Van Melchior Wathelet wordt doorgaans gezegd dat hij een van de omzichtigste excellenties is uit de Belgische politiek. Zijn optreden is zelden spectaculair, hij vliegt er niet in “als een Tobback” en hij geeft meestal de indruk twee keer na te denken voor een ronkende verklaring af te leggen.
Maar wat is er met hem de voorbije dagen gebeurd? Viel de minister uit zijn rol? Vergat hij af te remmen in de bocht? In elk geval was hij bijna dagelijks in het nieuws en minstens in één geval trapte hij zelfs op zere teentjes. Dat is niet de gebruikelijke stijl van Melchior Wathelet (44), vice-premier, minister van Justitie en van Economische Zaken, “mega-minister” in het kabinet Dehaene.
Het begon eigenlijk al aan de vooravond van de grote Belgisch-gezinde betoging tegen het separatisme (en als men eerlijk wil zijn ook een beetje tegen het federalisme). Samen met zijn partijgenoot Maystadt vond Melchior Wathelet het nodig openlijk zijn sympathie te betuigen aan een duidelijk unitair geïnspireerd initiatief, dat ook het Sint-Michielsakkoord onder vuur nam.
Als vice-premier en topminister van de PSC kan Wathelet nochtans moeilijk beweren dat hij niets te maken heeft met de totstandkoming van Sint-Michiel. Toch kreeg Wathelet relatief weinig tegenwind met zijn steunbetuiging. Misschien omdat zijn Belgische reflex toch algemeen bekend is.
In december ’92 zei hij in een interview in Het Belang van Limburg: “Op sommige domeinen is de staatshervorming te ver gegaan. We zullen alinea’s moeten schrappen om redenen van efficiëntie…” Sindsdien is de staatshervorming nog veel verder gegaan…
Balie in harnas
Een frontale aanrijding met de advocatuur, dat stond zeker niet op zijn palmares. Een en ander was het gevolg van een reactie van de justitieminister na de ontgoochelende jury-perikelen in het proces Haemers.
In de Senaat betwijfelde Wathelet het gratis werk van de advocaten en achteraf voegde hij er nog eens aan toe dat BRTN en RTBf moesten gesubsidieerd worden om processen à la Haemers te filmen, omdat advocaten dan blijkbaar bereid zijn pro deo te werken. Dat was er voor de Brusselse balie te veel aan.
Vorige dinsdag trokken de Deken van de Nationale Orde, mr. Boccaert, en de Stafhouder van de Franstalige Orde van Advocaten van Brussel, mr. Legros, naar het kabinet om uiting te geven aan de beroering die aan de balie was ontstaan. De suggestie dat advocaten betaald zouden zijn met misdaadgeld en daarenboven graag wat TV-reclame meepikken, zat hen hoog.
Maar Melchior Wathelet loste de zaak vrij behendig op. Hij liet de vertegenwoordigers van de balie stoom afblazen en bouwde meteen een bezinningsperiode in, de “Pacificatie van het Poelaertplein”.
In dat verband toch even het slot van zijn lange, een beetje saaie en weinig zeggende persmededeling na het onderhoud met Boccart en Legros: “Ik heb duidelijk gezegd, bij het begin van mijn antwoord in de Senaat, dat geen overhaaste of overdreven conclusies mochten worden getrokken uit een buitengewoon proces; diezelfde regel moet worden toegepast bij de vaststellingen die ik in verband met dit proces maakte. De overdreven omvang en de overdreven mediatisering moeten ons tot nadenken stemmen…” Wathelet op zijn best.
Kritiek op media
Opvallend in bovengenoemd citaat is Wathelet’s fors standpunt tegen de overdreven mediatsering. In hetzelfde communiqué haalt hij nog eens fijntjes uit als hij het heeft over “processen, waarvan de complexiteit en de gevoelsmatige inhoud door de media overbelicht worden”. Wat moeizaam uitgedrukt, maar heeft hij niet een klein beetje gelijk?
Sommige media hebben het proces Haemers op een onvoorstelbaar afschrikwekkende manier voorgesteld en het circus, dat zo’n assisenproces toch bijna onvermijdelijk is, ook nog laten uitgroeien tot de ontspanningsgebeurtenis van de eeuw. Moord, roof, ontvoering, spectaculaire ontsnappingen, beter nog dan een Amerikaanse misdaadserie. In tijden van “infotainment” een buitenkans die men niet mag laten liggen.
Hoe voorzichtig Wathelet ook moge zijn, enige moed om zijn mening te uiten over de media kan hem niet worden ontzegd. Dat siert hem, want de meeste van zijn collega’s zijn een en al welwillendheid als TV-camera’s beginnen te draaien. In oktober 1991, in barre politieke tijden, weigerde hij met uiterste beleefdheid een interview aan de Vlaamse commerciële omroep.
“VTM heeft mij toch niet meer nodig. Ik werd uitgenodigd voor een uitzending van Telefacts over de wapenhandel en ik had alles netjes voorbereid. Tot er een telefoontje kwam dat het niet meer hoefde en dat men hét met mijnheer Spitaels zou doen…” Hij trok even de schouders op, lachte minzaam en verdween uit de Wetstraat. Klasse.
Lex-Haemers
Woensdag kwam er, niet geheel onverwacht, weer een snelle reactie van de minister uit Verviers. Hij kondigde aan dat hij de uitloting van juryleden bij het assisenhof zal vergemakkelijken. Hij wil vooral dat er meer kandidaat-juryleden kunnen worden opgeroepen dan het huidige maximum van 90. Zijn voorontwerp van wet is klaar en men verwacht dat het vandaag vrijdag probleemloos door de ministerraad komt.
Daarmee zal men dan wel het juryprobleem oplossen als het proces-Haemers voor een tweede keer start. Maar zou men hier juridisch niet kunnen opmerken dat de mini-hervorming met welke goede bedoelingen ook, een beetje “wetgeving à la carte” is?
Men zit met één probleem (het exclusieve juryprobleem in de zaak Haemers) en de minister past ineens de wet aan. Een aanpassing die voor alle andere assisenzaken uit de geschiédenis niet nodig was. Met het bijkomende risico dat men straks uit enkele honderden uitgelote kandidaten voldoende “vrijwilligers” vindt om maandenlang jurylid te spelen.
Dat verdoken vrijwilligerswerk is nooit de bedoeling van de wetgever geweest. Maar kan men het de minister kwalijk nemen dat hij dat unieke probleem zo vlug mogelijk van de baan wil? Desnoods met een “lex Haemers”.
Bron » Gazet van Antwerpen