Is de politieke moraal omgeslagen in een heksenjacht?

Weleer moest je al bulldozers doen aanrukken om een minister van zijn stoel te krijgen, nu vallen ze over bijna niets. De politieke moraal te lande lijkt doorgeslagen van het ene uiterste in het andere. “In de politiek moet iedereen katholieker dan de paus zijn.”

23 April 1998: Stefaan De Clerck kent de datum nog steeds uit het hoofd. Het was de dag dat de kindermoordenaar Marc Dutroux uit de gevangenis ontsnapte en de Belgische democratie enkele uren lang op springen stond. “In het parlement hing een fin-de-régimesfeer”, herinnert De Clerck zich. “De wildste geruchten deden de ronde. Premier Dehaene besefte dat er snel moest worden ingegrepen om niet in een crisis van het hele bestel terecht te komen.”

En dus namen Johan Vande Lanotte, minister van Binnenlandse Zaken, en Stefaan De Clerck, minister van Justitie, hun politieke verantwoordelijkheid en dienden hun ontslag in. “Niet omdat we fouten hadden gemaakt, maar om de gemoederen te bedaren: een zoenoffer voor de publieke opinie. De regering moest het vertrouwen behouden om met de hervorming van de instellingen door te kunnen gaan.”

Ironisch genoeg bleek het offer overbodig. Op het ogenblik dat Jean-Luc Dehaene voor de televisiecamera’s het ontslag van zijn ministers meldde, was de ‘boswandeling’ van Dutroux al voorbij.

Ter vervanging van Vande Lanotte werd SP-voorzitter Louis Tobback, bijna zestig, een beetje tegen heug en meug terug naar de Wetstraat gehaald. Vijf maanden later nam ook hij als minister ontslag nadat de Nigeriaanse asielzoekster Semira Adamu tijdens haar uitwijzing omkwam. Ze stikte in het kussen waarmee rijkswachters haar in bedwang probeerden te houden. “Tobback moordenaar”, riepen betogers tegen het harde vreemdelingenbeleid van de regering, en zelfs uit eigen rangen kwamen bakken kritiek. Zoveel dat zelfs een recht-voor-z’n-raapse bullebak als Louis Tobback aangeslagen opstapte.

“In een democratie moet iemand de verantwoordelijkheid opnemen als het systeem faalt”, zegt de burgemeester van Leuven vandaag. “Dus nam ik ontslag. Dat een minister opstapt, geeft een emotionele schok en werkt louterend. Pas daarna wordt een sereen politiek debat mogelijk. Je ontkracht ook de verdenking dat het altijd de kleintjes zijn die het gelag betalen, en dat is goed voor het vertrouwen in de instellingen.”

De ontsnapping van de ‘volksvijand’ Dutroux, de dood van Semira Adamu: het waren trauma’s die het hele land in beweging zetten. Geen wonder dat ministers erover vielen. Maar vandaag lijken gezagsdragers steeds vaker ontslag te moeten nemen voor kattenpis of toch niet veel meer. Anissa Temsamani, de allereerste allochtone staatssecretaris, stapte op na berichten dat ze over haar diploma gelogen had. En de Antwerpse schepen Chantal Pauwels kwam deze week onder vuur door de onthulling dat ze een OCMW-huis huurde voor 144 euro. Pauwels moest opstappen, vond Agalev: niet omdat ze een fout had gemaakt, maar omdat ze door de niet aflatende geruchten politiek niet meer te handhaven was.

Eerder struikelden in de krabbenmand Antwerpen schepenen ook al over ‘fraudezaken’ als de aanschaf van een mantelpakje of relatiegeschenken op kosten van de gemeenschap: het beruchte Visakaarten-schandaal. Met politieke verantwoordelijkheid heeft het allemaal niets meer te maken. De scandalitis viert hoogtij.

Waar is de tijd dat ambtsdragers in het koninkrijk België op hun stoel vastgespijkerd bleven, zelfs al stortte de hemel boven hun hoofd in? Neem nu Ferdinand Nothomb, telg van een beroemd politiek geslacht. Naar een voetbalwedstrijd is hij wellicht nooit geweest. Na het drama op de Heizel weigerde de minister van Binnenlandse Zaken koppig zijn politieke verantwoordelijkheid te nemen voor het debacle van de ordehandhaving dat 39 mensenlevens kostte. Kon het hem wat schelen dat België daardoor internationaal voor paal stond.

Ook Mark Eyskens speelde Pontius Pilatus tijdens de onverkwikkelijke Silco-soap, in 1991. De Silco was een door een Arabische terreurgroep gekaapte boot, waarvan de Belgische opvarenden al jaren in Libanon gegijzeld zaten. De terrorist Walid Khaled kwam in Brussel met een Belgisch visum over hun vrijlating onderhandelen. Toen over zijn aanwezigheid een politieke rel ontstond, weigerde Eyskens op te stappen. Achteraf bestond de professor het zelfs hautain in een Nederlandse krant te verklaren dat hij in elk ander land zou opgestapt zijn, “maar toch niet in een apenland als België”.

De wereld veranderde tijdens de daaropvolgende regeringen-Dehaene. Het land werd geteisterd door een nooit geziene golf schandalen. Na de Bende van Nijvel kwamen de moord op André Cools, de Agusta-smeergeldzaak met alle vertakkingen van louche partijfinanciering, en de zaak-Dutroux. Het geloof in politiek en gerecht zakte naar nul. En plots volgden de ministeriële ontslagen elkaar in hoog tempo op.

Het begon in januari 1994 met de PS’er Guy Coëme, die als vice-premier moest opstappen omdat zijn naam met de smeergelden van Agusta in verband gebracht werd. De affaire werd bekend als de zaak van de ‘drie Guy’s’, omdat ook nog twee andere PS-toppers, Guy Spitaels en Guy Mathot, de Waalse gewestregering moesten verlaten. Alleen Mathot, de kat met de negen levens, overleefde de crisis.

Eind dat jaar sneuvelde Leo Delcroix, de toenmalige minister van Defensie, na een schandaal rond een villa in Zuid-Frankrijk, die hij met zwart geld zou hebben laten bouwen door drie Limburgse postbodes met loopbaanonderbreking. Een oer-Belgisch fraudeverhaal, sappig geserveerd door het Humo-onderzoeksduo Ilegems en Sauviller, waarvan een helft later ook de scalp van Temsamani mocht opeisen. Eigenlijk was het de journalisten vooral om de ‘occulte’ financiering van de CVP-staat te doen, zoals opgetekend in de beruchte Atoma-schriftjes van Delcroix. Maar lepe Leo ontsprong telkens de dans. Al riskeert hij binnenkort in het milieuboxenproces toch nog wegens valsheid in geschrifte veroordeeld te worden.

Niet alleen handige regelaars legden het hoofd. In maart 1995 nam Frank Vandenbroucke ontslag als minister van Binnenlandse zaken. Vandenbroucke, bekend om zijn bijna puriteinse ethiek, bleek als kersverse voorzitter van de SP een paar miljoen frank Agusta-smeergeld in de partijkas te hebben gevonden. Hij vond geen betere oplossing dan opdracht te geven het geld te verbranden.

In het nauw gedreven, trok Frankie naar Oxford, om zich te herbronnen. Hij keerde later sterker dan ooit naar de vaderlandse politiek terug. Samen met Guy Verhofstadt was hij de architect van Paars. Die opmerkelijke carrièrewending leert één ding: in een crisis je politieke verantwoordelijkheid opnemen, loont. Delcroix, De Clerck, Tobback, Colla en Pinxten – de verantwoordelijken van de dioxinecrisis van 1999: allen kregen ze meer voorkeurstemmen bij de volgende parlementsverkiezingen. Zondebokken kunnen bij ons blijkbaar makkelijk op publieke gratie rekenen.

Sommigen mogen zelfs twee keer op rij zondigen zonder dat het spel uit is. Neem Pierre Chevalier, bon-vivant en tegelijk advocaat met enige neiging tot slordigheid. In november 1989 haalde Chevalier, toen staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid, de krantenkoppen met een nogal duur dienstreisje naar Parijs. De driedaagse trip bleek 114.745 frank te hebben gekost. Toen hij daarbovenop ook nog een tuchtstraf kreeg omdat hij als advocaat vergeten was geld aan cliënten door te storten, moest hij van de SP opstappen.

Geen nood: Chevalier stapte over naar de VLD en werd staatssecretaris van Buitenlandse Handel. Een baan die hij moest opgeven nadat hij in 2000 genoemd werd in het gerechtelijk onderzoek naar een frauduleuze vliegtuigverkoop, waarbij hij als advocaat was opgetreden. Maar toch zit Pierre Chevalier nog altijd in de Senaat.

Slechts weinigen die in botsing komen met de politieke moraal, verdwijnen definitief. Navo-secretaris-generaal Willy Claes is de uitzondering die de regel bevestigt. Een veroordeling in het Agusta-proces beëindigde voortijdig zijn carrière, maar niemand kijkt er Claes op aan. In politieke discussieprogramma’s is hij als grijze eminentie een graag geziene gast. Ook Leo Delcroix doet het na zijn politieke teloorgang goed als zakenman. “Drie keer op de cover van Humo staan, dat is beter dan de paus”, grapte hij enkele jaren geleden. Met de schade aangericht door ‘de bloedhonden van de media’ valt het te lande dus nogal mee.

Al schuiven de grenzen de jongste tijd vervaarlijk op. Het Visakaarten-schandaal in Antwerpen zou vroeger hooguit goed zijn geweest voor enkele opiniestukken over normvervaging in de kranten, maar omdat het Vlaams Blok in de rol van openbare aanklager kroop, de schandalen zich ook bij politie en ambtenarij opstapelden en in Antwerpen alles altijd buitenmaats is, volgde een grote schoonmaak, waarbij de ene partij na de andere zijn schepenen offerde in het kader van een ethische renaissance. Het moest nu maar eens en voorgoed uit zijn met de bestuursmalaise op ’t schoon verdiep.

Pas na het rondje koppensnellen kwamen de bedenkingen. Is het rondsturen van geboortekaartjes of de aankoop op kosten van de stad van een duur brilmontuur een halszaak die bestraft moet worden met ontslag? “De schepenen zelf vonden duidelijk van niet”, zegt veteraan Louis Tobback. “Maar dat bewijst alleen hoe gevaarlijk normvervaging is. Men verliest het besef van mijn en dijn. Dat begint met geboortekaartjes, maar van het een komt het ander. Ik wil best geloven dat een schepen van Antwerpen meer kaartjes te versturen heeft dan de doorsneeburger, maar moet de gemeenschap daarvoor opdraaien? De cadeautjes die je krijgt, geef je toch ook niet terug aan de stad, hé.”

Tobback kijkt wel genuanceerd tegen de zaak-Chantal Pauwels aan. “In de Visakaarten-affaire was er een reden om op te stappen, nu zeker niet. Ze heeft alle gelijk dat ze op haar stoel blijft zitten. Als dat meisje een huis van het OCMW huurt, dan moet ze daar toch niet uit omdat ze in de gemeenteraad terechtkomt?” Toch oordeelde Agalev in eerste aanleg dat Pauwels weg moest, ook al had ze geen fout begaan. Want perception is reality , ook bij de groenen, die naar eigen zeggen zo serieus met politiek bezig zijn.

“Het is verbijsterend hoe sterk het Vlaams Blok de agenda in Antwerpen blijft bepalen”, zegt de Gentse politicoloog Carl Devos. “Ze komen met een oud verhaal dat meer spin is dan iets anders, en Agalev loopt erin. In plaats van te zeggen: laat maar waaien. In de politiek draait het dezer dagen steeds meer om imago. Kijk naar Anissa Temsamani: even snel als ze staatssecretaris werd, is ze alweer afgevoerd. Zoals een flesje Coca-Cola dat preventief uit de rekken genomen wordt. Temsamani was een nieuwkomer zonder politiek gewicht. Ze zat niet op haar stoel om beleid te maken, maar om wie ze was: migrantenvrouw, alleenstaande moeder, een mediatiek gezicht. Maar daarom lag ze er bij de eerste kras op haar imago ook meteen uit. Eén tijdschriftartikel was genoeg.”

Is de politieke moraal op hol geslagen? Devos vreest van wel. “Wat we de jongste tijd zien, lijkt meer op koppensnellerij. Ambtsdragers moeten bij het minste de plaats ruimen. Ik wil de media niet de schuld van die scandalitis geven. Zij spelen hun rol. Dat de pers zoveel belangrijker is geworden dan vroeger, komt vooral doordat de politiek de pers zo belangrijk heeft gemaakt. De partijhoofdkwartieren moeten zich maar niet zo laten opdraaien door elk mediaverhaal.”

“Wie in de perceptie groot wordt, sterft door de perceptie”, zegt Stefaan De Clerck, nog niet zo lang geleden de voorzitter van CD&V. “Al die leuke jongens en meisjes die je vandaag in de politiek ziet opduiken, zijn bij het minste mediastormpje zo weer weg. Omdat ze alleen figuratie zijn. De echte sterkhouders staan boven het gewoel. Laat maar overwaaien, denken die. Verhofstadt en de miljoenen van Leo Goovaerts, Vandenbroucke die – dixit Karel Van Miert – gelogen zou hebben in de zaak tegen Carla Galle: wie spreekt er nog over? De politieke moraal van vandaag lijkt strenger, maar er zit opvallend veel rek op. Het is de klasse waarin hij speelt, die bepaalt hoe snel een politicus tot ontslag gedwongen wordt.”

En dat is een gevaar, vindt politicoloog Carl Devos. “Als de media zich alleen nog bezighouden met de dagelijkse soap van schandaaltjes en ontslagen, blijven de echt belangrijke dossiers onderbelicht. In de Wetstraat hoor je zoveel halve waarheden en hele leugens. Denk aan de misdaadcijfers van Verhofstadt vorig jaar, de manoeuvres rond Sabena en de politieke benoemingen. Allicht is het maatschappelijke belang daarvan vele maten groter dan een leugentje om bestwil over een kandidaatsdiploma. Toegegeven, het is geen sexy leesvoer. En wie zo’n dossier aanpakt, riskeert een botsing met de macht. Een Temsamani pakken is makkelijk, maar bij een Vande Lanotte of Verhofstadt is de kans groot dat je als journalist later de rekening krijgt gepresenteerd.”

De affaires Pauwels en Temsamani wekken de indruk van een heksenjacht. De politieke moraal is van ‘laat maar waaien’ doorgeslagen naar een zuiverheidswaan — voor de kleintjes dan toch. Tegelijk waren er de voorbije weken al volop kritische bedenkingen over de almacht van de perceptie te horen. En dat Chantal Pauwels ondanks de kritiek uit eigen rangen schepen blijft, kan het teken van een kentering zijn.

“Wantrouwen tegen de politiek is goed”, zegt communicatieadviseur Noël Slangen. “In een democratie geven mensen een flink stuk zelfbeschikking uit handen. Om zich daarbij niet al te afhankelijk te voelen, eisen ze het recht op hun leiders volop in vraag te stellen. De obsessie van het machtsmisbruik is van alle tijden en culturen. Het probleem vandaag is dat de politiek zelf onhaalbare normen stelt. Een politicus moet katholieker zijn dan de paus. Dat is uiteraard onleefbaar.”

Twintig procent van de Belgen kruidt bij sollicitaties de waarheid in het cv, weten human-resourcesmanagers. “Maar bij Temsamani is dat een doodzonde. Terwijl ze niet eens financieel voordeel uit dat leugentje heeft gepuurd. En dus kun je ook niet van fraude spreken.”

Het opbod in politieke ontslagen is een gevaarlijke ontwikkeling, vindt Slangen. “Telkens wordt een nieuw ijkpunt gesteld van wat kan en niet kan. En telkens zien media en oppositie dat nieuwe ijkpunt als een uitnodiging om de zittende politici opnieuw te wegen. Het gaat allang niet meer om beleidsfouten. Een politicus moet er rekening mee houden dat zijn hele verleden wordt doorgelicht. En wie heeft nog nooit een bouwmisdrijfje – een extra raam, bijvoorbeeld – of een snelheidsovertreding begaan? Als de zuiverheidsmanie doorzet, moet je wel heel gek zijn om nog in de politiek te stappen. Of zelfs in de buurt ervan te komen.” Dat heeft Slangen de jongste jaren als politiek marketeer en communicatieadviseur van premier verhofstadt zelf mogen ondervinden. Straks wacht hem een proces wegens fraude bij de aanbesteding van overheidscampagnes begin jaren negentig.

“Ik heb ervaren dat bedrijven die voor de politiek werken, volgens heel andere normen beoordeeld worden”, zegt Slangen. “In plaats van zakelijke normen krijg je politieke normen, die veel strenger zijn. Soms op het onwerkelijke af. Zo zijn alle administraties en besturen nu druk bezig de Visakaarten af te voeren. Want sinds Antwerpen zijn die voor de publieke opinie synoniem voor gesjoemel. Terwijl een Visakaart ideaal is om uitgaven te controleren.”

Slangen wacht geïnteresseerd af of de Visakaarten-affaire in Antwerpen ertoe zal leiden dat het gerecht iemand officieel in verdenking stelt. “Want dan schuiven de grenzen van wat niet kan alweer een eind op. Zelf zie ik geen enkele reden waarom de overheid strengere normen zou moeten hanteren dan de normen van goed bestuur in beursgenoteerde bedrijven. Die werken ook met andermans geld: dat van de aandeelhouders.”

De zuiverheidswaan in de politiek vandaag is niet alleen zelfdestructief, de kiezer heeft er op den duur ook geen boodschap meer aan, denkt Noël Slangen. “Wat wil de bevolking? Goed bestuur, doeltreffendheid en een krachtig beleid. Een politicus hoeft geen maagd te zijn. En zelfs als hij dat is, zullen de mensen hem blijven wantrouwen. Omdat dat nu eenmaal zo hoort in een democratie.”

Bron » De Standaard

Proces Cools van start

Op 17 oktober was het eindelijk zo ver. Meer dan twaalf jaar na de feiten begint voor het Luikse assisenhof het proces voor de moord op minister van Staat André Cools. Hij werd neergeschoten in de ochtend van 18 juli 1991 bij het verlaten van de woning van zijn maîtresse Marie-Hélène Joiret, die zelf de kogels overleefde. Het was wellicht de evidenste politieke moord uit de Belgische geschiedenis.

De daders, twee Tunesische huurmoordenaars, werden in 1998 al in eigen land tot elk 25 jaar cel veroordeeld. Op het proces in Luik zitten de organisatoren van de moord in de beklaagdenbank. Het gaat om Richard Taxquet, Pino di Mauro, Cosimo Solazzo, Mauro de Santis, Iachino Contrino, Domenico Castellino, Silvio de Benedictis en Carlo Todarello.

Het zijn allemaal figuren uit de corrupte entourage van wijlen Van der Biest, oud PS-minister en vooral ex-poulain van de binnen de PS ooit almachtige André Cools. In de hoop een concreter zicht te krijgen op wat nu precies de aanleiding was voor de moord wil het openbaar ministerie zo’n vierhonderd getuigen oproepen.

Bron » De Morgen

‘Moord op Cools was etterbuil oude politieke cultuur’

Met het proces-Cools valt het doek over een van de affaires die tekenend waren voor de ‘schizofrene jaren 90’. Volgens Carl Devos, politicoloog aan de Universiteit Gent, heeft de zaak-Cools geen blijvend trauma nagelaten. Ze leidde ook niet tot trendbreuken in de verhouding tussen de burger, het gerecht en de politiek. In het kielzog van de affaire-Cools kwamen wel de smeergeldaffaires Agusta en Dassault aan het licht, die België even op zijn politieke grondvesten deden daveren.

Impact

Toen Andre Cools vermoord werd, ging er een schokgolf door België. Logisch, vindt Carl Devos, professor verbonden aan de Universiteit Gent. ‘In Belgie worden geen politici doodgeschoten’. Voor een precedent moeten we teruggaan naar de moord op Julien Lahaut in 1951. Lahaut riep bij de eedaflegging van koning Boudewijn ‘Vive la Republique’ en werd kort daarna vermoord, vermoedelijk door een groep Leopoldisten.

Ook na de moord op Cools, intussen twaalf jaar geleden, is in Belgie geen politieke moord meer gebeurd. De collectieve verontwaardiging direct na de moord, en de vrijwel onmiddellijke suggestie dat het om een politiek gerelateerd misdrijf ging, brachten een diep wantrouwen van de burger in de politiek aan de oppervlakte. Volgens Devos haalde de moord op Cools ‘het lelijkste van de oude politieke cultuur naar boven’.

Toch mag de impact op de langere termijn niet overschat worden: ‘Het gevaar is dat twaalf jaar na de feiten de zaak-Cools wordt aangegrepen om van alles en nog wat post factum te verklaren’, zegt hij. De waarheid is veel genuanceerder: ‘De moord op Cools was in de jaren 90 maar een van de vele affaires die de burgers de indruk gaven dat de overheid machteloos stond bij het oplossen van een aantal gebeurtenissen. Maar ze zette de politici ertoe ook aan – althans aan de oppervlakte – een aantal dingen te veranderen.

De moord op Cools past in het rijtje van een aantal politieke schandalen en affaires: Agusta, Dassault, de Bende van Nijvel, de moord op de veearts-keurder Karel van Noppen en vooral de Dutroux-affaire’. Devos werkt samen met de collega’s van zijn vakgroep aan een boek over de politiek in de ‘schizofrene jaren 90’.

Partijfinanciering

Een van de elementen waarop de publieke verontwaardiging zich in de marge van de moord op Cools concentreerde, was de partijfinanciering van de Parti Socialiste. Het was een gebruikelijke praktijk in die dagen dat bedrijven een deel van de overheidssubsidies terugstortten aan de partij van de toekennende minister. Een van de pistes die onderzoeksrechter Veronique Ancia onderzocht, was of de al dan niet illegale financiering van de PS een motief kon zijn voor de moord.

Intussen is het systeem van partijfinanciering grondig veranderd, maar volgens Carl Devos heeft dat niet rechtstreeks met de zaak-Cools te maken: ‘Het klopt dat de politieke partijen vroeger handenvol geld nodig hadden om de vele en dure verkiezingscampagnes te betalen en dat er nauwelijks controle was op de inkomsten van de partijen. Daar kwam in 1989 – dus voor de moord op Cools – met de wet-Dhoore verandering in.’

Die wet verplichtte de partijen een open boekhouding bij te houden. In ruil konden ze voortaan rekenen op een dotatie van de overheid. In 1993 werden de overheidssubsidies verhoogd. Ook die wetswijziging vloeit volgens Devos niet rechtstreeks uit de zaak-Cools voort. ‘De zaak-Cools heeft hooguit een aantal op stapel staande veranderingen versneld, maar de dynamiek om paal en perk te stellen aan een aantal praktijken was eerder al op gang gekomen’, stelt de professor.

Dienstbetoon

Een ander symptoom van de oude politieke cultuur dat na de moord op Cools door jong en oud verguisd werd, is de traditie van het dienstbetoon. Die traditie zat sterk geworteld in alle politieke partijen, niet het minst in de Parti Socialiste. Na de affaire-Cools, en nog meer na de affaires Agusta en Dassault, stond het dienstbetoon zwaar ter discussie. Vooral in Vlaanderen kwam het pleidooi voor een nieuwe politieke cultuur op gang.

Toch is het volgens Devos nooit gelukt om het cliëntelisme uit de partijen te bannen, en zeker niet uit de PS. ‘Het dienstbetoon verklaart nog steeds voor een groot deel het succes van de Parti Socialiste. De huidige partijvoorzitter, Elio di Rupo, beseft dat trouwens maar al te goed en draagt hierin een janusmasker: enerzijds voert hij zoals alle andere partijvoorzitters een vernieuwingsoperatie door, anderzijds zijn de ‘arrangeurs’ in zijn partij nog steeds actief.’

Devos merkt wel op dat ook bij de PS de scherpe kantjes er intussen afgevijld zijn: ‘Dienstbetoon staat niet per definitie buiten de wet. Het vreemde huwelijk tussen de maffia en de politiek bestaat wel niet meer. Het is niet meer nodig omdat alle partijen nu door de overheid beter gefinancierd worden. Het is nog wel steeds zo dat de PS maar matig te enthousiasmeren is over de Vlaamse ‘nieuwerwetserij’ die nieuwe politieke cultuur heet. Het beste voorbeeld is de tegendraadse houding van de PS in de Copernicus-hervorming.’

Rehabilitatie

Carl Devos gelooft niet dat de moord op Cools de Franstalige socialistische partij veel kwaad heeft gedaan. De partij verloor bij de verkiezingen van 24 november 1991 wel enkele procenten (van 43,9% naar 39,2%), maar ze is vandaag nog steeds de grootste politieke formatie in Wallonië. Ook voor de kopstukken van de partij betekende de affaire-Cools niet de doodsteek van hun politieke carriere.

Op Alain van der Biest na, die op 18 maart 2002 zelfmoord pleegde, zijn alle protagonisten gerehabiliteerd. Zo werd Guy Mathot recentelijk tot voorzitter van de Luikse PS verkozen. Hetzelfde geldt voor sleutelfiguren van affaires zoals Agusta en Dassault. Frank Vandenbroucke is nog prominent aanwezig op het politieke toneel. Willy Claes en Guy Coeme zijn weliswaar niet meer politiek actief, maar ook zij werden intussen door de publieke opinie van alle smet gezuiverd.

Fortuyn

De moord op Cools heeft ook het wantrouwen van de burger in het gerecht gevoed. ‘Dat komt omdat de burgers het idee kregen dat het kleine grut, de Tunesische executeurs, wel waren gepakt, terwijl de opdrachtgevers vrijuit gingen’, denkt Devos. Daarnaast waren er insinuaties over de politieke kleur van onderzoeksrechter Veronique Ancia en de slechte samenwerking van het gerecht van Luik en dat van Neufchateau.

Dat de zaak twaalf jaar na de feiten nog voor een assisenjury moet komen, verbetert de zaken er niet op. Hier en daar klinkt het dat een proces nu geen zin meer heeft. De vergelijking met Nederland, waar de moordenaar van Pim Fortuyn intussen al in beroep veroordeeld is, is nooit veraf. Toch roept Devos enkele verschoningsgronden in: ‘Je mag niet vergeten dat de affaires Agusta en Dassault en de fraudezaak bij de verzekeringsmaatschappij OMOB het onderzoek doorkruist hebben. Bovendien gaat het om een ingewikkeld dossier dat bemoeilijkt werd door de familiebanden tussen de betrokkenen waarbij zwijgplicht geldt. Bovendien ging het bij Fortuyn om een politieke moord pur sang, waarbij iemand om zijn ideeën vermoord werd en de dader onmiddellijk gevat kon worden. Bij Cools ging het om een interne afrekening.’

Bron » De Tijd

Inlichtingendiensten lopen elkaar nog steeds voor de voeten

De samenwerking tussen de burgerlijke en de militaire inlichtingendienst verloopt nog steeds niet optimaal. Beide diensten lopen elkaar voor de voeten en bespieden bijvoorbeeld allebei de antiglobalistische beweging en de moslimextremisten. Ze evalueren ook op een verschillende manier het gevaar dat van die groepen uitgaat. Dat is een van de besluiten van het jaarverslag over 2002 van het Vast Comité van Toezicht op de Inlichtingendiensten, in de wandeling het Comité I.

In opdracht van het parlement controleert het Comité I de werking van de inlichtingendiensten. Jaarlijks brengt het daarover verslag uit aan de parlementaire begeleidingscommissie. Opvallend in het jongste jaarrapport is de scherpe kritiek van het Comité I op het gebrek aan samenwerking tussen de staatsveiligheid en haar militaire tegenhanger, de Algemene Dienst Inlichtingen en Veiligheid (Adiv). Met name op relatief nieuwe terreinen is er volgens het Comité I van samenwerking nauwelijks sprake en lijken beide diensten eerder met elkaar te concurreren.

Eind vorig jaar, na de rellen die in Borgerhout uitbraken als reactie op de moord op een Marokkaanse jongen, begon het Comité I op verzoek van senaatsvoorzitter Armand De Decker (MR) een toezichtsonderzoek naar de manier waarop de inlichtingendiensten de activiteiten van de Arabisch-Europese Liga (AEL) van Abou Jahjah volgen. Hoewel de chefs van beide diensten zeggen dat ze wel degelijk met elkaar samenwerken, vraagt het Comité I zich toch af hoe die samenwerking dan wel verloopt en op welke manier ze wordt gecoördineerd. Het Comité stelde immers vast dat “de perceptie van de bedreiging door de Adiv niet altijd samenvalt met die van de staatsveiligheid”.

Volgens het jaarverslag bekijkt de staatsveiligheid de organisatie van Jahjah “in al haar aspecten, zoals contacten met extreem-links, Arabisch-nationalisme en contacten met andere organisaties”, terwijl de Adiv “zich ertoe beperkt de AEL alleen aan Hezbollah te verbinden, wat momenteel overigens door de feiten wordt tegengesproken”. De militaire veiligheid heeft geen bewijzen gevonden van ideologische of organisatorische banden tussen de AEL en islamitische stromingen, maar “sluit niet uit dat er een zekere verwantschap bestaat met de sjiitische beweging in Libanon”.

De staatsveiligheid, zo stelt het jaarrapport, “vraagt zich af welke de bevoegdheid is van de Adiv in een materie die geen enkel militair aanknopingspunt heeft. Ze heeft de Adiv hieromtrent vruchteloos ondervraagd, onder meer naar aanleiding van verschillende vergaderingen die op initiatief van de staatsveiligheid werden georganiseerd met de militaire zusterdienst. Het versterkt de staatsveiligheid in haar bekommernis dat er soms gelijklopend dubbel werk wordt gedaan dat evenwel ernstige negatieve gevolgen kan hebben.”

Ook over de impact van extremistische en terroristische moslims zitten beide inlichtingendiensten niet op dezelfde lijn. Zo heeft de staatsveiligheid nog geen gevallen vastgesteld waarbij jonge moslims in Belgische moskeeën voor de Jihad worden gerekruteerd, terwijl de Adiv over elementen beschikt die bewijzen dat dat wél het geval is. De staatsveiligheid heeft overigens de minister van Justitie wel tijdig verwittigd over hoe “radicale islamitische elementen hun strategie van infiltratie en machtsgrepen voortzetten binnen de representatieve organen van de moslimcultus, ook om de hand te kunnen leggen op de subsidies die aan die godsdienst worden toegekend”.

Het Comité I stelt bijgevolg vast dat het protocolakkoord tussen beide inlichtingendiensten, meer bepaald op het terrein van het extremistische islamisme, niet wordt toegepast. “Bovendien heeft het Comité meermaals vastgesteld dat de staatsveiligheid van mening was dat de algemene opvolging van de bedreiging verbonden met het extremistisch islamisme niet onder de bevoegdheid van de Adiv viel”. Blijkbaar zijn de militairen speurneuzen zich hiervan bewust, want ze lieten verstaan dat ze “niet onder de duiven van de staatsveiligheid willen schieten”.

Bron » De Morgen

Le Soir-journalist René Haquin over twaalf jaar onderzoek naar moord op Cools

René Haquin herinnert het zich alsof het gisteren was. Op donderdag 18 juli 1991 lag hij te slapen in een hotel in Casablanca, toen de Belgische ambassadeur hem uit bed belde. De ambassadeur zei. “Jean Gol is vermoord.”

“We hadden de dag voordien getafeld”, licht Hasquin toe, “en over de Belgische politiek gepraat. Daarom belde de ambassadeur me toen hij het nieuws hoorde. Hij vergiste zich, want toen ik naar de redactie van mijn krant belde, bleek het niet Gol te zijn die was vermoord, maar André Cools. Dit wordt de eerste in een lange reeks, dacht ik. Na de Bende van Nijvel en de aanslagen van de CCC dacht ik dat België een reeks politieke moorden zou moeten verwerken. Gelukkig heb ik geen gelijk gekregen.”

Haquin (62) verwierf in de jaren tachtig faam met artikels en boeken over de Bende van Nijvel, de CCC en extreem-rechts in België. Ook het onderzoek naar de moord op Cools volgde hij van meetaf aan. “Het had er heel anders kunnen uitzien, als Justitie erin geslaagd was het onderzoek beter te organiseren.”

Het onderzoek heeft twaalf jaar aangesleept en is, zo wordt algemeen aangenomen, een voorbeeld hoe het niet moet. Klopt dat?

“Mijn eerste indruk na de moord was dat de middelen die de politie en het gerecht inzetten, niet in verhouding stonden tot de ernst van de misdaad. De moord op Cools werd behandeld als gelijk welke andere moord. Véronique Ancia was toevallig van wacht, dus zij kreeg de zaak toegewezen. Bij de toenmalige gerechtelijke politie werd er geen speciale onderzoekscel opgericht, dat gebeurde pas een jaar later. Veel te laat.”

“Het is de taak van de overheid voorbereid te zijn op dergelijke buitengewone gebeurtenissen en daar op een gepaste manier op te reageren. België heeft dat in de zaak-Cools niet gedaan.

“Hetzelfde is gebeurd ten tijde van de CCC. Pierre Carette moest eerst aanslagen plegen om de politiek en het gerecht in ons land ervan te overtuigen dat terrorisme een reële dreiging vormde. Nochtans waren er de jaren voordien in onze buurlanden voldoende signalen in die zin geweest.”

Wat had er moeten gebeuren na de moord op Cools?

“Ik heb nooit begrepen waarom Justitie niet meteen een speciale cel heeft gecreëerd die zich enkel met de moordzaak-Cools bezighield. In die cel hadden onderzoekers moeten zitten uit Luik, maar ook van elders in het land – omdat deze laatsten een afstand tegenover het onderzoek kunnen bewaren.”

“Men had ook nooit onderzoeksrechter Ancia aan het hoofd van het onderzoek moeten zetten. Zij was een goed onderzoeksrechter, maar niet briljant. Toch is mevrouw Ancia in 1994 tot vrouw van het jaar verkozen. Een onderzoek van die omvang kan nooit door één onderzoeksrechter alleen behandeld worden. Ancia heeft hulp gekregen van Jean-Louis Prignon, maar toen was het al te laat.”

“Na de aanslagen met Sarin-gas in de metro in Tokyo had ik een discussie met Japanse collega’s. Zij zeiden me hoe na die gasaanslagen meteen een speciale cel werd gecreëerd met de beste speurders van het land. Ze geloofden hun oren niet toen ik hen zei dat bij ons alles aan het toeval wordt overgelaten.”

Zijn er onderzoekssporen verwaarloosd?

“Zeker. Tot vandaag vind ik dat ze in Luik snel zijn afgestapt van laag-bij-de-grondse motieven, zoals een passionele moord of een afrekening. De onderzoekers zochten de daders van en het motief voor de moord op Cools meteen op het niveau van het slachtoffer. In hun redenering kon het niet dat Cools om een ‘banale’ reden om het leven was gebracht. Het moest iets politiek of economisch zijn. Door die redenering te volgen zijn ze op het smeergeld bij de aankoop van Agusta-helikopters en de miljardenfraude bij verzekeringsmaatschappij Omob uitgekomen.”

“Het is ook aan die overtuiging te wijten dat de onderzoekers in Luik geen geloof hechtten aan een anonieme tip van zes dagen na de feiten waarbij Alain Van Der Biest en Richard Taxquet werden genoemd als opdrachtgevers voor de moord. Dat was te simpel. Taxquet was natuurlijk ooit politieman in Grâce-Hollogne. De speurders in Luik kenden Taxquet en geloofden niet dat hij tot moord in staat was. Ze hebben het onderzoeksspoor naar Taxquet daarom te snel afgevoerd.”

“Ik geef toe dat het achteraf gemakkelijk praten is. Ten tijde van de moord heb ik zelf twee anonieme tips gekregen die me ernstig leken, maar achteraf verzonnen bleken te zijn.”

In 1992 al verdacht onderzoeksrechter Jean-Marc Connerotte van Neufchâteau een groep verdachten rond Richard Taxquet en Pino Di Mauro van de moord op Cools. Connerotte werd op 1 juni 1994 van het onderzoek gehaald. Wat is daar fout gelopen?

“De strijd tussen Ancia en Connerotte was die tussen twee theorieën over de moord, allebei met fanatieke aanhangers in de media. Ancia zocht het motief van de moord in de partijfinanciering van de PS. Connerotte in de aandelenzwendel op het kabinet Vander Biest. Ook Marcel Cools, de zoon van André, heeft zich in de discussie gemengd door zich ostentatief in Neufchâteau burgerlijke partij te stellen en zo zijn vertrouwen in Connerotte uit te drukken.”

“Los van wie gelijk had, was vooral het onvermogen van de Justitie om de twee onderzoeksrechters te doen samenwerken schrijnend.”

Wie had gelijk?

“Er valt volgens mij kritiek te geven op Luik en op Neufchâteau. Onderzoeksrechter Ancia en commissaris Raymond Brose waren té zeker dat het motief voor de moord ‘iets groot’ moest zijn, in de zin van Agusta en Omob. Zij wilden de rest niet meer ernstig nemen.”

“Toen Carlo Todarello en privédetective André Rogge in juni 1992 naar buiten kwamen met het verhaal dat de moord op Cools georganiseerd was op het kabinet-Van Der Biest, omdat Cools een zwendel met aandelen vanop dat kabinet aan het licht zou brengen, lachten de Luikse speurders dat weg. Volgens Luik kon dat niet. Zij hadden het spoor Taxquet onderzocht en waardeloos bevonden. Bovendien was privédetective Rogge niet de meest betrouwbare figuur, om over Todarello nog te zwijgen.”

“Er waren redenen om Rogge en Todarello niet te geloven, maar ze hadden het wel moeten onderzoeken. Een onderzoek steunt tot nader order niet op geloof, maar op feiten.”

“Aan de andere kant stonden Jean-Marc Connerotte van Neufchâteau en de rijkswachters van Bastenaken die in de zaak Cools waren gekomen omdat zij de aandelenzwendel onderzochten.”

“Voor onderzoeksrechter Connerotte en Neufchâteau was alles wat Todarello vertelde dan weer evangelie. Terwijl Todarello veel dieper bij de zaak betrokken was dan hij wilde toegeven. Ik heb in die tijd vaak de indruk gehad dat Todarello het onderzoek leidde en niet de onderzoeksrechter. Todarello duwde het onderzoek in de richting die hij wilde, naar de gestolen aandelen. Achteraf blijken de aandelen niet het motief voor de moord te zijn. Todarello heeft ook diverse keren zijn verklaringen veranderd en ingetrokken.”

“De conclusie is dat iemand beide onderzoeksrechters had moeten verplichten samen te werken. In plaats daarvan wees het Hof van Cassatie het onderzoek toe aan het gerecht van Luik. Neufchâteau werd van de zaak gehaald terwijl zij — zo blijkt achteraf — op het juiste spoor zaten, al vergisten ze zich van motief.”

Gaat het proces-Cools een antwoord vinden op alle vragen?

“Ik hoop het, maar ik vrees ervoor. Het wordt een vreemd proces. De twee Tunesische uitvoerders van de moord zijn al veroordeeld, maar zij wisten bitter weinig over de motieven. Zij hebben Pino Di Mauro herkend als de man die hen wapens en valse paspoorten bezorgde en de man die hen de opdracht voor de moord gaf. Ze dachten dat hij een politieman was.”

“Ook Cosimo Solazzo, Luigi Contrino en Domenico Castellino zijn door de Tunesiërs herkend. De vier andere beschuldigden of Alain Van der Biest hebben de Tunesiërs nooit gezien.”

“Alle acht beschuldigden minimaliseren hun rol. Van hen gaan we over de motieven voor de moord waarschijnlijk niet veel vernemen. Het openbaar ministerie meent dat Cools vermoord werd omdat Van Der Biest, Taxquet en Di Mauro hun postje op het kabinet bedreigd zagen. Maar volstaat dat als motief? Ik twijfel.”

“En dan zijn er de anonieme getuigen – één of meerdere – die opduiken. Het is door een anonieme getuigenis dat de zaak-Cools op 24 juni 1996 in een stroomversnelling is geraakt en dat opnieuw dezelfde verdachten als in 1992 gearresteerd werden. Gaan we te weten komen wie die anonieme getuigen zijn? Het lijkt me in elk geval essentieel om de hele waarheid te achterhalen.”

Bron » De Standaard | Mark Eeckhaut