De Belgische staatsveiligheid blijft haar geheimen bewaren

De affaire Graindorge, de CEPIC met Vanden Boeynants en baron de Bonvoisin, de brand bij het weekblad Pour, Latinus en de Westland New Post, de CCC, de bende van Nijvel, het dossier Pinon, het dossier over onderzoeksrechter Lyna, … Allemaal ophefmakende affaires die België tien jaar lang in de ban hielden en dan verdwenen onder een dikke laag geheimzinnig stof.

Onafgebroken werd daarbij één instantie langs alle kanten onder vuur genomen: de Staatsveiligheid onder haar toenmalig hoofd, administrateur directeur-generaal Albert Raes. In het gisteren in Brussel voorgestelde boek “La Sûreté de L’Etat – Histoire d’une déstabilisation” van de Franstalige journalisten Christian Carpentier en Frédéric Moser (224 bladzijden, Editions Quorum, Ottignies) worden al deze affaires opnieuw onder de loep genomen. Opnieuw wordt bekeken welke rol de Staatsveiligheid in al die zaken werkelijk speelde, of welke rol haar door wie werd toebedeeld. Werkelijkheid en fictie doorkruisten daarbij mekaar voortdurend.

Albert Raes zelf zou al die jaren onverstoorbaar het zwijgen bewaren, tot vandaag de dag toe. Het boek geeft dan ook géén antwoorden op allerlei vragen die heel België zich tien jaar lang stelde en nog steeds stelt. Veeleer is het een samenbundeling, een overzicht van alle ophefmakende affaires waarbij de Staatsveiligheid opdook of vernoemd werd.

Toch verneemt de lezer hoe deze dienst pas goed onder vuur kwam nadat Raes in 1977 de vrijheid van de in België opererende CIA-agenten fameus aan banden had gelegd, en in 1980 aan zijn medewerkers bevolen had zich ook terdege te gaan bezighouden met extreem-rechts.

Op 15 juni 1990 verdween Albert Raes als hoofd van de Staatsveiligheid. De parlementaire onderzoekscommissie naar het banditisme onder voorzitterschap van André Bourgeois stelde in haar conclusies o.m. de parlementaire controle op de orde- en inlichtingendiensten, dus ook op de Staatsveiligheid, voor. Intussen blijft het nog steeds wachten op de uitvoering daarvan.

Geschiedenis en rol

Christian Carpentier en Frédéric Moser weiden verder in hun boek over tientallen bladzijden uit over de alleszins zeer interessante en erg onbekend gebleven geschiedenis en werking van de Belgische Staatsveiligheid. Een geschiedenis, die nooit eerder geschreven werd. De Staatsveiligheid bestaat al sinds de onafhankelijkheid van het land in 1830, en heeft zich in haar lange loopbaan met veel “opmerkelijke” zaken bemoeid.

Haar exacte rol en bevoegdheden werden nooit in een wet vastgelegd. Men moet wachten tot 1964 om in een artikel in een politietijdschrift, van de hand van de toenmalige baas Ludo Caeymaex, een soort taakomschrijving te vinden. Daarin leren we dat de eerste algemene opdracht van de Staatsveiligheid erin bestaat te waken over de onafhankelijkheid, de integriteit en de goede werking van de staatsinstellingen.

Om dat tot een goed einde te brengen moet gestreden worden tegen subversie in het land zelf. Die subversie kan van Belgen of van buitenlanders komen en de Staatsveiligheid zal dus spontaan of op vraag van de “hoge autoriteiten” informatie vergaren en verstrekken over subversieve groepen en/of individuen. Agitaties tegen België vanuit het buitenland vallen onder dezelfde noemer.

De tweede opdracht behelst de administratie en de contra-spionage. De Staatsveiligheid viseert de spion, die vitale militaire, politieke, economische, technische of wetenschappelijke informatie doorspeelt. De Staatsveiligheid moet ook sabotage verhinderen, uitgevoerd om het land te destabiliseren.

De derde opdracht is het beschermen van hoge personaliteiten, gaande van het koningshuis, sommige regeringsleden, tot buitenlandse personaliteiten in België op bezoek.

De vierde opdracht ten slotte bestaat erin de politieke bedoelingen van de in België verblijvende vreemdelingen te volgen, en de minister van Justitie voor te stellen diegenen uit te wijzen die een gevaar betekenen voor de openbare orde en/of de veiligheid van de staat.

In grote lijnen bezit de dienst vandaag de dag nog hetzelfde opdrachtenstramien, en hoe de Staatsveiligheid georganiseerd is vindt u in het organigram hiernaast. Hoeveel personen werken nu eigenlijk op deze dienst? Een vraag die niet makkelijk te beantwoorden blijkt, want ook deze getalsterkte hielden de bazen voor de buitenwereld steeds geheim. In november 1990 had Justitieminister Wathelet het over “een kader van 307 functionarissen, van wie 288 in functie.”

De auteurs vertellen erbij dat er 350 personen zouden kunnen werken bij de dienst Vreemdelingen, en 450 bij de Staatsveiligheid zelf. Zouden, want zekerheid konden ook zij daarover nerens bekomen. Hoe kan het ook anders wanneer administrateur directeur-generaal Albert Raes nieuwsgierigen placht wandelen te sturen met de opmerking “dat hij slechts 3 meesters kende tegenover wie hij verantwoording verschuldigd was: de minister van Justitie, de koning en … zijn vrouw.”

Bron » Gazet van Antwerpen