Meer burgers krijgen recht op pro-Deoadvocaat

Het wetsvoorstel van de Kamer­leden Stefaan Van Hecke (Groen) en Zakia Khattabi (Ecolo) verhoogt de inkomensplafonds voor de toegang tot een pro-Deoadvocaat. Meer mensen krijgen toegang tot die juridische tweedelijnshulp, waarbij de overheid het ereloon van de advocaat betaalt.

Momenteel mag het loon van alleenstaanden maximaal 1.026 euro per maand bedragen om aanspraak te maken op het pro-Deosysteem. Voor gezinnen is dat 1.317 euro. Vanaf 1 september tot 2023 zullen de limieten in fases verhoogd worden tot 1.500 euro voor alleenstaanden en 1.800 euro of meer voor gezinnen, afhankelijk van het aantal kinderen.

Het voorstel is gisteren goed­gekeurd in de commissie-Justitie met de steun van Groen, Ecolo, de PS, de SP.A, CDH en de PVDA. CD&V onthield zich, de N-VA heeft een tweede lezing gevraagd. Dat heeft volgens Van Hecke te maken met de kostprijs van de uitbreiding: 77 miljoen per jaar. Die komt boven op de andere sociale maatregelen die de voorbije weken zijn goedgekeurd in de Kamer, zoals de pensioenaanpassing voor de mijnwerkers, die 200 miljoen kostte.

Van Hecke zegt die zorg te ­begrijpen. ‘We hebben momenteel heel wat budgettaire uitdagingen, maar dit is niet het zoveelste sinterklaas­cadeau’, zegt Van ­Hecke. ‘Het is om die reden dat de uitvoering in fases gebeurt. Vanaf ­1 september wordt het plafond verhoogd met 200 euro. Nadien voegen we 100 euro per jaar toe.’ De ­rekening volgt pas in 2022. Van Hecke blijft erop vertrouwen dat het wetsvoorstel definitief goed­gekeurd raakt.

De Orde van Vlaamse Balies reageert positief. ‘Met deze maatregel komt de overheid haar grondwettelijke plicht na om rechtsbijstand mogelijk te maken voor een groep die anders uit de boot valt’, zegt woordvoerder Hugo Lamon.

Bron » De Standaard

Advocaat veroordeeld tot pen en papier

Advocaten die tijdens een onderzoek het strafdossier tegen hun cliënt willen inkijken, moeten ‘als monniken’ alles blijven overpennen. De laatste poging van minister van Justitie Koen Geens om komaf te maken met die kafkaiaanse toestand botst op een njet van de privacywaakhond.

Ook in 2019 blijven strafpleiters vastgeketend aan pen en papier. Advocaten die voor hun cliënt een strafdossier inkijken op de griffie zullen nog altijd geen smartphone of handscanner mogen gebruiken om de tientallen of soms honderden bladzijden te fotograferen of te kopiëren.

Dat blijkt uit een advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, die toeziet op de het respect voor de privacyregels, aan minister Geens (CD&V). Die wilde met een wetswijziging eindelijk komaf maken met de ‘middeleeuwse’ regel dat advocaten lijvige strafdossiers enkel kunnen overpennen.

Geens wilde toelaten dat ze ‘met hun eigen middelen, gratis en ter plaatse’ een kopie nemen van het strafdossier of stukken die ze mogen inkijken. ‘Het recht op toegang tot het dossier is een determinerend recht van de verdediging. Dat recht moet evolueren met de technologische instrumenten waarover advocaten beschikken, zoals leespennen, handscanners, draagbare kopieermachines en camera’s van smartphones’, argumenteerde de minister.

Maar de Gegevensbeschermingsautoriteit brengt een ongunstig advies uit over de maatregel. Ze doet dat omdat de wet nu eenmaal in bepaalde gevallen alleen het recht geeft om een dossier in te zien en in andere om ook kopies te krijgen. ‘Er kan geen sprake van zijn dat onderscheid te omzeilen door de mogelijkheid te bieden kopies te nemen terwijl het uitsluitend is toegelaten het dossier in te zien’, stelt de privacywaakhond. ‘De mogelijkheid met eigen middelen kopies te nemen zou dus alleen kunnen als het nemen van kopies toegelaten is.’

Kunst- en vliegwerk

De maatregel van Geens moest soelaas bieden na jaren van kunst- en vliegwerk. Om te beginnen hield elke griffie er jarenlang haar eigen regels op na. In de ene rechtbank mochten advocaten wel foto’s nemen van het strafdossier, in de andere niet. In juni vorig jaar kondigde Geens aan dat het College van de Hoven en Rechtbanken eindelijk een uniforme werkwijze zou opleggen. ‘Dat betekent dat men digitale kopieën mag nemen’, liet de minister optekenen in Het Belang van Limburg.

Maar in april van dit jaar draaide dat volledig anders uit, tot grote ergernis van de advocaten. Het College van Hoven en Rechtbanken had wel een richtlijn uitgevaardigd, maar die legde voor eens en voor altijd een verbod op om te fotograferen of te scannen. ‘Pen en papier mogen de advocaten wel nog gebruiken op de griffie’, verduidelijkte de voorzitter van het College, Antoon Boyen, in Het Laatste Nieuws.

‘Wij vragen enkel een toepassing van de wet. Het kan zijn dat de wet niet is aangepast aan het huidige digitale tijdperk. Maar dan is het aan de minister van Justitie en het parlement om daar iets aan te doen’, stelde de magistraat.

Geens probeerde dat uiteindelijk ook te doen, al was hij er niet van overtuigd dat hij de wet moest veranderen om de praktijk met smartphones en scanners toe te laten. Hij verwees daarbij naar de digitalisering van de justitie.

Maar ook de digitalisering van de strafdossiers brengt geen soelaas. In sommige rechtbanken kunnen advocaten het strafdossier inkijken op een computer in de griffie. Maar ook dan geldt het verbod om een kopie te maken op een geheugenstick of om foto’s te maken van het computerscherm. Dat leidt op sommige plaatsen tot al even kafkaiaanse toestanden waarbij advocaten het dossier dan maar luidop aflezen van het scherm en alles met een dictafoon opnemen.

Wapengelijkheid

De situatie stuit veel advocaten tegen de borst omdat ook het recht op verdediging bij een onderzoek in het gedrang komt. Is er nog een ‘wapengelijkheid’ met de openbaar aanklager als een verdachte op deze manier zijn dossier moet inkijken?

De praktijk raakt ook aan de wapengelijkheid tussen de partijen als er geen mogelijkheid is om met eigen middelen een gratis kopie te nemen. Op alle griffies moet men ‘expeditierechten’ betalen per bladzijde die door de griffie wordt afgedrukt. Dat kan oplopen tot 1.450 euro, terwijl in andere landen, zoals Frankrijk, zo’n eerste kopie gratis is. Ook in Nederland staat het gerecht al veel verder met het afleveren van elektronische kopies van het strafdossier.

Bron » De Tijd | Lars Bové

‘Iedereen wil een hervorming. Maar niemand wil veranderen’

In de coulissen van ­justitiepaleizen woedt een overlevingsstrijd. De inzet is een hervorming die raakt aan de fundamenten van de rechtsstaat: wie beslist over de zware middelen om criminaliteit te bestrijden?

De inzet: een waanzinnig wetboek

De regels over hoe de politie en het gerecht criminelen opsporen en wie dat controleert, zijn ouder dan dit land. De wortels van het Wetboek van Strafvordering dateren van 1808. Sindsdien hebben veranderingen geleid tot een ‘waanzinnig wetboek’. ‘Er zijn vooral koterijen bijgebouwd’, luidde de verzuchting vier jaar geleden al (DS 25 januari 2014). Het was een periode waarin een aaneenschakeling van procedurefouten het belabberde imago van justitie verder de dieperik in duwde.

Een handvol experten heeft in ­opdracht van minister van Justitie Koen Geens (CD&V) nieuwe regels ­uitgewerkt. Ze nemen afscheid van een ­tijdrovende flessenhals: de raadkamer die aan het einde van een gerechtelijk onderzoek nagaat of er geen fouten zijn gemaakt en wie naar de vonnisrechter moet. Applaus op alle banken dus? Niet echt. Het alternatief is vooral de magistraten in het verkeerde keelgat geschoten.

De minister

Wie? Na kleinere ingrepen in het strafrecht komt Geens in zijn vierde jaar als minister van Justitie toe aan de orgelpunten, waaronder dat nieuwe Wetboek van Strafvordering. In vergelijking tot andere werven, zoals het faillissementsrecht, is dit een mijnenveld. Een update zou de nalatenschap van de advocaat en professor rechten die minister is geworden, volledig maken. Dus heeft Geens procedures voor ogen die de tand des tijds moeten doorstaan.

Vandaag bestaan er twee soorten onderzoeken: één onder leiding van het openbaar ministerie (OM) en één onder leiding van een onderzoeksrechter. Een crimineel in het vizier van de onderzoeksrechter heeft meer rechten dan een in het vizier van het OM.

‘Vroeg of laat zegt het Grondwettelijk Hof dat die ongelijkheid in strijd is met de Grondwet. Dan is het hek van de dam’, waarschuwt Yves Liégeois. Hij is een van de experten van Geens en werkt als ere-procureur-generaal bij het Antwerpse parket-generaal. ‘We moeten zo’n verregaande beslissing voor zijn’, vindt Liégeois.

De oplossing: het eengemaakte onderzoek. Het openbaar ministerie krijgt daarin de leiding over alle onderzoeken. Wanneer een magistraat een telefoon wil laten afluisteren of een bende wil infiltreren – met andere woorden: wanneer hij iemands privacy schendt – zal hij daarvoor toestemming moeten krijgen van een onderzoeksrechter.

Maar geen enkele tak van Justitie aanvaardt de voorstellen. Daar komt bij dat sommigen de wijzigingen die Geens heeft doorgevoerd met zijn potpourri-wetten, niet altijd kunnen volgen. Bovendien wordt nagenoeg overal geklaagd over personeelstekort. Het kabinet-Geens ontkent die tekorten.

Een doorlichting van de Hoge Raad voor de Justitie wees recent wel uit dat het personeelsbeleid bij justitie achterhaald is, ook omdat een deftige werklastmeting nog altijd niet bestaat. Voor een minister die de ambitie heeft om behalve andere wetboeken zoals die over erf- en vennootschapsrecht, ook het strafrecht een nieuw tijdperk in te loodsen met de ‘Codex Geens’, zijn er stevige obstakels.

De onderzoeksrechters

Wie? Rechters die verdachten tijdelijk kunnen aanhouden en de politie aansturen in de bestrijding van criminaliteit. Ongeveer vijf procent van alle onderzoeken – doorgaans de zwaarste dossiers – zit in hun handen. De onderzoeksrechter zoekt niet alleen naar bewijzen in het na- en voordeel van een verdachte, maar beslist ook over maatregelen die de privacy schenden: een telefoon afluisteren, een hacking of een huiszoeking. De onderzoeksrechters zijn tegelijk speurhond en rechter. In hun engagement om de waarheid te vinden, houden ze te weinig kritische afstand, luidt de kritiek.

Dus is de opsporing in de toekomst voor hen geen taak meer. De onderzoeksrechters zien nog toe op het correcte verloop van een onderzoek, maar leiden dat onderzoek niet langer. Een magistraat van het openbaar ministerie klopt bij hen aan om een machtiging te vragen voor afluisteroperaties, infiltraties of huiszoekingen. In veel landen bestaat het systeem al, dat efficiënter en onpartijdig zou zijn.

Maar ‘In Italië is de verandering al doorgevoerd. Ze komen er nu op terug’, zegt Philippe Van Linthout, covoorzitter van de Vereniging van Onderzoeksrechters. ‘De zaken slepen er te lang aan. In Nederland krijgt de onderzoeksrechter net weer meer macht en controle omdat hij te ver van het onderzoek af staat.’

‘Als er een stap komt tussen ons en de politiespeurders, riskeer je een gebrekkige informatiedoorstroming en verkeerde beslissingen. Net omdat wij als rechters ­beslissen over zo’n zware maat­regelen, moet de lijn tussen ons en de uitvoerders zo kort mogelijk zijn. Vergelijk het met “telefoontje spelen” in de jeugdbeweging: tussen de eerste versie en de bestemmeling kan de informatie al eens veranderen. In dossiers van drugs- en mensenhandel of terrorisme tikt de klok en heb je geen tijd om onverwacht een hele farde met pv’s te lezen. Anders zijn we niet meer dan een “stempelrechter”. Deze wijzigingen halen een efficiënte, echte controle onderuit.’

Het openbaar ministerie (of parket)

Wie? De magistraten die instaan voor de openbare orde. Ze onderzoeken misdrijven en brengen uiteindelijk de verdachte voor de rechter. Circa 95 procent van de strafdossiers zit bij hen.

Dus zouden ze verheugd kunnen zijn dat in de toekomst elk onderzoek onder hun hoede komt en ze daarin de zware maatregelen ­mogen toepassen. Maar in een brief die De Standaard kon lezen, trekken ze net fel van leer tegen de verandering. Ze vrezen dat de ­onderzoeksrechter hun schoonmoeder wordt.

‘Dit holt de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie net uit, in plaats van die te versterken’, schrijven de parketmagistraten. ‘De vele door elkaar lopende procedures, met vaak zeer krappe termijnen die permanent met elkaar dreigen te interfereren, zullen een efficiënt onderzoek in de weg staan.’ De flessenhals van de raadkamer zal zich verplaatsen, rechtspraak zal versnipperd raken en de werkelijke leiding van een onderzoek komt bij de politiediensten.

Maar de parketmagistraten maken zich vooral zorgen over de kosten van de hervorming. De nieuwe procedures brengen volgens hen meer werk mee, en daar hebben ze te weinig volk voor. Bij de hertekening valt ook de onderzoeksrechter als bliksemafleider, in gevoelige onderzoeken met veel persaandacht, weg.

De advocaten

Wie? Zij staan verdachten bij in de vervolging door het openbaar ministerie. Strafpleiters willen doorgaans dat hun cliënt zo licht mogelijk of het liefst niet wordt gestraft. Een cryptisch wetboek kan daarbij nuttig zijn.

Dus zouden met een fris, nieuw wetboek procedurefouten voltooid verleden tijd kunnen worden. Het openbaar ministerie denkt alvast van niet. De verdediging krijgt meer rechten, in meer dossiers, met meer procedures en een grotere kans op fouten. Bijna alsof advocaten de pen vasthielden. ‘Wij zijn totaal niet betrokken geweest’, zegt John Maes, de voorzitter van de commissie strafrecht bij de Orde van Vlaamse Balies. ‘Dat verwondert me, want bij veel andere ontwerpen worden we wel gehoord.’

Maar de advocaten valt vooral op dat de klacht met burgerlijke partijstelling er anders uitziet, waardoor het moeilijker is om als slachtoffer een gerechtelijk onderzoek op te starten. Toch zijn de advocaten het meest optimistisch. ‘In het verleden spraken veel ministers over hervormen, nu ligt er ook iets op tafel’, zegt Maes. ‘Tijd om er werk van te maken.’

Iedereen heeft het gevoel dat aan zijn macht wordt gemorreld, maar is er nog een belangrijke constante: geld. Onderzoeksrechter Van Linthout kan zich niet inbeelden dat het openbaar ministerie met de huidige bezetting de instroom van zware gerechtelijke dossiers kan behappen en dat de kartonnen dozen met pv’s vlot heen en weer gaan tussen de partijen. De minister gaat na wat de kosten zijn en verzekert dat hij niets er zomaar wil doorduwen.

‘Dit systeem kan niet draaien zonder bijkomende middelen en een nieuwe structuur’, voorspelt Liégeois. ‘Het openbaar ministerie zal anders moeten werken, met ervaren magistraten die gespecialiseerde secties leiden. Helaas bepaalt de budgettaire realiteit hoever mensenrechten zoals een gelijke behandeling reiken. Niet verwonderlijk dus dat elke groep vreest voor de botsing. Iedereen wil hervormen, maar niemand wil veranderen.’

Bron » De Standaard

(Beroeps)geheimen zijn soms nodig

We weten graag alles en wie zich op een geheim beroept is vaak al verdacht. Sociale media spelen daar graag op in. Zelfs de traditionele media doen er alles aan om alles (zelfs halve informatie) zo snel mogelijk te verspreiden. Er zijn geen deadlines meer. Die snelheid maakt dat nieuws vluchtiger wordt en helaas slordiger.

We aanvaarden ook steeds minder dat niet alles op tafel ligt en wie zwijgt of twijfel uit wekt wantrouwen. Dat verklaart misschien waarom ook steeds meer personen spreken die beter zouden zwijgen of minstens zouden wachten tot de tijd rijp is voor een zinvolle tussenkomst.

Er is de voorbije dagen nogal al wat te doen over het beroepsgeheim. Dat begrip wordt nogal onzorgvuldig gebruikt. Recent vertelde mijn kapper mij dat hij bij het wassen van de haren kan zien wie een facelift heeft ondergaan (je ziet het blijkbaar aan de oren), maar hij wilde niet zeggen bij wie hij het precies had opgemerkt. Beroepsgeheim, meneer. Laten we duidelijk zijn : in dit geval gaat het eigenlijk om gewone hoffelijkheidsregels, waardoor van iemand toch een zekere discretie wordt verwacht.

Van een andere orde is natuurlijk het ‘echte’ beroepsgeheim. Het is, na ‘de zaak Bart De Pauw’ nu weer actueel naar aanleiding van het geval van een priester die kennis zou gehad hebben van een wanhoopsdaad, maar niets ondernam omdat die informatie viel onder ‘het biechtgeheim’ (de variant van het beroepsgeheim in het kerkelijk recht).

Het beroepsgeheim geldt in de eerste plaats voor gezondheids- en welzijnsberoepen (zoals arts, apotheker of maatschappelijk werker), maar geldt ook voor bijvoorbeeld advocaten. Al die beroepsbeoefenaars hebben een vertrouwensrelatie die essentieel is voor een goede uitoefening van het beroep.

Op de schending van dat beroepsgeheim staan trouwens strafsancties, precies omdat het zo essentieel is. Maar bij de meeste vrije beroepen geeft dit ook aanleiding tot tuchtvervolgingen. Dat verklaart ook waarom bijvoorbeeld advocatenordes korzelig reageren wanner advocaten uitgebreid de media informeren over zaken waarin ze als advocaat geraadpleegd zijn en daarbij soms ook dingen vertellen die eigenlijk alleen maar tot de relatie cliënt-advocaat behoren.

Het beroepsgeheim is er dus in de eerste plaats voor de burger zelf, die in alle vertrouwen alles moeten kunnen vertellen aan de vertrouwenspersoon tot wie hij zich richt.
Iemand schendt het beroepsgeheim wanneer hij opzettelijk geheimen bekendmaakt, zelfs wanneer hij niet de bedoeling heeft om iemand schade of nadeel te berokkenen. De arts mag niet zomaar aan derden vertellen welke ziekte zijn patiënt heeft.

De advocaat zal aan zijn cliënt volledige openheid vragen over alle feiten, maar niet alles zal relevant zijn voor de behandeling van een zaak en zal dan ook geheim blijven. Dat beroepsgeheim is er dus in de eerste plaats voor de burger zelf, die in alle vertrouwen alles moeten kunnen vertellen aan de vertrouwenspersoon tot wie hij zich richt. Het is ook in het algemeen belang, zodat ook vaak wordt gesteld dat de patiënt of cliënt er geen afstand van kan doen.

Dus zelfs wanneer de betrokkene zou willen dat zijn advocaat of arts bepaalde gegevens zou prijsgeven, mag het niet. De vertrouwensrelatie is immers van essentieel belang en daarom stellen de meeste juristen dat ze “van openbare orde” is. Het is in het belang van de samenleving zelf dat sommige informatie in een besloten kring blijft.

Zich beroepen op ‘een geheim’ gaat misschien in tegen de tijdsgeest, maar gelukkig zijn de rechtbanken terughoudend om uitzonderingen hierop toe te staan. Dat kan bijvoorbeeld wanneer een advocaat kennis krijgt van ‘eminent gevaar voor de fysieke integriteit van een derde’, wat vrij vertaald betekent dat wanneer de advocaat er weet van krijgt dat zijn cliënt op het punt staat iemand te vermoorden hij moet spreken. Dan is sprake van ‘nood breekt wet’ en kan het beroepsgeheim wijken. Het kan de vertrouwenspersoon confronteren met zware ethische vragen.

Er is nu ook aandacht voor het biechtgeheim van de priester en de vraag of die laatste nu moet ingrijpen wanneer hij weet dat iemand op het punt staat zelfmoord te plegen. Dat is een debat dat door de rechtbank zal moeten worden beslecht. Het kerkelijk recht is iets anders dan wat het ‘gewone’ recht daarover vertelt. Het zogenaamde ‘biechtgeheim’ is blijkbaar iets wat zich in een kerk of kapel afspeelt en ‘buiten de biechtstoel mag geen biecht gehoord worden, tenzij om een goede reden’- canon 964 kerkelijk wetboek).

De correctionele rechtbank zal zich daarover echter niet moeten uitspreken, maar wel over de vraag of de priester de verplichting had zijn beroepsgeheim aan de kant te zetten om te verhelpen aan een dreigende noodtoestand. Daaraan is dan gekoppeld de vraag of er sprake is van schuldig verzuim. Het zal aan de rechter toekomen om, rekening houdend met alle concrete elementen uit het dossier, hierop een antwoord te geven. Laten we de rechter zijn werk doen.

Bron » De Morgen | Hugo Lamon

Aantal tuchtonderzoeken naar advocaten fors gestegen

Het aantal tuchtonderzoeken naar advocaten is de voorbije vier jaar fors gestegen. Dat blijkt uit cijfers die de Orde van Vlaamse Balies (OVB) opvroeg bij de Vlaamse afdelingen waarover Knack vandaag bericht.

Aan de Brusselse Balie steeg het aantal klachten tussen 2012 en 2016 van 110 naar 678, in Antwerpen ging het van 77 naar 125 klachten en in Gent van 34 naar 101. Als een cliënt een klacht indient, gaat het meestal over de kwaliteit van het geleverde werk, het gebrek aan informatie of een te hoog ereloon. Maar onderling dienen advocaten ook klachten tegen elkaar in.

Ereloon

Het grootste deel van de tuchtklachten gaat over het ereloon. Alleen de balie van Brussel registreert die klachten afzonderlijk. In 2012 ontving ze er 45, in 2016 was dat aantal gestegen tot 320. Vroeger bestonden er vrij duidelijke richtlijnen om het ereloon van een advocaat te berekenen, maar dat systeem is op verzoek van Europa stopgezet om de vrije concurrentie te waarborgen.

Volgens ereadvocaat Jan Dyck, tien jaar lang lid van de tuchtraad voor advocaten in Antwerpen, lichten veel advocaten hun cliënten onvoldoende in over de kosten die een rechtsgeding met zich mee kan brengen.

10.520 advocaten

Bernard Mailleux, stafhouder van de balie in Limburg en jarenlang kamervoorzitter van de tuchtraad Antwerpen-Limburg, wijst erop dat het aantal tuchtklachten vooral stijgt omdat er ook steeds meer advocaten en rechtszaken zijn. In 2007 waren er 8.525 advocaten in Vlaanderen, vorig jaar stond de teller op 10.520, een stijging met een kwart.

“Ongegrond en te banaal”

Uit het overzicht van de OVB blijkt dat de verschillende Vlaamse tuchtraden in 2007 17 tuchtuitspraken deden. In 2016 was dat gestegen tot 84. Daarbij werden 6 advocaten geschrapt en dus uit het beroep gezet. Gezien het aantal klachten valt het op hoe weinig tuchtuitspraken er uiteindelijk vallen. Volgens Mailleux is de meerderheid van de klachten ongegrond of te banaal om te vervolgen en te bestraffen.

In 2016 zijn zes advocaten uit het beroep gezet. Knack vroeg ook minister van Justitie Koen Geens om een reactie, maar hij wenste geen commentaar te geven.

Bron » De Morgen