De chef van de staatsveiligheid, Albert Raes, gaf er begin deze maand de brui aan. Schriftelijk verzocht hij minister van Justitie, Melchior Wathelet, hem te willen ontheffen van zijn “huidige zware verantwoordelijkheden.” De minister antwoordde snel en zonder aarzelen: ik aanvaard uw vraag om ontlast te worden van uw verantwoordelijkheid aan het hoofd van de administratie van de Openbare Veiligheid”.
Formeel gesproken heeft Raes dus zelf het initiatief tot zijn ontslag genomen. Daardoor heeft hij voor de buitenwereld de eer aan zich willen houden. Daar is geen speld tussen te krijgen. De versie-achter-de-schermen van dat ontslag wijkt echter behoorlijk sterk af van de officiële.
Die komt er op neer dat hijzelf heeft moeten bedanken eer hij werd bedankt voor bewezen diensten.
IJverig en grondig
Binnen de regering was het een week voordien al een uitgemaakte zaak dat er met Raes als chef van de staatsveiligheid geen land meer te bezeilen was. En Raes wist dat. “Hij voelt het en hij weet het dat de tijd van gaan is gekomen,” zo liet minister Wathelet zich toen in een vergadering met collega’s-ministers ontvallen.
Raes, die op 1 april 1977 – hij was toen 45 jaar – tot chef van de staatsveiligheid werd aangesteld, werd meer gevreesd dan bewonderd. Wie meer dan dertien jaar lang in het grootste geheim informatie verzamelt over al wie een mogelijk gevaar voor de veiligheid van de staat zou kunnen zijn, bouwt uiteraard mettertijd een sterke macht op. Informatie is macht in de justitiële en politieke jungle.
Alle ministers en met hen hun belangrijkste medewerkers, evenals vele, zo niet alle parlementariërs zijn ervan overtuigd dat hun handel en wandel nauwkeurig staat genoteerd op de steekkaarten van Raes. Aan die geheime “doorlichting” ontsnappen zelfs geen magistraten, politiemensen en gendarmen.
Zij allen vermoeden zelfs dat heel wat van hun telefoongesprekken door de staatsveiligheid worden afgeluisterd. Waar zij absoluut geen twijfel over hebben is dat Raes daarbij als speurder altijd bijzonder ijverig en erg solide te werk ging. De informatie die hij vergaarde was navenant ruim, grondig en uiteraard ook delicaat.
Wantrouwen en haat
Ministers, of om het even wie die bij Raes rechtstreeks of langs een omweg probeerden informatie te pakken te krijgen over zichzelf of over anderen kwamen steeds van een kale reis thuis. Werd hij onder druk gezet dan scheepte Raes ze kordaat af met het argument dat hij als chef van de staatsveiligheid alleen voor Cicero werkte. Hij bedoelde hiermee dat de koning in feite zijn enige baas was. Die visie op zijn taak werkte bijzonder irriterend.
Hij voelde er zich bijgevolg niet toe verplicht zijn informatie prijs te geven. Daar handelde hij consequent naar, ook al was de vrager een minister. Zelfs een minister van justitie ving om die reden vaak bot bij Raes en was er dus nooit zeker van of hij van de staatsveiligheid alle gevraagde inlichtingen wel kreeg toegespeeld.
Ontegenzeglijk dwong Raes daardoor veel respect af, maar, zoals gezegd, was dat veeleer om de vele, geheime informatie die hij bezat dan om zijn persoon en zijn functie. Men was bang voor Raes. In feite werd hij in hoge mate gewantrouwd en zelfs gehaat.
Het wekt dan ook geen verbazing dat Raes met de jaren, en vooral in politieke kringen, meer vijanden dan vrienden is gaan tellen. Een aantal politici, onder wie VdB, hadden aan Raes een grondige hekel en gaven daar ook publiekelijk lucht aan. De aversie tegen de staatsveiligheid, maar in uitgesproken mate tegen Raes, bereikte haar hoogtepunt met de parlementaire commissie voor de bestrijding van het banditisme en terrorisme.
Barbertje
De klap op de vuurpijl kwam er toen deze commissie haar conclusies trok en Louis Tobback, minister van binnenlandse zaken, op grond daarvan in een interview met deze krant (GVA – 4 mei 1990) verklaarde dat de staatsveiligheid van nul en gener waarde is en hij met verve pleitte voor afschaffing ervan. Met deze radicale uitspraak kreeg niet de staatsveiligheidsdienst, maar wel zijn chef de doodsteek.
De staatsveiligheid van Raes was voordien al fel in opspraak gebracht, zelfs door de BOB en de gerechtelijke politie. Vorig jaar viel zelfs het Hoog Comité van Toezicht voor huiszoekingen pardoes binnen bij drie ambtenaren van de staatsveiligheid.
Er zijn veel vraagtekens gerezen over de rol die Raes en zijn dienst hebben gespeeld in de dossiers van de Bende van Nijvel, de CCC, de extreem-rechtse beweging van Westland New Post, de Bonvoisin, de moord op wapenhandelaar Juan Mendez, de vlucht van Jean Bultot en dies meer. Maar waar ligt hier de grens tussen fictie, roddel, verdachtmakingen en waarheid?
Hoe dan ook, Raes is er niet in geslaagd het grote wantrouwen jegens de staatsveiligheid en zijn wijze van opereren weg te werken. En daar is híj in eerste instantie het slachtoffer van geworden.
Vorig jaar heeft Raes in een lang interview met La Libre Belgique (30.5.1989) nog getracht – en het was de eerste keer sedert het ontstaan van België dat een chef van de staatsveiligheid een interview toestond – de zaken te doen keren. “Hoe efficiënter een dienst werkt, hoe meer men hem probeert zwart te maken,” verklaarde hij toen.
Het was echter tevergeefs. Hij had het verkorven en Barbertje moest hangen.
Bron » Gazet van Antwerpen