De kruideniersmentaliteit van Delhaize

Toen Etienne Davignon bij zijn bedeltocht langs Belgische bedrijven voor de oprichting van SN Brussels van Delhaize nul op het rekwest kreeg, liet hij zich ontvallen dat die weigering de kruideniersmentaliteit van de groep typeerde. Een sneer waar Delhaize niet wakker van ligt. Integendeel, Delhaize gaat er prat op dat de groep, die meer dan 2.500 winkels telt in tien landen verspreid over drie continenten, nog steeds het kruideniersmetier hoog in haar vaandel draagt. ‘Kruideniers sinds 1867’ werd dan ook de ondertitel van het boek over de 135-jarige geschiedenis van het familiebedrijf.

De grondlegger van het Delhaize familie-imperium was Jules Delhaize. Die gaf in 1867 zijn stabiele en goedbetaalde baan als leraar handelswetenschappen aan het Koninklijk Atheneum van Brussel op om samen met zijn broer, de veearts Auguste Delhaize, in Charleroi een winkel in koloniale waren, wijnen en likeuren te beginnen. Als lesgever in de commerciele boekhouding had hij zich verdiept in de Belgische voedingshandel. Die bleek zeer duur doordat een hele batterij tussenpersonen een percentage nam. Vandaar het idee om alle koopwaar rechtstreeks bij de leveranciers in te kopen en die daarna tegen de beste prijs in onberispelijk uitziende winkels te verkopen.

Een gemeenschappelijk uithangbord voor alle winkels moest een sterk groepsimago creeren. De eerste jaren van Delhaize kenmerken zich door wisselende coalities tussen de elf broers en zussen en tweespalt in de familie. Schoonbroer Jules Vieujant en de broers Adolphe en Edouard komen bij Jules aan boord. Een vierde broer begint voor eigen rekening onder de naam Louis Delhaize, de start van de groep die tot op vandaag onder naam dezelfde naam opereert. Adolphe scheurt zich later af terwijl Leopold dan weer toetreedt.

In 1880, 13 jaar na de start, telt de onderneming een honderdtal verkooppunten. Delhaize kiest voor slogans als ‘Eendracht maakt macht’ en ‘In den goeden koop’. De leeuw wordt naar het voorbeeld van de Belgische leeuw toegevoegd aan de naam als symbool van kracht, solidariteit en eenheid. Een van de 20 geboden voor de filiaalhouder uit die tijd is: ‘Bekommer je niet om de details en doe nooit zelf wat je door iemand anders kan laten doen want jouw grootste zorg is controle.’

Uit de geboden van de zaakvoerder blijkt ook het paternalisme van Delhaize. Het 19de gebod gebiedt de zaakvoerder ‘Niet met betwijfelbare of armoedige mensen te werken. Help hen, maar werf ze niet aan’.

Conglomeraat

Om de winst te optimaliseren, begint Jules Delhaize zelf te produceren. Delhaize wordt een heus industrieel conglomeraat met een eigen borstelfabriek, chocoladefabriek en mosterdfabriek tot en met een azijnstokerij, een zeepziederij en een verffabriek. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog telt Delhaize 23 fabrieken die produceren voor 774 verkooppunten, bijhuizen en concessiehouders.

Na de Eerste Wereldoorlog ontpopt Delhaize zich meer en meer tot de specialist in kruidenierszaken in Belgie. Als de crash op Wall Street in 1929 ook de Belgische economie meesleept, starten ketens als Bon Marche en Innovation met het gebruik van eenheidsprijzen. Ook toen al ziet Delhaize er van af om louter op de prijs te concurreren.

‘Het verschil moet veeleer gemaakt worden door de kwaliteit van onze handelswaar en onze dienstverlening aan de klanten: krediet, thuisbezorging, onberispelijk voorkomen en kortingzegels. Stuk voor stuk factoren waarmee wij rekening moeten houden in onze kostprijs, maar die ons de trouw van onze klanten verzekeren’, besluit het jaarverslag van 1936.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog worden de meeste fabrieken van Delhaize als gevolg van opeisingen, contigenteringen en gebrek aan grondstoffen stilgelegd. Zij zullen hun activiteiten niet meer hervatten. In 1945 gaan de Delhaize-fabrieken definitief dicht op de wijnkelder, de koffiebranderij, de drukkerij en de likeurstokerij na.

In 1957 schrijft Delhaize Europese geschiedenis met de opening van de eerste zelfbedieningssupermarkt aan het Brusselse Flageyplein. ‘Dit soort winkels zal nooit een succes kennen in Belgie’, titelt La Libre Belgique op de vooravond van de opening van de eerste supermarkt. Ook bij Delhaize zelf is er wantrouwen tegenover de nieuwe winkelformule. De raad van bestuur laat haar topman Jean de Cooman beloven geen andere supermarkt te openen. Het duurt twee jaar vooraleer er een tweede supermarkt komt. Daarna is de weerstand overwonnen.

Tussen 1957 en 1967 sluiten nagenoeg alle 200 bijhuizen. Twee filiaalhouders op de drie krijgen een nieuwe functie in de onderneming zelf. In 1962 stapt Delhaize naar de beurs om geld op te halen voor de opening van nieuwe supermarkten. In 1968 gaat Delhaize opnieuw de innovatieve toer op: met het Franse Carrefour opent het drie hypermarkten van maar liefst 10.000 m2 elk.

De bouw van de vierde stuit op de Grendelwet die de opening van grote winkels fors bemoeilijkt. De joint venture overleeft de ingreep van het Belgische parlement niet. Na de terugtrekking van Carrefour verkoopt Delhaize de bestaande hypermarkten uiteindelijk aan de tak van de afgescheurde broer Louis, die de winkels herdoopt tot Cora’s.

Besoignes

Met de Belgische Grendelwet als zwaard van Damocles boven het hoofd kijkt Delhaize over de grenzen en neemt een participatie van 35 procent in Food Town Stores, een supermarktketen in het zuidoosten van VS. De 20 winkels van Food Town zijn ondertussen uitgegroeid tot de hoofdbrok van de groep. Vandaag is Amerika goed voor 80 procent van de groepsomzet. Dat smaakt naar meer en dus krijgt Delhaize ook uitlopers in Zuid-Europa, Centraal-Europa en Zuidoost-Azie.

Eind 2002 overschrijdt het winkelnetwerk van de groep in Thailand, Indonesie en Singapore de kaap van 100 winkels. Het boek ‘Delhaize De Leeuw’ leest als de geschiedenis van de besoignes van de Belgische winkeluitbater en zijn klant. En uit die geschiedenis zijn niet alleen de succesverhalen gelicht.

Het boek staat ook stil bij de donkerste periode uit de geschiedenis van de groep. Tussen 1983 en 1985 doodt de Bende van Nijvel 17 mensen tijdens overvallen op Delhaize-winkels. Ook de vastgelopen expansie in Portugal wegens meningsverschillen met de partner wordt uit de doeken gedaan. Net als de zeer pijnlijke ABC-episode in de Verenigde Staten.

Op 5 november 1992 beschuldigt de televisiezender ABC in prime time Food Lion van het verkopen van rotte vis, kinderarbeid en uitpersing van haar medewerkers. De beurskoers van Food Lion en Delhaize klappen in elkaar. In 1994 sluit de groep 84 winkels en trekt zich helemaal terug uit de staten Texas, Oklahoma en Louisiana.

Wedijver

Die ‘openheid’ houdt niettemin op wanneer de interne keuken van de familie Delhaize in beeld komt. De lezer zoekt tevergeefs naar een stamboom van de familie. De onderlinge afspraken worden met de mantel der familieliefde bedekt. Wat was de reactie toen Louis Delhaize in 1870 zijn eigen zaak in Henegouwen opstartte? En toen Adolphe Delhaize vier jaar later cavalier seul ging spelen? En hoe reageerden de verschillende neven en nichten toen Delhaize dit jaar het dividend voor het eerst sinds de beursgang in 1962 verlaagde?

Veel verder dan wat eufemismen zoals ‘hoewel de stilzwijgende overeenkomst van 1866, waarbij de verschillende ondernemingen er zich toe verbonden geen bijhuis te openen op minder dan vijfhonderd meter van elkaar, hadden de twee familiebedrijven een zekere wedijver niet altijd kunnen vermijden’, komt de auteur niet. In die zin is het boek eveneens een perfecte afspiegeling van de huisstijl van Delhaize: een kruidenier houdt de klanten toch ook uit zijn eigen keuken.

Emmanuel Collet – Delhaize De Leeuw. Kruideniers sinds 1867 – 2003, Tielt, Lannoo, 224 blz., 29,95 euro, ISBN 90-209-5299-5.

Bron » De Tijd | Gerda Ackaert

Bomaanslag op 11 juli was ‘jeugdzonde’ van Vlaams Blok-senator Wim Verreycken

Vandaag precies veertig jaar geleden vierden drie leden van de extreem-rechtse Vlaamse Militanten Orde (VMO) de verjaardag van de Guldensporenslag op hún manier: ze pleegden een bomaanslag op de Congreskolom in Brussel. Een van de daders die later voor die terreurdaad werden veroordeeld, was de huidige fractievoorzitter in de Senaat van het Vlaams Blok, Wim Verreycken.

Helemaal geslaagd kon de aanslag niet genoemd worden. Om de Congreskolom te laten instorten, zo wisten de VMO’ers, moest de springlading in de ruimte onder de zuil worden geplaatst. Maar ze raakten niet voorbij de solide bronzen poort van het monument en deponeerden de bom dan maar aan de buitenkant. De lont aansteken met een lucifer lukte niet, ze gebruikten een aansteker.

Om kwart over drie ’s nachts blies de explosie de vlam van de Onbekende Soldaat uit, rukte brokstukken uit de arduinen sokkel en beschadigde de bronzen deuren. In de Koningsstraat sneuvelden de ruiten, maar het symbool van het unitaire België bleef overeind staan. De verontwaardiging was er niet minder om. Toenmalig eerste minister P.W. Segers (CVP) veroordeelde de aanslag als “een zinloze daad van een provocateur”.

Het was geen geïsoleerde aanslag, maar een schakel in een reeks gewelddadige acties van extreem-rechts, waarbij vaak dezelfde VMO’ers betrokken waren. De geüniformeerde leden van de VMO, een knokploeg die pas in de jaren tachtig werd verboden als privé-militie, fungeerde destijds zogezegd als ordedienst van de pas opgerichte Volksunie. De nooit opgehelderde bomaanslag op de IJzertoren in 1946 lag nog vers in het geheugen en de meest radicale elementen van het extreem-rechtse flamingantisme zonnen op wraak.

In de kranten van toen werd de aanslag op de Congreskolom in verband gebracht met de bomaanslag op het gerechtshof in Brugge, in de nacht van 13 februari 1963, waarbij gelijkaardige explosieven waren gebruikt. Op 4 december 1965 volgde een aanslag met explosieven op de Leeuw van Waterloo. Op 10 juni 1966 gooiden onbekenden een traangasgranaat in de woning van gewezen liberaal minister Herman Vanderpoorten in Lier. Een gelijkaardige aanslag vond op 29 juni van hetzelfde jaar plaats in de woning van de liberale advocaat Victor in de Antwerpse Justitiestraat.

Vijf jaar lang tastte het gerecht in het duister over de identiteit van de bommenleggers. Pas in 1968 kon de zaak worden opgehelderd dankzij de verklaringen van Walter Maes, zoon van de legendarische VMO-leider Wim Maes. Walter Maes werd door de politie ondervraagd in het kader van een zedenzaak. De politie vermoedde dat hij als minderjarige was misbruikt door Adolf Franck, een ruwe dokwerker met een zwaar strafregister, die ook verdacht werd van een reeks havendiefstallen en van het afranselen van politieke tegenstanders.

“Ingevolge zijn gedrag op zedelijk gebied” was Franck door VMO-leider Wim Maes uit de organisatie gezet. Daarop volgden bedreigingen aan het adres van Maes, en Franck zou ook geprobeerd hebben om Maes te chanteren. Kort daarna, op 3 oktober 1968, was Wim Maes op 43-jarige leeftijd plots aan een hartaanval overleden. Onbekenden schilderden nadien de woorden ‘Dolf moordenaar’ op het voetpad voor de woning van Franck. Walter Maes meende dat Franck verantwoordelijk was voor de dood van zijn vader.

Als gevolg van een klacht van “een invloedrijk man van de Volksunie” (wiens identiteit niet werd bekendgemaakt) was Franck omwille van deze “onfrisse zedenzaak met homoseksuele achtergrond” aangehouden en werden tientallen jongens en meisjes, onder wie talrijke minderjarigen, voor ondervraging naar het gerechtshof geroepen. Een van die jongeren was Walter Maes.

Tot verrassing van de speurders wees de zoon van de overleden VMO-leider spontaan Franck aan als een van de drie daders van de aanslag op de Congreskolom, samen met twee andere VMO’ers: Rudi Degrijse (een correspondent in Antwerpen van het persagentschap Belga) en Wim Verreycken, bediende uit Borgerhout en op het moment van de feiten de 20-jarige leider van het trompetterskorps van de extreem-rechtse militie. In een adem vertelde Walter Maes erbij dat hetzelfde trio ook verantwoordelijk was voor de aanslagen op de woningen van Vanderpoorten en advocaat Victor. Voor die laatste feiten kwamen de drie VMO’ers echter nooit voor de rechter, omdat de raadkamer vond dat er onvoldoende bewijzen waren.

Een tweede getuige bevestigde grotendeels de verklaringen van Walter Maes. Rudy Mertens, een voormalig lid van het VMO-trommelkorps, verklaarde aan de onderzoeksrechter dat hij op 10 juli 1963, aan de vooravond van de aanslag, aanwezig was geweest in een café aan de Spoorweglaan in Wilrijk. Daar werd op een vergadering van een twintigtal VMO’ers het plan besproken om de bomaanslag te plegen. De drie verdachten waren erbij. Mertens hoorde VMO-leider Wim Maes na afloop van die vergadering tegen Degrijse zeggen: “Pietje, als gij ooit iets lost over wat hier allemaal gezegd is, sla ik u dood.”

Dat de zaak zo lang stil kon worden gehouden, zo verklaarde de openbare aanklager later tijdens het proces, was het gevolg van “een zekere terreur die in de rangen van de VMO heerste. Er werd gedreigd dat wie zijn bek zou open doen zou doodgeslagen worden”.

Volgens getuige Mertens had Degrijse de springstof geleverd en het commando met de auto naar Brussel gereden. Een van de twee anderen hield tijdens de rit het springtuig op zijn schoot. Het plaatsen van de bom in Brussel gebeurde door Franck en Verreycken. Eind december 1968 werden de drie verdachten aangehouden, ze bleven anderhalve maand in voorhechtenis. “Het nieuws van hun arrestatie sloeg in de Scheldestad in als een bom, even erg als destijds de bommen te Brussel en te Lier”, preciseerde een krant.

Het proces voor de correctionele rechtbank van Antwerpen bleek een lijdensweg van vertragingsmanoeuvers en procedurekwesties.Tijdens de eerste zitting verlieten de beklaagden en hun advocaten de rechtszaal omdat een rapport van een expert, die de schade aan de Congreskolom had berekend, in het Frans was opgesteld. Advocaat Herman Wagemans, de raadsman van Franck, vond dan weer dat zijn cliënt niet rechtsgeldig was gedagvaard en vroeg uitstel.

Groot misbaar werd gemaakt over politieke steekkaarten over de verdachten, opgesteld door de Staatsveiligheid, die bij in het strafdossier waren gevoegd. Advocaat Paul Doevenspeck, de raadsman van Degrijse, aarzelde niet erop te wijzen “dat dit methoden van een politiestaat zijn, onwaardig voor een vrij land”. (Doevenspeck kwam een paar jaar geleden nog eens in het nieuws als initiatiefnemer van het mislukte rechtse weekblad Punt). Na nog enkele incidenten kreeg de voorzitter van de rechtbank het op zijn heupen. “Men mag de komedie niet op de spits drijven”, waarschuwde hij. Wat dan weer heftig protest uitlokte van de verdediging.

Tijdens de debatten deden de advocaten van de VMO’ers hun best om de getuigen af te schilderen als volstrekt onbetrouwbare en onevenwichtige figuren, die tegenstrijdige en dus ongeloofwaardige verklaringen hadden afgelegd. Maar uiteindelijk veroordeelde de rechtbank de drie militanten op 13 mei 1969 bij verstek tot een jaar gevangenis en een boete van 2.000 frank wegens “vernieling van monumenten”.

Daarnaast werden ze veroordeeld tot een solidaire terugbetaling van de aangerichte schade, begroot op 102.666 frank. Na verzet te hebben aangetekend tegen het verstekvonnis kregen Verreycken, Franck en Degryse op 16 juni 1969 van dezelfde rechtbank een strafvermindering tot acht maanden cel. Ze gingen in beroep en een halfjaar later sprak het hof van beroep in Brussel de drie VMO’ers vrij. Vijf jaar waren inmiddels verstreken sinds de laatste onderzoeksdaad in het dossier, en de rechtbank moest tot de conclusie komen dat de feiten waren verjaard.

“Tuurlijk herinner ik me die zaak”, zei Verreycken gisteren in een gesprek met de redactie. “Maar ik heb geen vaag idee wat er met Franck en Degrijse is gebeurd. Leven ze nog? Wat doen ze? Ik zou het echt niet weten. Geen van hen is actief in de kringen waarin ik momenteel actief ben. Nee, verdrongen heb ik de zaak niet, maar het is wel veertig jaar geleden. Dat is allemaal definief voorbij. Zeker, ik werd door het gerecht beschouwd als een verdachte en moest voor de rechtbank verschijnen. Maar ik ben vrijgesproken, dus ik heb niets met die aanslag te maken. Of gelooft u het Belgische gerecht soms niet?”

Bron » De Morgen