Ze waren met minstens 300.000, een van de grootste mensenmassa’s die ooit door de straten van Brussel trok. Dertig jaar geleden, in de Witte Mars van 20 oktober 1996, schreeuwde een langgerekte stoet van mensen met witte ballonnen, linten, petten en mutsen oorverdovend stil zijn woede uit over het geknoei van justitie en politie. En niet alleen in de zaak-Dutroux.
Dertig jaar na datum is men er nog altijd niet uit hoeveel mensen precies mee stapten in de Witte Mars van 20 oktober 1996. Een officiële telling is er niet, omdat er zoveel volk was dat een precies getal erop plakken ondoenbaar was. De meest voorzichtige schattingen houden het op 300.000, andere bronnen ronden af op 500.000 met hier en daar een uitschieter tot 650.000. In elk geval: er was heel, heel veel volk, daarover is iedereen het eens. Volgens wie in beide manifestaties meeliep, was er wellicht meer volk dan dertien jaar eerder op de anti-rakettenbetoging. Die klokte volgens de tellers van de toenmalige rijkswacht af op 400.000 en was tot dan de allergrootste betoging die ons land ooit had gekend.
Op de anti-rakettenbetoging ging het van “Godverdomme, weg met die bommen” of “Stop de kruisraket”. Met spandoeken, pancartes en geschreeuw en geroep t’allen kant. Bij de Witte Mars was dat anders. Hier en daar was er wel een zelf geknutselde kartonnen plakkaat met daarop “Stop de doofpot” en foto’s van vermoorde of vermiste kinderen. Julie, Melissa, An, Eefje, Elisabeth, Loubna, Nathalie, Kim, Ken… Voor de rest was er stilte. Het inspireerde het Nieuwsblad om die zondag zijn speciale editie te openen met de veelzeggende kop: “Een stille schreeuw”. In de maandagkrant werd dat “Witte massa schreeuwt stil”, met daaronder: “Brussel ziet wit van het volk”.
Het was stil en het was wit. Zo was het ook bedoeld. De ouders van de vermoorde en vermiste kinderen hadden nauwelijks twee weken eerder opgeroepen tot een mars door de straten van Brussel. Het was Marie-Noëlle Bouzet die het eerste zaadje plantte. Eind september liet ze zich in een interview met de krant La Libre Belgique langs de neus weg ontvallen dat “une promenade de dimanche, tranquille et quelques chose de très symbolique – een zondagse wandeling, rustig en iets met veel symboliek”, misschien geen slecht idee zou zijn om de onvrede te ventileren over alles wat was misgelopen in de zoektocht naar vermiste kinderen in het land. Ze had het idee de avond voordien gekregen, zei ze. Tijdens een telefoontje met Carine Russo, de moeder van Melissa, een van de slachtoffertjes van Marc Dutroux.
Marie-Noëlle Bouzet (ze stierf in 2025 aan de gevolgen van kanker) was de moeder van Elisabeth Brichet. Het meisje was 12 toen ze spoorloos verdween op 20 december 1989. Zeven jaar na de verdwijning van haar dochter was er nog altijd geen spatje nieuws en Bouzet had niet de indruk dat de speurders de onderste steen boven hadden gehaald. Ze werd in het ongewisse gelaten door de politie, de rijkswacht en het parket. Dat was krek wat ook andere ouders was overkomen. Die van Loubna Benaïssa bijvoorbeeld, die in de zomer van 1992 verdween. Bij de verdwijning van Nathalie Geijsbregts, in februari 1991 en Kim en Ken in januari 1994. En ja, ook toen Julie Lejeune en Melissa Russo in juni 1995 verdwenen in Grâce-Hollogne, en An Marchal en Eefje Lambrecks in in augustus 1995 in Oostende, lieten politie en justitie zich niet meteen van hun meest menselijke en doortastende kant zien. Net zoals bij Sabine Dardenne (in mei 1996) en Laetitia Delhez (9 augustus 1996).
Volkswoede
Toen Sabine en Laetitia op 15 augustus levend en wel werden bevrijd uit de kelder van Marc Dutroux in Marcinelle reageerde heel het land vol ongeloof en opluchting. Ze waren er opgesloten in een verborgen ruimte, weggestopt achter een wandrek voor conservenblikken en flessen. Nauwelijks twee dagen lager sloeg dat ongeloof om in walging en boosheid toen de lichamen van Julie en Melissa werden opgegraven in de tuin van een ander huis van Dutroux in Jumet. Ze waren omgekomen van ontbering. Toen bleek dat Marc Dutroux al een hele tijd op de radar stond van de rijkswacht, maar er niet was ingegrepen, werd die boosheid woede. Met de ontdekking van de lichamen van An en Eefje in nog een ander huis van Dutroux begin september was die volkswoede niet meer in te tomen.
De onvrede en frustratie bij de bevolking werd steeds groter met elk detail dat uitlekte van het onderzoek. Hoe de ene politiedienst de andere tegenwerkte, hoe de ouders van de meisjes van het kastje naar de muur werden gestuurd en niet gehoord werden, hoe kil het justitieapparaat en de politiek reageerden op hun smeekbedes. Dat kwam al bovenop een ratjetoe aan eerdere mislukkingen en malversaties in ons land – van de onopgeloste raids en moorden van de Bende van Nijvel tot de politieke moord op PS-politicus André Cools. Toen ook nog eens bleek dat Dutroux in 1989 al eens veroordeeld was tot dertien jaar voor ontvoering en misbruik van minderjarigen, maar drie jaar later al vervroegd vrij was gekomen, ging de volkswoede crescendo.
Spaghetti
De ouders van de verdwenen en vermoorde kinderen verenigden zich en het ballonnetje dat Marie-Noëlle Bouzet had opgelaten tijdens dat kranteninterview, kreeg zijn eerste concrete vormen. Alles kwam in een stroomversnelling door een nieuwe bommetje dat ontplofte. Julien Pierre, de toenmalige advocaat van Marc Dutroux, was in de Waalse regionale krant Vers l’Avenir gestoten op een foto Jean-Marc Connerotte, de onderzoeksrechter die was aangesteld in de zaak-Dutroux. Connerotte had een benefietavond bijgewoond waarin geld werd ingezameld om de gerechtskosten te dragen van Laetitia Delhez, een van de slachtoffers van Dutroux. Connerotte kreeg er een pen en een bord spaghetti.
Julien Pierre diende bij cassatie een wrakingsverzoek in voor Connerotte. Door zijn aanwezigheid op die spaghetti-avond had hij zich al te partijdig getoond, iets wat een onderzoeksrechter te allen tijde moest vermijden. De reacties in elk dorp en elke stad van het land op dat wrakingsverzoek waren oorverdovend. Verontwaardiging, onbegrip, frustratie en nóg meer woede. Toen het Hof van Cassatie op 14 oktober onderzoeksrechter Connerotte ook daadwerkelijk van het onderzoek haalde, kookte het over. Scholieren kwamen spontaan op straat, arbeiders legden het werk neer, justitiepaleizen werden bekogeld met eieren en tomaten.
Overrompeling
Een dag na dat spaghetti-arrest volgde een officiële oproep van de ouders van vermoorde en vermiste kinderen voor een mars in Brussel op zondag 20 oktober. Een Witte Mars, met hoofdletters. Wit als kleur van de onschuld en van de hoop. Een mars zonder slogans, zonder politieke boodschappen. Iedereen mocht aanwezig zijn, zonder kleur. Geen vakbonden of partijen die achter hun kleur marcheerden. Geen recuperatie, van niemand. Enkel mensen, ouders, kinderen die op die manier hun ongenoegen konden uiten. “We willen dat deze mars en vreedzame demonstratie van het volk is, passend bij onze waardigheid”, stond in het persbericht. Een ook: “Wit zal onze kleur zijn, het symbool van onze kinderen, van de verraden onschuld, maar ook van de geweldloosheid.”
Zowat alle kranten en omroepen namen de oproep over en spoorden lezers, luisteraars en kijkers aan om erbij te zijn. Het resulteerde in een overrompeling van Brussel die zondag. De NMBS had 56 extra treinen ingelegd die stuk voor stuk tjokvol zaten. De stations konden de massa nauwelijks slikken. Bij de start van de optocht om 14 uur stonden sommigen al uren aan te schuiven in de vertrekhallen van Brussel-Noord, -Centraal en -Zuid. De Brusselse metro kreeg al dat volk niet verwerkt. In die mate dat veel mensen onverrichter zake rechtsomkeer maakten en terug naar huis spoorden.
Brussel kleurt wit
Aanvankelijk was het de bedoeling dat de Witte Mars zou vertrekken aan het parlement in de Wetstraat en zou eindigen aan het Brusselse justitiepaleis aan het Poelaertplein. Omdat de ordediensten aangaven dat ze de veiligheid op dat – te korte – traject onmogelijk konden garanderen, werd uiteindelijk beslist om het beproefde Brusselse betogingstraject te volgen. Van het station Brussel-Noord tot het plein voor het zuidstation.
De massa volgde de ordewoorden van de ouders rigoureus op. Zoals in het Nieuwsblad te lezen was: “Ze hadden witte petjes, witte cowboyhoeden, witte bontmutsen of witgeschilderd haar. Ze hadden witte knuffelberen mee, hadden hun poedel met een witte strik opgedirkt, hadden witte sjaals om de hals geknoopt en hadden witte bloemen in de hand. En ze hadden witte T-shirts en pullovers aan. (…) Als het maar wit was. Voor een betere wereld voor onze kinderen. En voor meer gerechtigheid.”
De handdruk van de premier
Stipt om 14 uur kwam de stoet op gang, met voorop de ouders. Sabine en Laetitia waren er ook. Ze bleven wat schuchter op de achtergrond. En ze spraken heel even de massa toe. “Bedankt dat jullie met zoveel zijn”, zei Sabine. “Een niet mis te verstaan signaal dat we een betere wereld willen voor onze kinderen. Dit samenzijn is een teken van onze macht”, zei een van de sprekers. De mars verliep zo ordentelijk als dat kan in een straat die onder de voet wordt gelopen door een gigantische massa. De ouders werden aangeklampt, kregen schouderklopjes, omhelzingen. Een cordon moest hen enigszins beschermen tegen al te veel genegenheid van de honderdduizenden mensen.
Ergens halverwege het traject sloegen ze af richting de Lambermontstraat aan het Warandepark. Daar wachtte de toenmalige premier Jean-Luc Dehaene hen op. De houterige, wat brute manier, waarop hij Sabine en Laetitia de hand schudde staat dertig jaar later nog op ieders netvlies gebrand. Het was zijn onbehouwen manier om te tonen dat de stille schreeuw wel degelijk werd gehoord in de Wetstraat.
Child Focus
In het koninklijk paleis een steenworp verderop was dat al wat langer het geval. In de weken voor de Witte Mars hadden koning Albert en koningin Paola de ouders van de vermiste en vermoorde kinderen al een paar keer ontvangen. Eerst om hen apart te spreken en te troosten, en hun persoonlijk verhaal te horen over hoe men met hen was omgegaan, wat er schortte, wat beter kon. De vrijdag voor de Witte Mars hield het koningspaar een rondetafelgesprek met alle ouders. De koning sprak zijn diepe medeleven en zijn steun voor hun actie van de zondag nadien. Hij maande de overheid ook aan tot nederigheid en diepgaand zelfonderzoek.
Het was tijdens dat rondetafelgesprek dat Jean-Denis Lejeune, vader van de door Dutroux vermoorde Julie, koning Albert voorstelde om een soort agentschap op te richten dat ouders kon bijstaan bij een verdwijning. In Amerika bestond dat al. Het National Center for Missing and Exploited Children was een centraal aanspreekpunt dat opsporingsberichten snel en massaal verspreidde. Niet lang daarna kreeg het idee van Jean-Denis Lejeune vaste vorm, met de oprichting van Child Focus.
Ook de politiek had het signaal begrepen. Er was net voor de Witte Mars al beslist dat er een parlementaire onderzoekscommissie zou komen naar de malversaties tijdens de zaak-Dutroux. Het falen op alle niveaus van de verschillende politiediensten en het gerecht werd pijnlijk blootgelegd. De aanbevelingen van die commissie resulteerden uiteindelijk in verregaande politiehervorming, waarbij de drieledige structuur – rijkswacht, gemeentepolitie, gerechtelijke politie – werd afgeschaft en een geïntegreerde politie in de plaats kwam. En de rechten van slachtoffers kregen een centrale plaats in de strafprocedures en veel meer rechten en zelfs inspraak bij het vervroegd vrijlaten van misdadigers via de Strafuitvoeringsrechtbank.
Bron » Het Nieuwsblad