DNA van leden Front de la Jeunesse wordt onderzocht

Een van de sporen die de speurders hanteren in de zaak van de Bende van Nijvel, is die van extreemrechtse groeperingen die het land wilden destabiliseren. Twee namen duiken steevast op: die van Front de la Jeunesse en Westland New Post (WNP). Onder anderen WNP-topman Michel Libert heeft al DNA afgestaan.

De speurders hebben nu ook DNA gevraagd aan drie ex-leden van Front de la Jeunesse: Tony Dossogne, de broer van de naar Frankrijk gevluchte oprichter Francis, Jean-Luc Campenhout en Jean-Marie Claus. Francis Dossogne heeft altijd ontkend dat zijn militie achter de Bende zit. Hij was wel goed bevriend met personen die in het onderzoek genoemd worden.

Bron » De Standaard

“Men deed het voorkomen als één Bende van Nijvel, terwijl het er volgens mij meerdere waren”

Hij volgde de zaak destijds als misdaadjournalist voor deze krant en gaf later mee vorm aan de grote politiehervorming. En nu schreef Paul Ponsaers (67) een nieuw boek over de Bende met grote B. “Jonge mensen hebben geen flauw benul in wat voor tijd het zich afspeelde. Dit is echt criminele archeologie.”

“Ik was in Aalst, die avond. Niemand heeft het mij daar gezegd, dat hoefde ook niet. Je voelde het. Dit was vér buiten het normale. Je kon het lezen in de gezichten van al die mensen. Dit was een terroristische raid.”

Hij steekt een sigaret op.

Paul Ponsaers was in de jaren 80 misdaadjournalist voor De Morgen. Hij ging later rechtssociologie doceren in Amsterdam. Bij de Algemene Politiesteundienst (APSD) lag hij mee aan de basis van wat we vandaag kennen als de politiehervorming.

“Ik moest de gemeentepolitie, de gerechtelijke politie en de rijkswacht ertoe brengen dat ze informatie zouden uitwisselen, wat in die tijd compleet nieuw was. Voor de leidinggevenden was het de eerste keer dat ze met een ‘burger’, zoals ze mij noemden, rond de tafel zaten. Fons Van Rie (rechercheur bij de naar de Bende speurende cel-Delta uit Dendermonde, DDC) was daar. Ik had de Bende allang achter mij gelaten. Dacht ik. Hij niet. Het speelde nog heel erg.”

U publiceerde in 1988 al samen met Gilbert Dupont het boek De Bende. Op 2dehands.be vraagt men er tot 85 euro voor.

Paul Ponsaers: “Eigenaardig genoeg is er sindsdien nauwelijks kennis bijgekomen. Het onderzoek staat nog min of meer waar het toen stond. Ergens zit er nog iets in het collectieve geheugen dat wordt getriggerd. Een litteken. Het doet iedere keer weer pijn als iemand het aanraakt. Ik merk het bij mezelf. Je kunt het niet achter je laten.”

“Mensen die denken dat mijn nieuwe boek de daders zal ontmaskeren, kunnen het beter niet kopen. Ik wilde iets schrijven voor de lezer die de berichtgeving van het afgelopen jaar tracht te volgen. Mensen kennen het verhaal in grote lijnen wel, maar niet de historische context. Jonge mensen hebben ook geen flauw benul in wat voor tijd men leefde. Mobiele telefoons bestonden nog niet. Internet was er nog niet. Dit is criminele archeologie.”

U benoemt aan het begin van het boek de peetvader die volgens u het terrein heeft geëffend voor de Bende van Nijvel: oud-premier Paul Vanden Boeynants.

“Ik zeg niet dat Vanden Boeynants aanleiding heeft gegeven tot de Bende of dat ze het gevolg is van zijn persoonlijke actieve wil, maar dit is wel het aquarium waarin het extreemrechtse terrorisme van die tijd tot stand is gekomen. Rond Vanden Boeynants is een organisatie ontstaan als het Front de la Jeunesse. Dat was een terreurgroep, zonder meer.”

Zij hebben de redactie van het linkse weekblad Pour in brand gestoken.

“Ja, en het was een serieuze brandstichting. En dat is maar één moment in het verbijsterende schouwspel rond Vanden Boeynants.”

Een beetje Charlie Hebdo in 1981, zij het zonder dodelijke slachtoffers.

“Ze hebben ook gemoord, het was allesbehalve onschuldig. Men heeft over het motief van de brandstichting gespeculeerd. Dat Pour in het bezit was gekomen van het dossier-Pinon over seksfuiven met notabelen, terwijl ik eerder denk aan hun onthullingen over extreemrechtse trainingskampen in de Ardennen. Zij schreven ook over WNP-leider Paul Latinus (Westland New Post WNP, extreemrechtse inlichtingendienst, DDC), die op een ministerieel kabinet van de christen-democratische PSC terecht was gekomen. De partij van Vanden Boeynants.”

Oud WNP’er Michel Libert zegt dat hij alles wat hij destijds deed als een daad van verzet tegen het rode gevaar zag. Hij zag zich als een verzetsman, zeker niet als een terrorist.

“Dat zegt al veel. Die mannen pleegden een dubbele rituele moord, gingen geheime telexen stelen bij de NAVO, en altijd weer ‘in opdracht’. Veel van die groepjes zijn begin jaren 80 gefragmenteerd, er zijn interne kampen ontstaan. Vergeet niet dat er écht plannen zijn geweest voor een staatsgreep, en dat de rijkswachttop eerder mak reageerde toen bekend raakte dat eigen mensen daarmee bezig waren geweest. Men negeerde het, men verplaatste intern enkele figuren. Je had een figuur als Francis Dossogne, de latere leider van het Front de la Jeunesse. Hij was de aanstoker die binnen de rijkswacht een extreemrechtse cel wilde oprichten.”

“Eerst is men bezig een structuur op te zetten vanuit de overtuiging dat we worden bedreigd door een inval van de Sovjet-Unie, en na een tijdje word je als politieman gesanctioneerd voor de opdrachten die je buiten je uren hebt uitgevoerd. Ik zie in de Bende van Nijvel de hand van mensen met veel rancune. Ze voelen zich misbruikt, te kort gedaan. Na Westland New Post had je rijkswachters Madani Bouhouche en Robert Beijer, van wie je je achteraf toch afvraagt: hoe was dát mogelijk?”

Dat politiemensen gelijktijdig gangsters waren?

“Dat niet alleen. De enorme logistieke infrastructuur die die twee hebben uitgebouwd tijdens hun lidmaatschap van de rijkswacht, en daarna: garageboxen, wapens, huurflats, zendmasten voor radioverbindingen… Als je dat dan afweegt tegen die paar feiten waarvoor ze zijn veroordeeld, dan wordt de omvang van die infrastructuur op geen enkele manier verantwoord. Van tal van garageboxen die zij huurden, is nooit achterhaald waarvoor ze dienden. Dat moet een fortuin hebben gekost. Iemand moet dat toch hebben betaald?”

Bouhouche en Beijer bekenden na de verjaring de spectaculaire wapenroof bij de Groep Diane, en de moordpoging op hun eigen baas Herman Vernaillen. Ze zeiden: ‘Wij wilden de rijkswacht raken in haar hart.’

“Die twee passen perfect in het plaatje, maar zo zijn er nog. Het politieke motief wordt een persoonlijk motief. Als je dat met elkaar matcht, krijg je iets heel explosiefs.”

Beijer woont nu in het Thaise Pattaya.

“Vluchten deden ze allemaal, toch? Jean-Philippe Van Engeland (brandstichter bij ‘Pour’, DDC), onze gevangenisdirecteur Jean Bultot, de extreemrechtse rijkswachter Martial Lekeu, Jean-François Buslik (kompaan van Bouhouche en Beijer, DDC) en nog een hele reeks anderen. Zo’n Bultot, die sloeg op de vlucht en schreeuwde vanuit Paraguay zijn onschuld uit. Maar als je onschuldig bent, ga je dan vluchten? Al deze figuren werden ook op geen enkele manier actief opgespoord. Zo’n Buslik, die was op een assisenproces bij verstek veroordeeld voor moord, werd in 1999 in Florida ontdekt door Belgische media, maar werd op een nieuw proces vrijgesproken. Hoe kan dat?”

De generatie gerechtsjournalisten die in de jaren 90 aan de slag ging, werd tureluurs van al die theorieën en intriges. Niemand kon nog volgen, en misschien gold dat ook een beetje voor justitie. De Muur was gevallen, bovendien.

“Het einde van de Bende valt daarmee samen, ja. Er was geen Sovjet-gevaar meer. Dat is opvallend. Sommigen zeggen dat de zogenaamde reus in Aalst is neergeschoten door een politieman, en dat daar de verklaring ligt. Ik betwijfel sterk of er maar één reus was.”

Justitieminister Koen Geens kondigde begin vorig jaar aan dat het proces tegen de Bende van Nijvel over drie jaar van start gaat.

“Dat siert hem, dat hij daar nog in gelooft. Ik wil er ook niet schamper over doen, maar sinds Christiaan Bonkoffsky zijn we alweer een dik jaar verder. Ik zie het niet gebeuren. De kennis verwatert. Vorig jaar kwam Jef Vermassen met de onthulling dat de rijkswacht in Aalst op 9 november 1985 enkele minuten voor de komst van de Bende de bewaking had opgeheven. Ik dacht: wacht eens even…”

U hebt dat samen met Walter De Bock zelf geschreven in De Morgen van 11 november 1985, de maandag erna.

“Inderdaad. Ik ben het voor de zekerheid zelfs nog gaan nakijken. Onwaarschijnlijk toch?”

Het verschil is wel dat de rijkswachters van toen moesten zwijgen. Vandaag zijn zij oude mannetjes die misschien willen vertellen van wie de orders kwamen.

“Oké, maar je moet een beetje ernstig blijven met wat je naar voren schuift als een nieuw gegeven. Daar, bij Vermassen, is eigenlijk het idee gegroeid voor dit boek. Er zijn al heel goede boeken over de Bende verschenen, in de eerste plaats Beetgenomen van Hilde Geens. Het vergt wel een hoop incrowd-kennis. Ik wilde een boek schrijven voor mensen die die periode niet hebben meegemaakt.”

“Ik probeer te vertrekken vanuit een heel simpele vaststelling: elke normale misdaadbende is erop uit te vermijden dat het ene misdrijf in verband wordt gebracht met het andere. Dat is een eenvoudige, evidente regel uit het milieu. Een wapen waarmee één keer is geschoten, is ‘verbrand’. Hier zie je knal het omgekeerde. Bij de vondst van de Bende-wapens in Ronquières in november 1986 werden in verschillende zakken alle materiële sporen samengebracht: kogelhulzen, stukjes van kogelvrije vesten die in 1983 waren gestolen in Temse, de babykoffer en de cheques van de Delhaize in Aalst, wapens die waren gestolen in 1982. Bewijsstukken waren zelfs in stukjes gezaagd en minutieus verdeeld over die zakken.”

Nu zegt het federaal parket dat die zakken maar een paar dagen in het water hebben gelegen, dat de boel is gemanipuleerd.

“Tja, zij zeggen dat daar wetenschappelijk bewijs voor is.”

Kijk even naar de door het parket zelf ooit verspreide foto van de babykoffer. Die zou maar drie dagen in het water hebben gelegen?

“Ik ga ervan uit dat als men zegt dat het wetenschappelijk onderzocht is, dat ook zo is. Dit gezegd zijnde, twijfel ik geen seconde aan de oprechtheid van de mensen in Dender­monde.”

Toch raar, niet?

“Ongeacht of de zakken daar nu in november 1985 of een jaar later zijn gedropt, is de essentiële vraag: waarom stak de Bende dat materiaal samen? Waarom zoveel moeite om de eigen misdrijven te signeren? Je moet de realiteit proberen te lezen: men wil het doen voorkomen dat het gaat om één bende met één en hetzelfde objectief. De film van Stijn Coninx is prachtig, maar hij versterkt het beeld van een bende die warenhuizen overvalt, terwijl deze mensen veel meer deden dan dat. Nachtelijke diefstallen, soms gewoon bij een kruidenier, zoals in Maubeuge. Gerichte diefstallen van wapentuig. Fysieke liquidaties.”

“Ik vergelijk de vondst in Ronquières met de parels aan één snoer. Men zegt: ‘Dat zijn wij.’ Waarom? Toch niet om het justitie gemakkelijker te maken? Vergeet niet dat er soms wel behoorlijk wat buit is. Soms werd er heel militair, getraind opgetreden, soms heel amateuristisch. Na de moord op Jacques Van Camp in herberg Au Trois Canards gingen de daders eerst nog uitgebreid tafelen voor ze wegvluchtten. Men wilde het doen voorkomen als één bende, terwijl het er volgens mij meerdere waren. Bekijk gewoon de fysionomie van al die mensen op al die robotfoto’s. Dat zijn heel verschillende types.”

“Ik ging er vroeger ook altijd van uit dat ze militair geschoold moesten zijn. We leidden dat af uit het spervuur, zoals de Bende dat in 1983 deed bij de overval in Nijvel. Mensen die daar meer van afweten dan ik leggen me uit dat het juist heel stom was, wat ze daar deden. Dat het weinig scheelde of ze hadden elkaar dood geschoten. Het blijft buitenissig, een gradatie van geweld die je anders nooit zag, of toch hoogst uitzonderlijk. Bij de bende-Haemers, misschien. Die gingen ook erg driest te keer.”

De bende-Haemers kan voor u hooguit een sub-Bende zijn geweest, een eenmalig ingehuurd commando?

“Er is ergens op een of ander niveau toch een vorm van organisatie. Het lijkt op een terreur­organisatie met aparte uitvoerende cellen. Volgens mij is er slechts een heel beperkt aantal mensen die het hele verhaal kennen, en enkel op het niveau van de organisatie. De premie die Delhaize uitloofde (250.000 euro, DDC) was groter dan de totale buit van de Bende. Waarom is er dan geen enkele onder de uitvoerders die iets heeft gelost?”

Omdat hij, door die wapenvondst, meteen verantwoordelijk zou worden gehouden voor 28 moorden?

“Dat zou een aannemelijke uitleg kunnen zijn. Ik was vroeger als journalist heilig overtuigd van de ‘strategie van de spanning’. Ik geloof er intussen steeds minder in. De klassieke ingrediënten van die strategie, zoals we die in Italië hebben gezien, is desinformatie, mensen tegen elkaar opzetten.”

“Er is nog een mogelijkheid: het ene misdrijf kan bedoeld zijn om een alibi te verschaffen voor het andere. Ik volgde voor De Morgen het proces tegen de Bende van de Borinage (een groepje zigeuners uit Bergen die door een assisenRijkshof werden vrijgesproken omdat er was geknoeid met de bewijsvoering, DDC). Die mannen zaten al vast toen de Bende in 1985 aan haar tweede golf begon. Misschien waren de Borains ook zo’n sub-Bende. Ik heb me er gek over gepiekerd. Er zit een boodschap achter de zakken in Ronquières.”

U pleit er aan het eind van het boek voor om het onderzoek uit handen te nemen van justitie en historici aan het werk te zetten.

“Het is allang geen gerechtelijk dossier meer. Geef het aan historici, zoals de moorden op Julien Lahaut en Patrice Lumumba. Ik heb met een boel ex-speurders en ex-magistraten gesproken. Wat me trof is hoe hard er bij elk van hen een rotsvaste overtuiging is van het eigen grote gelijk. Dat is gevaarlijk. Het blijft een stellingenoorlog, en zo kom je geen stap verder.”

“Als je het à la Lahaut of Lumumba – twee jarenlange criminele enigma’s die uiteindelijk toch zijn opgehelderd – wilt doen, moet je dekking krijgen van het parlement. Dat kan beslissen dat de dossiers worden vrijgegeven. Het is tijd voor een waarheidscommissie, lijkt mij. Die kan haar eigen experts aanstellen, zoals bij Lahaut. Je laat die hun werk doen, je komt tot een educated guess. En je laat dat publiceren. Dan pas krijg je een catharsis.”

Nu zit het onderzoek bij het federaal parket.

“Da’s het gekke. Ik heb die hele hervorming mee tot stand zien komen. Die was absoluut nood­zakelijk. Je zou het je niet kunnen voorstellen dat iemand die klok ooit zou willen terugdraaien. Het is allemaal hierdoor gekomen: het federaal parket, de eengemaakte politie. Het enige wat steekt, is dat we die daders nog altijd niet hebben. Want daar was het toch allemaal om te doen?”

Hoe ziet u het verder evolueren?

(zucht) “Wat denkte gij?”

Bron » De Morgen | Douglas De Coninck

Dit zijn de 5 meest geloofwaardige pistes over de Bende van Nijvel

Over de motieven van de Bende van Nijvel doen ontelbare theorieën de ronde. Vijf pistes zijn in het verleden de meest geloofwaardige gebleken, maar geen enkele heeft het mysterie rond de Bende kunnen oplossen. Welke blijft overeind met de nieuwe informatie?

1. Banditisme

De eerste verklaring die in de jaren 80 opduikt, is die van ordinaire bandieten die op geld uit zijn. De procureur des Konings in Nijvel, die het onderzoek op dat moment voert, noemt de daders “roofdieren”.

Hij richt zijn pijlen op de Borains, de bende van gewezen politieman Michel Cocu uit de Borinage, maar het Hof van Assisen spreekt hen in 1988 vrij. Tot aan zijn dood in december vorig jaar blijft Cocu gelinkt aan de Bende van Nijvel, maar een huiszoeking na zijn overlijden levert geen enkel bewijs op.

Een andere bende is die van Philippe De Staercke, ook wel de Bende van Baasrode genoemd. De Staercke is in juni 1987 door de toenmalige Dendermondse onderzoeksrechter in verdenking gesteld als medeplichtige bij de Delhaize-overval in Aalst. Hij was de dag van de overval in die Delhaize. Was hij er op verkenning?

Een ander lid van die bende, Léopold Van Esbroeck, was dan weer lang ervan verdacht “de reus” te zijn van de Bende van Nijvel. Ondanks bekentenissen van De Staerke, die hij later weer introk, zijn de leden van de Bende van Baasrode buiten verdenking gesteld voor de feiten van de Bende van Nijvel.

Nogal tegenstrijdig met deze theorie is het hoge aantal risico’s en doden bij meer dan twintig overvallen, voor een relatief kleine opbrengst. In Aalst bijvoorbeeld vallen acht doden, voor geen 20.000 euro.

2. Geld afpersen van de warenhuizen

In een boek na zijn vrijlaten kwam Léopold Van Esbroeck wel met een eigen hypothese. Volgens hem lag de verdienste van de Bende niet in de buit van de kassa’s van supermarkten, maar was het hen via een omweg toch om het geld te doen.

Van Esbroeck, die zelf elke betrokkenheid bij de Bende ontkende, stelde dat ex-gevangenisdirecteur Jean Bultot de Bende-leden rekruteerde voor een onbekende opdrachtgever. De Bende was volgens hem bedoeld om geld af te persen van de grootwarenhuisdirecties. En dat zouden die directies uiteindelijk ook betaald hebben.

Van Esbroeck weet dat, omdat ook hij benaderd is door de toenmalige directeur van de gevangenis van Sint-Gillis, Jean Bultot. Bultot heeft bovendien daags voor de overval in Aalst naar een informant van Staatsveiligheid gebeld met de vraag of die hem ‘dringend’ een machinegeweer kon bezorgen. De informant nam het gesprek op en alarmeerde de Staatsveiligheid. Die verbood de infiltrant hiermee door te gaan en maakte zijn bandje zoek.

3. Extreemrechtse terreur

Ook als bovenstaande hypothese klopt, is een terroristisch motief niet uitgesloten. Ex-gevangenisdirecteur Bultot militeerde namelijk voor het extreemrechtse partijtje Forces Nouvelles. De terroristische piste gaat ervan uit dat de Bende uit was op de destabilisering van de samenleving, zodat een sterker regime mogelijk werd.

Zo werd de Bende van Nijvel ook genoemd als de Belgische tak van Gladio, een van oorsprong Italiaans netwerk dat een eventuele aanval van de Sovjet-Unie moest afweren. Een Senaatscommissie kon begin jaren 90 zekerheid verwerven over het bestaan van een Belgische Gladio-afdeling, maar niet wie er deel van uitmaakte en of er een verband was met de Bende van Nijvel.

Een andere groep die de extreemrechtse hypothese kan ondersteunen is de Westland New Post, afgekort WNP. De groep van maximaal vijftien leden is opgericht door Paul Latinus en leden van het als privémilitie verboden Front de la Jeunesse (FJ).

In 2014 lijkt er een grote doorbraak in het Bende-dossier. De nummer twee van WNP, Michel Libert, wordt opgepakt. Hij meet 1m91, is hij de reus?

De arrestatie komt er na een RTBF-interview met Eric Lammers, een ander voormalig WNP-kopstuk. “We hebben met WNP in warenhuizen verkenningen gedaan, (…) in warenhuizen waar later de Bende heeft toegeslagen, maar ook in andere. Daarom ben ik er zeker van dat ik de leden van de Bende van Nijvel moet kennen.”

Libert wordt uiteindelijk zonder inbeschuldigingstelling vrijgelaten.

4. Roze Balletten

Op 24 april 1984 is, bengelend aan een touw in de kelder van zijn woning, het lijk teruggevonden van Paul Latinus, leider van WNP. Weinigen geloven in zelfmoord. De gerechtelijke politie van Brussel kwam als eerste ter plaatse en stelde vast dat Latinus vermoord zou zijn met een telefoondraad, dat het gewicht van een volwassen man niet zou kunnen dragen. Een half jaar voor zijn dood stapte Latinus naar de rijkswacht met een klacht over “doodsbedreigingen in verband met het dossier-Pinon”.

Het dossier-Pinon is beter bekend als de Roze Balletten: drugs- en seksfeestjes die aan het licht kwamen door de Brusselse psychiater Pinon. Hij zat in een vechtscheiding en maakte geluidsopnames waarop zijn echtgenote beweerde naar seksfeestjes te gaan. Daar zouden hooggeplaatste personen aanwezig zijn geweest.

Er zijn weinig verbanden opgedoken tussen de Bende van Nijvel en de Roze Balletten, maar als Latinus informatie had over seksfeestjes met hoogwaardigheidsbekleders, dan gaf het hem een middel tot afpersing. De Roze Balletten zouden dan een hefboom voor de doofpotoperatie zijn.

5. De rijkswacht

Eind 1983 stapt oud-rijkswachter Martial Lekeu naar de BOB, de toenmalige gerechtelijke politie, van Waver. Hij vertelt er dat rijkswachters en militairen betrokken zijn bij de Bende-moorden. Veertien dagen later vlucht hij naar de Verenigde Staten, na doodsbedreigingen.

Vanuit de VS zal hij enkele jaren later een interview geven aan La Dernière Heure waarin hij het bestaan onthult van de groep G binnen de rijkswacht. Die groep zou bestaan uit rijkswachters die lid zijn van het Front de la Jeunesse. Lekeu stond bekend om zijn extreemrechtse sympathieën en was in de jaren 70 lid van het Front.

Daar duiken ook de namen van ex-rijkswachters Madani Bouhouche en Robert Beijer op. Ze zijn verdacht geweest van de wapendiefstal bij de Groep Diane in de rijkswachtkazerne van Etterbeek. De meeste van die wapens zijn in 1987 teruggevonden in een Brusselse garagebox gehuurd door Bouhouche. Bij de voorstelling van zijn boek in 2010 eiste Robert Beijer die wapenroof van 1981 op.

De laatste theorie, de inside job door rijkswachters, is nieuw leven ingeblazen door de bekentenissen van de familie van C.B. Die hoeft de overige theorieën niet volledig overbodig te maken. Een groep rijkswachters die meer macht en middelen willen voor het speciale interventieteam kan ook extreemrechtse motieven hebben. Of de ene keer een roofmoord plegen en de volgende keer een terroristische aanslag.

Geruzie onder magistraten

De geschiedenis van de Bende van Nijvel kent evenveel pistes als onderzoeksteams. Drie decennia lang was het een bron van geruzie onder magistraten. Eerst was er de rivaliteit tussen de parketten van Nijvel en Dendermonde. In Nijvel zocht procureur Jean Deprêtre bij de Borains, maar als die na vier jaar vrijgesproken worden voor de feiten van de Bende, ziet hij zijn onderzoek overgeheveld naar Charleroi.

In Dendermonde loopt op dat moment een parallel onderzoek. De Dendermondse cel Delta, onder leiding van onderzoeksrechter Freddy Troch, boekt in 1986 een van de weinige successen in het dossier door wapens van de Bende op te vissen nabij het hellend vlak van Ronquières.

Door een tussenkomst van toenmalig minister van Justitie Melchior Wathelet (cdH) is ook hij in 1991 verplicht om zijn dossier af te staan aan speurders in Charleroi, die vijf jaar verliezen met herschikken en vertalen.

Bron » De Morgen

Van Andreas Baader over de Bende van Nijvel tot Salah Abdeslam: terrorisme vroeger en nu

Sinds de jongste aanslagen in Parijs is de strijd tegen het moslimterrorisme wereldnieuws. Toch zijn de Franse en Belgische overheid niet aan hun proefstuk toe. In de jaren zeventig en tachtig kreunde half Europa onder nietsontziend terroristisch geweld. Geschiedenis van de ongelijke strijd tussen de bommenleggers en de burgerij.

Sinds het duidelijk werd dat de aanslagen in Parijs beraamd werden vanuit de achterbuurten van Molenbeek is dit land in de ban van veiligheid, van moslimfundamentalisme en van de strijd tegen het terrorisme. Op café spreekt men even vlot over de dreigingsanalyses van het OCAD als over de achterlinie van de Rode Duivels.

Nochtans is die zogenaamde ‘noodtoestand’ niet uniek. De nieuwsbulletins van vandaag lijken wel een doorslagje van die van de jaren tachtig. Toen waren er zelfs twéé terreurgroepen die het land tegelijk bedreigden: de extreemlinkse Cellules Communistes Combattantes (CCC) en de – mogelijk – extreemrechtse Bende van Nijvel. Net als de IS-strijders vandaag pleegden ze bomaanslagen en bezondigden ze zich aan standrechtelijke executies en blinde moordpartijen.

In 1985 lanceerde de regering-Martens V een pakket maatregelen dat opvallende gelijkenissen vertoont met dat van de regering-Michel vandaag. Wilfried Martens (CVP) beschikte nog niet over instellingen zoals het Orgaan voor de Coördinatie en de Analyse van de Dreiging (OCAD)en de Nationale Veiligheidsraad, die Charles Michel (MR)vandaag adviseren, maar hij kon wel bogen op een speciale ‘veiligheidstop’.

Ook toen zaten daar de ministers van Defensie, Justitie en Binnenlandse Zaken in, plus het parket, de Staatsveiligheid, de Rijkswacht (de voorloper van de huidige federale politie), én de gemeentelijke politie van Brussel. Ook toen werd beslist dat de politie in de strijd tegen de terreur hulp zou krijgen van paracommando’s om ‘ambassades, overheidsgebouwen en andere vitale punten te bewaken’: ‘De para’s kunnen verdachten helpen arresteren en wegversperringen opwerpen.’

Net zoals vandaag vond de politie ook in 1985 die tijdelijke militaire hulp volstrekt onvoldoende. De politievakbond eiste meer manschappen: ‘Wat kan de Rijkswacht doen als meer dan 2000 manschappen ontbreken in het operationeel korps? U wordt slecht gediend, slecht beschermd en slecht geholpen.’ En net als de regering-Michel nu bond ook de regering-Martens onmiddellijk in.

Meer nog, ze beloofde een reorganisatie die nooit echt is doorgevoerd, maar die vandaag opnieuw vrij letterlijk terug te vinden is in de voorstellen tot politiehervorming van minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon (N-VA): ‘Er komt een einde aan de huidige situatie waarbij personeel van het operationeel korps administratieve en logistieke taken moet volbrengen.’

CCC

Het resultaat van de opgedreven strijd tegen de terreur was geen onverdeeld succes. Eén groep daders werd snel opgepakt en berecht: de links-radicale Cellules Communistes Combattantes.

In 1984 en 1985 pleegde de CCC een reeks bomaanslagen, vooral tegen een aantal symbolen van het militair-kapitalistische systeem. Ze blies een NAVO-pijplijn en een zendmast van het Belgische leger op, legde bommen bij het Liberaal Studiecentrum in Brussel en bij het CVP-secretariaat in Gent, en viseerde verder vooral (Amerikaanse) bedrijven en banken.

Maar de spectaculairste CCC-aanslag gebeurde op klaarlichte dag in Leuven, toen het Kredietbank-gebouw aan het Leuvense Ladeuzeplein werd opgeblazen. Er was alleen stoffelijke schade: de bewakingscamera filmde hoe de terrorist rond zijn bomkoffer pamfletten strooide met een waarschuwing, en er zo voor zorgde dat al het bankpersoneel buiten was voor de zware bom ontplofte.

De geschiedenis van de CCC had een les kunnen zijn voor de IS-terroristen die zich voortijdig opbliezen in Parijs: explosieven blijven onvoorspelbaar. In het geval van de CCC leidde dat ertoe dat er op 1 mei 1985 doden viel terwijl dat wellicht niet de bedoeling was geweest. De CCC liet een bestelwagen ontploffen voor de kantoren van het VBO in Brussel, maar had ook hier waarschuwingen verstuurd.

Er waren opnieuw pamfletten uitgestrooid, deze keer met de boodschap ‘Gevaar! Gepiègeerde (sic) wagen. Verwittig uw collega’s en vlucht zo snel mogelijk op straat, zo ver mogelijk. Raak vooral de wagen niet aan.’

De pamfletten werden te laat gelezen of niet snel genoeg begrepen: twee brandweerlui kwamen bij de aanslag om. Het onderzoek naar de bommenleggers werd opgevoerd. Na de arrestatie van de CCC’ers – alle vier – was het afgelopen met het communistische terrorisme in dit land.

Bende van Nijvel

Dan was de Bende van Nijvel een tegenstander van een ander kaliber. De misdaden spreiden zich uit over een viertal jaren, het aantal slachtoffers liep op tot 28 doden en 40 gewonden.

Er werden wapenhandelaars vermoord, juweliers, taxichauffeurs en restaurantuitbaters. Er werden wapens, explosieven, auto’s, geld en speciale kledij gestolen. Er vonden bloedige en vaak dodelijke raids plaats op de Delhaizes van Genval, Ukkel, Beersel, Eigenbrakel, Overijse en Aalst, maar ook op de GB van Houdeng-Goegnies en de Colruyts van Nijvel en Halle.

Kinderen werden neergemaaid, caissières die het geld niet snel konden overhandigen kregen een kogel door het hoofd. Alleen in Aalst schoot de Bende acht mensen neer, en dat voor de schamele buit van 737.777 frank (18.300 euro).

Verdriet, verbijstering en woede maakten zich van België meester. Net zoals bij de aanslagen op Charlie Hebdo of Le Bataclan waren de daders volksvijand nummer één. Ze hoefden ook niet gearresteerd te worden, hun fysieke uitschakeling primeerde. SP-voorzitter Karel Van Miert had de politie opgeroepen om ‘ze zonder boe of bah neer te knallen’. En dat andere socialistische kopstuk, Louis Tobback zei over de Bendeleden: ‘Dit soort ongedierte is geen maatschappelijke discussie waard. Dat moet men bij de eerste gelegenheid liquideren.’

Toch werd de Bende van Nijvel nooit opgerold, laat staan berecht. Men is het tot vandaag niet eens over al hun daden, laat staan dat men hun motieven kent. Sommigen houden het bij extreemrechtse aanslagen om zo een ‘terreur van de spanning’ te creëren, anderen houden het bij extreem gewelddadig banditisme.

Er wordt gedacht dat we één, of mogelijk enkele van de leden kennen, maar zekerheid hebben we daar niet over. De sfeer van algeheel onbehagen werd nog versterkt doordat namen van politieagenten zoals BOB’ers Madani Bouhouche, Robert Beijer en Christian Amory ineens opdoken in het Bendedossier, net als die van Jean Bultot, adjunct-directeur van de gevangenis van Sint-Gillis.

Het waren stuk voor stuk kerels met stevige extreemrechtse sympathieën die elkaar leerden kennen in Brusselse practical shooting clubs. Ze waren niet alleen getrainde schutters, velen zelfs wapenfreaks, ze hadden ook nauwe banden met het extreemrechtse Front de la Jeunesse (FdJ). Uit dat Front was een occulte, neonazistische organisatie ontstaan: Westland New Post (WNP). Christian Smets, een commissaris van de Staatsveiligheid, infiltreerde in WNP, maar deed dat veel te ijverig. Nadien vroegen velen zich af waarom Smets deze neonazi’s gespecialiseerde politietechnieken aanleerde, onder meer hoe ze ‘vijanden’ moesten schaduwen.

Tot vandaag is er een discussie over hoe (on)belangrijk en (on)gevaarlijk splintergroepen zoals WNP eigenlijk waren. Feit is dat het Front de la Jeunesse voor een opstoot zorgde in politiek geweld, en dat het zeker in Brussel verantwoordelijk was voor aanslagen op ‘linkse’ en ‘allochtone’ doelwitten.

Op de ‘erelijst’ prijken de eerste moord op een man van Noord-Afrikaanse origine en de brandstichting bij het weekblad Pour.

Het Front de la Jeunesse dweepte met het ideaal van het blanke, rechtse en christelijke Avondland en zou zeker nooit vergeleken willen worden met de radicale moslims van Sharia4Belgium. Toch zijn er behalve de evidente verschillen ook opvallende parallellen.

Ook bij Sharia4Belgium was er lange tijd twijfel of de leden puberale aanstellers waren, radicale uitdagers van de staat en de samenleving, of erger. Ook de Front de la Jeunesse-leden die ‘radicaliseerden’ richting Westland New Post gingen blijkbaar geen moord of liquidatie uit de weg, ook niet van een in ongenade gevallen ex-medestander. En het was militair georganiseerd.

Bij een huiszoeking bij een WNP-lid troffen speurders niet alleen nazi-emblemen en extreemrechtse symbolen aan, maar ook wapens, zender-ontvangers, decoderingsroosters, geheime NAVO-documenten en blanco toegangsbewijzen voor de kazerne van de generale staf in Evere.

Brainwashen

Net zoals bij Sharia4Belgium vandaag durfde men in die tijd extremistische politieke bewegingen af te doen als ‘halve sektes’: hun leden werden gebrainwasht en vervreemdden van hun eigen milieu. Ook sommige terroristen zeiden later dat ze het slachtoffer waren van zo’n hersenspoeling. Het spectaculairste voorbeeld daarvan deed zich in de VS voor.

Het gebeurde niet in een armzalige migrantenwijk in Molenbeek of in een no-goarea in een Parijse banlieue, maar in het gegoede milieu van California. Patty Hearst was de negentienjarige kleindochter van William Randolph Hearst, de krantentycoon naar wie Orson Welles ooit zijn Citizen Kane had gemodelleerd. Begin 1974 werd zijn kleindochter op de University of California in Berkeley ontvoerd door een stedelijke guerrillagroep die zich Symbionese Liberation Army (SLA) noemde.

De Symbionezen zetten zich in voor Afro-Amerikanen die veroordeeld waren tot een gevangenisstraf: voor het SLA waren ze politieke gevangenen, heroïsche slachtoffers van een racistische maatschappij. Tijdens haar gevangenschap kreeg Hearst sympathie voor haar gijzelnemers.

Er ging een schok door de Amerikaanse publieke opinie toen de steenrijke kleindochter Hearst in april 1974 gefilmd werd bij een overval op een bank in San Francisco. Ze was lid van een SLA-commando en hield een karabijn in haar hand. Bij een latere overval (waarbij één dode viel) bestuurde ze de vluchtauto. Hearst stond met haar machinegeweer haar mannetje in meer dan één vuurgevecht.

Toen Patty Hearst in 1975 werd gearresteerd, waren artsen van oordeel dat ze als guerrillero was verworden tot ‘een emotieloze zombie met een laag IQ’: ze zou een ‘klassiek geval van brainwashing’ zijn. Ze kwam er in 1976 van af met zeven jaar cel. In zijn vonnis zei de rechter dat ‘rebelse jongeren die om welke reden dan ook revolutionair worden en vrijwillig criminele daden plegen, daarvoor gestraft zullen worden’. Dat zou een terechte overweging kunnen zijn uit een vonnis voor ex-Syriëstrijders.

Zelfs aan die vermaning viel voor een miljonairsdochter te ontkomen. Al in 1978 schortte president Jimmy Carter haar straf op, en in 2001 verleende president Bill Clinton haar genade. Ze heette weer Patty Hearst. Net zoals Brian De Mulder in Syrië ‘Abu Qasem Brazili’ heette en Abdelhamid Abaaoud door zijn vrienden van de IS werd aangesproken met ‘Abu Umar al-Baljiki’, had ook Patty Hearst een strijdersnaam aangenomen. Ze noemde zich ‘Tania’, naar de nom de guerre van Tamara Bunke, de vriendin van Ché Guevara die samen met hem in 1967 omgekomen was tijdens zijn laatste missie naar Bolivië.

De Jakhals

Net zoals het moslimterrorisme van vandaag rechtstreeks gelinkt is aan de destabilisatie van Syrië en Irak, zo was ook in de jaren zestig het terrorisme in Europa in beginsel import uit de derde wereld. Er waren twee grote aanvoerlijnen: het Midden-Oosten en Zuid-Amerika.

Veel linkse jongeren bewonderden Fidel Castro, en hoe hij en een handjevol bebaarde guerrillero’s in Cuba dictator Fulgencio Batista en zijn Amerikaanse maffiavrienden van de macht hadden verdreven. Castro’s kompaan Ché Guevara was de ideale poster boy in tal van studentenkamers: een vrijheidsstrijder met een zeker sexappeal, de nieuwe Jezus van de eerste generatie die God vaarwel zei.

Om één of andere reden genereerde het Castro-regime…vliegtuigkapingen. Nog voor 1971 hadden meer dan honderd piloten een wapen op de neus gekregen, met daarbij het dwingende commando: ‘Naar Havana’. Meestal ging het om geïsoleerde politieke fanatici, soms ook gewoon om politiek verpakte criminaliteit. De hausse stopte pas toen Cuba en de VS een wederzijds uitleveringsverdrag ondertekende: wie in Miami een vliegtuig kaapte en daarmee in Havana landde, kreeg meteen een retourticket onder politiebewaking naar de VS.

Anders dan bij de latere Libische aanslag op een Pan Am-Boeing boven Lockerbie (1988), de historische vliegkapingen annex-aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon van 9/11 of bij de recente IS-aanslag op het Russische toestel dat vanuit de Egyptische badplaats Sharm-el-Sjeik was opgestegen, was het bij de eerste golf vliegtuiggeweld dus niet de bedoeling om de toestellen te laten ontploffen of zo veel mogelijk slachtoffers te maken, wel om de inzittenden te gijzelen en als pasmunt te gebruiken voor een politiek doel, eventueel een uitwisseling van gevangenen.

Maar ook dat veranderde snel, want de Venezolaanse terrorist ‘Carlos’ (zijn echte naam was Iljitsj Ramirez Sanchez) probeerde al in 1975 op de Parijse luchthaven Orly een El Al-vliegtuig te vernietigen met een raketwerper van Russisch fabricaat.

Carlos, bijgenaamd ‘de Jakhals’, werkte voor een radicale, linkse Palestijnse groepering die ook het Arabische grootkapitaal niet ontzag. Zijn absolute bravoure-nummer pleegde hij in december van datzelfde jaar 1975. In het zwaarbeveiligde OPEC-hoofdkwartier in Wenen gijzelde hij alle zéstig hoogwaardigheidsbekleders, inclusief de almachtige Saoedi-Arabische minister van Oliezaken, sjiek Zaki Yamani. Carlos eiste en kreeg een vliegtuig naar Algiers als vrijgeleide.

Tijdens die reis kwam Yamani onder de druk van Carlos’ persoonlijkheid: hij was charmant en intelligent, en volkomen gewetenloos. Carlos was de ‘Abdelhamid Abaaoud’ van zijn tijd: zijn naam boezemde alleszins evenveel angst in, en op een bepaald ogenblik hielden (bijna) alle veiligheidsdiensten een klopjacht op hem.

Baretten en Arafatsjaals

Ook in de islamwereld viel die boodschap niet op droge grond. De Palestijnen waren militair uitgeteld in hun oorlog tegen Israël, maar via een aantal spectaculaire vliegtuigkapingen konden ze hun verloren zaak internationaal op de kaart zetten.

De Saoedi’s betaalden de Palestijnen in oliedollars om kalasjnikovs te kopen in het Oostblok, en in 1968 werd het eerste toestel van de Israëlische luchtvaartmaatschappij El Al verplicht om koers te zetten naar Algiers. Na verloop van tijd stuurde Israël op élke vlucht een peloton veiligheidsagenten mee. Die slaagden erin om in september 1970 op Schiphol een kaping af te slaan en de jonge Palestijnse strijdster Leila Khaled te overmeesteren.

Meteen werden verschillende andere vliegtuigen gekaapt, steeds met dezelfde eis: Free Leila Khaled. Met haar Palestijnensjaal om het hoofd en haar geweer in de hand was de knappe Khaled zowaar een stoerdere variant van Guevara.

De Palestijnse leider Yasser Arafat ging nog een stap verder met de oprichting van Zwarte September, een gespecialiseerde terreurgroep die in de schoot van zijn Palestijns Bevrijdingsleger (PLO) opereerde.

Zwarte September werd meteen wereldnieuws toen een commando tijdens de Olympische Spelen van München 1972 binnendrong in het Olympisch dorp en er de Israëlische atleten gijzelde. Uiteindelijk kostte de gijzeling het leven aan elf Israëli’s, acht Palestijnen en één West-Duitse politieman. De wereld kon het Palestijnse probleem nooit meer negeren.

Die redenering moeten de IS-beslissers ook gemaakt hebben toen ze drie jongens met een bommengordel naar het Stade de France stuurden. In Parijs mislukte de actie gelukkig, terwijl die in München ‘succesvol’ was geweest – zij het dan vanuit terroristisch perspectief.

De gijzeling in München zorgde in Israël voor een collectief trauma. Als reactie op het Palestijnse terrorisme bracht premier Golda Meir (1898-1978) ‘wraak’ en ‘afschrikking’ als officiële elementen in de buitenlandse politiek van zijn land. Aaron J. Klein, zelf een oud-officier van de Israëlitische inlichtingendiensten, heeft in 2005 in zijn bloedstollend boek ‘Striking Back’ (door Van Halewyck vertaald als ‘Vergelding’) het Israëlitische antwoord geanalyseerd op het Palestijnse terrorisme. Het bestond uit… terrorisme. Zij het staatsterrorisme. Sinds 1972 heeft Israël zich voorgenomen dat elke terrorist die Israëlitische burgers doodt, moet weten dat Israël niet rust voor hij of zij zelf dood is. Het lijkt een oudtestamentische boodschap: oog om oog, tand om tand.

Een aantal Palestijnse opdrachtgevers van München kregen de Israëli’s al in 1973 te pakken, tijdens een spectaculaire actie in hartje Beiroet. Om niet op te vallen, verkleedden de commando’s zich als vrouw. In die uitrusting doorzeefden ze een aantal top- PLO’ers met kogels.

Klein noteerde: “Libanese kranten schreven dat ooggetuigen hadden gezien hoe twee knappe vrouwen – de ene blond, de andere een brunette – als gewapende derwisjen strijd hadden gevoerd in de straten van Beiroet en politie, leger en Palestijnse agenten op een afstand hadden weten te houden met langdurige salvo’s uit hun automatische wapens.”

De brunette was de commandant, Ehud Barak, van 1999 tot 2001 de eerste minister van Israël. Barak was niet de enige toppoliticus die in het leger bij een elite-eenheid diende. Ook huidige premier Benjamin Netanyahu hoorde met zijn broers tot het Sayeret Matkal-commando dat in 1976 tijdens de beruchte ‘raid op Entebbe’ een einde maakte aan wéér een vliegtuigkaping. Daarbij sneuvelde Netanyahu’s broer Yoni.

De Mossad, de Israëlitische geheime dienst, handelde bij dergelijke liquidaties nooit op eigen houtje. Voor elke ‘moord’ is de uitdrukkelijke toestemming van de eerste minister vereist. Klein reconstrueerde zelfs die vergaderingen, met het hoofd van de geheime dienst in de rol van openbare aanklager en de eerste minister in die van rechter.

Premiers als Shimon Peres stelden zich eerder terughoudend op, maar figuren als Yitzak Shamir deden nooit moeilijk.

Maar de Palestijnen lieten zich natuurlijk niet zo maar afslachten en schoten terug. De escalatie leidde tot moordpartijen en al dan niet verijdelde aanslagen in hartje Parijs, Madrid of Rome. Of op het de Brouckèreplein in Brussel, waar een jonge Palestijn in 1972 een Israëlitische zaakgelastigde een kogel door het hoofd schoot. De West-Europese ordediensten werden erbij geroepen en keken ernaar. Ze konden, mochten of wilden er weinig of niets aan doen.

Twee van de Israëlitische ‘opdrachtgevers’ van dergelijke afrekeningen, Shimon Peres en Yithzak Rabin, kregen zelfs de Nobelprijs voor de Vrede. Ook vandaag blijft het voor Westerse politici een moeilijke vraag: tot waar is het ‘tegengeweld’ gerechtvaardigd of zelfs nodig, waar vervalt men in een haast even bloedige vorm van wraak?

Baader-Meinhof

Die debat klonk ook West-Duitsland zelf luid op. Nochtans was dat land in 1972, op het ogenblik dat Zwarte September in München had toegeslagen, al een paar jaar geobsedeerd door de strijd tegen het terrorisme, van eigen makelij nog wel. Tegen jonge kerels en vrouwen die een intense haat koesterden tegen het eigen vaderland, toen ze zich groepeerden in de Rote Armee Fraktion (RAF), ook wel Baader-Meinhof genoemd.

De leden waren oorlogskinderen. Ulrike Meinhof (1934) vluchtte met haar moeder van Oost- naar West-Duitsland. De vader van Andreas Baader (1943) raakte vermist als krijgsgevangene van de Sovjets. Gudrun Ensslin (1940) was de verloofde van Bernward Vesper, de zoon van nazifanaat en Blut und Boden-dichter Will Vesper. Ze experimenteerden met hasj en dweepten met Karl Marx.

Andreas Baader en Gudrun Ensslin werden een eerste keer gearresteerd en veroordeeld na een brandstichting in een warenhuis. Ze hadden zich voor die terreurdaad laten inspireren door de brand van het Brusselse warenhuis Innovation in 1967. Waarom zouden ze dus niet zelf zorgen voor ‘een stukje knisperend Vietnam in West-Europa’?

Meinhof was een geradicaliseerde maar respectabele journaliste van het linkse blad Konkret. Ze hielp haar twee vrienden ontsnappen, maar bij die actie kwam een bewakingsagent om (de jonge terroristen meenden dat ze met een alarmpistool stonden te zwaaien, quod non). Het was een noodlottige vergissing. Kanselier Ludwig Erhard zei: ‘Zolang ik regeer, zal ik alles doen om deze misstanden uit te roeien.’ Uit te roeien: die woorden heeft de christendemocratische kanselier echt gebruikt.

Wat volgde, roept herinneringen op aan de roadmovie Thelma & Louise. Van de ene dag op de andere waren de radicale linkse actievoerders ‘outlaws’. Ze geloofden bovendien zélf wat de pers over hen schreef. Baader en co. startten een eigen stadsguerrilla: geïnspireerd door de Tupamaros (De Nationale Bevrijdingsbeweging) in Uruguay, maar in de praktijk gebracht in het hart van een van ’s werelds rijkste landen.

Intussen mobiliseerde West-Duitsland niet alleen zijn hele politieapparaat, ook enkele media riepen zowat de noodtoestand uit. Plaats voor nuance was er niet meer. Vooral het rechtse en zeer anticommunistische Springer Verlag van Axel Springer, de uitgever van invloedrijke tijdschriften zoals Bild en Die Welt, kreeg schuim op de lippen van de RAF. Waarop Baader en co. bommen legden in kantoren van Axel Springer.

Vergeleken met de ‘duivelse’ status die Baader-Meinhof werd toegedicht, is de jacht op Salah Abdeslam haast klein bier. De jonge Duitse terroristen liepen niet ver. Al vanaf 1972 zaten Andreas Baader, Gudrun Ensslin, Jan-Carl Raspe, Holger Meins en andere medestanders in de cel. Hun ‘erelijst’: vier doden en een dertigtal gewonden.

Dat was een hoge dodentol, maar beduidend lager dan de eindeloze slachtofferlijsten van nationalistische afscheidingsorganisaties zoals ETA of IRA, of van het Spaanse of Britse repressieapparaat tegen de Baskische of Ierse bommenleggers. Bloody Sunday is tot vandaag de bijnaam van een actie van het Britse leger in het Noord-Ierse Londonderry, waar in januari 1972 militairen 14 ongewapende mannen en jongens doodschoten. Alle soldaten werden vrijgesproken.

De strijd van het West-Duitse politieapparaat tegen Baader-Meinhof was oneindig veel meedogenlozer dan die tegen welke andere gangster ook. Heinrich Böll schreef: het is ‘een oorlog van zes tegen zestig miljoen’. De RAF-gevangenen werden voorwerp van een keihard gevangenisregime in complete afzondering – Meinhof werd er waanzinnig van, en mogelijk was dat de bedoeling. Advocaten werden geïntimideerd, sympathisanten gecriminaliseerd, en de rechtbanken waren onverholen vooringenomen.

Holger Meins kwam in 1974 om bij een hongerstaking. Ulrike Meinhof pleegde in 1976 zelfmoord in de Stammheimgevangenis. In 1977 vonden in de nacht van 18 op 19 oktober de zelfmoorden plaats van Baader, Ensslin en Raspe. In Duitsland werd gezegd: ze werden gezelfmoord.

Het was een dieptepunt in de Deutsche Herbst, een akelige periode waarin de tweede generatie RAF-terroristen eerst bankier Jürgen Ponto vermoordde en vervolgens Hanns-Martin Schleyer ontvoerde, als voorzitter van de Duitse werkgevers een van de belangrijkste industriëlen van het land. Nadien volgden nog spectaculaire maar mislukte aanslagen tegen Amerikaanse topgeneraals zoals Alexander Haig (de NAVO-opperbevelhebber in Europa, in Bergen in 1979) en Frederick Kroesen (de bevelhebber van de Amerikaanse strijdkrachten in West-Duitsland, in 1982).

Het laatste belangrijke RAF-slachtoffer viel in april 1991 en was niemand minder dan Detlev Karsten Rohwedder. Als voorzitter van de Treuhandanstalt was hij na de eenmaking van Duitsland verantwoordelijk voor de privatisering van de Oost-Duitse staatseconomie.

Molukse treinkapingen

Onderhandelen met terroristen: toch wel of principieel helemaal niet? En als de politiediensten terroristen aanvalt: moet dat rücksichtlos, of prefereert men hoe dan ook niet meer geweld dan strikt nodig is? In het vuurgevecht waarbij het driekoppige IS-commando in Saint-Denis werd uitgeschakeld, hebben de Franse ordetroepen bijvoorbeeld ongeveer vijfduizend kogels gebruikt.

Al dan niet onderhandelen en geweld gebruiken was ook het dilemma waarvoor de Nederlandse regering stond bij de beruchte ‘Molukse treinkapingen’ in de jaren zeventig. De Molukkers ijveren voor een eigen onafhankelijke Zuid-Molukse Republiek, los van Indonesië. Ook in Nederland woonde (en woont) een aanzienlijke Molukse minderheid.

Radicale Molukse zetten hun eisen kracht bij door hun toevlucht te nemen tot gewelddadige acties: vooral de twee ‘Molukse treinkapingen’ uit 1975 en 1977 hebben hun plaats in de collectieve Hollandse herinnering aan die jaren. De eerste kaping begon op 2 december 1975 bij Wijster in de provincie Drenthe.

Zeven Molukse kapers schoten eerst de machinist en nadien twee passagiers dood. Hun lichamen werden uit de trein gegooid en bleven daar enkele dagen liggen voordat de kapers de toestemming gaven ze weg te halen. Op 14 december gaven de kapers zich over en werden dertig overblijvende gijzelaars levend bevrijd. De kapers kregen gevangenisstraffen van veertien jaar.

Twee jaar later vond er een nieuwe kaping plaats, weer in Drenthe, ditmaal bij De Punt – ditmaal waren de negen kapers tussen zeventien en zevenentwintig jaar oud. Tegelijk werden in een lagere school in Bovensmilde 105 kinderen en 5 leerkrachten gegijzeld. Ditmaal vielen er geen doden bij de 54 gegijzelde reizigers.

Of toch niet meteen.

Toen onderhandelingen te lang bleven aanslepende, besliste het ontslagnemend kabinet van de sociaaldemocraat Joop Den Uyl om deze treinkaping gewapend af te breken. Op de negentiende dag beschoten en bestormden ordetroepen en mariniers de trein. Twee gijzelaars werden daarbij gedood, en vervolgens ook zes van de negen kapers.

Aanvankelijk werd ontkend dat de kapers onder een “kogelregen” stierven. Nadien bleek uit onderzoek dat Matheus Tuny door 15 kogels was gedood, Hansina Francina Uktolseja door 40, Max Johny Papilaya door 17, George Alexander Matulessy door 28, Ronald Lodewijk Paulus Lumalessil door 13 en Domingoes Rumamory door 33. Den Uyl verklaarde: “Dat geweld nodig was om een einde te maken aan de gijzeling, ervaren wij als een nederlaag.”

Rode Brigades

Al was overal in West-Europa in de jaren zeventig en tachtig binnenlands geweld aan de orde van de dag.

In Italië staat de periode na mei 1968 tot ongeveer het midden van de jaren tachtig, officieel te boek als de ‘anni di piombo’: de ‘jaren van lood’. Het is de vertaling van de titel van de Duitse film Die bleierne Zeit over de RAF waarmee Margarethe von Trotta in 1981 de Gouden Leeuw won op het Festival van Venetië. Alleen Italië kon zo gevoelig zijn voor de Duitse realiteit.

Italië had zijn Rode Brigades, communistische terroristen die net zoals de RAF-‘collega’s’ gespecialiseerd waren in de kidnapping van belangrijke figuren. De belangrijkste trofee van de Rode Brigades was de christendemocratische partijleider Aldo Moro. Ze kidnapten Moro om hem als pasmunt te gebruiken, maar de Italiaanse regering weigerde principieel elke onderhandeling. Moro’s lichaam werd in hartje Rome teruggevonden in de koffer van een rode Renault.

Moro was een jeugdvriend van paus Paulus VI, en in de kathedraal van Sint-Jan van Lateranen hield de door verdriet getekende paus op 13 mei 1978 een uitzonderlijke toespraak: hij riep God ter verantwoording. Paulus deed dat door de beroemde Bijbelverzen van het boek Job in te roepen: ‘Verklaar uw optreden tegen mij. Wat voor zin heeft het dat gij onrecht doet, uw eigen schepsel verstoot maar schurken in bescherming neemt?’

En zeggen dat toen het ergste nog moest komen. Op 2 augustus 1980 vond in het station van Bologna een vreselijke ontploffing plaats: 85 mensen kwamen om het leven en meer dan 200 raakten gewond.

Hoewel niemand de aanslag wilde opeisen, leidde het spoor al snel naar extreemrechts. Na jaren moeizaam onderzoek werd een aantal leden van de extreemrechtse Nuclei Armati Rivoluzionari veroordeeld. Ook werd Licio Gelli, de voorzitter van de rechtse vrijmetselaarsloge Propaganda 2, samen met twee leden van de Italiaanse inlichtingendiensten veroordeeld wegens ‘belemmering van het onderzoek en de rechtsgang’. De jaren van lood waren uitgelopen in twee decennia van bloed en tranen.

Ongewild profetisch

Een notoire uitzondering in die grimmige tijden was de redactie van het Franse stripblad Hara-Kiri, dat in 1969 zijn naam had veranderd in Charlie Hebdo. Toen journalist Piet Piryns in 1980 De erfenis van Oompje Ho schreef, een kroniek van de voorbije decennia, wijdde hij een hoofdstuk aan Charlie Hebdo. Piryns was gefascineerd door de unieke combinatie van smakeloosheid en satire.

‘Ook gijzelingen zijn een favoriet onderwerp’, schreef Piryns. ‘Toen de Belgische baron Empain ontvoerd werd en de kidnappers een vingerkootje van de baron naar zijn vrouw stuurden, opende Charlie Hebdo met een oproep van de barones: “Snijd zijn oren af, maar asjeblieft niet zijn pik.” Een foto van een blanke vrouw die een welgeschapen neger beklimt moet, blijkens het onderschrift, de Franse antropologe Françoise Claustre voorstellen, die door de rebellen in Tsjaad jarenlang gevangengehouden werd. “Iedereen is hier aardig voor mij. Ik kom niets te kort.” Aldo Moro, Schleyer, Baader Meinhof, Johannes Paulus I (van wie men toen ook aannam dat hij door een duister Vaticaans complot was vergiftigd): ze werden allemaal op even gruwelijke wijze uitgeleid.’

Of hoe Charlie Hebdo in deze ultieme provocatie ongewild profetisch was. Helaas.

Bron » Knack

Eric Lammers (eindelijk) vervolgd voor aanranding

De crimineel Eric Lammers zal zich op 7 oktober dit jaar moeten verantwoorden voor zedenfeiten voor de correctionele rechtbank van Luik. Lammers is een gewezen militant van het extreemrechtse Westland New Post (WNP) en van het Front de la Jeunesse.

De zaak werd al verschillende malen ingeleid voor de correctionele rechtbank van Luik. De man wordt beschuldigd van aanranding van de minderjarige dochter van een ex-vriendin en het verspreiden van kinderporno. Tot een echte procedure kwam het echter nooit.

Lammers werd in 1992 tot levenslang veroordeeld voor de doodslag op twee diamantairs in Antwerpen. In 2002 kwam hij voorwaardelijk vrij, waarna hij in 2004 opnieuw werd veroordeeld voor het verbergen van een lijk. Hij vluchtte daarop naar Servië omdat hij niet opnieuw naar de gevangenis wilde. Daar werd hij na een tijd bij de kraag gevat en aan ons land uitgeleverd.

Door een gerechtelijke verwarring gebeurde die uitlevering enkel in het kader van eerder uitgesproken veroordelingen, en dus niet voor nieuwe zaken. Na een positief advies van Servië over verdere vervolging kan de zaak nu toch gepleit worden op 7 oktober.

Bron » Het Laatste Nieuws

De moord op Philippe Moureaux

In het boek vertelt gewezen WNP-kopstuk Eric Lammers hoe hij eind 1981 het bevel kreeg om toenmalig justitieminister Philippe Moureaux (PS) te vermoorden. “Uit wraak vanwege zijn rol in de strijd tegen het Front de la Jeunesse en de CEPIC”, zo legt Lammers uit. “Gelukkig verloren de socialisten de parlementsverkiezingen en kwam de liberaal Jean Gol in zijn plaats, anders was hij ongetwijfeld vermoord.”

Het bevel, aldus Lammers, kwam van Ferrari Calmette, de bodyguard van topman Christian Smets van de Staatsveiligheid. Hij leidde volgens Lammers binnen het WNP een groep die ‘Trident’ heette. “Ik maakte er samen met Marcel Barbier en een tiental anderen deel van uit. Wij moesten vooral punctuele acties uitvoeren.”

De ontvoering van prins Filip

Halverwege de jaren tachtig verijdelden de Staatsveiligheid en de Brusselse gerechtelijke politie (GPP) een plan om prins Filip te ontvoeren. Dat onthult gewezen Brussels GPP-baas Frans Reyniers. De daders zouden kompanen zijn geweest van topgangster Michel Anthémus, de toenmalige rechterhand van topgangster Marcel Habran en vorige week nog kroongetuige op het proces-Habran in Luik.

“Ooit hebben we samen bij de Luikse procureur-generaal Giet onderhandeld om de ontvoering van prins Filip te voorkomen”, zo vertelt Reyniers. “Het milieu was immers van plan om de crimineel Anthémus te bevrijden en wilde daarom de prins ontvoeren.”

De tip, zegt Reyniers, kwam van de later zelf in de misdaad verzeilde Brusselse substituut Claude Leroy, die op zijn beurt werd getipt door beroepsgokker Jules Montel. Die werd in 1987 op straat geliquideerd, meer dan vermoedelijk door de bende-Habran.

De frats van Di Rupo in het Bendeonderzoek

Het onderzoek naar de Bende van Nijvel liep eind de jaren tachtig grandioos in het honderd na een foute ballistische analyse van een Rugerpistool. De Ruger was hét bewijsstuk van de Nijvelse procureur Jean Deprêtre, toen die in 1988 een stel marginale boeven rond Michel Cocu voor het assisenhof bracht als zijnde de Bende van Nijvel. Het proces liep met een sisser af toen bleek dat een tegenexpertise bij het BKA in Wiesbaden onomstotelijk aantoonde dat de Ruger niks te maken had met de Bende.

Er werd met een beschuldigende vinger gewezen naar Deprêtre, die de tegenexpertise achterhield voor de jury, maar ook naar wapendeskundige Claude Dery. Nu onthult Deprêtre dat Dery zeker niet de enige was die blunderde. “Tussen haakjes,” liet de oud-procureur Bouten optekenen, “wist u dat PS-baas Elio Di Rupo de Ruger van de Borains het eerst heeft onderzocht? Di Rupo werkte toen aan de universiteit van Bergen. Hij gebruikte nog een methode met poeder, die nu helemaal achterhaald is, en deelde toen de analyse van Dery.”

Bron » De Morgen

De Staatsveiligheid heeft geen vrienden

Onder Koen Dassen stapelde de inlichtingendienst de fouten op, althans voor het oog van de buitenwereld.Chef Albert Raes’ richtlijn naar de publieke opinie was absolute discretie. Hij cultiveerde dan ook het imago van ‘man zonder gezicht’.

Door de heisa over Abelkader Belliraj, de Belgisch-Marokkaanse terrorist die een informant van de Staatsveiligheid bleek te zijn, staan de spots van de Wetstraat op de Sûreté gericht. Alweer, want de inlichtingendienst is al een kwarteeuw voorwerp van politiek debat, politionele controverse en publieke hoon.

Het dilemma van elke geheime dienst in een rechtsstaat is dat hij per definitie in de schaduw opereert, maar dat de publieke opinie steeds meer transparantie eist. Het noodlot van elke geheime dienst is dat diezelfde publieke opinie de flaters breed uitsmeert, maar geen weet heeft van de successen – die blijven immers geheim. Het drama van de Belgische geheime dienst is dat de flaters zo menigvuldig zijn dat eventuele successen in het niets verdwijnen.

Bovendien heeft een inlichtingendienst geen vrienden, maar maakt hij voortdurend vijanden. Dat is ook de eerste conclusie voor wie geschiedenis van de Staatsveiligheid bekijkt. Haar bevoegdheden zijn dan ook indrukwekkend. De Belgische Staatsveiligheid (officieel de Dienst voor de Veiligheid van de Staat) is bevoegd voor zowel de uitwendige als de inwendige veiligheid van de staat. Uitwendig wil zeggen: buitenlandse spionage op het Belgische grondgebied, het gewapend bevechten van de Belgische overheid.

Inwendig: het bestrijden van van burgeroorlogen, destabilisering van de bestaande sociale en maatschappelijke orde, bepaalde vormen van groot banditisme en terrorisme. Sinds de jaren negentig staat de Staatsveiligheid onder toezicht van het Comité I. De oprichting van dat comité was in de hoofden van de toenmalige regeringstop wellicht bedoeld als eindpunt van een even verhitte als uitzichtloze controverse die ooit eind jaren zeventig, begin jaren tachtig begonnen moet zijn. Helaas.

Bij het begin van die woelige jaren was administrateur-directeur-generaal Ludo Caeymaex nog niet zo lang opgevolgd door Albert Raes, een Bruggeling met een CVP-etiket en opzichtige witte kuif. Tenminste: dat laatste detail was jarenlang alleen bekend bij de mensen die Raes ooit te zien of te spreken kregen, want de man drukte van 1977 tot zijn gedwongen ontslag in 1990 zijn zeer persoonlijke stijl op het bestuur van de Staatsveiligheid. Niet alleen omdat hij geobsedeerd was door zowel extreem links en extreem rechts, of omdat hij persoonlijk schaduwopdrachten bleef uitvoeren, als het moest vermomd achter een krant.

Naar de publieke opinie was absolute discretie de al even absolute richtlijn. Dat uitte zich tot in de kleinste details. Toen Raes ooit als getuige werd opgeroepen voor een parlementaire onderzoekscommissie zat ook de perstribune afgeladen vol: een getuigenis van ‘de eerste spion van het land’ was een absolute primeur, zeker omdat deze leidende ambtenaar zijn bijnaam ‘de man zonder gezicht’ graag cultiveerde (er bestonden toen zo goed als geen foto’s van Albert Raes). Raes verscheen, maar stapte kaarsrecht voor zich uit, de beide boorden van zijn jas hoog opgezet, zodat zijn gezicht verborgen bleef voor de zaal. En toen hij na zijn getuigenis naar buiten stapte, deed hij dat… Achterwaarts, even kaarsrecht, de blik even strak naar voren gericht en vooral: de boorden even hoog opgericht.

Het is een bijna surrealistische scène die nadien alleen overtroffen werd door Eliane Liekendael, de procureur-generaal van het Hof van Cassatie, die na het beruchte spaghettiarrest, in volle Dutrouxtijd, op de vlucht sloeg voor de camera’s en haar gezicht ‘verborg’ achter een handtasje ter grootte van een briefomslag. In beide zaken zie je het onvermogen – of beter: de principiële onwil – om te communiceren met de publieke opinie. Zowel de hoogste gerechtelijke autoriteiten als de hoogste ambtenaren van een leidende dienst waren hoogstens van plan zich te verantwoorden voor de bevoegde minister – in het beste geval.

In die vroege jaren tachtig situeerde zich het laatste hoogtepunt van de Koude Oorlog. Die ideologische strijd verliep niet alleen tussen de Navo en het Warschaupact, maar werd ook uitgevochten in de meeste West-Europese landen. Het was een politieke strijd die af en toe een gewapende en vaak ook criminele vertaling kreeg, en er waren vormen van groot banditisme die zich graag lieten voorstaan op extremistisch georiënteerde politieke strijd. Les années de plomb, zei men toen, de jaren van lood. En de democratische rechtsstaat werd daarbij niet alleen bedreigd door extreem communistische terroristengroupuscules maar evenzeer – zo niet meer – door rechts-extremistische organisaties en sujetten.

Het was een bijzonder ingewikkeld kluwen waarin organisaties als de Staatsveiligheid opereerden en dat is voorzichtig uitgedrukt. Extreem rechtse groepen deden zich voor als extreem links en probeerden hun aanslagen in de schoenen van het andere kamp te schuiven. Linkse terroristen protesteerden tegen de ‘vermilitarisering’ van de samenleving, kozen voor moord en ontvoering als wapen en versterkten net de positie van het repressieve apparaat.

Ordinaire criminelen vermomden hun roofmoorden als extreem rechtse raids. Burgerlijke politici verkochten zich aan de publieke opinie als respectabel en voorstander van law-and-order, maar huurden, al dan niet via stromannen en tussenpersonen, extremistisch jong volk in als persoonlijke plakbrigade, nuttig voor allerlei hand- en spandiensten.

Inlichtingendiensten als de Staatsveiligheid probeerden die chaos in kaart te brengen, onder meer door infiltraties, maar dat waren vaak riskante operaties waarbij het niet meer duidelijk was waar de politionele techniek ophield en een te riskante undercoveropdracht begon. Politiediensten maakten jacht op drugscriminelen (handel in narcotica was trouwens ook een bron van inkomsten voor politieke extremisten van beide zijden), maar de lijn tussen ‘uitlokking’ en ‘actieve parcipatie’ bleek in de praktijk soms ontiegelijk dun. En dat alles verliep dan nog eens onder het waakzame oog – zo niet de actieve bemoeienis – van de buitenlandse afdeling van de zeker in de Koude Oorlog moeilijk te negeren CIA, die in Brussel opereerde vanuit de Amerikaanse ambassade. Enzovoort.

De slagschaduw van die bittere tijden verduistert tot vandaag de reputatie van de Staatsveiligheid, belemmert haar werking en zorgt voor een latente spanning. Zeker omdat het goede en het kwade van toen zonneklaar gescheiden kampen leken, en dat vandaag bij nader inzien niet meer zijn.

Neem twee grote affaires waarin de Staatsveiligheid betrokken raakte. Westland New Post (WNP) was de naam van een beruchte geheime groepering die in de jaren tachtig tot doel had de staat de destabiliseren. Om die club tot haar laatste organisatieniveau te kennen gaf Albert Raes het bevel aan een van zijn commissarissen, Christian Smets, alias ‘De Eend’, om te infiltreren. Om helemaal het vertrouwen te winnen van het WNP-kader ‘doceerde’ Smets ook ook politionele schaduwtechnieken aan de leden van die organisatie.

Toen de affaire uitlekte, sloeg het nieuws in als een bom, niet het minst omdat Raes de rechtstreekse oversten van Smets niet had gekend. En meteen drong de vraag zich op: was de Staatsveiligheid geïnfiltreerd in extreem rechts of probeerde extreem rechts de Staatsveiligheid te infiltreren en zo de democratische instellingen van het land te besmetten? Vooral omdat tegelijk leden en sympathisanten van het even rechts-extremistische Front de la Jeunesse (FJ) toegang kregen tot de rijkswacht, tot haar elite-eenheden toe.

In de tweede helft van de jaren negentig werd zijn verzwegen FJ-lidmaatschap de Schaarbeekse politiecommissaris Johan De Mol fataal. Zijn gespierde optredens hadden de man immens populair gemaakt en na zijn ‘val’ probeerde hij die publieksgunst te verzilveren via een parlementair mandaat bij het VB. Waarmee definitief duidelijk was dat op zijn minst personele banden bestonden tussen politiek extreem rechts en crimineel-rechtse groupuscules.

Maar wie het juist zag in de zaak-WNP, daarover liepen en lopen de meningen fel uiteen. Topjournalisten als René Haquin (Le Soir) en Walter De Bock (De Morgen) stonden lijnrecht tegenover elkaar in hun analyse. Beiden hadden andere bronnen, wezen op verschillende filières, waarbij de Staatsveiligheid, of tenminste een aantal van haar personeelsleden, beurtelings als slachtoffer en als dader werd geportretteerd.

Zo mogelijk nog heikeler is de oorlog tussen Benoît de Bonvoisin en de Staatsveiligheid. De Bonvoisin was een naaste medewerker van Paul Vanden Boeynants, als PSC-voorzitter, premier en minister van Defensie een jaar of twintig de sterke man van de Franstalige christendemocraten. Binnen de PSC werd De Bonvoisin gerekend tot het Centre Politique des Indépendants et Cadres Chrétiens (Cepic), een georganiseerde tendens van de rechterzijde, bedoeld als intern tegengewicht tegen de christelijke arbeidersbeweging.

Het Cepic-verhaal liep spectaculair af toen een nota van de Staatsveiligheid uitlekte waarin de contacten tussen Cepic, baron De Bonvoisin en extreem rechts in de openbaarheid kwamen. De gevolgen waren vernietigend. Vanden Boeynants moest de macht afstaan aan de groep rond Gérard Deprez. Cepic werd ontbonden. De Bonvoisin gediscrediteerd. Sinsdien vecht de man voor zijn eerherstel en probeert hij het land te overtuigen van zijn these dat de Staatsveiligheid in het algemeen en Albert Raes in het bijzonder een constructie tegen hem in persoon hebben opgezet.

Zo zou Raes de bijnaam ‘de Zwarte Baron’ hebben gedacht. Later werd bekend dat het niet de Staatsveiligheid was die de bewuste nota lekte maar het kabinet van de toenmalige minister van Justitie Philippe Moureaux (PS), en dat de oorspronkelijke nota van de Staatsveiligheid enige ‘redactionele aanpassingen’ had ondergaan, om beleefd te blijven.

Dat maakt tot vandaag de zaak van De Bonvoisin niet. De man zal wel een paar argumenten hebben in zijn conflict met de geheime dienst, want momenteel onderzoekt het Comité I een aantal van zijn klachten. Maar zo raakte de Staatsveiligheid in opspraak. Zeker omdat bij alle grote (Bende van Nijvel, CCC) en wilde (de roze balletten) dossiers van die tijd de Staatsveiligheid zijdelings dan wel rechtstreeks genoemd werd.

Diezelfde beschuldiging werd ook geuit en herhaald ten aanzien van de Nemesis van de Staatsveiligheid, De Bonvoisin zelf – dat spreekt. Die op zijn beurt terugsloeg: “De Staatsveiligheid is medeplichtig aan de Bende van Nijvel, niet ik.” Het amalgaam werd totaal, zeker omdat extreem rechtse criminelen als Bob Beijer altijd van zichzelf zegden dat ze “wel eens klussen voor de Staatsveiligheid opknapten”, ook als dat in werkelijkheid niet zo was.

Maar de methodes van de Staatsveiligheid bleken op zijn minst ook voor kritiek vatbaar. Hoewel Albert Raes in interviews liet weten dat hij wil “dat de Veiligheid van de Staat een dienst blijft die onafhankelijk is van elke beïnvloeding, die zijn informatie op gedisciplineerde wijze verzamelt en dat doet met achting voor ’s lands soevereiniteit”, ontdekte het Comité I dat diezelfde Staatsveiligheid de fameuze gereserveerde dossiers liet aanleggen over belangrijke politici, dat die toch wel bijzondere informatiegaring er kwam op bevel van Albert Raes zelf en dat ook hij in persoon de dossiers beheerde, in een wel zeer beruchte ijzeren kast in zijn eigen bureau. Oudgedienden als Herman De Croo lieten verstaan dat dit wel ‘geweten’ was in de Wetstraat, maar dat niemand protesteerde. Maar het hoeft geen betoog dat de dreiging van ‘chantage’ niet echt van de lucht was.

Hoewel de Staatsveiligheid officieel geen krimp gaf, werd het morele en politieke failliet van die dienst steeds groter. Begin jaren negentig was er geen ruggensteun meer: de rijkswacht vond dat de Staatsveiligheid het best opgedoekt kon worden – en natuurlijk het liefst opgeslokt door de rijkswacht zelf – socialisten in noord en zuid waren niet bereid om tegen de rijkswacht in te gaan, en ook de christendemocratische coalitiepartners hadden een eitje te pellen met de dienst.

In 1993 was het toenmalig minister van Justitie Melchior Wathelet, een man die zijn prille politieke stappen had gezet binnen de CEPIC, de dienst die administrateur-directeur-generaal Albert Raes definitief had uitgeschakeld nadat hij al in 1990 de operationele leiding van zijn dienst kwijtgeraakt was.

De Staatsveiligheid kwam van de regen in de drop. Na de lange periode onder Raes kwam er immers een cascade aan opvolgers. Raes, van CVP-signatuur, werd opgevolgd door de ongeïnspireerde PS’er Stéphane Schwebeback. Vanaf 1993 stelde men hoge verwachtingen in zijn dynamischere opvolger, de CVP’er Bart Van Lijsebeth. Maar ook diens poging tot modernisering was geen onverdeeld succes. Toen paars in 1999 aantrad, koos Van Lijsebeth voor Antwerpen en kwam er, volgens de ‘nieuwe wind’ van die dagen, voor het eerst in de geschiedenis een vrouw aan het hoofd van de Staatsveiligheid.

Deze Godelieve Timmermans (MR) was al na twee jaar verdwenen. Waarna de Staatsveiligheid in 2002 in handen kwam van een van de meest groteske politieke benoemingen van de nog jonge eeuw: Open Vld’er Koenraad Dassen. Onder die man stapelde zijn dienst de ene fout na de andere op, althans voor het oog van de buitenwereld. Bij de zaak-Erdal kreeg Dassen de bijnaam ‘Inspecteur Clouseau’ toen de Staatsveiligheid tweeëndertig personeelsleden inzette om haar te schaduwen, maar Erdals spoor bijster raakte. Tot vandaag heeft de Staatsveiligheid Fehrye Erdal niet teruggevonden.

Wat Dassen nekte, was een nog veel ongeloofwaardigere geschiedenis. Hij haalde Eliza Manningham-Buller, de director general van de Britse inlichtingendienst MI5, naar Brussel om haar te laten argumenteren tégen het politieke plan om Coda op te richten, het ‘Coördinatieorgaan voor de Dreigingsanalyse’. Dassen en de Staatsveiligheid waren tegen Coda omdat men zo verplicht zou worden geheime informatie vrij te geven. Dassen vervoerde zijn hoge bezoek met loeiende sirenes door de Wetstraat, maar zijn carrière vloog met gierende banden de bocht uit. Hij werd opgevolgd door Alain Winants, een Limburger met een dubbel MR/Open Vld-etiket.

Maar of Winants de crisis van zijn dienst kan oplossen blijft een open vraag. Het lijstje conflicten van de laatste jaren is immens lang. Er zijn de CIA-vluchten, het niet-betrokken zijn bij het terrorismealarm en nu ook de onthulling dat veelvoudig moordenaar en terrorist Abdelkader Belliraj een informant van de Staatsveiligheid was, waardoor de publieke geloofwaardigheid tot ver onder het nulpunt is gedaald.

Bovendien kán de Staatsveiligheid geen pr-operatie voeren. Want dan zou ze moeten communiceren over geslaagde tegenzetten en waardevolle informatiepogingen. En dat kan ze niet zonder haar eigen ‘medewerkers’ in gevaar te brengen. In een scherp gemediatiseerde democratie kan een ‘geheime’ dienst enkel overleven als hij het fundamentele vertrouwen heeft van regering en parlement, zodat niet elke ‘bom’ in de media tot een interne destabilisering leidt en tot een aanslag op het vertrouwen van de burgers.

Bron » De Morgen

Bij het Front National loopt iedereen gillend weg

Gezocht: voorzitter van een politieke partij die in Franstalig België 8 procent haalt, groter is dan Ecolo en twee senatoren en een kamerlid telt. ‘Helaas stelde niemand zich kandidaat’, zucht senator Michel Delacroix van het extreem-rechtse Front National. ‘Omdat niemand heeft gezegd dat er verkiezingen waren!’, fulmineert die andere FN-senator, Francis Detraux. ‘Nee, mijnheer, ik stap niet uit de partij. Nog niet.’ Er was wel vaker hommeles bij Franstalig extreem-rechts, maar erger dan nu was het nooit.

Een weekendbijlage helpen volpennen, dat is stressen op donderdag en vrijdag, maar geeft soms zeeën van tijd aan het begin van de week. Ter redactie van Reporter zitten we hier op maandag wel eens met de vingers te draaien, nadenkend over wat we eventueel zouden kunnen gaan doen. Vertwijfeling. Heeft het allemaal nog wel zin? Wordt het niet eens tijd om aan een andere job te denken?

Maandag kwam dan dit bericht van het persagentschap Belga: ‘Het bureau van de Franstalige extreem-rechtse partij FN heeft maandag vastgesteld dat er geen kandidaturen binnen gekomen zijn voor het voorzitterschap van de partij. Het mandaat van huidige voorzitter Daniel Féret eindigt op woensdag 1 december.’

Oké, gedaan met lanterfanten.

We zijn nu maandag. De termijn verstrijkt woensdag. Kan ik mijn kandidatuur nog indienen?

Michel Delacroix, FN-senator en lid van het vierkoppige politiek bureau: “Ik denk niet dat wij uw kandidatuur kunnen aanvaarden. U werkt bij De Morgen, zo meen ik te hebben begrepen?”

Ja, en dan? U hebt niemand anders.

“Vergeet het maar. We doen het voorlopig met ons vieren. Maakt u zich geen zorgen (lacht).”

Aan welke voorwaarden moet een kandidaat voldoen?

“Geen specifieke, dacht ik. Er is niet zo direct iets dat me te binnen schiet. Trouw zijn aan onze idealen, dat wel, bijvoorbeeld.”

Er is behalve een voorzitter nog meer dat de vierde grootste partij van Franstalig België ontbeert. Een website, bijvoorbeeld. Tot voor kort had het FN er een: www.frontnational.be. Even proberen: ‘We are sorry to have to inform you this site has been administratively closed.’

Het was tot voor kort nochtans een pracht van een site, zo wordt ons verzekerd. Het werk van Olivier Dierick, een computerexpert die bij de verkiezingen van 13 juni 2004 nog enthousiast FN-lijsttrekker was in Waals-Brabant. Na een betwisting over een factuur van 29.000 euro en, in het verlengde daarvan, een geweldige ruzie met voorzitter Daniel Féret liet hij de site hermetisch sluiten.

Een partijsecretariaat die naam waardig heeft het FN niet. In de Elsense flat van Audrey Rorive, de vriendin van Féret, staan twee computers en een paar tafels. Dat is het zowat. Iets als een boekhouding heeft het FN evenmin. Spijtige zaak, want als politieke familie met verkozenen in zowel Kamer als Senaat, heeft het FN recht op een basisdotatie van 620.000 euro en daar bovenop nog eens 1,25 euro per uitgebrachte stem.

Halfweg oktober besliste de gemengde kamer- en senaatscommissie voor de verkiezingsuitgaven unaniem om de dotatie aan het FN voor drie maanden in te trekken. De partij was eerst vergeten een financieel verslag in te dienen en stuurde na een aanmaning iets op dat door de commissieleden wordt omschreven als “een vodje”. In het “verslag” werd enkel melding gemaakt van de verhoopte partijdotatie zelf, “een gift van anderhalve euro” en “financiële bijdragen van een veertigtal leden”.

Hoeveel leden telt het FN?

Michel Delacroix: “U mag niet vergeten dat er in Franstalig België mensen zijn die er liever niet voor uitkomen dat ze voor onze partij militeren. Dat begrijpt u toch?”

Ik vraag niet om hun namen, gewoon een ruwe schatting.

“Ik denk dat we kunnen spreken in termen van ‘tientallen’. En wat die partijdotatie betreft: we zijn ons volop aan het organiseren opdat de boekhouding begin volgend jaar weer klopt. We hébben trouwens al dotaties ontvangen. De eerste eerste keer in januari.”

Er is één ding dat het Front National wel heeft: een patent. Dat is al zo sinds 1985. De zich toen nog op de titel van voorzitter-voor-het-leven beroemende dokter Daniel Féret (60) had bijtijds de opgang van Jean-Marie Le Pen in Frankrijk opgemerkt en een Belgisch ‘Front National’ opgericht. Met zowat dezelfde standpunten als het Vlaams Blok, en één verschil: bij het FN staat nationalisme gelijk aan Belgisch patriottisme.

In het zog van het Blok kende het FN begin jaren negentig enkele gouden jaren, met meer dan tachtig gemeenteraadsleden her en der in 1994, enkele kamerleden en een felbegeerde – want uiterst lucratieve – zetel in het Europees Parlement voor Daniel Féret hemzelve. Dat was de tijd van de alliantie met Marguérite Bastien, ex-magistrate in Brussel, ex-kabinetsmedewerker van wijlen justitieminister Jean Gol, welbespraakt, iemand van het establishment. Geen overbodige luxe.

Bij de installatie van de nieuwe gemeenteraad in Anderlecht bracht FN-verkozene Paul Cocriamont begin 1995 de Hitlergroet. Van een ander raadslid, Daniël Leskens, doken foto’s op waarop hij op grafzerken van joodse holocaust-slachtoffers stond te urineren.

Na een kletterende ruzie tussen Féret en Bastien viel Franstalig extreem-rechts uiteen in een niet te tellen veelheid van partijtjes met namen waar altijd een ‘F’ en een ‘N’ in voorkwamen, maar die nooit zouden tippen aan de originele brand. De initialen waarbij duizenden in verpauperde Waalse stadsdelen in het stemhokje blijven denken dat hun stem een stem is voor Jean-Marie Le Pen.

In antwoord op een zoveelste vraag uit België, kroop Le Pen op 3 oktober 2003 nog maar eens in de pen: ‘In antwoord op uw brief, meld ik u dat het Belgische Front National zich op geen enkele wijze kan beroepen op om het even welke steun van de beweging waarvan ik voorzitter ben.’

Er is al zo veel gebeurd met dat FN en Féret. De arts werd in 1985 geschorst vanwege het beoefenen van alternatieve geneeskunde. In 1986 liep hij een veroordeling (1 jaar cel) op wegens het verstrekken van een vals alibi aan de vrouw van een gangster die deelnam aan een hold-up. Klachten over onbetaalde FN-facturen (huurauto’s, drukkosten,…) bij diverse parketten. Féret werd al vervolgd voor inbreuken op de racismewet en hoorde op 22 juni van dit jaar voor het Brusselse hof van beroep door procureur-generaal Godbille twee jaar effectieve celstraf eisen en – erger – de ontbinding van de vzw Front National.

Het zijn niet dit soort akkefietjes die van Féret zelfs in extreem-rechtse kringen een controversiële figuur maken. Het is dat eindeloze geruzie met medestanders, altijd weer.

Terwijl alles er eind jaren negentig nog op wees dat het FN-finaal ten onder was gegaan aan interne strubbelingen, stond de partij er bij de parlementsverkiezingen van 18 mei 2003 plots weer. Percentages tot boven de 10 procent in door werkloosheid getroffen buurten in vooral de arme provincie Henegouwen. Verkozenen in Kamer en Senaat.

Och, niemand hoeft te vrezen dat het FN, zoals het Blok, gaat investeren in de uitbouw van een stabiele partijwerking, zo legde Férets ex-rechterhand Patrick Sessler vorig jaar in De Morgen uit. Sessler was jarenlang medewerker van Féret geweest in het Europees Parlement, waar die alleen naartoe ging om de royale zitpenningen op te strijken. “Waar hij zijn geld aan uitgaf? Een deel besteedde hij aan zijn oude muntenverzameling, de rest stak hij gewoon in zijn zak. Af en toe kocht hij een dure auto. Alfa Romeo en Ferrari en zo”, zegt Sessler.

Idem dito voor de twee verkozenen die het FN had in het Brusselse Parlement, aldus Sessler. Een van hen was Audrey Rorive (“het meisje kan amper lezen of schrijven”), de ander een gepensioneerde boekhouder: “Als ze moeten stemmen, vragen ze aan het Vlaams Blok welk knopje ze moeten indrukken.”

Het werd 13 juni 2004. Het FN voerde amper campagne, werd naar gewoonte doodgezwegen in de Franstalige media. Toch herhaalde het mirakel zich. Acht procent van de Franstalige stemmen, met pieken tot 16,9 procent in Charleroi, 11 in La Louvière, 10,9 in Bergen en 7 in Luik. Het FN is nu groter dan Ecolo, heeft vier verkozenen in de Brusselse Raad en nog eens vier in de Waalse.

Francis Detraux (58) uit Namen is senator voor het FN. Hij werd op 13 juni 2003 rechtstreeks verkozen en zal de verkiezingsnacht nooit vergeten. “Mijn vrouw (Jacqueline Merveille, DDC) en ik militeren sinds 1990 voor le Front. We hebben de gloriejaren meegemaakt, het verval, de wederopstanding. Jacqueline droeg sinds 1994 de titel van sécretaire générale. Ze is een kei in administratie en regelde zo ongeveer alles, zoals het altijd weer moeten verzamelen van de nodige handtekeningen om een lijst te kunnen neerleggen.”

Jacqueline Merveille: “Een hele onderneming. Hier in Wallonië is de vijandigheid ten aanzien van extreem-rechts nog altijd groot.”

Francis Detraux: “Nu goed, die avond hadden we dus afgesproken om de overwinning te vieren in een bistrot in Namen. Daar zat Daniel Féret, de grote winnaar van de verkiezingen, aan een tafeltje triest voor zich uit te staren. Hij is die avond in elkaar gestort. Niet van plezier, van droefenis. Het was, zo begrijp ik nu, helemaal niet de bedoeling dat we die senaatszetel zouden behalen. Dààrom had ik bovenaan de lijst mogen staan. Die zetel, dat was een totale verrassing. Féret had het succes van zijn eigen partij onderschat.”

Féret wou eigenlijk geen verkozene in de Senaat?

“Met Féret is het altijd hetzelfde. Alles draait om geld, geld en nog eens geld. Als hij had geweten dat er een senaatszetel inzat, had hij in Namen iemand uit zijn entourage bovenaan de lijst gezet.”

Dat is toch nog geen reden om te treuren?

“Toch wel. Zoveel verkozenen: dat was het begin van de deling van de macht. Die zat nu niet langer bij hem alleen geconcentreerd.”

Het succes van het FN was zo groot dat het naast Detraux via coöptatie een tweede senator mocht aanduiden. Dat werd dus Michel Delacroix, een blinde advocaat, in 1999 nog veroordeeld wegens illegaal wapenbezit. Na een huiszoeking in zijn woonst in Sint-Gillis, waar buren in 1994 door het af-en-aan-geloop van figuren in battledress de voorbereidingen van een of andere staatsgreep vermoedden. (Er werd ook beslag gelegd op 10 kilo nazi-literatuur, waarvan enkele stukken persoonlijk waren gesigneerd door wijlen nazi-collaborateur Léon Degrelle.)

Delacroix is een boezemvriend van Féret die tot zijn coöptatie niet zichtbaar actief was bij FN. Hij treedt wel geregeld op als raadsman voor de partij of voor Féret in persoon. “Iemand uit zijn directe entourage, kortom”, zegt Detraux. “Binnen de partij kreeg je na de verkiezingen van 2003 een schisma. De kliek van Féret versus de rest, door hem vaak hardop als ‘onze nuttige idioten’ omschreven.”

Dat is helemaal hoe Jacqueline Merveille zich voelt. Met een lichtelijk pathetische brief legde ze onlangs haar “functies neer” als sécretaire générale, om even later ontslag te nemen als lid van het FN tout court. Inmiddels blijven de dissidenties zich opstapelen. De laatste in de rij is Georges Tonnelier, jarenlang kopstuk en zelfverklaard “denker” bij het FN. In het jongste racismeproces zit hij zij aan zij met Féret in de beklaagdenbank, ook al scheldt hij hem dezer dagen uit voor het vuil van de straat en onderneemt hij pogingen om te worden aanvaard als lid van de MR, de Franstalige liberalen.

Ooit hoopt Jacqueline Merveille te begrijpen waarom Féret zoveel energie stopt in het manifest buiten pesten van medestanders. “Elf dagen voor de datum waarop we de lijsten moesten neerleggen voor de regionale en Europese verkiezingen van 13 juni ging ik Féret opzoeken. Ik had nog niks ontvangen: geen lijsten, niks. ‘Laat maar, doe ik zelf wel’, zei hij. Ik zei: ‘Dat wordt een soep.’ En dat werd het. Er stonden kandidaten uit Luxemburg op de lijst in Namen en omgekeerd. Alsof hij het met opzet deed.”

In Luik was FN’er Charles Pire verkozen voor het Waals Parlement. Op aandringen van Féret legde hij de eed af in het Duits, zodat hij kon zetelen in de Duitse Gemeenschapsraad en zich in de Waalse Raad kon laten opvolgen door Marc Levaux: een oud-militant van de fascistoïde knokploeg Agir. De man is al eens veroordeeld na inbreuken op de racismewet en is het voorwerp van een strafonderzoek naar mensenhandel in Luik.

De truc mislukte, maar het voorval maakt duidelijk wat in de ogen van Féret en co. de finaliteit is van een parlementair mandaat. Geld, dat ook. Juridische onschendbaarheid, dat vooral. Na het succes van 13 juni verhuisde Féret, verkozen in de Kamer, naar de Brusselse raad. Op het racismeproces voor het Brusselse hof van beroep schermde advocaat Delacroix met procedurele argumenten. Jaja, in de Kamer was de onschendbaarheid van Féret opgeheven, maar niet in de Brusselse Raad…

In de Kamer werd Féret vervangen door Paul Cocriamont, de man van de Hitlergroet, en ook al meer dan eens in de kijker lopend bij justitie.

“Door het geknoei met het adres van Pire hield het FN in de Franse Gemeenschapsraad uiteindelijk vier verkozenen over, daar waar het er vijf hadden moeten zijn”, zegt Merveille, die de wetteksten duidelijk beter kent dan de ex-voorzitter-voor-het-leven. “Ben je met zijn vijven, dan vorm je een fractie en heb je recht op een dotatie van 500.000 euro (te spreiden over vijf jaar, DDC). Die is het FN nu ook al kwijt. Wat ik u zeg: een soep.”

Francis Detraux: “Féret is erger dan een dictator. Hij is gewoon een smeerlap. Zet dat maar in de krant. Neem nu die voorzittersverkiezing. Geen kandidaten, wat een klucht. Niemand heeft ons gezegd dat er verkiezingen waren! Dat was geheim.”

U bent nog lid van het FN?

“Voorlopig wel.”

Voorlopig?

“Nee, mijnheer, ik stap niet uit de partij. Nog niet. Als ik lid blijf, heb ik recht op inzage in de boekhouding die tegen maart klaar zou moeten zijn met het oog op het terugwinnen van de partijdotatie in de Kamer en Senaat. Ik wil weten of het klopt dat Féret met het geld van de partij voor 30.000 euro software gekocht heeft voor zijn nieuwste hobby: digitale fotografie. Hij had misschien beter de factuur van die man met de website betaald. Er zijn nog van die toestanden.”

“Wij denken ernstig aan een klacht bij het gerecht. En als u echt een antwoord wilt: als Féret in maart nog wat te zeggen heeft bij het FN, dan stap ik eruit. Eén ding staat nu al vast. Wil het FN in 2007 in heel Wallonië lijsten neerleggen, dan volstaan de handtekeningen van twee senatoren. Zijn die er niet, dan moeten vijfduizend burgers worden gevonden om hun handtekeningen te zetten. Ik zeg u: zit Féret daar in 2007 nog, dan teken ik niét.”

De partij wordt nu geleid door een kwartet bestaande uit vertegenwoordigers van elk parlement: Delacroix, Cocriamont, Charles Petitjean (Waals parlementslid) en Daniel Féret. “Terwijl er in werkelijkheid niets verandert”, zegt Manu Abramowicz, FN-watcher van het tijdschrift Résistances. “Daniel Féret blijft de leider, nu misschien wat meer omringd door zijn luitenanten.”

Luitenant kun je geweest zijn, je kunt het ook weer worden. Patrick Sessler, een jaar geleden nog leverancier van smeuïge verhalen over Féret, is intussen weer toegetreden tot het FN. Hij was uitgeweken naar het Vlaams Blok als secondant van de Brusselse voorman Johan De Mol – een oude bekende trouwens van Cocriamont. Samen zaten ze eind jaren zeventig nog bij de terreurgroep Front de la Jeunesse. Sessler keerde naar de oude stal terug nadat een andere Franstalige Vlaams Blokker, gemeenteraadslid Paul Arku in Evere, in aanvaring was gekomen met de partij. Het was niet helemaal tot Arku doorgedrongen dat het Blok de creatie van een Vlaamse staat beoogt.

Arku raakte bij het FN meteen verkozen op een hoger echelon. Hij zetelt nu naast Féret, diens maîtresse en nog iemand in het Brusselse Parlement. Daar zet de FN-fractie de traditie verder. Ze doet niets. Het viertal zit er alleen maar bij om wat centen te vangen en onschendbaar te zijn.

Velen hebben al zitten dromen dat de Vlaamse geestesgenoten van het FN ook ooit zouden verworden tot zo’n chaotisch kluwen. “Dat zal nooit gebeuren”, zegt Jacqueline Merveille. “Als je midden in die partij zit, weiger je het te geloven, maar nu heb ik ze wel zitten bestuderen.

Die oude dossierstukken die op het internet circuleren over het verleden van Daniel Féret als agent van de Staatsveiligheid (op de site van de rivaliserende exteem-rechtse partij FNB, DDC). Hij zou al jaren zijn belast met de missie om alles naar zich toe te trekken, tussendoor persoonlijk financieel profijt te halen en altijd weer keet te schoppen. Zodat na elk succes de neergang volgt.”

“Ik weet niet wat ervan klopt, maar als je kijkt naar de praktijk is dit wel heel exact wat Féret al jaren doet.”

Tja. Wie is de good guy, wie de bad guy? Misschien is inderdaad om het even wie een betere leider van het FN dan hij die het twintig jaar lang was.

Bron » De Morgen

Alleen tegen de schurkenstaat

In ‘Schurkenstaat België, de samenzwering tegen Benoît de Bonvoisin’ publiceert advocaat Mario Spandre de achtergrondinformatie waarmee hij Benoît de Bonvoisin, bijgenaamd de Zwarte Baron, uit de klauwen van het gerecht en… van de media heeft gehaald. Hij bereidt nu een miljoenenclaim voor tegen de Belgische staat.

Eliane De Wilde, de conservator van de Koninklijke Musea van Schone Kunsten van België, wist niet wat haar overkwam. Tien jaar geleden, midden juli 1994, bood zich bij haar een deurwaarder aan die beslag kwam leggen op een tiental topwerken uit haar collectie, waaronder een Rubens, twee Memlincs, vier werken van Rogier van der Weyden en een Hugo van der Goes. Er werd ijlings over en weer gebeld met de voogdijminister, de Luikse PS’er Jean-Maurice Dehousse. Maar dat bracht ook geen uitkomst.

De deurwaarder handelde in opdracht van Mario Spandre, de raadsman van een veertigtal Belgen die indertijd in Congo de dupe waren geworden van het zaïriseringsbeleid van dictator Mobutu Sese Seko. De Belgische staat had zich ertoe verbonden de slachtoffers van die nationaliseringen te vergoeden. Maar de betaling van de verschuldigde 600 miljoen frank liet al te lang op zich wachten. Daarom liet Mario Spandre beslag leggen op de kunstwerken – conservator De Wilde vond de keuze van de advocaat getuigen van erg goede smaak.

Mario Spandre heeft in zijn leven de Belgische staat al voor ruim 25 miljoen euro lichter gemaakt. Volkomen legaal. Spandre is een advocaat, een zeventiger, die niets liever doet dan in het krijt treden met de overheid. Dat houdt hem kwiek, vindt hij.

Vandaag bereidt hij nog maar eens een miljoenenclaim voor. Dit keer in de zaak van de ooit als ‘Zwarte Baron’ gebrandmerkte Benoît de Bonvoisin.

Vanachter zijn bureau kijkt Spandre uit over het fraai aangelegde Schumanplein en de fonkelende hoofdkwartieren van de Europese Unie. Binnen handbereik staat een uitgelezen bibliotheek met africana en met alle klassiekers over Congo. Mocht Katanga onafhankelijk zijn gebleven, dan woonde Spandre vandaag wellicht in Lubumbashi, vroeger Elisabethstad, zijn geboorteplek.

De Spandres zijn Italianen van afkomst. Of eigenlijk niet. Hun echte naam is Spandauer, maar toen de voorouders van de advocaat, een Duits geslacht van typografen, zich in de 19e eeuw in Turijn kwamen vestigen om er voor de hertogen van Savoie te werken, kreeg de naam gaandeweg een Italiaanse verklanking. De vader van Mario Spandre, drukker van professie, was ook een muzikant. Na omzwervingen in Zuid-Afrika, waar hij in handgemeen raakte met de Boeren, en Argentinië, waar hij in het operaorkest speelde, strandde hij uiteindelijk in Elisabethstad.

Moïse Tsjombe

Vader Spandre werd de drukker van L’Etoile du Congo, de latere L’Essor du Congo, een krant met een zeker gezag. ‘De krant was eigendom van kardinaal de Hemptinne, van een logebroeder en een joodse investeerder’, lacht Spandre. ‘Dat moest dus fout lopen – wat ook gebeurde.’ Waarop vader Spandre een boerderij en melkveehouderij begon. Het is daar, vlakbij Elisabethstad, dat Spandre opgroeide. Het is daar ook, in een villa van de buren, dat in 1961 Patrice Lumumba en enkele medestanders werden vermoord, in opdracht van de Amerikaanse inlichtingendienst CIA en de nieuwe Congolese sterke man Mobutu.

Spandre heeft nog getuigd voor de Lumumba-commissie. ‘Maar ze wilden daar de waarheid niet horen’, zegt Spandre fijntjes. ‘Ze wilden alleen vernemen wat koning Boudewijn en wat eerste minister Gaston Eyskens wisten. En die wisten van niets.’

Spandre kent de Lumumba-affaire. Hij heeft de meeste betrokkenen in de zaak gefrequenteerd, onder wie de CIA-vertegenwoordiger in Leopoldstad, Lawrence Devlin, die na goedkeuring van de Amerikaanse president John F. Kennedy Lumumba liet uitschakelen.

Na zijn rechtenstudies in Brussel kwam Spandre in contact met Moïse Tsjombe, die in 1960 de onafhankelijkheid van de mijnprovincie Katanga (nu Shaba) uitriep. Toen Tsjombe later met de hulp van Franse huurlingen en de Portugese veiligheidsdiensten een poging tot staatsgreep tegen Mobutu ondernam, verbleef Spandre in het Ritzhotel in Lissabon waar hij wachtte op het signaal dat de coup was geslaagd. Maar de Amerikaanse diensten raakten op de hoogte. Die lieten via de ambassadeur in Lissabon aan de Portugezen weten dat ze in Washington ‘zeer ongelukkig’ zouden zijn mocht Tsjombe zijn plannen doorzetten. Waarop het manoeuvre werd afgeblazen. Wat later, in 1967, werd Tsjombe in Spanje ontvoerd, met de hulp van de Fransen en zeker met het medeweten van Devlin, dus van Wash-ington. De Katangese leider werd in Algiers geïnterneerd. Hij overleed er in 1969.

In het voorwoord bij zijn exposé over de zaak-Bonvoisin dat deze week in de boekhandel ligt, verwijst Spandre heel even naar de Tsjombe-episode. ‘De fondsen voor de ontvoering werden via België aangeleverd. Het geld kwam van Mobutu, via Pierre Davister, de uitgever van het weekblad Spécial, en transiteerde via een rekening bij de Banque Bruxelles Lambert. Procureur-generaal Ganshof van der Meersch van het hof van cassatie heeft er alles aan gedaan om het onderzoek naar deze zaak onder de mat te houden. Want Mobutu moest, en zou, in Congo aan de macht blijven’, houdt Spandre vol.

Extreem-rechts

‘Er zijn zoveel zaken die de burgers van dit land nooit te weten komen. Drie ministers van Justitie – wijlen Jean Gol, een liberaal, de socialist Philippe Moureaux en christen-democraat Melchior Wathelet – hebben toegelaten dat Benoît de Bonvoisin het leven onmogelijk werd gemaakt en dat zijn carrière werd gebroken door een dossier van de Staatsveiligheid dat op pure fictie berustte’, zegt Spandre terwijl hij parmantig zijn papieren bijeenraapt. ‘De schade die hier door de Belgische staat werd aangericht, is enorm. Wij gaan daar nu een prijs op zetten.’

Toen Spandre in 1995 door Benoît de Bonvoisin in de arm werd genomen, kende hij van het dossier alleen wat hij in de kranten had gelezen. Het was een stafhouder die Bonvoisin naar Spandre bracht. Hij had immers de reputatie er niet voor terug te schrikken om de staat zelf aan te vallen.

In 1981 was via onder meer de krant De Morgen een nota van de Staatsveiligheid gelekt. Daarin werd Bonvoisin omschreven als een heuse fascist die via zijn bedrijven Cidep en PDG het Front de la Jeunesse, en dus extreem-rechts in België, financierde.

‘Bonvoisin was voor die tijdsgeest geknipt als schuldige’, zegt Spandre.’ Het gonsde in die jaren tachtig van de geruchten over plannen voor een staatsgreep. Er was de rakettenkwestie, de aanslagen van de CCC, de Bende van Nijvel. Alle getuigenissen waren eensluidend: de overvallen van de Bende van Nijvel waren het werk van professionals. De bende maakte 28 dodelijke slachtoffers en het gerecht vond niet eens het begin van een spoor. Extreem-rechts zit achter de aanslagen, werd gefluisterd. De enige dienst die contact had met extreem-rechts was de Staatsveiligheid. Die was Westland New Post geïnfiltreerd en had die organisatie zelfs gesteund.’

In 1981 moest de Bende van Nijvel nog aan zijn reeks moordende overvallen beginnen, maar de naam van Benoît de Bonvoisin was al gevallen.

Bonvoisin, van adellijken huize, is een wat excentrieke heer die in kringen van Franstalige christen-democraten omging.

De Bonvoisins, een familie van textielfabrikanten, zijn afkomstig uit Petit-Rechain bij Verviers. Bonvoisins grootvader was Alexandre Galopin, de gouverneur van de Generale Maatschappij van België die tijdens de oorlog op bevel van de Duitse Gestapo werd vermoord. Zijn grootmoeder was de dochter van Gustaaf Verriest, broer van Hugo Verriest. Een andere overgrootoom was Victor Besme, de baron Haussman van Leopold II, die Brussel een moderne aanblik gaf. Zijn vader, Pierre de Bonvoisin, was eveneens een topman van de Generale Maatschappij.

Vrij jong kwam Benoît de Bonvoisin terecht in de kring rond Paul Vanden Boeynants, de sterke man en Brussels stemmenkanon van de PSC. VDB installeerde Bonvoisin aan het hoofd van het Cepic ( Centre Politique des Indépendants et des Cadres), een evenknie van het Vlaamse NCMV ( Nationaal Christelijk Middenstandsverbond). Dat Cepic werd de motor van de centrumrechtse PSC.

Front de la Jeunesse

Het waren erg woelige tijden. De kolonels waren nog aan de macht in Griekenland, Franco in Spanje, in Vietnam voerden Amerikaanse GI’s een uitzichtloze oorlog en het communistische Oost-Europa lag nog achter het IJzeren Gordijn.

‘Links’ en ‘rechts’ waren in die dagen geen ijdele woorden. En de groep rond VDB zat in het rechtse kamp. Gaandeweg werd Vanden Boeynants door de media zelfs in ultrarechtse hoek geduwd. In VDB’s entou-rage immers werden mensen gesignaleerd als majoor Jean Bougerol, die graag conferenties mocht beleggen over het sluipende communistische gevaar. De organisatie achter de conferenties van Bougerol en de publicatie van Inforep, een persoverzicht dat als een sonar elke vorm van linkse subversie registreerde, was het zogeheten Public Information Office. In de Vlaamse media vooral werd PIO als een soort inlichtingendienst afgeschilderd. En via die PIO was de link naar plannen voor een staatsgreep en later de Bende van Nijvel snel gelegd.

In maart 1983 werden de eerste geruchten over een mogelijke staatsgreep vreemd genoeg gelanceerd door het extreem-rechtse Nouvel Europe Magazine. In dat artikel werd ook het bestaan onthuld van Westland New Post, de extreme loot van het Front de la Jeunesse.

Was het bericht in Nouvel Europe Magazine een repliek op het lekken twee jaar eerder van de nota van de Staatsveiligheid over Benoît de Bonvoisin? Of was het WNP een poging om te infiltreren in de Staatsveiligheid? Knappe koppen die daar na al die jaren nog wijs uit raken. Emile Lecerf, de baas van Nouvel Europe Magazine, leefde in elk geval op vriendschappelijke voet met de top van de Staatsveiligheid, maar ook met de Israëlische inlichtingendiensten.

‘Mijn enige band met al dat volk was dat het Front de la Jeunesse een bureau had in het pand dat ik aan Nouvel Europe Magazine verhuurde’, zou Bonvoisin later aan Knack vertellen. Bonvoisin heeft altijd volgehouden dat het lekken van de nota en de bijgeleverde bewijsstukken één grote machinatie was van de Staatsveiligheid, toen nog geleid door de mysterieuze Albert Raes.

Raes, beweerde Bonvoisin, heeft hem nooit vergeven dat hij in een nota voor minister van Defensie Vanden Boeynants parlementaire controle eiste op de diensten van de Staatsveiligheid. Bonvoisin had ook van de Franse inlichtingendiensten vernomen dat de Staatsveiligheid lekte als een mandje en hij had dat publiekelijk herhaald.

Bovendien stonden Raes en Vanden Boeynants ook op gespannen voet met elkaar. Een gevolg van de Congo-crisis. Terwijl de regering troepen stuurde naar Congo, werden hier huurlingen geronseld om op de Belgische para’s te schieten. Volgens Vanden Boeynants had Raes verzuimd de regering daarover in te lichten.

Bonvoisin vogelvrij

Volgens Spandre beginnen de moeilijkheden van Bonvoisin met de nota van de Staatsveiligheid. Want die leidt tot nieuwe onderzoeken die ‘de Zwarte Baron’ zoals hij intussen in de media wordt genoemd, voor het gerecht brengen. Het kostte hem bij een eerste veroordeling vijf jaar opsluiting wegens oplichting, verduistering, bedrieglijk bankroet en valsheid in geschrifte bij het beheer van PDG en Cidep. Na een eerste behandeling in beroep werd Bonvoisin prompt aangehouden. Een van de magistraten die optrad in de zaak tegen Bonvoisin was de latere substituut Jean-François Godbille van de financiële sectie van het hoofdstedelijke parket, een voormalig lid ook van Cepic, die goede banden onderhield met Opus Dei. Later zou Godbille terechtkomen op het kabinet van de liberale minister van Financiën Robert Hatry.

Toenmalig minister van Justitie Jean Gol zou ooit voor het parlement bevestigen dat Bonvoisin in verdenking was gesteld op basis van feiten verzameld door de Staatsveiligheid. Latere ondervragingen van agenten van de Staatsveiligheid hebben dat bevestigd.

Maar de vereffenaar aangesteld door de Brusselse handelsrechtbank, zo raakte later bekend, zou nooit één onregelmatigheid in de bedrijven van Bonvoisin vaststellen. Godbille zelf zou in 1989 voor de parlementaire Bende-commissie toegeven dat de gelekte nota van de Staatsveiligheid eigenlijk een vervalsing was.

Volgens Spandre zijn de daaropvolgende beschuldigingen, zoals de heling van een zilveren dodenmasker dat aan een religieuze orde toebehoorde en het vermeende aandeel van de baron in het Luikse parkeermeterschandaal – twee zaken waarin hij werd vrijgesproken – een gevolg van de manoeuvres van de Staatsveiligheid.

Naderhand was er geen dossier te bedenken waarmee Bonvoisin niet in verband werd gebracht: de roze balletten, de Bende van Nijvel, later nog de affaires Dutroux en Nihoul. Bonvoisin was vogelvrij verklaard. ‘De manier waarop Bonvoisin door enkele van zijn advocaten werd verdedigd, heeft hem ook geen goed gedaan’, zegt Spandre.

Een van die advocaten was de bekende Xavier Magnée, ooit een compagnon van wapenhandelaar Roger Boas en onlangs in de actualiteit als advocaat van Marc Dutroux. Magnée had Bonvoisin verzekerd dat hij, voor een honorarium van twee miljoen frank, al die moeilijkheden met de Staatsveiligheid kon rechttrekken.

Een vervelende brief

Het was Magnée die, zonder het te beseffen, Spandre het breekijzer leverde waarmee hij uiteindelijk de vrijspraak van Bonvoisin afdwong. ‘Uit een brief van Magnée bleek dat hij met hoge magistraten had overlegd over wat Bonvoisin moest doen om niet te zwaar gestraft van de zaak af te raken’, vertelt Spandre. ‘Het is toch schandalig dat een advocaat overlegt met de magistraten over de straf die zijn cliënt zal worden opgelegd, terwijl diezelfde cliënt onschuldig pleit.’

Spandre wilde de brief van Magnée aan het hof van beroep voorleggen, maar de rechter verbood hem dat. Want daarmee zou de confidentialiteit tussen advocaat en cliënt worden geschonden. Maar, hield Spandre vol, die confidentialiteit dient om de cliënt, die zich moet verdedigen, te beschermen. In dit geval had Bonvoisin geen enkel voordeel bij het in stand houden van die confidentialiteit. Integendeel. Maar de rechter dreigde ermee Spandre aan te klagen bij de stafhouder als hij bij zijn voornemen bleef om de brief openbaar te maken.

‘Ik ben dan zelf naar de stafhouder getrokken’, herinnert Spandre zich. ‘Die zat op de lijn van het hof van beroep. Ik vroeg hem: “Verbiedt u mij om de brief te gebruiken? Zo ja, dan dien ik meteen klacht in bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.” Hij wist dat ik al eens eerder, in de zaak van de verkoop van het Palace Hotel, de stafhouders voor het Europees Hof had gedaagd en had gewonnen – dat scheelde voor mijn cliënt meteen 115 miljoen frank.’

‘Ik zei nog tegen de stafhouder: “U kunt me ook aanklagen voor de raad van de orde. Maar dan wordt de hele zaak publiek gespeeld. En daar zal ik pleiten dat de Orde van Advocaten de waarheid tracht te verdonkeremanen.”

‘Ik heb daarop de brief van Magnée toch aan de rechters in beroep voorgelegd. Maar de voorzitter, heel slim, heeft de brief buiten de debatten gehouden. Maar dat gaf mij de mogelijkheid om naar cassatie te trekken. Aanvankelijk weigerde de advocaat die voor cassatie moest pleiten de brief van Magnée voor te leggen. Ik heb hem daar dan toe gedwongen. En uitgerekend dat element heeft cassatie gebruikt om het arrest van het hof van beroep tegen Bonvoisin te verbreken. Waarop er een nieuw proces volgde, nu voor het hof van beroep in Mons, dat op 12 mei 2000 Bonvoisin niet alleen vrijsprak, maar in het arrest ook nog eens het hele onderzoek tegen hem en de aanpak van de onderzoekers aan de kaak stelde.’

‘Twintig jaar lang werd een individu vervolgd’, hamert Spandre. ‘Met alle ontsporingen tot gevolg. Dat gebeurde met het medeweten van ministers, rechters, onderzoeksrechters, griffiers en journalisten.

‘Als ik aan de rechters vroeg te onderzoeken of sommige journalisten niet betaald waren door de Staatsveiligheid, hebben ze geweigerd gevolg te geven aan dat verzoek. Er zijn daar valse verklaringen afgelegd voor parlementaire commissies, verklaringen onder ede!

‘Al die inspanningen om één man te treffen. Maar nog altijd is er geen spoor van de lui, de Bende van Nijvel, die 28 mensen hebben omgebracht. Dat stemt toch tot nadenken over de rol van de staat. Niet?’

Bron » Knack | Rik Van Cauwelaert

Bende-mysterie blijft

Het mysterie rond de Bende van Nijvel blijft. Tussen 1982 en 1985 werden 28 mensen gedood bij ongemeen brutale overvallen. Zwaar bewapende en gemaskerde mannen schoten wild om zich heen en verdwenen met een vaak verwaarloosbare buit. De auto’s die ze bij hun raids gebruikten, lieten ze stukgesneden of volledig uitgebrand achter in de bossen.

Parallel met de overvallen van de Bende waren er – in 1984 en 1985 – de aanslagen van de CCC. Het land was in shock. Mensen durfden geen warenhuis meer binnenstappen. Ondertussen lopen de daders nog altijd op vrije voeten. Allerlei hypotheses werden geopperd: gangsters, terroristen, gangmakers voor een extreem-rechtse samenzwering, rijkswachters die een staatsgreep voorbereidden…

Twee parlementaire onderzoekscommissies bogen zich over het onderzoek, de eerste eind jaren tachtig (1988-1990), de tweede in 1996-1997. De commissies kwamen met aanbevelingen voor hervormingen van het gerecht en van de politie. Als experts van tweede Bende-commissie, maakten de Leuvense hoogleraren Cyrille Fijnaut en Raf Verstraeten een doorlichting van het Bende-onderzoek. In hun lijvig rapport – twee boekdelen van samen 1.200 pagina’s – rekenden ze af met allerlei indianenverhalen.

De hypothese dat extreem-rechtse organisaties (Front de la Jeunesse, Westland New Post) achter de aanslagen zouden zitten, in een poging om de staat te destabiliseren, werd wel degelijk ernstig genomen, maar ze leverde niks op. De experts vonden ook geen enkele band tussen de Bende en de “roze balletten”. Volgens die thesis zouden slachtoffers van de Bende van Nijvel hebben deelgenomen aan seksfuiven en werden ze tijdens een “gecamoufleerde liquidatie” uit de weg geruimd.

De hoogleraren Cyrille Fijnaut en Raf Verstraeten stelden in hun rapport wel “hallucinante samenwerkingsmoeilijkheden” vast tussen de onderzoeksteams in de verschillende gerechtelijke arrondissementen (Nijvel, Charleroi, Dendermonde). 

Bron » De Standaard