Inventaris van tien jaar moord en doodslag in het Brusselse
Wie in Brussel niet vermoord wil worden, kan beter niet thuis blijven maar zich wel naar een semi-private ruimte begeven zoals het kantoor of een privé-club, al is dat natuurlijk relatief. Zeker tussen 20u ’s avonds en 8u ’s ochtends. Dat zou een interpretatie kunnen zijn van een unieke studie die deze week gepubliceerd werd in het tijdschrift Politeia.
Auteur van het minutieus onderzoek is commissaris De Proft van de sectie moord van de Gerechtelijke Politie van Brussel. Hij maakte een inventaris van tien jaar moord in BrusseI en de randgemeenten. Een bijzonder interessant en nauwkeurig werk met sommige verrassende resultaten.
In Brussel en rand werden op tien jaar tijd 356 moorden gepleegd. Familiemoorden maken daar 42 procent van uit. De moorden gebeurden vooral in Brussel-rand met Sint-Joost-ten-Node op kop. Geen enkel seizoen is moord-kalm, al scoren de warme zomermaanden iets hoger. Het wapen waarmee de moord gebeurde is vaak een vuurwapen, met handvuurwapens op kop en meteen gevolgd door steek- en snijwapens.
En de plaats waar het meeste gemoord wordt, is de gezamenlijke verblijfplaats van dader en slachtoffer al volgt de woning van het slachtoffer meteen. De openbare weg volgt op de derde plaats met een vijfde van de moorden. Vijftien procent van de moorden zijn roofmoord.
Daders
Over daders en slachtoffers is de studie niet alleen duidelijk, maar ook genuanceerd. De meest daders zijn tussen 18 en 38 jaar met nog altijd 4,3 procent minderjarigen en 8,1 procent +58-jarigen. De Proft maakte ook een onderscheid in geslacht en in nationaliteit. Daaruit kunnen we opmaken dat, van de 346 daders er slecht 45 (of 13 procent) vrouwen de moord pleegden. Haast alle vrouwelijke daders waren Belgen en ze pleegden de moord op relatief oudere leeftijd zijnde tussen 48 en 57 jaar. Moorden, gepleegd door vrouwen, zouden immers vaak gerelateerd zijn met langdurige emotionele conflicten wat de hogere leeftijd kan verklaren.
Zijn de Balkan-moordenaars hoog gesitueerd in de klasse 38-47 jaar, dan doden de Noord-Afrikaanse, Arabische en Turkse moordenaars als ze jonger zijn dan 28 jaar. Bij de Belgen zijn de leeftijden waarop de moorden gepleegd worden, nogal gelijkmatig verdeeld met een piek in de klasse 28-37 jaar.
Maar daar begint het relativeren van de cijfers. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat de vreemdelingenpopulatie in de Brusselse agglomeratie veel jonger is dan de Belgische wat een samenhangende factor kan zijn voor het aantal ‘oudere’ Belgische daders.
Worden bijna 58 procent van de moorden door Belgen gepleegd, gevolgd door 13 procent Marokkaanse daders en 5,6 Turkse, dan is ook hier een nuance noodzakelijk. De dadersincidentie in Brussel-Hoofdstad steekt bij de Turken immers opmerkelijk boven de andere bevolkingsgroepen uit.
Turkse moordenaars
Wanneer we het procentuele aandeel van de verschillende nationaliteiten bekijken in de huidige bevolkingsgroep, dan zijn de Turken verantwoordelijk voor 7,3 moordenaars per 100.000 inwoners, tegenover 2,4 bij de Belgen, 4,8 bij de Marokkanen, 3,3 bij de Spanjaarden en 3 bij de Italianen.
Bij de slachtoffers zet die tendens zich verder. Turken hebben, relatief gezien, 6,9 slachtoffers, Belgen 2,8 tegenover 3,4 bij de Marokkanen. Tien Procent van de slachtoffers zijn kinderen, jonger dan 18 jaar. Zij situeren zich haast uitsluitend bij de Belgische inwoners. Het oplossingspercentage is vrij hoog.
Haast 80 procent van de moorden zijn niet alleen opgelost, maar hebben ook geleid tot rechtspraak. Van de overige 20 procent zijn een aantal onopgeloste moorden, maar ook een aantal waarvan de dader wel gekend is, maar (nog) niet voorgeleid.
Dit hoog oplossingscijfer nuanceert De Proft bescheiden. Van de daders pleegden immers 33 personen zelfmoord, dat is goed voor haast 10 procent.
Bron » Gazet van Antwerpen