Niemand zegt ooit Mélissa en Julie. Omdat het Julie en Mélissa is: een begrip dat in die combinatie veel meer dekt dan alleen maar de namen van twee meisjes die in ’95 door Marc Dutroux werden opgepikt in Grâce-Hollogne en een jaar later dood werden teruggevonden. Ingekuild als beesten, of beter: ingekuild door een beest. Met een bobcat. Op 17 augustus 1996 cirkelden helikopters boven het achterland van Charleroi en bracht Dutroux de speurders naar een stuk grond achter zijn huis: in Sars-la-Buissière.
Terug naar Sars-la-Buissière, vijf jaar na Julie en Mélissa
Buissière komt van buis. En buis benit, dat is het gewijde palmtakje. Maar gewijd lijkt Sars-la-Buissière niet meer. Hoe goed père Luc zijn best ook doet om het dorp samen te houden, om in de Saint Nicolas-kerk met een altaartje de herinnering aan Julie en Mélissa levendig te houden en hoe mooi de processie voor Notre Dame de Bon secours, straks op 15 augustus, ook zal zijn. “Als ik in de dorpjes in de buurt foldertjes uitdeel voor onze brocante, dan is de reactie altijd dezelfde: Sars-la-Buissière? Daar gaan we niet naartoe,” zegt Jocelyne Canon. “Alsof wij allemaal Dutroux waren.”
Symboliek moet je niet zoeken in Sars-la-Buissière, ze komt gewoon op je af. Het enige café van het dorp met zijn 700 inwoners staat vlakbij het huis van Dutroux en heet L’Embuscade: de hinderlaag. Of nog, links van het ijzeren hek dat nu met plastic bloemen versierd is en dat het nauwe steegje naar het huis van Dutroux afsluit, hangt een hele oude plaquette met de boodschap: Vous qui passez, priez pour les trépassés. Of u dus wil bidden voor de overledenen. Uitgerekend hier, waar dit huis een litteken is geworden. Een huis waar ze niet verbleven, waar ze alleen gedumpt werden.
Robert Cogoi
Dag Julie en Mélissa. Je rijdt de vallei voorbij Lobbes in en pas op 3 kilometer voor het dorp zie je een eerste pijltje naar Sars-la-Buissière. Aan de deur van de kerk, aan het ijzeren hek en aan wat vensters zijn ze er: de vergeelde foto’s van Julie en Mélissa. Natuurlijk is de aanblik hier een beetje desolaat, is de glorie vergaan en roepen de grijze wolken, de bordjes ‘A vendre’, de leegstaande huizen en leeggeroofde straatkapelletjes om clichés.
Maar Sars, zoals ze hier gemakshalve zeggen, wil niet dood zijn. Zeker nu niet. Van vandaag tot en met woensdag is er het Fête paroissiale, met op het plein voor de kerk de kaatswedstrijd Sars-Châtelet, een paar wielerwedstrijden van Vélo Club Sartois, eten en drinken onder accordeon-begeleiding van Les Croque Notes, tombola en donderdagavond op het wat kaduke podium voor de kerk een optreden van Robert Cogoi. Entrée gratuite.
“Kent u hem niet,” vraagt mevrouw Canon. “Hij heeft Eurovision gewonnen, in de jaren ’60.” Dat klopt, zegt ons archief: in 1964 zong Robert Cogoi voor ons land Près de ma rivière. Hij won de Belgische selectie, maar werd tiende van zestien deelnemers. In Sars-la-Buissière zal hij die hit zeker zingen.
Père Luc
Maar er is meer.Belangrijker dan feest en vertier zijn nu zondag de mis voor Julie en Mélissa (opgedragen door priester Gaston Schoonbroodt die bij de begrafenis een beklijvende preek afstak) en donderdag de processie. Die ging ook uit op 15 augustus 1996, “we passeerden nog voorbij het huis van Dutroux,” maar pas ’s avonds werd Sars-la-Buissière wereldberoemd en geschokt als door een aardbeving.
“Ook in Sars-la-Buissière reden toen veel auto’s rond met de foto’s van Julie en Mélissa,” zegt mevrouw Canon. “Niemand die dacht dat ze zo dicht bij ons waren.”
In de pastorij, eigenlijk een aanhangend bijgebouwtje van het kerkje, huist père Luc, een man met jarenlange Kongo-ervaring en in ’96 pastoor geworden van Sars en van buurdorpje Bien-lez-Happart. Hij was hier al een paar keer ingevallen en toen de pastoor dan stierf, werd hij aangesteld. In dit stille dorpje dat niemand kende.
Vijf jaar later is de realiteit dus droeviger. Père Luc heeft ondertussen veel gedaan voor het dorp. “Père Luc est Dieu,” zegt Régine Robert, van oorsprong Française, maar ook in ’96 in dit kalme dorpje komen wonen. “Hij heeft ervoor gezorgd dat socialisten, liberalen en katholieken hier samenhoren. En alles wat er georganiseerd is, is dankzij hem. Hij heeft de Confrérie des Archers de Sainte Apolline, een groep van 18 mannen die Saint-Apolline (beschermheilige van de tandartsen, nvdr.) vereert, heropgericht. Het dorp is hem heel dankbaar. Trouwens, als we rondgaan bij de handelaars om te adverteren in het programmaboekje van de parochiefeesten, dan weigert niemand.”
Zelf is père Luc bescheiden. Eerst weinig van zeggen, tot hij meegaat naar zijn kerk, 89 bleekhouten stoelen in de middenbeuk, en rechts stopt bij een altaartje: voor Julie en Mélissa.
’14-’18
Père Luc heeft voor het altaartje gezorgd. Eenvoudig zwart marmer, de voet als een vlam omhoog, gemaakt door een plaatselijke werkman. In het zwarte blad een uitsparing, afgedekt met onbreekbaar glas, eronder een klompje aarde en een gegraveerd plaatje: Terra ex tumulo. Julie et Mélissa. Een klomp aarde die de zoon van mevrouw Canon haalde van de grond van Dutroux. De grond waarin ze begraven lagen.
“De gemeente wilde een gedenkteken, maar de ouders van Julie en Mélissa wilden dat het liefst in de kerk zelf,” zegt de pastoor. “Dat hebben we gedaan. Zeggen dat het een pelgrimsoord geworden is, is overdreven. Maar er komen veel mensen. Dit is al het vierde gedenkboek, de eerste twee hebben we al aan de ouders gegeven. De mensen komen van overal.”
Dat klopt. Er staan boodschappen in uit Polen, uit Nederland, uit Wallonië (“la justice nous cache beaucoup de choses” en “Monsieur Wathelet, le grand responsable”) en Vlaanderen natuurlijk. Veel van kinderen. Zoals dit: Je m’apelle Ingrid en j’ai 11 ans. J’ai une pensée imance à votre égare et quand j’y repense, j’ai en mois une souffrant terible. Vol fouten, maar het hart zit juist. Mensen kunnen een kaarsje aansteken, de foto van Julie en Mélissa hangt er natuurlijk, er wordt ook aan An en Eefje gedacht. En naast een gedicht van zichzelf, heeft de pastoor ook een uitspraak van Marc Verwilghen opgehangen. Men mag dit niet vergeten, ook al is dit een zwarte pagina van onze geschiedenis.
“Dit memorial is vooral bedoeld voor de kinderen,” zegt de priester. “Zoals de lessen van ’14-’18 of ’40-’45.” Boven het grote altaar werd jaren terug een vers uit de bijbel geschilderd: heb elkaar lief zoals Ik u liefgehad heb. “Tot vandaag komen mensen uit het dorp met mij praten over wat hier gebeurd is.”
Tuinhuisje?
De ouders van Julie en Mélissa komen niet meer naar Sars-la-Buissière, hoe dankbaar ze ook zijn voor het medeleven van dit volk. De herinnering is echter te pijnlijk. Op het gemeenteplein, aan de hoek van de Rue de Rubignies en de Rue Chevesne blijkt waarom: zelfs mevrouw Canon krijgt het koud. Langs café L’Embuscade geraak je aan de achterzijde van het huis van Dutroux. Die weg nam hij ook altijd.
“Maar niemand kende hem echt,” zegt ze. De ramen van het rood-bakstenen huis zijn met planken dichtgetimmerd, auto’s van de carrossier staan tegen de muur, het huis lijkt helemaal ingekapseld. Er klapt een deurtje door de wind. “Zelfs dat vind ik griezelig. Alsof er hier nog altijd iets niet pluis is.”
Achteraan is de tuin waar Dutroux een put groef voor Bernard Weinstein en voor Julie en Mélissa. “Ik heb altijd in Sars gewoond, ik kende iedereen hier,” zegt mevrouw Canon. “Maar hém niet, hij had met het dorp geen contact. Alleen was er op een bepaald moment een diefstal en werd gezegd dat hij het was geweest. Meer niet. Ja, je kan zeggen dat hij met zijn graafmachine in de tuin bezig was. En als mijn buurman dat vandaag zou doen, zou ik dat nu ook verdacht vinden. Maar toen? Misschien was hij wel een tuinhuisje aan het zetten. Maar er zijn mensen die de buren toch verwijten gemaakt hebben. Dat ze het hadden moeten weten.”
Toch vindt Jocelyne Canon dat de mensen niet veranderd zijn in Sars. Het trauma is er, zij zou haar kleinkind nooit meer alleen op straat laten lopen en natuurlijk wordt er nog over de affaire gepraat. Maar aan het huis van Dutroux zitten twee jonge meisje op een bank.
“Het eerste carnaval nadien, hebben we ons wel afgevraagd of we zomaar konden feestvieren,” zegt ze. “De Gilles van Binche komen dan. Maar het is uiteindelijk doorgegaan. Al gebeurt alles hier nu met respect voor Julie en Mélissa.”
Gruwelijk
Régine Robert is daar eerlijk in: één ding kan ze niet geloven. “Dat niemand iets hoorde.” Ze kwam hier met haar man wonen in ’96. “Iedereen zei: oh, jullie gaan in een rustig dorpje wonen. En dat klopte. Tot die dag dat de helikopters hier boven vlogen, er een stoet van rijkswachters, perswagens en toeristen voorbij kwam.”
De rust was voorbij. Atroce, gruwelijk, keer op keer valt het woord. “De toeristen van de dood kwamen langs en tot de dag van vandaag zijn ze blijven komen,” zegt ze. “Ik noem het altijd een défilé morbide. Een sinistere pelgrimage. Als ik nu in Frankrijk moet zijn (ze is Française van geboorte en de grens ligt op 10 km, nvdr.) dan zegt iedereen hetzelfde: Sars-la-Buissière, dat is toch het dorp van Dutroux. We zijn heel droevig beroemd geworden. En de psychose is gebleven.”
Maar wat ze niet kan geloven: dat niémand iets hoorde. Je kan ongezien kantklossen, honden verwaarlozen of volle yoghurtpotten in glascontainers gooien, maar ’s nachts putten graven met een bobcat: non. “Dat heb ik nooit begrepen, surtout sur la place. Je moet eens een boom zetten in je tuin, de hele buurt heeft het gezien. Al kende niemand die Dutroux, behalve misschien de facteur.” Waar Jocelyne en Régine het wél over eens zijn: ze bewonderen de moed van de ouders.
“Als het mijn kind was, denk ik dat ik zou willen dat ze met Dutroux hetzelfde zouden doen,” zegt Jocelyne, een gelovige vrouw die aaneenhangt van de goeie werken in het dorp. Maar je kind verliezen, zo, dat moet een mens wraakzuchtig maken. “De vraag is alleen of hij gestraft geraakt. Het duurt wel heel lang. Precies of ze iets te verbergen hebben.”
L’Embuscade
De buren, dat zijn de Baudsons die vroeger de carrosserie hadden en nu nog altijd het café L’Embuscade. Het café deed gouden zaken met de komst van ramptoeristen en internationale cameraploegen, “maar de vaste clientèle bleef weg,” zegt mevrouw Baudson. Happig is ze niet meer op journalisten, en van Dutroux zegt ze dat hij heel agressief was, dat hij met zijn auto langs het café zijn erf opstormde en dat het een ferailleur was. Wat zowel handelaar in oud ijzer kan betekenen als vechtersbaas.
“Hij heeft het huis gekocht toen de carrosserie van mijn schoonbroer failliet was,” herinnert ze zich. “Het was een publieke verkoop, we hebben ook geboden, maar hij bood meer.” En dat was het. Dat ze niks in de gaten hadden, wil ze graag herhalen. “Ik weet dat wij, en meer mensen in het dorp, geculpabiliseerd zijn geweest. Maar een man die altijd aan het werk is en waar je alleen maar een snak en een beet van krijgt, tja, die laat je liever met rust.”
Wat er met het huis moet gebeuren, weet ze evenmin. “Er waren plannen om het af te breken en er een speelplein van te maken.” Maar ook dat sleept aan.
De vaste clientèle is teruggekeerd in L’Embuscade, net zoals de rust in Sars-la-Buissière. Vreemd dorpje, blijft het. Eigenlijk had het alleen de Site du Château Grignard, een wel opvallend verticaal gericht kasteeltje. Veel meer niet. Ja, voetbalclub RUS Merbesars. Een paar borden -Non au tracé central- die protesteren tegen de plannen voor een weg tussen Anderlues en Erquelinnes. Een cafetaria aan de Samber voor wandelaars, die nogal graag in de streek komen. Meer hoefde ook niet, het was hier rustig wonen.
Alleen de stempel van Dutroux houdt dit gat in Wallonië toch in de greep. Geen processie, geen mis, geen wieleruitslag uit Sars-la-Buissière zal eraan ontsnappen. Door Dutroux, maar ook door Mélissa en Julie. Voor één keer in die volgorde.
Bron » Gazet van Antwerpen