Belgische staat moet baron de Bonvoisin 100.000 euro betalen

De rechtbank van eerste aanleg in Brussel heeft de Belgische staat en meer bepaald minister van Justitie Annemie Turtelboom veroordeeld tot het betalen van 100.000 euro morele schadevergoeding aan baron Benoît de Bonvoisin. Dat schrijven de Concentrakranten.

Daarmee krijgt de Bonvoisin na 30 jaar eerherstel. De zaak gaat terug tot 1981, toen een nota van de staatsveiligheid naar buiten lekte. Daarin wordt de Bonvoisin de ‘zwarte baron’ genoemd en wordt hij genoemd als geldschieter van extreemrechtse groeperingen.

De beschuldigingen van de staatsveiligheid zijn nooit bewezen. De baron zegt het slachtoffer te zijn van een complot. De Bonvoisin had 6,25 miljoen euro geëist van de Belgische staat. De 100.000 euro morele schadevergoeding, waar de staat tegen in beroep gaat, voelt niet echt als een overwinning voor de baron. “Alleen op het morele vlak”, aldus zijn advocaat Cédric Bernès.

Bron » De Morgen

Baron de Bonvoisin eist 6,25 miljoen euro van Belgische staat

De beruchte baron Benoît de Bonvoisin eist 6,25 miljoen euro van de minister van Justitie omdat hij nu al dertig jaar gebrandmerkt is als de “zwarte baron” op basis van een nota van de staatsveiligheid die in 1981 uitlekte en die onwaar is gebleken. Dat schrijft De Tijd vandaag.

De belangrijkste argumenten die zijn fikse schadevergoeding rechtvaardigen, haalt de Bonvoisin uit een rapport van het Comité I, dat de Belgische inlichtingendiensten controleert. Dat rapport is in 2009 opgesteld. Het onthult hoe de staatsveiligheid begin jaren 80 de Bonvoisin in de gaten hield. Het schetst een allesbehalve rooskleurig plaatje, niet in het minst van de toenmalige baas van de dienst, de Bruggeling Albert Raes.

Bron » De Morgen

Hoe de Staatsveiligheid baron de Bonvoisin heeft gepakt

Dertig jaar heeft het geduurd voor de waarheid aan het licht kwam, maar nu is het eindelijk bewezen: de Staatsveiligheid heeft op basis van ongecontroleerde geruchten de reputatie van baron Benoît de Bonvoisin doelbewust om zeep geholpen. Tot die conclusie komt het Comité I, de dienst die in opdracht van het parlement de Belgische inlichtingendiensten controleert, in haar jongste jaarverslag.

De problemen van de baron begonnen in het voorjaar van 1981, toen De Morgen een vertrouwelijke nota van toenmalig minister van Justitie Philippe Moureaux (PS) publiceerde waarin de Bonvoisin werd afgeschilderd als de occulte financier van het Front de la Jeunesse, een gewelddadige en extreemrechtse knokploeg.

Die zogenaamde CEPIC-nota, gebaseerd op informatie afkomstig van de Staatsveiligheid, was bestemd voor de senatoren die lid waren van de commissie-Wijninckx, een parlementaire onderzoekscommissie die privé-milities zoals de Vlaamse Militanten Orde (VMO) en het Front de la Jeunesse onder de loep nam.

Sindsdien kreeg de edelman de bijnaam ‘zwarte baron’ en werd zijn naam gelinkt aan allerlei duistere affaires uit de jaren tachtig, tot en met het dossier van de Bende van Nijvel.

De uitgelekte nota was ook de start van een juridische uitputtingsslag, die de Bonvoisin gedurende al die jaren heeft gevoerd om zijn verloren eer te herwinnen. Die veldslag, die uitgevochten werd in diverse rechtbanken, eindigde pas in 2000 voor het hof van beroep van Bergen met een vrijspraak van de baron over de hele lijn.

Een gewone burger die op deze manier door de Staatsveiligheid wordt aangepakt, zou wellicht de moed verliezen en in de anonimiteit verdwijnen. De Bonvoisin is evenwel niet de eerste de beste.

Hij is de kleinzoon van Alexandre Galopin, gouverneur van de Société Générale tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij beschikte over zeer goede internationale contacten op hoog niveau in Washington, Parijs en elders. Hij had het karakter en het geld om terug te vechten.

In 2006 diende de Bonvoisin klacht in bij het Comité I omdat hij beweerde ernstig benadeeld te zijn geweest door de activiteiten van de Staatsveiligheid. “De betrokkene meent reeds jarenlang slachtoffer te zijn (geweest) van manipulatie en van gefabriceerde gegevens die zijn reputatie hebben vernietigd”, noteerde het Comité toen.

Vier jaar later komt het controlecomité nu tot de conclusie dat de Bonvoisin volkomen gelijk heeft. In haar jaarverslag over 2009, dat zopas werd gepubliceerd, stelt het Comité dat de baron “het mikpunt werd van nota’s en rapporten van de Staatsveiligheid die bestemd waren voor de minister van Justitie om redenen die niet duidelijk zijn.

Bovendien kon het Comité I alleen maar vaststellen dat deze nota’s en rapporten beweringen, vermoedens en zelfs deducties bevatten die niet werden geverifieerd op hun geloofwaardigheid en betrouwbaarheid en zonder enige nuancering werden geformuleerd.”

Het controlecomité kon vaststellen dat “deze zaak, in weerwil van haar ouderdom, nog steeds uiterst gevoelig lag”. Het ondervond dan ook grote moeilijkheden en hardnekkige weerstand tijdens haar onderzoek.

Zo verklaarden meerdere agenten, ex-agenten, maar ook de vorige en huidige administrateur-generaal van de inlichtingendienst “dat het Comité I niet bevoegd was om een onderzoek te voeren naar oude en dus verjaarde feiten of naar feiten die dateren van voor de oprichting van het Comité”. Onzin natuurlijk, want het controlecomité was wel degelijk bevoegd.

Voorts lijkt het er sterk op dat de Staatsveiligheid op voorhand haar archieven had ‘uitgekuist’, want het controlecomité ontdekte daar wel een dossier-de Bonvoisin, “maar dat bevatte geen stukken uit de periode 1970-1980”.

Ook elders botste het Comité op een muur. Zo kreeg het bijvoorbeeld van de senaatsvoorzitter geen inzage in de verklaringen die Albert Raes, de chef van de Staatsveiligheid in 1981, achter gesloten deuren had afgelegd voor de commissie-Wijninckx. Evenmin kreeg het Comité toegang tot de vertrouwelijke documenten die worden bewaard in het archief van wijlen Walter De Bock, de onderzoeksjournalist van De Morgen die destijds de CEPIC-nota heeft gepubliceerd.

Getuigen vinden over die oude zaak bleek evenmin simpel. “De toenmalige leidinggevenden van de Staatsveiligheid en de meeste agenten die hadden gewerkt in de dossiers betreffende baron de Bonvoisin, hadden de dienst verlaten, onder meer door het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Bovendien waren sommigen ernstig ziek en anderen overleden.”

En pogingen om Albert Raes, de legendarische ex-patron en spionnenmeester en de sleutelfiguur in deze zaak, te kunnen ondervragen mislukten jammerlijk. “De onderhandelingen hieromtrent, via uitvoerige briefwisseling met Raes en zijn raadslieden, zijn spaak gelopen”, zegt het jaarverslag. “Raes kon ook niet worden gedagvaard. Ex-leden van de inlichtingendiensten kunnen immers niet verplicht worden om te getuigen voor het Comité I.”

Het controlecomité ontdekte een verband tussen de werkzaamheden van de commissie-Wijninckx en de intense opvolging van de baron door de Staatsveiligheid. De reden hiervoor kon het Comité niet achterhalen.

“Pas in de periode kort voor de oprichting van de commissie-Wijninckx en in de periode waarin deze commissie actief was, zette de Staatsveiligheid plots veel middelen in om baron de Bonvoisin te volgen, met name door een beroep te doen op bepaalde informanten die beter vergoed werden dan anderen en door de uitvoering van verschillende schaduwoperaties.”

Verder bevestigt het Comité dat er in die periode “een parallel circuit was ontstaan met een niet-officiële sectie die bestond uit getrouwen van toenmalig administrateur-directeur-generaal Albert Raes. Richtlijnen kwamen rechtstreeks van Raes, via zijn adjunct, zonder dat ze de gebruikelijke hiërarchische weg volgden.

Agenten bezorgden hun rapporten ook rechtstreeks aan Raes, zonder hun hiërarchie in te lichten over het geleverde werk en zonder dat deze de informatie kon valideren. Sommige van deze rapporten werden met de hand geschreven. Ook werd er vaak rechtstreeks mondeling verslag uitgebracht bij Raes. Sommige getuigen verklaren dat ze meer rapporten hebben geschreven of gemaakt dan er voorkomen in het onderzoeksdossier van het Comité I.”

De informatie die de getrouwen van Raes verzamelden, werd met andere woorden niet gecheckt. “Het Comité I vond geen spoor van enige verzoek tot verificatie. Er werd ook geen enkele analyse gevonden. Volgens verschillende getuigen hechtte Albert Raes daar niet het minste belang aan.

Ruwe informatie werd zonder verificatie rechtstreeks aan hem bezorgd en deze informatie diende als basis voor de nota’s voor de minister van Justitie. Het Comité I moest vaststellen dat de verkregen informatie weliswaar soms eerst met enig voorbehoud werd geformuleerd en toch later elders als vaststaand werd voorgesteld.

Het was de directie die tussenkwam om de inhoud van sommige rapporten te beïnvloeden. Dit geldt bijvoorbeeld voor de rapporten van de Staatsveiligheid die werden gebruikt door de toenmalige minister van Justitie voor het opmaken van de Cepic-nota. Deze rapporten werden gecorrigeerd en – door de adjunct-administrateur, maar ook op verzoek van de administrateur-directeur-generaal – in de aantonende wijs herschreven, terwijl ze oorspronkelijk in de voorwaardelijke wijs waren opgesteld.”

De kritiek van het Comité I is dan ook niet zozeer gericht tegen het geheel van de toenmalige Staatsveiligheid als instelling, “maar wel tegen het parallelle en niet-officiële circuit dat in december 1980 en begin januari 1981 werd opgericht binnen deze dienst en dat heeft gefunctioneerd buiten de bevoegde secties – en zelfs zonder hun medeweten – die als taak hadden extreemrechts op te volgen”.

Overigens preciseert het Comité I wel dat “de belangstelling van de Staatsveiligheid voor baron de Bonvoisin legitiem was, dit gelet op zijn activiteiten, zijn reizen en zijn contacten, met name met extreemrechtse bewegingen”.

Bron » Apache

Baron de Bonvoisin ‘mikpunt van parallel circuit’

Baron Benoît de Bonvoisin was het mikpunt van een ‘parallel en niet-officieel circuit’ binnen de Staatsveiligheid. Nota’s en rapporten over de Bonvoisin bestemd voor de minister van Justitie – aanvankelijk Philippe Moureaux en naderhand Jean Gol – ‘bevatten beweringen, vermoedens en zelfs deducties die niet werden geverifieerd op hun geloofwaardigheid en betrouwbaarheid en zonder enige nuancering werden geformuleerd’. Dat staat in het Activiteitenverslag 2009 van het Vast Comité van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten.

Het parallelle en niet-officiële circuit werd in de jaren 1980-1981 opgericht binnen de Staatsveiligheid maar functioneerde, volgens het jaarverslag, buiten de bevoegde diensten die als taak hadden extreemrechts te volgen.

De vaststelling in het jaarverslag van het Vast Comité I komt neer op een blamage voor Albert Raes, de toenmalige chef van de Staatsveiligheid. Raes, inmiddels met pensioen, heeft de Bonvoisin al die jaren achtervolgd met tal van aantijgingen. Zo werd Benoît de Bonvoisin, door de media steevast als de Zwarte Baron bestempeld want gelinkt aan fascistoïde groeperingen, onder meer in verband gebracht met de Bende van Nijvel.

Eerder al bleek uit ondervragingen van het gerecht dat enkele journalisten zich al te gewillig door de agenten van de Staatsveiligheid lieten gebruiken om de verdenkingen tegen de Bonvoisin aan te dikken. Waarop hun krantenverhalen werden gebruikt om de rapporten van de Staatsveiligheid te stofferen.

Bron » Knack

Comité I berispt Staatsveiligheid inzake De Bonvoison

De belangstelling van de Staatsveiligheid voor baron Benoît de Bonvoisin, vertrouweling van wijlen Paul Vanden Boeynants, was “legitiem, gelet op zijn activiteiten, zijn reizen en zijn contacten, met name met extreemrechtse bewegingen”.

“Dit belet echter niet dat hij het mikpunt is geworden van nota’s en rapporten die bestemd waren voor de minister van Justitie om redenen die niet duidelijk zijn.” Volgens het maandblad Mo* trekt het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten – het Comité I – deze conclusie in een rapport over het onderzoek van de Staatsveiligheid naar de baron.

In augustus 2005 diende de Bonvoisin bij het Comité I een klacht in tegen “de handelingen van sommige ambtenaren van de Staatsveiligheid die hem sinds 1981 ernstig hebben geschaad”. Het Comité I opende in februari 2006 een onderzoek. Het Toezichtsonderzoek van het Comité I is ondertussen afgerond en MO* kon het voorlopige rapport inkijken.

Het Comité stelt daarin vast dat nota’s en rapporten van de Staatsveiligheid “beweringen bevatten die niet werden geverifieerd en zonder enige nuancering werden geformuleerd, evenals vermoedens en zelfs deducties die zonder voorbehoud en zonder onderzoek naar geloofwaardigheid en betrouwbaarheid werden geformuleerd”.

De kritiek van het Comité I is vooral gericht tegen het “parallelle en niet-officiële circuit” dat eind 1980 en begin 1981 binnen de Staatsveiligheid werd opgericht en “dat gefunctioneerd heeft buiten de secties die als taak hadden extreemrechts te volgen”, zo citeert MO* op zijn website.

Het Comité I stelt ook een wetswijziging voor zodat ex-werknemers van de Belgische inlichtingendiensten verplicht kunnen worden om te getuigen.

Bron » De Morgen