Zou het kunnen dat topcrimineel en eeuwige Bende-verdachte Madani Bouhouche as we speak in dezelfde HUMO zit te bladeren als u? Bouhouche werd eind 2005 na een ongeluk met een omgezaagde boom officieel doodverklaard door een arts ergens in de Franse Pyreneeën. Twijfels waren er al, nooit eerder geopenbaarde documenten geven die nu nog meer grond.
Voor de net 40 geworden Alain Santouil was de schok dubbel. Hij woonde al jaren ver van de bewoonde wereld in Fougax-et-Barrineuf, een gehucht aan de voet van de Franse Pyreneeën. Hij had in dat onherbergzame gebied één iemand die voor een buurman kon doorgaan, wat hoger op de berg, op een plek die La Borde de Barthole werd genoemd. De buurman had zich ooit aan hem voorgesteld als Daniel Bureau, kortweg Dany. Veel contact had Santouil nooit met hem gehad. De man hield wat schapen en honden, maakte z’n eigen kaas en schoot af en toe op wild.
“Ik wist dat hij een Belg was, met een sterk Brussels accent”, zegt Santouil later in een politieverklaring.
Alain Santouil: “Ik ben nooit in zijn huis geweest. Als ik er kwam, werd ik buiten ontvangen, of onder de pergola.”
Op dinsdagavond 22 november 2005 was een gendarme van de nabijgelegen brigade Lavelanet voor zijn deur verschenen met de jammerlijke melding dat de buurman was gedood. Hij had met een kettingzaag geprobeerd een boom te vellen. De stam was gesplitst en had hem als een gigantische katapult recht in zijn gelaat getroffen.
Dat was de eerste schok.
De gendarme vroeg Santouil of hij familieleden van de Belg kende, zodat die konden worden verwittigd. Vlak bij de koppige boom was Dany’s witte 4×4-Lada aangetroffen. Om te achterhalen wie de man was, had de gendarme de grijze kaart uit het handschoenkastje gehaald.
Niet nodig, zei Santouil. Hij gaf de gendarme het nummer van Claude B., de ex-partner van de Belg. Zij had hier samen met hem in 1993, toen Bouhouche een paar maanden vrij was in afwachting van zijn proces, een huis met omliggende grond gekocht. Enkele maanden voor het ongeluk, in mei 2005, was Claude B. opeens vertrokken. Ze was naar Brussel teruggekeerd, Dany was gebleven.
De tweede schok kwam de volgende ochtend, toen de blik van Alain Santouil bleef hangen bij de grijze kaart, die de gendarme was vergeten. “Ik bekeek de kaart en zag dat hij niet Daniel Bureau heette, maar Madani Bouhouche”, verklaart hij op 3 januari 2006 in een proces-verbaal bij de gendarmerie van de stad Foix.
Santouil: “Ik heb die naam gegoogeld. Ik kon eerst niet geloven dat het mijn buurman kon zijn. Tot ik een foto van hem zag.”
Beleggingen
Madani Bouhouche werd in 1952 in Brussel geboren als kind van een Algerijnse vader en een Belgische moeder. Zijn eerste baan was die van loopjongen bij de krant Le Soir in 1969. Vijf jaar later ging hij in dienst bij de rijkswacht, de toenmalige federale politie. Hij raakte er bevriend met generatiegenoot Robert Beijer. Samen kwamen ze bij de drugssectie van de Brusselse BOB terecht.
‘De ongelooflijke bedragen die in de drugswereld rondgingen, moeten zwaar op de verbeelding gewerkt hebben van Bouhouche en Beijer,’ schreef oud-HUMO-journaliste Hilde Geens in 2013 in haar boek ‘Beetgenomen’. ‘Brachten ze hen op ideeën?’
Duidelijk wel. In zijn eigen boek beschrijft Beijer in 2010 hoe hij en Bouhouche begin 1981 met een nagemaakte stempel van de Brusselse rechtbank van eerste aanleg 3 miljoen Belgische frank cash uit een drugsonderzoek gingen ophalen op de griffie. Omgerekend 75.000 euro, maar qua koopkracht equivalent met 200.000 euro vandaag.
Na die geslaagde roof hebben Beijer en Bouhouche de smaak te pakken. Ze plegen autodiefstallen, vervalsen documenten en bouwen hun eigen illegale circuit uit van heling en afpersing. Nadat ze in de rijkswachtkazerne zijn betrapt terwijl ze afluisterapparatuur probeerden te verbergen bij hun oversten, plaatsen ze een bom in de dienstwagen van adjudant Guy Goffinon – als bij wonder zit er niemand in de auto wanneer het tuig ontploft.
Op 25 oktober 1981 trekken ze ’s nachts tot de tanden bewapend naar de woning van majoor Herman Vernaillen, die een grootschalig drugssmokkelnetwerk heeft blootgelegd in het korps. Vernaillen wordt geraakt in zijn arm en schouder, zijn vrouw raakt zwaargewond. De beschieting van de woning in Hekelgem wordt later als de allereerste aanslag van de Bende van Nijvel beschouwd.
Op oudejaarsnacht 1981-1982 plegen Bouhouche en Beijer de beruchte wapenroof bij de Groep Diane, het speciale interventieteam van de toenmalige rijkswacht. De spectaculaire diefstal bij een onfeilbaar geachte elite-eenheid gaat als een schokgolf door de rijkswacht.
In oktober 1982 berooft het duo de jonge geldkoerier Francis Zwarts in Zaventem. De buit: goudstaven, diamanten en Cartierhorloges ter waarde van zo’n 2 miljoen euro. Het lichaam van Zwarts is nooit teruggevonden.
Bouhouche en Beijer waren jarenlang tegelijk dienaars der wet én topcriminelen. Het duo verliet de rijkswacht op 1 april 1983 en richtte een eigen privédetectivebureau op. Het beschikte over een enorm arsenaal aan wapens, gestolen auto’s en garageboxen. Niemand heeft ooit kunnen verklaren hoe ze die activiteiten als kleine ex-rijkswachtertjes gefinancierd hebben gekregen.
Na de in opdracht uitgevoerde moord op de Libanese diamanthandelaar Ali Suleïman in Antwerpen in september 1989 vluchtten ze: Beijer naar Azië, Bouhouche naar Spanje. Ze belegden allebei in vastgoed. Beijer deed dat met de aankoop van hele lappen grond in het allerduurste deel van de Thaise badstad Pattaya, Bouhouche deed min of meer hetzelfde in het bescheidenere Fougax-et-Barrineuf.
Bouhouche en Beijer zouden later worden ingerekend en na een assisenproces in 1994 worden veroordeeld tot 20 en 14 jaar gevangenisstraf. Ze kwamen allebei rond de eeuwwisseling vervroegd voorwaardelijk vrij. Beijer keerde spoorslags terug naar Pattaya. Hij nam er een valse identiteit aan, deed zich voor als Russische oligarch en leidde een luxeleventje.
Bouhouche streek eind 2000 met Claude B. neer aan de voet van de Pyreneeën om er offgrid te gaan leven op het enorme domein dat ze jaren geleden samen hadden gekocht, met eigen zonnepanelen en water uit een beekje waarvan de bron zich op het domein bevond. Zijn verleden bleef hem wel achtervolgen, zegt Claude B. als ze in 2019 wordt verhoord door het Comité P: “Dany moest zich tot aan zijn dood maandelijks melden in Brussel, in verband met zijn voorwaardelijke vrijlating.”
Claude B. had Bouhouche in 1989 leren kennen via een huwelijksbureau. Tijdens jaren van rechtszaken, verdenkingen van betrokkenheid bij de Bende van Nijvel en zijn opsluiting in de gevangenis bleef ze altijd zijn trouwe luitenante. Tijdens een bezoek in de gevangenis van Jamioulx, kort voor hij zou vrijkomen, ‘verloor’ ze daar haar portefeuille. Haar identiteitskaart werd gebruikt voor de aankoop van een Remington 7600-karabijn.
Het is lastig om je van de indruk te ontdoen dat Claude B. bereid was heel ver te gaan om aan de gekste wensen van Bouhouche te voldoen.
Doodseskader
De wapenroof bij de Groep Diane is altijd bestempeld als die ‘van de eeuw’. De buit bestond uit vijf automatische riotguns van het allernieuwste type, vijf FAL-machinegeweren, twee pistolen, vijftien Heckler & Koch-machinegeweren van het type MP5SD en tien bijbehorende geluiddempers. En verder nog 28 laders met in totaal 2.500 kogels.
De MP5SD had in die tijd onder wapenfreaks de reputatie het gevaarlijkste en doeltreffendste snelvuurwapen aller tijden te zijn. De vijftien Heckler & Kochs vormden driekwart van het totale aantal dat op dat ogenblik wereldwijd bestond. De andere vijf waren in het bezit van een Duitse antiterreureenheid.
De wapenroof raakte pas opgehelderd nadat Bouhouche ze begin 2000 vanuit de gevangenis opbiechtte aan speurders in het onderzoek naar de Bende van Nijvel. Dat kon perfect, want de roof was op dat ogenblik juridisch verjaard. Doordat hij op zijn proces ook was veroordeeld voor heling van een aantal van de gestolen wapens was de bekentenis de ultieme voorwaarde voor zijn vrijlating.
“Het doel (van de wapenroof, red.) was de rijkswacht belachelijk te maken”, schrijft Robert Beijer in zijn boek, getiteld ‘De laatste leugen’. Volgens de gewezen Nederlandse geheim agent Peter van Haperen stond met die bewering toch nog minstens één leugen in het boek. De wapens, zegt hij, moesten wel degelijk ergens voor dienen: een Belgisch doodseskader dat rond kerst 1982 vanuit Frans-Guyana naar de Surinaamse hoofdstad Paramaribo zou vertrekken voor een militaire coup die legerleider Desiré Bouterse aan de totale macht moest helpen.
Van Haperen werd op 13 januari 2012 urenlang verhoord op het proces tegen Bouterse in Paramaribo, dat zou uitmonden in twintig jaar gevangenisstraf vanwege de Decembermoorden, de moord op vijftien tegenstanders van Bouterses militaire regime in 1982. De Nederlandse ex-militair was als getuige opgeroepen door de verdediging van de dictator. Hij was destijds als leider van een geheime dienst van het Nederlandse leger in Suriname gestationeerd, beweerde hij. Volgens Van Haperen waren de trainingen voor de coup begonnen in maart 1982, en bracht hij toen veel tijd door met Madani Bouhouche, want die zou wapens aanleveren en eventueel zelfs met het 79-koppige doodseskader mee naar Suriname afreizen.
In een al jaren online circulerende brief aan onderzoeksrechter Martine Michel, leidster van het Bende-onderzoek, uitte Van Haperen eind 2012 zijn twijfels bij de dood van Bouhouche. Hij schreef dat die hem in de jaren 80 persoonlijk had toevertrouwd dat hij perfect een nieuwe identiteit kon aannemen, zonder dat iemand enige argwaan zou koesteren. Het probleem, zei Bouhouche, is dat je wel ergens onder een nieuwe naam kunt gaan leven, maar dat iemand verdwijnt en op krek hetzelfde moment elders plots een onbekende opduikt, valt te hard op.
‘Mocht ik willen verdwijnen,’ zei hij, ‘dan zocht ik iemand met mijn postuur, een persoon die weinig contact heeft met familie. Ik vermoord hem en stop hem enkele jaren in een vriescel of vrieskist. Ondertussen bouw ik op een totaal andere plaats onder zijn naam een nieuw bestaan op, eerst via een vakantie en weekends. Als men daar aan mij gewend is, haal ik het lijk uit de kist, zet ik een ongeluk in scène en verdwijn ik zonder dat iemand zich hoeft af te vragen waar ik ben gebleven.’ Dat was Bouhouche ten voeten uit, schrijft Van Haperen: ‘Ver vooruitkijken en voorzorgsmaatregelen treffen.’
Peter van Haperen maakte in de dagen na zijn getuigenis op het proces-Bouterse geen al te beste beurt in de Nederlandse media. Hij bleek dezelfde man te zijn die in 2006 door het tv-programma ‘Opgelicht?!’ was ontmaskerd als de nepadvocaat die in het Spaanse Benidorm Nederlandse gepensioneerden tienduizenden euro’s afhandig had gemaakt. Zijn beweringen over Suriname werden her en der als verzinsels afgedaan.
Toch lijken ze minstens een kern van waarheid te bevatten. De Amerikaanse onderzoeksjournalist Matthew Smith verdiept zich al jaren in archiefmateriaal over Nederlandse en Amerikaanse inlichtingenoperaties in het Suriname van de jaren 80. Van Haperens beweringen ‘worden ondersteund door primair bewijsmateriaal’, bevestigt hij aan HUMO: dat de Nederlander begin 1982 met een bom geld rondliep om wapens te verwerven als infiltrant voor een geheime militaire operatie, ‘is geloofwaardig en strookt met historische gegevens’.
Op 9 maart 2020 meldt het Comité I, dat toeziet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, aan onderzoeksrechter Martine Michel: ‘Uit documenten uit 1983 blijkt dat Van Haperen inderdaad verdacht werd van de voorbereiding van een staatsgreep in Suriname. Hij zou in België een trainingskamp hebben georganiseerd, inclusief parachutetraining. Tevens zouden Surinaamse personen in België wapens hebben trachten aan te kopen, hetzij op de officiële, hetzij op de zwarte markt.’
Van Haperen valt, kortom, niet zomaar als een fantast af te schrijven. Met zijn ándere verhaal in het achterhoofd, over Bouhouches uitgekiende plan om spoorloos te verdwijnen, kan het dus geen kwaad om met iets meer aandacht te kijken naar wat zich in Fougax-et-Barrineuf heeft afgespeeld in de dagen voor en na de ontdekking van het lichaam en de kettingzaag.
Brandblusserbom
Het ongeluk met de boom is op zich perfect plausibel, zegt de technical manager van een groot bedrijf dat in ons land kettingzagen verkoopt. Hij ziet niets verdachts in de luttele beelden die door een lokale gendarme zijn gemaakt: “Overhangende bomen kunnen plots opensplijten terwijl je ze doorzaagt, door krachten die in het hout werken. Als je dan achter de boom staat, kun je een klap krijgen van het opensplijtende stuk.”
De technical manager heeft weet van ‘verschillende gevallen in Vlaanderen waarbij dat soort ongevallen leidde tot zware letsels, invaliditeit en zelfs overlijden’.
Het kan dus, maar is het ook zo gebeurd? Een in scène gezet ongeluk met een lijk dat enkele jaren in een vrieskist heeft gelegen: het lijkt een vergezocht plan, maar zo had Bouhouche er wel meer. Neem nu het al even groteske scenario voor financiële chantage van de raad van bestuur achter fastfoodketen Quick uit 1984: Bouhouche en Beijer zouden zich, in overalls gehuld, in verschillende Quick-vestigingen voordoen als inspecteurs van brandblussers. Ze zouden die dan vullen met op afstand te activeren explosieven: betalen of je restaurants vliegen de lucht in.
De geldoverdracht zou plaatsvinden in een huis in de Washuisstraat in Brussel, pal boven de overdekte Zenne. Bouhouche en Beijer hadden het huis onder een valse naam gehuurd en in de kelder een tunnel gegraven die uitgaf op de Zenne. Na de geldoverdracht zouden ze met een kleine zodiac ondergronds de rivier afvaren en verdwijnen.
De tunnel werd in 1988 door justitie ontdekt: de bouwwerken hadden dus wel degelijk plaatsgevonden. In zijn boek beschrijft Beijer hoe ze er maanden mee in de weer zijn geweest, en dat het project zou zijn doorgegaan als het niet was gestrand door geruzie met een derde medeplichtige. Conclusie: gewaagde plannetjes bleven bij Bouhouche níét bij praatjes.
Twee weken
Enkele maanden na het vertrek van Claude B. uit het bergdorp had Bouhouche een nieuw lief gevonden, de toen 42-jarige Marie-Christine C., metselaar van beroep. Ze stond in voor het onderhoud van enkele gîtes een eind verderop. Een Belgische politieman die bij het onderzoek betrokken was, meent zich haar te herinneren als ‘lichtjes zwakzinnig’.
Marie-Christine C. (in een politieverklaring): “Ik had twee weken lang een relatie met mijnheer Madani Bouhouche. Ik verliet hem zondagavond, na samen bij hem thuis te hebben gegeten. We zouden elkaar de volgende middag weer zien. Er moesten reparaties worden uitgevoerd aan enkele gîtes.”
“Mijnheer Bouhouche kwam niet opdagen. Ik heb verschillende keren geprobeerd hem te bereiken op zijn mobiele telefoon. De telefoon ging wel over, maar ik kreeg voicemail. De volgende dag (dinsdag 22 november, red.) werkte ik tot drie uur. Ik heb opnieuw geprobeerd hem te bellen, zonder succes.”
“Ik besloot naar zijn huis te gaan, waar ik rond kwart over vijf aankwam. Er was niemand thuis. Zijn Lada stond geparkeerd in een veld. Er lag brandhout in de auto. De sleutels zaten in het contact. Ik vermoedde dat hij niet ver weg was. Ik liep iets verder het bos in en vond mijnheer Bouhouche op de grond. Ik raakte zijn rug en buik aan. Hij was ijskoud. Toen ik besefte dat hij dood was, heb ik de brandweer gebeld.”
“We hadden het er zondagmiddag over gehad dat we samen bomen zouden kappen voor brandhout. De boom waar het ongeluk gebeurde, was er één die we hadden uitgekozen. Mijnheer Bouhouche had me verteld dat die boom geschikt zou zijn voor planken omdat hij een dikke stam had.”
Opvallend: tegenover zijn liefje-voor-twee-weken gebruikte Madani Bouhouche zijn echte naam. Plots heette hij niet langer Dany Bureau. Ook opvallend: tegenover Marie-Christine C. repte Bouhouche met geen woord over zijn verleden. Hij vertelde haar wel dit: ‘Als privédetective probeerde hij ooit tijdens een operatie een man te ontwapenen, waarbij per ongeluk een schot afging en een 9-jarig meisje om het leven kwam.’ In het ruime criminele parcours van Bouhouche is niets van die strekking terug te vinden.
Kort tevoren – toen pas – was zijn ware identiteit ook het gemeentebestuur van Fougax-et-Barrineuf ter ore gekomen. Toen hij en Claude B. in mei 2005 uit elkaar gingen, was daar zijn inschrijving bij de Kamer van Landbouw in de bus gevallen, onder zijn echte naam – Madani Bouhouche verdiende op zijn domein wat bij met bosbouw en houtkap. De man die bij zijn eerste bezoekjes in 1993 altijd Leonidas-pralines en chocolade voor de bewoners van het dorp had meegebracht, bleek een veroordeelde crimineel te zijn.
Snel gecremeerd
Nadat ze telefoon heeft gekregen van buurman Alain Santouil boekt Claude B. op de avond van 22 november 2025 meteen een vliegtuigticket naar Carcassonne. De volgende dag is ze al in Fougax-et-Barrineuf om alle noodzakelijke administratieve stappen te nemen.
Een interventierapport dat diezelfde avond om 22.06 uur bij de lokale brandweer uit de printer rolt, luidt: ‘Ontdekking van een lichaam in Fougax-et-Barrineuf. Er werd vastgesteld dat het om een ongeval tijdens houtkapwerkzaamheden ging. De heer Bouhouche Madani, geboren op 14 juni 1952 in Brussel, werd tijdens het kappen getroffen door een boom. Geen verdachte elementen.’
Een klein uurtje eerder hebben de gendarmes gebeld met de procureur in het stadje Foix. In hun rapport lezen we: ‘De magistraat draagt ons op het lichaam aan de familie terug te geven, de procedure af te sluiten en toestemming te geven voor de begrafenis.’ Het is dan 21.15 uur, exact vier uur nadat Marie-Christine C. de brandweer heeft gebeld.
Een ander rapport beschrijft: ‘De schedel is gebroken, waardoor het inwendige zichtbaar is. Bloed is verspreid over de grond nabij de kruin van de boom. Op verschillende plekken op de grond zijn stukjes hersenweefsel te zien.’
Het lichaam wordt die avond overgebracht naar het ziekenhuis Saint Jean de Verges in Ariège, waar spoedarts Isabelle Rebeu-Dartiguelongue op woensdagochtend een handgeschreven overlijdensattest opstelt. Ze stelt het overlijden vast van ‘een man over wie de officier van de gerechtelijke politie mij zegt dat het gaat om Madani Bouhouche’.
HUMO kreeg de foto’s te pakken die na de ontdekking van het lichaam zijn gemaakt. Het gelaat is in die mate toegetakeld dat daaruit alvast niet kan worden geconcludeerd dat het om Madani Bouhouche gaat. “Op die foto’s was de man onherkenbaar”, bevestigt een ex-Bendespeurder.
Het minste dat kan worden gezegd, is dat de verdere afhandeling efficiënt verloopt. Claude B. blijft vier dagen logeren bij Alain Santouil, ook al is die na zijn opzoekingen op het internet wat wantrouwig geworden. Op donderdag gaat ze langs bij een lokale notaris om de woning te koop te zetten. De verkoop wordt meteen geregeld. Op vrijdagochtend wordt het lichaam met het naamplaatje ‘Madani Bouhouche’ rond de dikke teen door een begrafenisondernemer in Lavelanet overgebracht naar het funerarium van Trèbes, bij Carcassonne. Daar wordt het gecremeerd, minder dan vier dagen na de ontdekking.
Geen enkele Belgische politieman of magistraat heeft ooit naar het lichaam kunnen kijken. De enige vorm van identificatie is die door Claude B., die zegt dat het lijk op dezelfde plek een tattoo had als Bouhouche. Een foto van die tattoo is, voor zover we konden nagaan, nooit gemaakt.
Valse stempels
Madani Bouhouche was al vijf weken doodverklaard toen oud-VRT-journalist en Bende-expert Guy Bouten het nieuws net voor oudjaar 2005 deed uitlekken in De Morgen en Le Soir. Belgische speurders trokken op 1 januari 2006 spoorslags naar Fougax-et-Barrineuf. Het huis en het domein errond werden in de dagen daarna belegerd door een Franse politiemacht.
Belgische speurders vonden in Bouhouches bureautje nagemaakte stempels van zowel de Brusselse als de Nijvelse rechtbank. En ook de Remington die Claude B. vijf jaar eerder voor hem had weten te fiksen. Er werd een handgeschreven overeenkomst teruggevonden waarmee Claude B. het wapen aan hem had overgedragen – al ontkende ze tegen het Comité P dat het haar handtekening en handschrift waren.
Bij buurman Alain Santouil – inmiddels overleden – bleef de schok nog wekenlang nazinderen. Hij had na Claude B. op woensdag 23 november 2005 ook de zoon van Bouhouche zien overkomen, en hem bij gebrek aan alternatief onderdak geboden. Na hun vertrek bleef hij googelen en zich verbazen. Over wat hij allemaal las over zijn ex-buurman, maar ook over de efficiëntie waarmee het overlijden supersnel werd afgehandeld, zegt hij achteraf in een politieverklaring. Daaruit valt óók op te maken dat de Belgische politiediensten eerder op de hoogte hadden kunnen zijn.
Santouil: “Een week na het vertrek van de familie ben ik het huis van Bouhouche binnengegaan om wat rond te kijken. Ik zag een jachtgeweer achter een meubelstuk, en een klein magazijn met patronen, in een klein kartonnen doosje. Ik zag diskettes en twee aktetassen in opbergdozen naast de computer.”
“Ik heb lang nagedacht en besloot uiteindelijk, op 30 december 2005, contact op te nemen met de Belgische politie. Ze verbonden me door met de juridische dienst. Daar was niemand, ze vroegen me terug te bellen na 1 januari.”
Bron » Humo | Douglas De Coninck