Verhoren Dutroux lekken uit in Humo

Het weekblad Humo heeft de hand kunnen leggen op verklaringen van Marc Dutroux en zijn kompanen Michèle Martin en Michel Lelièvre. In die verklaringen die Humo vandaag publiceert, staan – soms schokkende – details over het lot dat de ontvoerde en vermoorde meisjes ondergingen. Procureur Michel Bourlet van Neufchâteau reageert gelaten: “Niet de eerste keer dat dit soort zaken uitlekken”, aldus Bourlet

De gepubliceerde stukken uit de verhoren geven een rauw beeld van de gebeurtenissen. Volgens het artikel beweert Dutroux onder andere dat de ontvoerde Limburgse meisjes An en Eefje bestemd waren voor een netwerk.

Verder vertelt hij dat hij graag babbelde met Eefje, terwijl hij zich tegenover Ann beperkte tot ‘pipi’, ‘kaka’ en ‘eten’. Hoe jammer hij het vond dat Eefje nu nooit meer saxofoon zou spelen. Het is ook duidelijk hoe Dutroux alle verantwoordelijkheid afschuift op anderen, niet in het minst op de dode Bernard Weinstein.

Uit de verhoren blijkt verder dat Dutroux, Martin en Lelièvre elkaar vaak tegenspreken, vooral over de maanden voor de dood van Julie en Melissa. Dutroux zat op dat moment in de gevangenis. Hij beweert dat de meisjes zo goed als dood waren toen hij terugkwam. Er is nog steeds niemand beschuldigd voor de moord.

Bron » De standaard

Davignon brengt Lumumbacommissie niet veel bij

“Op de vraag of ik ooit specifieke instructies gekregen heb van de Belgische diplomatie om Lumumba te destabiliseren, moet ik neen antwoorden.” Volgens Etienne Davignon waren de Congolezen aan zet bij de afzetting van Lumumba in september 1960 en zijn transfer naar Katanga in januari 1961, en verleende de Belgische diplomatie enkel advies.

Davignon, ex-voorzitter van de Generale, was in 1960 een jonge diplomaat-stagiair. Op vraag van ambassadeur Robert Rothschild, die de Belgische technische missie leidde in het afgescheurde Katanga van president Moïse Tshombe, werd Davignon officieel in de hoofdstad Elisabethstad geposteerd.

Maar hoewel de diplomatieke relaties met Leopoldstad op 14 juli waren verbroken, bleef Davignon op vraag van president Joseph Kasa-Vubu eerst ook een tijd in de hoofdstad hangen – zonder enig statuut. Het typeerde de “irreële sfeer” die toen in Congo heerste.

Volgens Davignon had de Belgische diplomatie twee doelstellingen: Leopoldstad en Elisabethstad verzoenen en werken aan de geleidelijke hervatting van de normale relaties. In dat plaatje paste Lumumba niet.

Maar hielp Davignon bij de afzetting van Lumumba als premier op 5 september of kreeg hij daarvoor instructies vanuit Brussel, vroeg commissievoorzitter Geert Versnick (VLD). “Mijn absolute overtuiging is dat men zijn wensen wel kan duidelijk maken aan de Congolese overheid, maar dat die doet wat ze beslist heeft.” De Congolezen waren geen marionetten die gemanipuleerd werden.

Versnick moest zijn vragen herhalen. “In gesprekken met Congolezen liet ik verstaan dat het gemakkelijker was om tot redelijke relaties te komen als Lumumba geen premier was”, aldus Davignon. Daarom ook werkte Brussel voor de erkenning door de VN van de regering-Kasa-Vubu, wat in november 1960 lukte. “Op de tweede vraag antwoord ik neen.”

Waarop Versnick Davignon confronteerde met enkele telexen van het kabinet van minister van Buitenlandse Zaken Pierre Wigny over de afzetting van Lumumba en de vorming van een nieuwe regering. “Kasa-Vubu vroeg ons hoe hij op een legalistische manier van Lumumba af kon komen. We gaven hem antwoorden. De stagiair Davignon wist dat niet en vroeg dus Brussel om een antwoord.”

Op 10 en 11 januari 1960, een weekje voor de moord op Lumumba in Katanga, voerde Davignon – intussen weer op post in Brussel – met Rothschild in Parijs onderhandelingen met Justin Bomboko namens de Congolese regering. “Het grootste deel van de discussie ging over de verzoening tussen Leopoldstad en Elisabethstad.” Tshombe zou Kasa-Vubu erkennen als president van heel Congo, in ruil voor het vice-presidentschap.

“Is er daar gesproken over Lumumba”, vroeg Versnick. “Neen. Dat was voor ons niet meer het centrale probleem.” Nochtans hield Brussel zich in die dagen actief bezig met de transfer van Lumumba vanuit zijn cel in Thysstad naar Elisabethstad.

Versnick confronteerde Davignon met een telex van 17 januari van minister Wigny, opgesteld door onder anderen Davignon, over een transfer van Lumumba naar Bakwanga (Mbuji-Mayi). “De Congolezen beschouwden Lumumba als een mythische figuur en ze wilden als in het kaartspel zo snel mogelijk van de zwartepiet af. Ze stelden dat we niet serieus waren als we niet hielpen. Voor mij was het verkeerd om hem naar Elisabethstad over te brengen.”

Maar intussen was minister van Afrikaanse Zaken Harold d’Aspremont-Lynden bij Tshombe aan het aandringen om “het pakje” wel in ontvangst te nemen. Lumumba werd de 17de naar Katanga overgevlogen. Zo ging dat.

Toen Davignon met ambassadeur Georges Carlier op 5 februari in Elisabethstad landde om er het vervolg op Parijs te bespreken en bij Jan Vanden Bloock naar Lumumba informeerde, hoorde hij: “Il n’y a plus de sujet”.

Lumumba was vermoord.

“Het was een schok. Als we het geweten hadden, zouden we niet naar Elisabethstad zijn gegaan.” Uit documenten blijkt nochtans dat minister Wigny al zeker op 3 februari van de dood van Lumumba wist.

“Een krokodil vang je niet zomaar”, liet een commissielid zich na de ondervraging van Davignon ontvallen.

Bron » De Standaard

Operatie ‘Wapens voor Kabila’ voor de rechtbank

Niet één maar vijf verdachten zullen zich in september voor de Brusselse rechtbank moeten verantwoorden voor een illegale wapenhandel ten gunste van wijlen Laurent-Désiré Kabila in 1997. Aanvankelijk werd enkel wapenhandelaar Marcel Sanders gedagvaard. Tegen het standpunt van het parket in, volgden echter nog meer dagvaardingen.

Op 13 mei 1997 werd op het nippertje een illegale wapenhandel opgerold in het Waasland. Het ging om 8.500 Fal-geweren uit Groot-Brittannië die bestemd waren om de Kongolese rebellenleider Kabila aan de macht te brengen (DM 14/05/97). De wapendeal ging niet door, maar er volgde wel een gerechtelijk onderzoek. En daarin moest Marcel Sanders in mei als enige betichte in Brussel voor een rechtbank verschijnen. Hij pleit onschuldig. Onlangs vroeg – en bekwam – zijn advocaat van de voorzitter de steun om ook alle andere vermeende daders, die in het dossier trouwens als zodanig vermeld staan, te dagvaarden.

Het gebeurt zelden dat een zetelende rechter ermee instemt om tegen de zin van het parket andere betichten aan een zaak toe te voegen. In september hervatten de debatten, dit keer met naast Sanders nog vijf medebetichten. Het verhaal van de mislukte poging om vanuit België in 1997 al Kabila in Kongo aan de macht te brengen zal dan ook grondiger aan bod komen.

Uit het dossier kan alvast worden opgemaakt dat alles tot in de puntjes geregeld was. Wapenhandelaar Leon Ivens uit Sint-Niklaas (inmiddels naar riantere oorden vertrokken) kocht eerst uit Britse stocks 8.500 Fal-geweren die hij opsloeg in een depot in het Waasland. Ivens weet van wanten. Hij is al vele jaren een bekende en beschermde internationale wapenhandelaar. Het wettelijk verplicht certificaat van de eindbestemming werd tijdens een bijeenkomst op de ambassade van Israël in Brussel geleverd door een Israëliër, na een contact met de financier van de operatie. Dat was volgens verklaringen in het strafdossier de Antwerpse diamanthandelaar Jozef De Roeck. Hij zou de wapens leveren aan de rebellen van Kabila. Ze dienden om de diamantmijnen onder de controle van Kabila te brengen, een noodzakelijke stap op weg naar Kinshasa.

Kabila zou, volgens het plan, de wapens met diamanten betalen. Als kandidaat-koper van de wapens bij Ivens in België dook Marcel Sanders uit Lokeren op, een man die al sedert jaren van alle markten thuis is en vijftien jaar geleden in de VS in de nor vloog in verband met wapenleveringen aan Iran in het kader van de beruchte Irangate-affaire. Sanders zegt dat hij in België ook ooit als getuige werd verhoord in de marge van de Agusta- en Dassault-smeergeldaffaires.

Sanders neemt al sedert enkele jaren geen blad voor de mond. Tegenover onze redactie verklaart hij zonder omwegen dat hij bij de plannen voor een wapenlevering aan Kabila “slechts in opdracht handelde” van De Roeck. Sanders beweert ook dat hij tijdens de bijeenkomst in de Israëlische ambassade een kopie kreeg van het certificaat van eindbestemming voor de 8.500 Fal-geweren.

In verband met de voorbereiding van de wapendeal werd er volgens Sanders wel twee keer vergaderd op de Israëlische ambassade in Brussel. Sanders zegt dat hij daar niet alleen De Rouck ontmoette, maar ook notoire wapenhandelaars als Jean Baugniet uit Brussel en André Braet van de Antwerpse firma Transamo namen daaraan deel. Transamo was destijds eveneens actief in de Irangate-affaire. Ook de patroon van het transportbedrijf Ziegler was volgens Sanders van de partij.

Hij spreekt verder van “een tweede ambassade in Brussel” en vermeldt een zekere Dimitri Orlof die zich uitgaf als militair attaché bij de Russische ambassade. Orlof zou de wapenlevering naar Kisangani organiseren. De wapens zouden dan vervoerd worden vanuit Rusland (via Cyprus en Marokko) door de firma Roma International Airfreight. De coördinatie van dat onderdeel werd toevertrouwd aan Baugniet, die voor de troepen van Kabila zelf ook nog grote laarzen leverde. De redactie slaagde er tijdens dit weekend niet in om De Roeck te bereiken.

Bron » De Morgen | Walter De Bock

Geen terrorist te bespeuren, maar antiterreurdiensten tuimelen over elkaar

Niet minder dan vijf politie- en inlichtingendiensten houden zich in ons land bezig met de bestrijding van terrorisme. Volgens de senaatscommissie Binnenlandse Zaken is dat te veel van het goede, temeer omdat hun werk “overlappingen” vertoont. Bovendien ontbreekt het aan coördinatie en aan een centraal aanspreekpunt voor buitenlandse antiterreurdiensten.

“De samenwerking met de Belgische diensten brengt ons soms in een lastig parket”, vertelde Rafaël Martinez, attaché Binnenlandse Zaken bij de Spaanse ambassade in Brussel, aan de senaatscommissie. “Wanneer ik van de diensten in Madrid verneem dat er een verdacht persoon zal aankomen, neem ik contact op met álle bevoegde Belgische diensten. Maar het gebeurt dat men zoveel tijd verliest, dat de betrokkene reeds opnieuw verdwenen is voor men tot observatie kan overgaan.”

Bij de federale politie bestaat er sinds de recente politiehervorming de dienst Terrorisme en Sekten, een dienst op federaal niveau die de gerechtelijke onderzoeken coördineert. Voor een deel heeft die dienst dezelfde opdrachten en bevoegdheden als de Antiterroristische Gemengde Groep (AGG), beter bekend onder het Franse letterwoord GIA, die al bestaat sinds 1984 en eveneens coördinerend optreedt. Daarnaast is er de dienst Terrorisme en Openbare Orde (Terop), een operationale eenheid van de gedeconcentreerde federale politie in Brussel, die zowel werkzaam is op het terrein als op het vlak van het verzamelen van inlichtingen. Ten slotte zijn ook nog de Staatsveiligheid en de militaire veiligheidsdienst betrokken bij de bestrijding van het terrorisme.

“Al die bevoegdheidsoverlappingen zijn natuurlijk niet bevorderlijk voor de efficiëntie”, meent VLD-senator Paul Wille. “In verscheidene diensten worden bijvoorbeeld dezelfde analyses gemaakt, wat tijdverlies is en de kwaliteit van de informatie in het gedrang kan brengen.” Samen met commissievoorzitster Anne-Marie Lizin (PS) stelde Wille gisteren het terrorismeverslag van de senaatscommissie voor, gebaseerd op een studiedag die de senaat over het onderwerp organiseerde.

In hun rapport vragen de senatoren de oprichting van een gespecialiseerde eenheid voor de bestrijding van het terrorisme, al dan niet bestaande uit (leden van) de huidige diensten. Volgens rapporteur Wille is minister van Binnenlandse Zaken Antoine Duquesne (PRL) zich van het probleem bewust en wil hij er op korte termijn iets aan veranderen. Een mogelijkheid is het afschaffen van een van de twee coördinerende diensten. “Als de regering in de komende weken geen initiatief neemt, moet het parlement zijn verantwoordelijkheid nemen”, meent Lizin.

Bij de start van het Europese voorzitterschap oordeelde de senaatscommissie het nuttig om de doeltreffendheid van het bestaande instrumentarium kritisch door te lichten. “Tenslotte is antiterrorisme voor twee lidstaten, Ierland en Spanje, dagelijkse kost”, weet Lizin. “De specifieke positie van Brussel moet ons doen nadenken”, waarschuwt Wille. “Na New York vind je in Brussel de grootste concentratie van VIP’s. De link naar terrorisme ligt voor de hand.”

Alle bestaande Belgische diensten pleiten voor meer personeel en bijkomende technische mogelijkheden, zoals het afluisteren van telefoongesprekken en de toegang tot bepaalde gegevens. De senaatscommissie is niet ongevoelig voor hun argumenten, maar stelt “dat er geen enkele vorm van toezicht wordt uitgeoefend op dat soort activiteit”. Bijzondere technieken kunnen volgens de commissie enkel via een wettelijke regeling en controle, bijvoorbeeld door het Comité I, het orgaan dat in opdracht van het parlement de inlichtingendiensten controleert.

Bron » De Morgen