piste Yankee, en ce qui concerne les Bommeleeër. Dislaire s’était demandé qui c’était et comment on n’avait jamais enquêté là-dessus. Une question que se pose aussi l’avocate. Surtout quand on sait que Monsieur Harpes avait à l’époque retiré cette piste des enquêtes, alors que Lucien Dislaire avait dit qu’ils avaient été entraînés à Vielsalm et qu’ils avaient continué à le faire chez eux.

Il reste que Lucien Dislaire est un homme qui a travaillé sur commande, comme mercenaire, et qu’il en a le langage. Quand il parle aujourd’hui de petits gangsters à Vielsalm, il faut réfléchir de quoi il veut détourner notre attention.

Bron » RTL

Vielsalm: le mystère de l’attaque de la caserne élucidé?

Lucien Dislaire révèle l’identité de l’auteur des coups de feu et relance la piste du banditisme.

L’enquête sur l’attaque de la caserne Ratz à Vielsalm, dans la nuit du 12 au 13 mai 1984, n’a jamais abouti. Plus de trente ans après les faits, aujourd’hui prescrits, Lucien Dislaire, qui fut inculpé de tentative d’assassinat sur la personne de Carl Fresches, le sous-officier de garde, revient sur cette affaire qui lui a porté préjudice.

“Dans le cadre de ces manœuvres interalliées Oesling , j’avais accepté le rôle de partisan par civisme”, rappelle-t-il. “L’enquête s’est clôturée par un non-lieu, mais tant que l’auteur n’a pas été identifié, je reste, dans l’opinion publique, le coupable.”

Il précise qu’il a eu accès au dossier et mené sa propre enquête notamment en France. Il est arrivé à la conclusion que deux hommes, un Belge et un Français, ont attaqué l’armurerie et volé une vingtaine d’armes, laissant pour mort Carl Fresches. “Ils savaient que l’opération Oesling venait d’être annulée. Durant la nuit, ils sont arrivés en jeep et ont pénétré dans la caserne, par l’arrière. Après le vol des armes, Carl Fresches s’est trouvé sur leur chemin. L’un d’eux a ouvert le feu.”

Selon Lucien Dislaire, l’auteur des coups de feu est Jean-Pierre Jourda, 55 ans, un truand français. “Je l’ai rencontré près de Paris et il m’a avoué avoir tiré sur Fresches pour l’empêcher de donner l’alerte.”

Il explique, par ailleurs, qu’il révèle son identité aujourd’hui car il n’est plus de ce monde. Incarcéré depuis septembre 2015 pour avoir séquestré pendant deux mois, en Espagne, un homme d’affaires toulousain pour lui extorquer de l’argent, il a, en effet, mis fin à ses jours à la prison de Gradignan. Le commando dont il faisait partie avait d’abord attaqué en mai 2015 une armurerie à Carmaux.

Le procureur du Roi honoraire, Michèle Mons delle Roche, qui à l’époque était juge d’instruction à Marche-en-Famenne, se souvient avoir rencontré Jean-Pierre Jourda et son comparse. “Il a été auditionné mais ne figurait pas parmi les suspects”, souligne-t-elle. “Il n’a pas été inculpé. Je continue à privilégier la piste des Cellules communistes combattantes. En effet, des armes volées à Vielsalm ont été retrouvées dans les planques des CCC et d’Action Directe en France, ce qui, à mon sens, écarte d’office la piste des petits truands.”

Bron » La Dernière Heure

Na 45 jaar stilzwijgen mag deze man eindelijk zijn geheim openbaren

Van 1950 tot 1990 was in België een ultrageheim netwerk actief van professionele spionnen en burgers die zich voorbereidden op de dag dat de Sovjetvijand Europa zou binnenvallen. In het grootste geheim oefenden ze onder meer evacuatie- en communicatietechnieken. Een kwarteeuw na het opdoeken van dat zogenaamde achterblijvernetwerk treedt een van de spilfiguren uit de schaduw. Met toestemming van de militaire inlichtingendienst ADIV doorbreekt Roger Durez na 45 jaar strikte geheimhouding eindelijk de stilte.

Na de Tweede Wereldoorlog lieten de Amerikaanse CIA en de Britse geheime dienst MI6 in heel West-Europa slapende netwerken opzetten die in actie moesten komen tijdens een mogelijke Sovjetbezetting. De clandestiene operatie, die bekend raakte onder de naam Gladio, werd gecoördineerd vanuit België en bleef meer dan veertig jaar lang geheim voor het grote publiek.

Als de Sovjettroepen ooit West-Europa zouden bezetten, moesten de zogenaamde stay behind-netwerken weerstandsoperaties opzetten, neergeschoten piloten evacueren en bevoorradingslijnen van de Sovjets saboteren.

In België telde het achterblijvernetwerk twee takken: de SDRA8 en de STC/Mob. De SDRA8 – kort voor Service de Documentation, de Recherche et d’Action – maakte deel uit van de militaire inlichtingendienst. De civiele tak STC/ Mob – de Sectie Training, Communicatie en Mobilisatie – was ondergebracht bij de Staatsveiligheid. De inlichtingenofficieren van beide takken rekruteerden burgers die speciale opleidingen kregen.

Roger Durez (83) werkte van 1971 tot 1991 bij de SDRA8 als verantwoordelijke voor clandestiene telecommunicatie. Naar aanleiding van de tentoonstelling The History of the Belgian Military Intelligence Service in Brussel treedt Durez voor het eerst naar buiten met zijn verhaal.

“Eindelijk krijgen we de kans om te vertellen wat er écht gebeurd is in het achterblijvernetwerk, en kunnen we proberen de fantasieën over SDRA8 de wereld uit te helpen. Dat vind ik een goede ontwikkeling.”

Uit de schaduw

Hoeveel inlichtingenofficieren van de militaire inlichtingendienst werkten bij afdeling SDRA8?

Durez: “We waren met zestien-zeventien personen, met verschillende functies. U moet weten dat er in dat soort werk een heel strikte compartimentering is. Ieder werkt op zijn eigen domein en kijkt niet naar wat zijn buurman doet.”

De SDRA8 was naar verluidt zo geheimzinnig dat andere collega’s van de militaire inlichtingendienst jullie bureaus in Evere niet binnen mochten.

Durez: “Dat klopt. Ze wisten zelfs niet waar wij ons mee bezighielden. We hadden dan ook dekmantelactiviteiten. Aangezien de leden van SDRA8 allemaal paracommando’s waren, deden we – naast ons clandestiene werk voor SDRA8 – ook ons werk als para. De mensen van Schaffen of Marche Les Dames kenden ons. Maar ook zij wisten niet precies wat onze echte opdracht was.”

Intussen is dat geen geheim meer: de SDRA8 stuurde een netwerk van burgers aan.

Durez: “Ja. De burgers werden door ons uitgekozen en gerekruteerd. In het geval van een invasie van België werden ze verondersteld om de radiocommunicatie van een clandestien netwerk te verzorgen. Ze zouden pas worden ‘geactiveerd’ op het moment dat ons land door de Sovjets werd binnengevallen. Tot die dag kwam, werden de burgers opgeleid aan de hand van vormingen en oefensessies – zo realistisch mogelijk.”

Hoe groot was dat clandestiene netwerk? Hoeveel burgers waren erbij betrokken?

Durez: “Persoonlijk heb ik een twintigtal burgers opgeleid. De omvang van het hele netwerk ken ik echter niet. Als voormalige verantwoordelijke van de transmissie weet ik wel dat we voor dertig netwerken transmissieplannen hadden voorzien. Omgerekend gaat het om zo’n zestigtal personen. Maar nogmaals, de juiste omvang van het Belgische achterblijvernetwerk ken ik niet.”

Was het moeilijk voor u om te blijven zwijgen? Was uw vrouw op de hoogte?

Durez: “Zwijgen was niet moeilijk. En neen, mijn vrouw wist van niets. Ze wist dat ik parachutesprongen deed en dat ik vaak weg was – ook ’s avonds. Maar wat we juist deden, dat wist mijn familie niet. Wel dat ik met telecommunicatie bezig was. Pas gisteravond (5 november 2015, nvdr) heb ik voor het eerst mijn kleinzoon verteld over die periode, naar aanleiding van een uitzending op de Franstalige televisie. Hij reageerde erg verbaasd.”

Op vrijwillige basis

Op de tentoonstelling naar aanleiding van 100 jaar militaire inlichtingendienst zijn een aantal vitrinekasten gewijd aan de Gladio-geschiedenis. Een infoplakaat beschrijft het profiel van de burgers uit het clandestiene netwerk:

“De personen die in aanmerking komen als agent moeten van oberispelijk gedrag zijn. De voorkeur gaat uit naar personen van ongeveer 40 jaar met een vaste betrekking.”

“De rekruteringsofficieren trachten ook discrete kandidaten op te sporen met een groot nationaal gevoel en ze mogen niet aangesloten zijn bij een politieke organisatie. De rekrutering van een agent gebeurt op vrijwillige basis. Er wordt geen overeenkomst ondertekend en er wordt geen financiële vergoeding toegekend. De basis is vertrouwen. De agenten hebben enkel contact met hun instructeur en opereren in quasi totale anonimiteit. De agenten kunnen op elk ogenblik beslissen uit het netwerk te treden.”

Hoe gebeurde destijds de zoektocht naar geschikte ‘clandestienen’?

Durez: “In de eerste plaats moest het gaan om personen die ook in tijde van bezetting hun functie zouden blijven uitoefenen. Hun functie moest onmisbaar zijn opdat de economie, het transport, enzovoort konden blijven functioneren. Denk dan aan een dispatcher van de spoorwegen, een ingenieur van een elektriciteitscentrale of een lokale politieagent.”

Was het moeilijk hen te overtuigen mee te werken aan een clandestiene operatie?

Durez: “Neen. Sowieso hadden we potentiële kandidaten op voorhand grondig gescreend. Wat was de familiale situatie? Was de persoon betrouwbaar? Gaf hij of zij zich niet te snel bloot? Zodra we iemand hadden geïdentificeerd die aan alle criteria voldeed, stuurden we er een rekruteerder op af. Die legde het eerste contact en probeerde de kandidaat beter te leren kennen. En eens vaststond dat het een ernstige heer of dame was, dan stelden we dé vraag. Doorgaans antwoordde men ‘ja’ – en zij die ‘neen’ antwoordden hebben in ieder geval daarna altijd gezwegen.”

Piloten verbergen

Maatpak, grijze haren, berimpelde handen, ernstige maar ook minzame blik. Durez houdt halt bij een tentoongestelde brief uit 1951, gestempeld très secret. De brief somt het takenpakket van het achterblijvernetwerk op: inlichtingen verzamelen, evacueren van neergehaalde piloten en agenten die verraden zijn en (tot in 1959) sabotage van militaire objectieven.

“De agenten krijgen een opleiding gericht op hun taak bij een eventuele bezetting van het land. Dit kan het inwinnen en doorgeven van inlichtingen zijn aan de Belgische regering in ballingschap of het opvangen en evacueren van personen.”

“Daarnaast krijgen zij ook een algemene opleiding in inlichtingenwerk (de veiligheidsprincipes en –procedures) en het opsporen en afschudden van achtervolgers. De opleiding gebeurt individueel, de kandidaten hebben geen contact met elkaar.”

Waren er regelmatig oefeningen voor burgers?

Durez: “Vooral voor zij die zich bezig hielden met het opvangen van parachutisten of kleine verkennervliegtuigjes, en voor zij die VIPS moesten afhalen of iemand op het terrein begeleidden. Dat werd echt realistisch ingeoefend. Natuurlijk was hun instructeur steeds bij hen, want we moesten ongevallen vermijden.”

“Wij, instructeurs, hadden een zekere specialisatie vanuit ons beroep. Zelf hield ik me bezig met telecommunicatie. Dan had je anderen die parachutist-instructeur waren of dispatchers. Zij leidden de burgers op die in tijden van bezetting vliegtuigen moesten helpen landen. En dan had je nog anderen die het terrein verkenden om infiltratie- of exfiltratie filières te vinden. Ze leerden bijvoorbeeld safe houses zoeken of een neergehaalde piloot een tijdlang verbergen.”

Bleven die oefeningen altijd onopgemerkt, of liep er ook al eens iets fout?

Durez: “Toen ik nog maar enkele maanden aan de slag was, nam ik deel aan een gemeenschappelijke oefening met de Duitsers. We moesten uit een vliegtuig springen naar een kleine zone afgebakend door de Duitse collega’s. Van daar zouden we overgenomen door een lijn die ons zogezegd zou evacueren. Maar eens aangekomen bij het Lac de Constance (bij Zwitsers-Duits-Oostenrijkse grens, nvdr) zag het vliegtuig de lichtbakens maar niet. Toen we uiteindelijk met onze parachute uit het vliegtuig sprongen, kwam ik in een dorpje pal op het dak van een huis terecht. Bleek dat de piloot het signaal van een verkeerslicht had verward met de lichtflits van een zaklantaarn.”

Hebben de burgers van het achterblijvernetwerk ooit wapens gekregen?

Durez: “Neen. Negatief.”

Opleidingen in wapenbeheersing?

Durez: “Dat gebeurde wel eens, maar het was veeleer bij wijze van tijdverdrijf. We nodigden hen uit bij de schietstand en ze mochten met onze eigen wapens enkele cartouches afvuren op een doelwit. Maar de burgers zelf hadden géén wapens – en dat was ook niet voorzien.”

Gedeclassificeerd

De meeste documenten op de tentoonstelling zijn twee keer gestempeld. Een eerste keer met ‘top secret’, een tweede keer – in 2015-  met ‘gedeclassificeerd’. Zo prijkt achter het vitrineraam een getype brief van 27 januari 1949, opgesteld door de heer Menzies – hoofd van de Britse MI6 – en gericht aan Paul-Henri Spaak, destijds Belgisch minister van Buitenlandse Zaken.

In het geheime schrijven van de Brit gaat het over ‘de voorbereiding van geschikte inlichtingen- en actiediensten in het geval van een oorlog’. Spaak antwoordde tien dagen later, ging akkoord met het Britse voorstel, maar voegde er aan toe: “Het is hoogst wenselijk dat de drie diensten (Amerikanen, Britten, Belgen) samenwerken.”

Hoe was jullie relatie met de Amerikanen en de Britten, die de achterblijvernetwerken in Europa hebben opgezet?

Durez: “Die formulering klopt niet helemaal. Nadat Spaak positief had geantwoord op het voorstel van de Brit Menzies, gaf hij de Belgische ministers van Defensie en Justitie de opdracht om na te gaan of het mogelijk was zo’n clandestien netwerk uit de grond te stampen. Het opzetten van het achterblijvernetwerk gebeurde dus inderdaad op externe vraag, maar wel onder ons eigen management.”

“Uiteraard moesten er internationale relaties onderhouden worden. Als er iemand uit Nederland kwam en we moesten hem naar Frankrijk overbrengen, was het logisch om contacten te onderhouden met Nederland en Frankrijk. Daarom is de zogenaamde ACC in het leven geroepen: het Allied Clandestine Committee. We hadden dus gemeenschappelijke procedures, maar elk land had zijn eigen autonomie.”

Welke landen waren lid van dat ACC?

Durez: “We waren met acht. België, Frankrijk, Duitsland, Italië, Denemarken, Noorwegen, Nederland en Luxemburg. De UK en de VS dienden als basis voor de transmissies.”

Duiken zonder luchtbelletjes

De ACC-landen organiseerden ook gezamenlijke oefeningen. De handgeschreven briefing van zo’n oefening wordt onthuld op de expo:

“Ik ben majoor Legrand en sta aan het hoofd van dit luchtseminarie Jonathan Livingstone. Ik ben ervan overtuigd dat dit seminarie voor onze landen een uitzonderlijke kans is om voor verschillende types vliegtuigen de nachtelijke landingsprocedures te testen met de hulp van eenvoudige zaklantaarns.”

Durez: “Livingstone was een oefening waarbij vliegtuigen uit de ACC-landen clandestien in België moesten landen. Er waren Italianen, Fransen en Britten bij betrokken. Onze mensen, steeds bijgestaan door een instructeur, moesten de geïmproviseerde tracks markeren, om de vliegtuigen te laten landen.”

Hoe vaak vonden dat soort oefeningen plaats?

Durez: “Grote, internationale oefeningen had je eens per jaar. Daarnaast waren er kleine oefeningen per netwerkje. Als een instructeur van oordeel was dat een burger er klaar voor was, dan organiseerden we zo een oefening. Een parachutesprong bijvoorbeeld, en dan lieten we de burger het terrein markeren.”

“Voor radio moesten de burgers morsecode leren. Redelijk snel zelfs, tot vijftien woorden per minuut. Het duurt wel even voor je dat onder de knie hebt. Vanaf dat moment konden de burgers al communiceren met buitenlandse basissen.”

“De basis in Engeland stuurde dagelijkse radioberichten uit – om te oefenen. De instructeur ging dan controleren of de agent het goed had gedaan. Soms mochten de burgers ook zelf boodschappen uitzenden, om de toestellen te testen.”

Op de expo staat ook een duikpak tentoongesteld. Voor maritieme operaties?

Durez: “Klopt. Aan de voorkant van het duipak zie je een apparaat met een ‘gesloten circuit’: je kon ermee duiken zonder dat er luchtbelletjes vrijkwamen. De lucht die je uitademde, werd gezuiverd, en kon je vervolgens opnieuw inhaleren.”

“Dit duipak heb ik zelf ook gebruikt tijdens oefeningen om personen te laten infiltreren via de zee. We trainden aan de Belgische kust – in Oostende bijvoorbeeld – of in de Middellandse Zee.”

Naast het duipak staat een Harpoon, de beruchte zendapparatuur van het achterblijvernetwerk.

Durez: “Zowel de SDRA8 als de Staatsveiligheid gebruikten de Harpoon in de laatste jaren. We hadden er in totaal een tachtigtal ter beschikking. Alle landen van de ACC hadden overigens dezelfde radio-technologie. Met codeboekjes erbij. Een radio-operator had die boekjes eigenlijk niet nodig; het was de machine zelf die informatie versleutelde. Maar wanneer een netwerkchef een boodschap wilde overmaken, dan moest hij die eerste versleutelen met behulp van zo’n codeboekje.”

Burgers hadden thuis zo’n toestel verborgen?

Durez: “Inderdaad. De Harpoon was interessant omdat de radio-operator niet aanwezig hoefde te zijn tijdens het ontvangen van boodschappen. Het toestel werd vanop afstand bestuurd door de basis in het buitenland. De operator hoefde enkel het uur te geven waarop het contact zou gebeuren. Op dat uur belde de basis, en werd de boodschap overgemaakt. De operator was daarbij niet aanwezig. Want dat was net een van de risico’s: als de luisterpost gelokaliseerd werd, was het risico dat de operator ook ingerekend kon worden.”

De Bende van Nijvel

In augustus 1990 bevestigde de Italiaanse premier Giulio Andreotti het bestaan van een “geheim leger” in Italië en andere landen in West-Europa. Het eerste dominosteentje van het clandestiene netwerk was gevallen. Rechters, volksvertegenwoordigers, academici en onderzoeksjournalisten in West-Europa stortten zich op Gladio en probeerden het tot in de details te ontrafelen. Maar de betrokken regeringen hielden zo lang mogelijk de boot af en ontkenden aanvankelijk dat ze iets van het netwerk afwisten.

In november 1990 boog het Europees Parlement zich over de Gladio-affaire. In een resolutie over de kwestie haalde het Europees Parlement uit naar de Amerikaanse inmenging. “We protesteren krachtig tegen de veronderstelling die leeft bij een aantal Amerikaanse militairen binnen SHAPE en NAVO, namelijk dat ze het recht hebben om in Europa de oprichting van een clandestien inlichtingennetwerk aan te moedigen.”

Op 7 november 1990 gaf toenmalig minister van Defensie Guy Coëme toe dat ook in België een geheim “Gladio-leger” had bestaan. Net als in Italië en Zwitserland riep het parlement een onderzoekscommissie in het leven. De parlementsleden ontdekten onder meer dat het achterblijvernetwerk nog steeds actief was. Op 24 oktober 1990 had in Brussel immers nog een vergadering plaatsgevonden van het Allied Clandestine Committee, het geheime commandocentrum van Gladio – dat als SDRA11 administratief was ondergebracht bij de militaire inlichtingendienst.

Generaal Raymond van Calster, toenmalig hoofd van de militaire inlichtingendienst, zat die vergadering voor. Van Calster ontkende aanvankelijk dat de vergadering had plaatsgevonden maar werd ingehaald door de waarheid. Op 23 november besloot de Belgische regering om het Gladio-netwerk te ontbinden.

Wanneer besefte u: de Sovjets gaan nooit komen?

Durez: “Het jaar waarin we voorzitter waren van de ACC, in 1990. Er was een vergadering in Brussel, met alle diensten die lid waren van de ACC. In die tijd was de Muur van Berlijn net gevallen, Gorbatsjov was aan de macht, er was een détente in de relaties tussen Oost en West. En de vraag lag op tafel: moeten we blijven voortwerken op dezelfde manier, of moeten we het netwerk stopzetten?”

“Vooral de Denen en de Noren waarschuwden: ‘Opgelet, wij hebben gemeenschappelijke grenzen met de Sovjetunie. Laten we niet te snel reageren, en afwachten.’ Dan hebben we een werkgroep opgericht om een inschatting te maken van de dreiging. En vervolgens zouden we later een beslissing nemen. Maar die kans hebben we niet gehad, want we werden kort daarna ontbonden.”

Na de stopzetting van het achterblijvernetwerk bleef het publiek verstoken van informatie. Met als gevolg dat er allerhande theorieën de ronde gingen doen.

Durez: “We zijn er bijvoorbeeld van beschuldigd misschien achter de Bende van Nijvel te zitten.”

Klopt dat? Was er een link tussen SDRA8 en de Bende Van Nijvel?

Durez: “Neen, absoluut geen enkele.”

Waar kwam die hypothese dan vandaan?

Durez: “Uit de verklaringen van minister Coëme. Kijk, bij de Italianen had men een schuilplaats ontdekt met explosieven. In tegenstelling tot de Belgen behoorde sabotage immers tot het takenpakket van het achterblijverneterk van de Italianen. De Italiaanse minister van Defensie heeft daarop zijn Belgische collega gebeld: ‘We hebben dit en dat ontdekt. En onze diensten staan in contact met de Belgische diensten.'”

“Coëme, onze minister van Defensie, contacteerde vervolgens (op 7 november 1990, nvdr) kolonel Bernard Legrand, die aan het hoofd stond van SDRA8. Legrand heeft hem een complete briefing gegeven. Dat was omstreeks vier uur ’s namiddags. Enkele uren later gaf minister Coëme een radio-interview, waarin hij zei dat hij wilde nagaan of er een verband was tussen de activiteiten van het geheime netwerk en de misdaadgolf die België die jaren in bloed drenkte. Het was dus de minister zelf die de link legde tussen SDRA8 en de Bende van Nijvel.”

U ontkent stellig elke link tussen de SDRA8 en de Bende van Nijvel, maar in bijvoorbeeld Italië en mogelijks Luxemburg waren er wel banden tussen het achterblijvernetwerk en terrorisme. Wat dacht u toen u daarover hoorde?

Durez: “Van dat Luxemburgse verhaal ben ik niet op de hoogte. Ik maakte deel uit van een werkgroep die de Benelux vertegenwoordigde. Ik kende de Nederlanders en Luxemburgers dus en heb nooit iets verdachts opgemerkt. De Italianen daarentegen, daar zaten wel bizarre personen tussen. Ik vermoed dat er maffiosi waren geïnfiltreerd in de Italiaanse dienst. Dat was het probleem.”

Wie in België was op de hoogte van het bestaan van SDRA8?

Durez: “Wij zelf uiteraard – de medewerkers van SDRA8 – en de generaal die commandant was van de militaire inlichtingendienst. Verder ook nog de ministers van Defensie en Justitie – want we werkten samen met de Staatsveiligheid.”

In het boek Georges 923. Un agent du Gladio belge parle deed Michel Van Ussel al in 1991 zijn verhaal als gladio-agent.

Durez: “Ik heb Van Ussel gekend. Hij was pas een maand of anderhalve maand gerekruteerd. Dan volgde de onthulling van het netwerk. En de man dacht dat hij alles mocht uitleggen. Maar hij heeft fouten gemaakt in zijn boek. Hij vroeg ons: -‘Mag ik erover spreken?’ We zeiden: ‘Ja, maar beperk u tot uw eigen zaak.’ Dat heeft hij gedaan, hij citeert geen namen. Hij heeft gewoon beschreven wat men van hem verwachtte, en dat was min of meer juist.”

Voor eeuwig en altijd

“Brussel, 1 september 1991. Waarde Onbekende Vriend, We hebben nooit de gelegenheid gehad mekaar te ontmoeten, zowel door het ontbreken van een gelegenheid als door het speciaal karakter van onze Dienst.” Deze mysterieuze brief van generaal Van Calster aan de burgers van het achterblijvernetwerk vormt het sluitstuk van het Gladio-luik op de expo.

Durez: “Aangezien het netwerk werd ontbonden en generaal Van Calster niemand van de burgers persoonlijk kende, heeft hij dan maar in vertrouwen deze brief geschreven waarmee hij iedere medewerker bedankte die door ons was opgeleid. Een heel vriendelijke geste van de generaal.”

Deze brief is het enige bewijs dat de voormalige agenten van het netwerk hebben. En niemand heeft de brief ooit publiek gemaakt. Dit is de eerste keer ooit dat hij aan het publiek getooond wordt.

Zal de namenlijst van de burgers uit het clandestiene netwerk ooit openbaar worden gemaakt?

Durez: “Nooit. Daar ben ik zeker van. De onderzoekscommissie van de Senaat is destijds onze dossiers komen opvragen – ze werden bewaard in een kist in de VS en de UK. Uit voorzorg hadden we alle dossiers versleuteld. De onderzoekscommissie heeft geprobeerd de documenten te ontcijferen. Ze hebben daarvoor zelfs een beroep gedaan op de cryptografische dienst van de ULB. Die heeft geprobeerd de code te breken… tevergeefs.”

“De dossiers bestaan nog altijd, zijn nog altijd versleuteld én onontcijferbaar. Wanneer wij iemand rekruteerden, beloofden we tijdens het eerste contact altijd: ‘We gaan uw naam nooit onthullen. We respecteren uw anonimiteit.’ Het was uitgesloten dat we dat zouden doen.”

“De hoogste autoriteiten van het land hebben druk op ons uitgeoefend om de namen vrij te geven, maar we hebben altijd gezwegen.”

Vinden er nog ontmoetingen plaats met de oud-leden?

Durez: “Neen. Wel nog met de oud-instructeurs. Maar met de burgers hebben we direct alle contact verbroken.”

Bedankt voor het gesprek.

Bron » MO | Kristof Clerix

“Niemand zal ooit weten wie onze geheim agenten waren”

Maandag is het dertig jaar geleden dat de Bende van Nijvel in Aalst haar meest bloedige aanslag pleegde. Een van de meest intrigerende sporen in het onderzoek leidt tot op vandaag naar een geheimzinnig netwerk van ‘slapende’ geheim agenten dat vlak na de Tweede Wereldoorlog in ons land werd opgericht. Bernard Legrand was de laatste baas van dat zogenaamde Stay Behind-netwerk. Nu spreekt hij voor het eerst.

“Hier Radio Brussel… Beste Stay Behind-vrienden, de sectie SDRA8 geeft blijk van haar hoogste waardering en dankt u allen voor uw toewijding tegenover het land. Wij verzekeren u dat alle druk en bedreigingen tot niets dienen en dat wij ons gegeven woord alle eer aan doen. Adolf stelt het goed!”

In een opvallend manoeuvre slaagde luitenant-kolonel Bernard Legrand erin om een journalist van Le Soir dit enigmatisch bericht op de voorpagina van de krant te laten publiceren. Het bericht, dat zelfs in de twee landstalen verscheen, joeg een schokgolf door het parlement en de publieke opinie. Legrand getuigde op dat moment voor de parlementaire onderzoekscommissie die het bestaan onderzocht van een eventueel clandestien internationaal inlichtingennetwerk in België.

De onderzoekscommissie eiste dat Legrand de namen van de leden van zijn Belgische Stay ­Behind-netwerk zou bekendmaken. Op die manier wilde de commissie nagaan of er een verband kon zijn met de aanslagen van de Bende van Nijvel. Maar Legrand, die van 1983 tot bij het opdoeken in 1990 aan het hoofd van het Belgische Stay Behind alias SDRA8 (Service de Documentation, de Recherche et d’Action) stond, weigerde halstarrig.

Met het bericht in Le Soir liet hij de leden van Stay Behind weten dat ze zich geen zorgen moesten maken. Hij zou blijven zwijgen tot in het graf.

Vandaag, 25 jaar na de feiten, heeft Legrand nog altijd geen spijt van zijn stilzwijgen. Ook niet van zijn provocerende boodschap in Le Soir. “Die ‘Adolf stelt het goed’, was een knipoog naar mijn voorganger bij SDRA8, Adolphe Iseux”, zegt hij. “Maar bij de commissie waren er natuurlijk die er een verwijzing naar Adolf Hitler in zagen.”

SDRA8 – de Belgische tegenhanger van het Italiaanse Gladio – werd in 1949 opgericht binnen de schoot van de militaire veiligheidsdienst Adiv, die toen nog SGR heette. De geopolitieke context was helemaal anders dan vandaag. De Koude Oorlog woedde in alle hevigheid en de Britse veiligheidsdienst MI6 nam contact op met de Belgische premier Paul-Henri Spaak. De Britten stelden de Belgische regering voor om uit te wijken naar de VS of Groot-Brittannië als het Sovjetleger het grondgebied zou bezetten.

Om het contact vanuit België met die eventuele regering in ballingschap te onderhouden, werd een stay behind-netwerk opgericht. Dat netwerk bestond uit burgers die uitgekozen werden om voor speciaal opgerichte eenheden van zowel de Staatsveiligheid (STC/Mob) als de militaire inlichtingendienst (SDRA8) te werken.

“Ik kwam aan het hoofd van SDRA8 in 1983”, vertelt Bernard Legrand. “Het plan was dat ik aan het zou komen van het para-opleidingscentrum in Marche-les-Dames, maar toen vroeg de de baas van de militaire inlichtingendienst me voor ‘iets anders’. Ik wist niet wat hij bedoelde met ‘iets anders’, maar vertrouwde hem.”

“Pas toen ik er was, besefte ik dat ik aan het hoofd zou komen van SDRA8. Ik kende er mensen, van toen ik bij de para’s zat. Wij noemden hen in het Frans les mines de rien. Omdat ze altijd deden alsof ze van niets wisten en nooit zeiden waarmee ze bezig waren. We wisten dat het oud-para’s waren. Ze sprongen uit vliegtuigen vanop grote hoogte met zuurstofmaskers, ze perfectioneerden de tandemsprong en ze deden aan diepzeeduiken in duikpakken waaronder je burgerkleding kon dragen. Speciaal voor geheime operaties. Maar wat ze voor de rest deden, was een groot vraagteken.”

Clandestienen

Legrand kreeg bij SDRA8 een twintigtal van die ‘mines de rien’ onder zijn bevel. Toen pas besefte hij dat alles wat hij tot toen al had gezien van SDRA8 een dekmantel was voor wat ze echt deden. “Zij waren de ‘instructeurs’. Ze waren verantwoordelijk voor de rekrutering en de opleiding van de burgers die wij wilden voor ons Stay Behind-netwerk. Wij noemden die burgers onze ‘clandestiene vrienden’.”

“In die tijd bestonden er nog clubs waar militairen en mensen uit het politiek-economisch leven elkaar vonden om te discussiëren. Onder andere daar zochten wij discreet mensen die we konden inzetten als agenten voor Stay Behind. Het waren allemaal vrijwilligers.”

SDRA8 rekruteerde, aldus ­Legrand, agenten in sectoren waar ze van belang konden zijn in oorlogstijd. “Ik mag u niet zeggen wie ze waren. Maar een van hen heeft na het opdoeken van SDRA8 een boek geschreven. Hij was ingenieur bij de spoorwegen. Ook in de haven van Antwerpen zochten we mensen. En in de Ardennen waren we dan weer op zoek naar mensen die van nut konden zijn bij ontsnappingslijnen. Zo hadden we België doorgesneden met lijnen: om neergestorte Navo­piloten terug naar Engeland te smokkelen bijvoorbeeld.”

De clandestienen werden speciaal geselecteerd. “Het waren burgers zonder uitgesproken politieke kleur, zonder uitgesproken profiel. Familievaders. Geen militairen of rijkswachters. Het moesten mensen zijn die nooit in het oog van de vijand zouden lopen. Onopvallend. Bij voorkeur van rond de veertig jaar.”

De Stay Behind-agenten moesten kunnen zwijgen als vermoord, tegen hun omgeving en zelfs tegen hun vrouw. “Maar ze moesten meer doen dan hun mond houden”, zegt Legrand. “Ze waren verplicht te liegen, want ze moesten geregeld opleidingen volgen, onder meer in het huis dat SDRA8 had in Meerdaal. Om die opleidingen bij te kunnen wonen, dienden ze een excuus te verzinnen voor hun directe omgeving.”

Zoals in films

De burgeragenten leerden onder andere morse. En ze kregen het Harpoon-systeem ter beschikking, een door SDRA8 ontworpen zendapparaat van – in die tijd – 1 miljoen Belgische frank (25.000 euro, red.) per stuk. “De burgeragenten kregen twee Harpoon-machines mee, een om direct te gebruiken in oorlogstijd en een dat ze moesten verbergen”, zegt Legrand.

“We leerden ze ook technieken om te kunnen ontdekken dat ze gevolgd werden: nooit bruusk omkijken, maar af en toe eens in een vitrine van een winkel kijken bijvoorbeeld. We brachten hen bij hoe ze achtervolgers moesten afschudden, of hoe ze post moesten halen uit wat wij een een ‘dead letter box’ noemen. Zoals je in films geheim agenten soms een document uit een huls onder een bank in het park ziet halen.”

SDRA8 bouwde veiligheidsschotten in. “Geen van onze clandestienen heeft ooit een andere clandestien ontmoet. Ze werkten stuk voor stuk alleen. Elke instructeur had maximum twee personen die hij begeleidde. Alleen hij kende hun namen. Als we ze trainden, deden we dat altijd apart, nooit samen met andere clandestienen. Ze kregen ook geen wapen.”

Toen SDRA8 in 1990 ontbonden werd, waren er 42 operationele Stay Behind-agenten. Zij die ermee stopten, werden vervangen door anderen. “Doorheen de jaren waren er al een honderdtal gestopt. Wij noemden hen de ‘slapende eenheden'”, zegt Legrand. “Iedere clandestien had een versleuteld dossier, verborgen in twee kisten die bijgehouden werden in de VS en het VK, bij de bevriende veiligheidsdiensten daar.”

“Dat was een maatregel die ik zelf heb ingevoerd bij mijn aantreden”, zegt Legrand. “Onze specialist had een niet te kraken code uitgewerkt. Ook de experts van de parlementaire commissie hebben ze nooit kunnen kraken.”

De Belgische Stay Behind-agenten werkten niet op een eiland. Van vlak na de Tweede Wereldoorlog maakten ze al deel uit van een internationaal circuit van Stay Behind-netwerken in vijf landen: België, Nederland, Luxemburg, Frankrijk en Groot-Brittannië. Later kwamen daar de VS bij en nog later ook Duitsland, Italië, Denemarken en Noorwegen. Het zogenaamd Allied Coordination Committee (ACC), waar alle betrokken geheime diensten een vertegenwoordiger in hadden, coördineerde de groep.

Gladio-schandaal

Maar in de herfst van 1990 barstte het schandaal uit bij een van die ACC-leden. Gladio, de Italiaanse tegenhanger van SDRA8, werd verdacht van betrokkenheid bij een reeks aanslagen.

“De toenmalige minster van Defensie Guy Coëme (PS) was in paniek”, herinnert Legrand zich. “Ik zat in Duitsland, maar ik moest onmiddellijk terugkeren.”

“Op 9 november hebben we elkaar een kwartier lang in de Senaat gezien. Ik heb de minister gezegd dat SDR8 niet te vergelijken was met Gladio in Italië. Ik had de Italianen aan het werk gezien in Sardinië. Hun Gladio-mensen trainden samen, ze leerden er sabotagetechnieken. Allemaal dingen die gevaarlijk zijn en die hen blootstelden aan infiltratie door de maffia en extreem-rechts. Bij ons was dat niet zo.”

“Zoals ik al zei: geen van onze agenten kende een andere. We hebben ze ook nooit wapens gegeven. Ik zei de minister dat er geen verband kon zijn tussen SDRA8 en de Bende van Nijvel. Onmogelijk.” Maar nog diezelfde avond verscheen Coëme op de RTBF en zei: “Er is een mogelijke verklaring voor de Bende van Nijvel.”

“Vanaf dan was niet meer te ­houden”, zegt Legrand. “De 23ste november werd onze dienst afgeschaft. Ze wilden zelfs niet meer luisteren naar onze argumenten.”

Onderzoekscommissie

De maanden daarna werd in de Senaat een bits debat gevoerd. Een parlementaire onderzoekscommissie wilde per se weten wie de 42 SDRA8-leden waren. Om elk verband met de Bende van Nijvel uit te sluiten. Maar Legrand weigerde namen te noemen. “Er waren geen serieuze verdenkingen. Er was alleen paniek. En dat ging ver.”

“Ik had ooit als para een opleiding van drie maanden gevolgd bij de special forces in de VS. In de parlementaire commissie vroegen ze of ik misschien geen CIA-agent was. Onze stafchef, generaal José Charlier, is in die periode speciaal naar SDRA8 gekomen om te melden dat we ontslagen werden van onze plicht tot geheimhouding tegenover de clandestienen en dat we dus mochten spreken in de commissie.”

“Een van mijn onderofficieren, een instructeur, heeft toen gezegd tegen Charlier: ‘Als ik de namen van mijn mensen prijsgeef, kan ik mezelf nooit meer aankijken in de spiegel.’ En Charlier is weggegaan. Ik moest dus niks meer zeggen. Maar uiteraard zou ik hem hetzelfde geantwoord hebben.”

Luitenant-kolonel Legrand ziet er tot op vandaag geen been in dat hij de namen van de 42 clandestienen niet vrijgegeven heeft. “Natuurlijk is het belangrijk dat de Bende van Nijvel opgepakt wordt. Maar het was onmogelijk dat het onze mensen waren. Er is daar geen enkele aanwijzing voor. Niemand heeft er mij ooit maar één kunnen geven. Als die er was geweest, dan had ik zeker gepraat.”

“Wij rekruteerden in heel andere middens dan die waaruit al de verdachten die ooit in het Bendedossier werden geciteerd afkomstig waren. Onze mensen waren patriotten die elkaar zelfs niet kenden. Ze hadden geen wapens. Niets van wat de Bende van Nijvel deed, was in de verste verte te rijmen met wat wij onze mensen hadden geleerd.”

“Toen we hen rekruteerden hadden we bovendien ons woord gegeven dat we hun identiteit niet zouden prijsgeven. Het kon hun carrière breken.”

De versleutelde gegevens over de clandestienen van de SDRA8 werden tot op vandaag niet ontcijferd. De niet-versleutelde namen van mensen die de Staatsveiligheid had gerekruteerd, vond de parlementaire commissie wel terug in een kist in Londen en Washington. Een paar dagen later stonden een reeks namen al in de pers.

“Uiteraard hadden ze niets met de Bende te maken”, zegt Legrand. “Om het met de woorden van de toenmalige administrateur-generaal van de Staatsveiligheid Albert Raes te zeggen: ‘In een commissie achter gesloten deuren, staan de ramen open.’ Vanaf toen was ik nog vastbeslotener om niets te zeggen.”

Leugendetector

De parlementaire commissie eindigde haar werkzaamheden op 1 oktober 1991 met de conclusie dat er geen aanwijzingen waren dat Stay Behind-agenten bij de aanslagen van de Bende van Nijvel betrokken waren. Maar de verdenkingen blijven tot op vandaag sluimeren.

Legrand heeft de voorbije jaren nog verschillende keren de speurders op bezoek gehad die de misdaden van de Bende van Nijvel onderzoeken. “Begin dit jaar zijn ze hier nog eens geweest. Maar ze verontschuldigden zich bijna op voorhand en ze zijn snel weggegaan. Ik had hen ook niets kunnen vertellen. Ik heb zelf nooit alle namen gekend van de Stay Behind-leden. En ik heb nog voor de zittingen van de commissie de sleutels vernietigd die nodig zijn om de code te kraken.”

“In 2013 hebben de onderzoekers me zelfs gevraagd of ze me aan de polygraaf mochten leggen. Ik heb gezegd dat ze dat mochten als ze ook de toenmalige minister van Defensie Guy Coëme aan de polygraaf zouden leggen. Hij heeft voor de commissie altijd volgehouden dat hij nooit op de hoogte is geweest van het bestaan van SDRA8, terwijl hij dat wél wist. Daarna heb ik niets meer gehoord van die test.”

Adiv, de militaire inlichtingendienst, bestaat 100 jaar. Op een tentoonstelling in het Instituut voor Veteranen in Brussel blikt de dienst terug. Ook de geschiedenis van SDRA8 wordt belicht.

Bron » De Standaard

Deux membres de l’armée secrète sortent de l’ombre

Pendant quarante ans, un réseau européen ultrasecret s’est préparé à l’invasion soviétique. En Italie, il était gangrené par l’extrême droite et la mafia. Et en Belgique? Deux anciens témoignent en primeur pour Le Vif/L’Express.

“Ici Bruxelles…- Chers amis Stay behind, la section SDRA 8 vous assure de sa très haute estime et vous remercie de votre dévouement au pays. Ils vous certifient que les pressions et les menaces seront vaines et que la parole donnée sera honorée. “Adolphe se porte bien.”” Ce message un brin boy scout, avec son alphabet Morse (…-) pour figurer le V de la victoire et le mot de passe ambigu “Adolphe se porte bien”, est paru à la Une du Soir, le 28 mars 1991.

A la demande, expliquait le quotidien, d’un “patron” de la section SDRA-8 du Service général de renseignement et de sécurité (SGRS) qui voulait faire savoir à ses “dormants” qu’il ne dévoilerait jamais leur identité. Ce que réclamaient alors le chef d’état-major général de l’armée, le lieutenant-général José Charlier, le ministre de la Défense Guy Coëme (PS) et la commission d’enquête sénatoriale sur “l’existence en Belgique d’un réseau de renseignement clandestin international”. Après ce message plein de panache, la tension retomba.

De fait, tout en étant de “bons démocrates”, les hommes du SDRA-8 sont restés fidèles à leur secret professionnel et à la promesse de confidentialité faite aux “clandestins” et réciproquement. A l’occasion de son centenaire, le SGRS a décidé de “déclassifier” certains épisodes de son histoire, dont celui-là. En primeur, Le Vif/L’Express a obtenu le témoignage en clair de l’auteur du message anonyme, l’irréductible lieutenant-colonel Bernard Legrand et l’as des liaisons radio, l’adjudant-chef Roger Durez.

Après la dissolution brutale de leur service, le 1er janvier 1991, ces deux-là ont été pensionnés et ils ont poursuivi leur carrière dans le bénévolat et l’humanitaire. L’un, en développant la randonnée de haut niveau pour les handicapés (Adeps, ASBL Handi-Rando), l’autre, en dotant MSF Belgique de liaisons radio en terrain difficile. Le genre d’hommes sur lesquels les pressions les plus fortes (jusqu’à la menace d’une cour militaire…) ont échoué.

L’époque, d’abord: c’étaient les années de plomb et les derniers soubresauts de la guerre froide, les tueries du Brabant (1982-1985) et la campagne terroriste des CCC (1984-1985). Le 3 août 1990, le Premier ministre italien Giulio Andreotti révèle l’existence d’une structure créée en 1951 par le Comité clandestin de l’Union occidentale pour parer à la menace soviétique: le réseau Allied Clandestine Committee (ACC) qui, en Italie, versa dans le néofascisme sous le nom de Gladio (glaive). En cas d’invasion, ce réseau top-secret devait “rester derrière” (Stay Behind) pour transmettre des informations aux gouvernements en exil et permettre l’exfiltration ou l’infiltration d’agents alliés par terre, ciel ou mer.

Son système nerveux était le dispositif radio ultrasécurisé Harpoon. Les cellules dormantes étaient dirigées par les services secrets des pays membres au départ de deux “bases”, situées l’une aux Etats-Unis, l’autre en Grande-Bretagne, vu l’implication de la CIA américaine et du MI6 britannique. Huit pays continentaux (France, Belgique, Luxembourg, Italie, Allemagne, Pays-Bas, Danemark et Norvège) étaient impliqués. La Belgique avait intégré le premier noyau de ce réseau, en 1949, sous le ministre des Affaires étrangères, Paul-Henri Spaak (PSB). Dès leur entrée en fonction, les Premiers ministres, ministres de la Défense et de la Justice (pour la tutelle de la Sûreté de l’État) étaient briefés sur ce réseau qui évitait les chemins trop courus de l’Otan. Il a tenu quarante ans.

“En 1989, lorsque l’affaire Gladio a éclaté, la Belgique exerçait la présidence tournante de l’ACC, relate Roger Durez. Nous l’avons vécue en direct. Nous étions en réunion lorsque le représentant italien nous a dit: “On doit partir, on a trouvé nos caches !”” De fait, l’Italie, c’était un peu particulier. “Le réseau Gladio avait conservé dans ses missions le sabotage, que nous avions rapidement abandonné, pour ne pas exposer nos hommes à des représailles. Leur réseau abritait des caches d’explosifs au profit des Sabotatori des parachutistes de l’armée. Comme on l’a découvert au moment de la commission d’enquête, le réseau Gladio était infiltré par la mafia italienne.” Après la chute du mur de Berlin, la dissolution de l’ACC avait été envisagée. “Les Danois et les Norvégiens y étaient opposés parce qu’ils étaient trop proches, géographiquement, de l’Union soviétique”, révèle l’ancien adjudant-chef.

En Belgique, les missions Stay Behind de l’ACC étaient partagées entre la Sûreté de l’État et le SGRS, ce dernier gérant 80 des 100 radios Harpoon achetés par notre pays. Du matériel sur mesure, fabriqué dans le plus grand secret par la firme AEG-Telefunken, selon un cahier des charges établi par un groupe de travail international de polytechniciens auquel, plus tard, participa Roger Durez, passé par les paras-commandos et formé pendant trois ans à l’Ecole des Transmissions.

“Harpoon était le système le plus sûr qui soit, souligne-t-il. Vu sa très grande vitesse de transmission, il était impossible de le détecter. Son signal ne pouvait être capté que pendant huit secondes, ce qui ne permettait pas de le localiser par triangulation.” Le travail du SDRA-8 consistait à recruter des agents dans la population civile (idéalement, un duo chef de réseau-radio), à les former (au langage Morse notamment, “copier quinze groupes de cinq lettres par minute, certains n’y sont jamais arrivés”) et à les exercer régulièrement.

Roger Durez en a formé une vingtaine, en tête-à-tête. “Le service évitait les gens d’obédience communiste parce que, à l’époque, c’était l’ennemi mais on n’aimait pas non plus les militants de quelque parti que ce soit. Disons que nos clandestins étaient patriotes et belgicains, néerlandophones et francophones.” Toute leur vie avait été retournée par des enquêteurs du SGRS pour s’assurer de leur fiabilité. “Qu’ils répondent oui ou non à notre proposition, leur anonymat était garanti. On cherchait des gens indispensables dans leur fonction, au port d’Anvers, dans les chemins de fer, les grandes industries, etc.

Plutôt que des grands chefs: des contremaîtres, des ingénieurs ou des médecins, libres de leurs mouvements et qui voyaient beaucoup de chose. Ils avaient une double mission: fournir du renseignement et réceptionner des parachutistes au cours des exercices que nous organisions une fois par mois. Il fallait être capable de baliser une plaine à la lampe de poche et de conduire les hommes en lieu sûr sans éveiller l’attention.” Certaines épouses connaissaient le “hobby” de leur mari, d’autres pas. Chez les Stay Behind, le secret et le cloisonnement étaient poussés à l’extrême, pour ne pas reproduire les erreurs, coûteuses en vie humaines, de la Seconde Guerre mondiale.

Leur appartenance aux paras-commandos offrait une couverture parfaite aux 16 ou 17 membres du SDRA-8, surnommés les “mines de rien”. “Nous étions un peu des forces spéciales, explique Roger Durez. Nous sortions beaucoup de nuit et faisions beaucoup de terrain.” C’est ainsi qu’une trentaine de petits containers de 60 cm sur 40 cm ont été cachés dans les bois à la faveur d’exercices militaires. Situés dans l’environnement des agents dormants, ils étaient destinés à contenir des documents opérationnels et une radio Harpoon. A n’ouvrir qu’en cas d’invasion.

A la pointe des techniques clandestines grâce à leurs contacts internationaux, les hommes du SDRA-8 ont introduit dans l’armée belge les sauts en tandem. Ils se faisaient parachuter dans des pays voisins à l’insu des autorités locales, excepté de leurs discrets homologues. “Ce n’était pas un jeu, précise Bernard Legrand. On vivait la réalité.” La dissolution du SDRA-8 a été un choc et une perte.

“Je représentais une équipe de gens extrêmement bien formés, expérimentés et d’une totale confiance, poursuit-il. Dans le cadre de l’affaire Gladio, certains ont essayé de les faire parler. Ils se sont toujours heurtés à leur esprit d’équipe. Nos clandestins aussi étaient des patriotes de grande valeur. Il ne fallait pas détruire ce service mais, éventuellement, le réorienter. On l’a brutalement supprimé par ignorance et par peur du scandale, sans tenir compte des programmes internationaux auxquels nous participions. Le chef d’état-major voulait faire des économies car nos activités de couverture, sauts à haute altitude, plongées sous-marines, opérations spéciales, coûtaient trop cher à ses yeux.”

Résultat? “Certains alliés pourraient avoir pris la place…” Le bras de fer avec les autorités se déroula dans un contexte politique particulier. En effet, le ministre de la Défense de l’époque, Guy Coëme (PS), avait failli prendre pour chef de cabinet-adjoint le colonel Guy Binet, attaché au service des achats du quartier-général d’Evere mais aussi espion à la solde de l’URSS. “Le SDRA-3 avait découvert le pot aux roses, mais c’était resté en interne. Tout cela est déclassifié maintenant…”, glisse Bernard Legrand.

Le 5 septembre 1988, donc, le colonel Binet est arrêté et passe aux aveux. Mais le SGRS, qui se méfiait de l’entourage du ministre socialiste, et pour cause, s’était abstenu de mettre celui-ci formellement au courant de l’existence du Stay Behind. Quand l’affaire Gladio éclata, Guy Coëme fit celui qui tombait des nues. Il avait pourtant été informé par la Sûreté de l’État de la participation de l’armée à l’ACC et lui-même l’évoquait dans un courrier confidentiel du 7 septembre 1990 au président de la Commission de la Défense nationale, Charles Poswick. Il réclama la dissolution du SDRA-8.

Les sénateurs et l’opinion publique voulaient savoir si le “Gladio” belge n’était pas lié aux tueurs du Brabant. L’intérêt judiciaire pour cette question subsiste: la juge d’instruction Martine Michel a envoyé ses enquêteurs réinterroger le colonel Legrand. “Après la découverte de Gladio, Guy Coëme a réagi de façon incroyablement légère, sans attendre d’en savoir davantage, accuse Bernard Legrand. Alors que je lui avais dit à 16 heures qu’il n’y avait pas de lien avec les tueries du Brabant, à 19h30 (NDLR: le 7 novembre 1990), il déclarait au JT qu’il avait la solution (NDLR: “Je veux maintenant découvrir s’il existe un lien entre les activités de ce réseau secret et la vague de crimes qui a ensanglanté notre pays durant ces dernières années”). Il a dû paniquer, je ne sais pas comment un ministre de la Défense pouvait se lancer ainsi… A partir de ce moment-là, il était très difficile de reprendre le contrôle. On a mis l’enquête sur une fausse piste et on a perdu énormément de temps.”

Même le général Charlier donna des ordres pour que ses militaires révèlent le nom des Stay Behind à un aréopage de trois magistrats. “Nous étions réunis dans la grande salle de l’état-major général, se souviennent, chacun de leur côté, Bernard Legrand et Roger Durez. Un adjudant s’est levé et a dit: “Mon général, si je donnais les noms, je ne pourrais plus me regarder dans la glace quand je me rase.” Le général a fermé son dossier et est parti.”

Bernard Legrand prolonge: “Je ne comprends toujours pas cet acharnement. L’identité de nos agents dormants était couverte par le secret professionnel que défend la loi et nous avions signé un engagement avec eux.” En 1990, il y en avait encore 60 agents dormants opérationnels, dont 42 gérés par le SDRA-8. Le patron du SGRS, le général Raymond Van Calster, les remercia personnellement dans une lettre aujourd’hui rendue publique. Avant de quitter la scène, la “bande de têtus” avait rendu ses dossiers soigneusement indéchiffrables.

Bron » Le Vif